Maar het was Betsy geen ernst geweest met haar stugge en hondsche

afwijzing der belangstelling van Sarinah. Zij had, integendeel,

behoefte om te praten over haar noodlot en over den strik, dien het

haar nu weer had gespannen.

„Je hadt gelijk, nèh!” ging ze voort; „je hadt gelijk laatst: het is

waar, ik heb altijd ongeluk.”

„Altijd,” bevestigde de oude, „ik zag het al bij uw geboorte.”

Betsy rilde er van, want dááraan geloofde zij vast.

„Ik wou dat het veranderen kon,” zei ze, ofschoon zij overtuigd was,

dat er niets aan te veranderen viel.

„Als de goede geesten willen, kan het,” meende Sarinah, „maar als de

kwade sterker zijn kan het niet.”

Het was in elk geval een kansje, dacht Betsy; maar zij rekende er niet

op.

„Dan zijn de kwade het sterkst, nèh! Dat ondervond ik weer in den

laatsten tijd.”

„Is er dan weer iets?”

Een oogenblik dacht Betsy na; toen draaide zij de oude den rug toe en

zei nijdig:

„Och, niets! Er is niets.”

Bij de tinka’s van haar „nonna” bleef de oude precies, zooals zij

twintig jaren te voren daarbij gebleven was. Zij toonde volstrekt geen

nieuwsgierigheid; ze wist, dat het toch wel komen zou.

En het kwam spoedig genoeg.

Onstuimig schudde Betsy het hoofd en de tranen overstroomden weer haar

oogen; zij sloeg met de vuist op haar borst; de fraaie equipage van

Bronkhorst was haar plotseling voor den geest gekomen en dàt deed haar

de volle uitgestrektheid van haar noodlot nog dieper beseffen.

„Is het zóó erg?” vroeg Sarinah.

„Och nèh! er is nu iemand met wien ik zou willen trouwen en die het mij

zou willen.....”

„En hij is niet arm?”

„Neen zeker niet: hij is rijk; hij heeft een mooi huis; hij heeft ’n

fraaie equipage en hij verdient wel twee of drie duizend in de maand.”

„Jammer, dat hij getrouwd is.”

Betsy vloog op als buskruit en gaf de oude met hare vlakke hand een

klap op den schouder, die kort en hard door de kamer klonk, alsof zij

had geslagen op een plank.

„Je bent een brutaal, oud beest.”

„Oeah!” haalde de oude languit. „Als hij rijk is en hij wil, waarom zou

hij dan niet als hij kon?”

„Hij kan niet,” bevestigde de jonge vrouw in haar moedeloosheid

terugvallend; „hij kan niet! Het is waar, nèh, waarom zou ik het tegen

jou niet zeggen? Ik heb niemand anders op de wereld en je bent ’n ouwe

trouwe ziel.”

Volkomen gewoon, dat er zoo met haar werd omgesprongen en dat zij in

een minuut van een verworpeling een engel werd en omgekeerd, grijnsde

Sarinah.

„Het is niet noodig. Ik weet wel wie.”

Half boos, half nieuwsgierig richtte Betsy zich op en stak haar

gezicht, thans haast geheel onder het zwarte haar begraven, vooruit. En

steunend op het vlak harer handen, zoodat haar lenige armen eenigszins

naar binnen ombogen, zei ze driftig:

„Ajo, zeg op, ajo!”

„Als het meneer de notaris niet is, dan is het een ander.”

„Masa!..... Oude heks!” zuchtte Betsy, en zij liet zich achterover in

haar kussens vallen.

Zoo lag ze een oogenblik stil, de oude bewonderend om haar slimheid;

toen nam haar verdriet weer de overhand en plukkende aan den breeden

gewerkten rand van het kussensloop, zei ze langzaam en droevig

droomerig: „Ja, het is zoo, nèh! Nu zie je, dat ik de waarheid heb

gesproken; er is niets aan te doen; het is weer mijn ongeluk. Hij zou

mij trouwen, dat weet ik zeker, als die andere er niet tusschen zat.

Wáárom moeten ze ook altijd die onhebbelijke totoks hierheen halen,

alsof er hier geen vrouwen en meisjes genoeg zijn! Maar soedah! het is

niet anders; ik moet er maar niet meer aan denken; er is toch niets aan

te doen.”

Er kwam een oogenblik pauze; wel een minuut. Betsy luisterde met

kloppend hart of de oude niets zou zeggen, en deze, die uit het bed was

gegaan omdat het pidjiten was afgeloopen, gleed steunend en grommend

weer in haar lang blauw baadje; toen ze er in zat, en ze haar

sarongband wat vaster had aangetrokken, kwam ze naar het bed terug, en

met haar rimpelige handen steunend op den ijzeren rand van het

ledikant, zag ze, knippend met haar doffe oogen, Betsy aan en zei:

„Misschien!”

Het kostte de jonge vrouw moeite haar bedaardheid te behouden. Zij had

wel iets verwacht van dien aard, en haar geheele verzuchting was er op

ingericht geweest om zoo iets uit te lokken, maar nu het kwam, viel het

haar als een steen op het hart en werd ze weer bang voor de oude, net

als ze dien avond geweest was toen ze haar twee gouden tientjes had

gegeven om de natuur ’n handje te helpen. Maar ze hield zich goed en

schokschouderde met minachting.

„Je bent gek, nèh!”

„Soedah! Als nonna het beter weet.”

„Ik weet niets beter, en ik wil niet wijzer zijn dan een ander, maar ik

geloof niet, dat het helpt, nèh!”

„Als hij van u houdt, dan moet het helpen; de kleine menschen weten

maar weinig, doch zij kennen de aarde van hun land en wat er op groeit

beter dan de blanda’s, die er over heen rijden.”

„Klets maar niet. Jullie bent toch maar allemaal dom volk! Vertel

liever wat er moet gedaan worden; doch ik doe niets, hoor!”

Langzaam richtte Sarinah zich op en scharrelde naar haar hoek, waar de

mat lag op den vloer.

„Als de nonna een klein kind is, dan ga ik mijn slendang halen, en dan

heb ik niets gezegd.”

Een oogenblik was zij met haarzelve in tweestrijd. Zij had veel gehoord

over de werking van zekere inlandsche middelen, en zij geloofde er vast

aan; maar ze had er nooit eenig gevolg van gezien of ondervonden; wie

weet of het niet veel erger zou worden, dan zij dacht; of niet de

resultaten ernstige onaangenaamheden na zich zouden sleepen. Doch wat

deed het er toe? De prijs was den inzet waard; zij was er ten slotte

persoonlijk buiten, als Sarinah het deed; er mocht dan van komen, wat

er wilde.

Ze stond op en ging naast de oude zitten op de mat, ook met haar beenen

gekruist onder haar.

„Wees niet kwaad, oudje,” zei ze vleiend. „Je weet wel dat nonna veel

van je houdt.”

Er kwam geen antwoord; Sarinah trok een gezicht alsof ze die verklaring

van genegenheid maar half geloofde, en ze zuchtte, steunend en

mompelend.

„Kom, zeg het dan maar!”

„Ik kan niets zeggen; ik weet er zelf maar weinig van.”

„Wat praat je dan?” vroeg Betsy driftig.

„Mijn zoon weet het.”

„Je zoon? Welke? Die dikke, die laatst hier op het erf was en me zoo

brutaal aankeek, dat ik hem een standje maakte?”

„Ja, die. O, hij is niet verlegen voor Europeesche vrouwen. Ik weet,

dat er een is, die dikwerf bij hem komt, en die als hij het wilde, bij

hem aan huis zou komen wonen om geheel zijn vrouw te worden.”

„Zoo’n slet!” viel Betsy uit, wier hoogheidsgevoel erg werd gekwetst

door het denkbeeld, dat een Europeesch meisje zich niet ontzien zou de

vrouw te worden van een Inlander.

De oude stoorde zich aan dien uitval niet; zij haalde de schouders op,

als wilde zij te kennen geven, dat het, volgens haar wijsbegeerte,

alles sama djoega was.

„En waarom komt ze dan niet heelemaal bij hem inwonen?”

„Zij zou het doen, als het hier een groote stad was, waar de menschen

niet zoo naar alles kunnen kijken. Het is hier maar klein; iedereen zou

het weten; mijn zoon zou misschien onaangenaamheden krijgen met den

resident, als die er zich mee mocht bemoeien.”

„Hoe heet je zoon? Ik begrijp niet, dat ge nooit vroeger van hem hebt

gesproken. Vóór we hier kwamen, wist ik niet dat hij bestond.”

Grijnzend lachend, zoodat haar half geopende tandelooze mond, van

binnen rood van het sirih-kauwen, een breede open wond geleek, zei ze:

„Ik heb veel kinderen, van veel vaders. Er was een tijd, dat de oude

Sarinah een mooie jonge vrouw was. Zij was nu eens hier, dan daar. Haar

kinderen zijn over heel Java verspreid.”

Langzaam knikte Betsy met het hoofd op en neer, terwijl ze met

saamgeknepen lippen om niet te lachen, het oude monster bekeek.

„Ja, ik geloof dat je een best merk bent geweest! Maar zeg me nu eens

van dien zoon. Hoe heet hij, waar woont hij, en wanneer kan hij het aan

je geven?”

„Zijn naam is Ketjil.....”

„Masa, zoo’n dikke kerel!”

„Een naam is zoo goed als een andere. Hij woont naar het Zuiden.....

vèr!.....”

„Daar heb ik veel aan! Enfin, verder?”

„Het duurt lang vóór hij kan geven, wat wij noodig hebben; hij moet er

een groote reis voor doen; een reis naar den anderen kant van Java, in

het Zuiden waar ook de zee is.”

„Oeah!” riep Betsy, verbaasd over de noodzakelijke reis naar het

Zuiderstrand, en half denkend dat de oude haar fopte: „Oeah! Jij zegt

maar.”

„Het is wezenlijk waar. En daarom kost het veel geld, heel veel.”

’t Schrikte Betsy niet af. Als een Europeaan van „heel veel” geld zou

gesproken hebben, ware het iets anders geweest; inlanders noemden ’n

betrekkelijke kleinigheid al heel spoedig een schat. In elk geval

meende zij te moeten tawarren.

„Ik heb niet zooveel geld. Je weet heel goed, dat ik maar arm ben.”

„Wat het kost, moet het kosten. Niemand kan er iets aan veranderen.”

„Nu, hoeveel denk je?”

„Zeker weet ik het niet. Misschien drie- of vierhonderd gulden;

misschien minder.”

„Masa, nèh, dat is veel, ja? En dan? Wat gebeurt er dan? Ik heb er wel

’n heele boel van gehoord, maar ik heb het nooit gezien. Heb jij het

wel eens gezien, nèh. Toe, vertel eens.”

„Ik heb het gezien, maar ik kan het niet vertellen. Ik spreek er niet

over; het is niet goed.”

Betsy wist, dat als de oude er zoo over dacht, daartegen niets te doen

viel. Zij drong er daarom niet verder op aan, hoe nieuwsgierig zij ook

was.

„Wanneer vraag je het Ketjil?”

„Morgenochtend zal ik naar hem toegaan met een karretje. Als hij thuis

is.....”

„Je moet maar vroeg gaan, dan zal hij nog wel thuis wezen.”

„Misschien. Ik zal vroeg gaan; het is nu tijd om te slapen.”

Langzaam stond Betsy op en ging naar haar bed. ’t Was tegen wil en

dank, want ze had nog wel veel meer willen weten; het zwijgen en het

eindigen van het gesprek lieten haar geheel onvoldaan. Het eenige, wat

ze nu wist, was, dat het haar ’n aardig duitje kosten zou. Voor de rest

bleef ze zoowat even wijs. Maar dat schokte haar geloof en vertrouwen

niet, en het denkbeeld, hoe vaag en betrekkelijk onbeslist, had haar

zeer opgewonden en haar het bloed naar het hoofd doen stijgen; het

hield haar bezig en voerde haar fantaisie tot de grootste

buitensporigheden; onrustig wentelde zij zich van den eenen kant op den

anderen, de oude meid benijdend, die rustig ronkte op haar mat.

Prédier had het erg druk gehad. Hij was in den laatsten tijd zóó in de

weer geweest met het bouwen van woningen en het in orde brengen van het

terrein, dat er geen uur overschoot om aan de liefde te denken. Nu het

er, zooals hij ’t noemde, een beetje op begon te lijken, kwam hem de

kwaal weer plagen. Zoolang hij overdag aan het werk was, ging het, maar

als hij ’s avonds in z’n eentje in de binnengalerij zat—want het land

lag hoog en ’t was buiten koud—dacht hij aan de mooie oogen van de

weduwe Den Ekster. Het was waar, dat op ’t partijtje bij de Vijzels

Betsy minder stug tegen hem was geweest, dan zij wel scheen te willen,

dat Bronkhorst dacht. Zijn eenigszins onbeholpen, maar goed gemeende

hulde streelde haar, gelijk haast elke hulde elke vrouw. Ook was zij te

verstandig om zonder noodzaak een niet kwade kans moedwillig geheel weg

te werpen. Men kon nooit weten! Er was wellicht, zoo dat noodig moest

zijn, op terug te komen.

Hij had het aangenomen voor goede munt, en als zij hem eens bemoedigend

toeknikte of een flauw glimlachje schonk, dan meende hij daaruit te

mogen opmaken, dat hij haar niet geheel onverschillig was.

En met die overtuiging was hij weer naar ’t gebergte getrokken, waar de

frissche opwekkende lucht hem nog verliefder maakte dan hij was.

Plannen had hij genoeg gemaakt, maar ’t kwam hem voor, dat er nogal

bezwaren tegenover stonden. De hoofdzaak was of ze hem wilde hebben.

Een positie had hij, meende hij, en zoo alleen te leven in „de

wildernis” lachte hem allesbehalve toe. Daarom achtte Prédier zich

genoopt een besluit te nemen. Meer man van actie dan van pikiren,

besloot hij het „zaakje” maar spoedig af te doen, en toen hij zoover

was, duurde het ook geen vier en twintig uren of hij zat, gelijk hij

het noemde, in de warmte en onder de menschen.

Bronkhorst zat op zijn kantoor en achter zijn schrijftafel, doch hij

werkte niet. Hij keek in gedachten recht voor zich uit in de donkere

open vakjes van een oude, stoffige kast, waarin het binnenvallend licht

driehoeken teekende. Niet als naar gewoonte kraste zijn pen de minute

eener akte of het concept van een overeenkomst; hij had haar wel in de

hand en een boek groot formaat Hollandsch schrijf voor hem op de tafel,

maar de eene minuut ging na de andere voorbij, zonder dat zijn

gewoonlijk zoo vlugge hand over ’t papier schoof. Zijn gedachten

dwaalden af als die van een jongen van twintig, absent soms, verstrooid

dikwerf, als moeder natuur hem op ongelegen oogenblikken in het ootje

neemt.

Nu hield de notaris zich niet bezig met kantoorzaken. Hij dacht aan de

avondjes van den laatsten tijd, aan Betsy en aan muziek; hij voelde

iets jeugdigs in zich, dat hem goed deed, waarin hij geen kwaad zag, en

waaraan hij dacht met genoegen, zich verdiepend in allerlei

bijzonderheden, verwijlend bij een gesproken woord, een uitroep of een

lach; zich verbazend, dat hij het alles zoo goed had onthouden en het

hem voor den geest stond, als zag en hoorde hij het nog.

Een luide tred op het galerijtje leidde hem af en machinaal schreef hij

op ’t blanke papier: „Op heden, enz.”

„Zoo jongelui, hoe maken jullie het? Goed. Nu, dat doet me pleizier! je

ziet er anders wel ’n beetje pips uit, zeker van de warmte hè? Jullie

moet eens aan je baas ’n week of wat verlof vragen en bij mij boven ’n

kouden neus komen halen.... A propos, is de notaris binnen?.... Ja? Dan

loop ik even binnen.”

Twee harde tikken met zijn knokkels tegen het scheidend schutsel en een

seconde later stond Prédier voor Bronkhorst, die juist de eerste

letters schreef van den voornaam van den persoon, die naar het heette

op dat moment voor hem „compareerde,” of, gelijk een geest, voor hem

„verscheen.”

„Goeden morgen! Hoe gaat het? Druk? Weer veel duiten aan het verdienen?

Hoe is het thuis? Mevrouw wel? Kleintjes ook? Verdomd, wat is het hier

warm, zeg!”

„Houd je kalm,” zei Bronkhorst, verwonderd over het onverwacht bezoek.

„Ga er bij zitten en steek een sigaar op.”

„Heel graag. Sepada, kasi api! O, heb je hier lucifers? Neen, dan hoeft

het niet. Tida oessah. Pff! Als je me nu nog ’n potje bier geeft.....”

„Je kunt straks naar m’n huis gaan en drinken er ’n dozijn bier; op ’t

kantoor, dat weet je, heb ik niets. Er wordt nooit iets gebruikt.....”

„Nu, het doet er niet toe. Water dan maar. Ik heb een dorst als ’n

paard.”

„En hoe kom je zoo hier in de buurt?”

„Ja, zie je..... Enfin..... ikke..... ikke..... ik had iets, waarover

ikke..... Ik had je wel eens iets willen vragen.”

„Nu, geneer je niet. Je bent waarlijk anders niet bloo.”

„Neen, daar behoeft ook geen quaestie van te zijn. Enfin, zie je.....

ik zal het je maar in eens zeggen..... Ikke..... Het is vervloekt

vervelend zoo altijd alleen op het land. Ik moet een vrouw hebben, en

ik heb wel zin in die mevrouw Den Ekster.”

De notaris keek weer recht in de vakjes van de oude kast. Hij

glimlachte als te voren, maar niet vergenoegd.

„Zóó,” zei hij op ironischen toon, „zóó,” en een klemtoon van

spotternij leggend op elk woord, vervolgde hij: „heb je wel zin in die

mevrouw Den Ekster,”—alsof hij door die herhaling wilde zeggen: Wat

verbeeldt gij je wel, met je oogen tot dat schepseltje op te slaan?

Prédier voelde wel ’n beetje, wat in dien nadruk lag, maar hij begreep

het verkeerd.

„Waarom zeg je dat op ’n manier alsof het iets bijzonders was?” vroeg

hij geraakt. „Ze heeft voor zoover ik weet geen cent geld, en wat ze

bij mij kan krijgen is dubbel en dwars weelde, vergeleken bij wat ze nu

heeft en wat ze had toen haar eerste man leefde.”

„O, neen,” gaf Bronkhorst toe, sprekende als iemand die aan iets anders

denkt, „geld heeft ze volstrekt niet.”

„Wel, dan zie ik ook niet in.....”

Bronkhorst wendde het gelaat naar hem toe en zei snel:

„Dus je gelooft, dat het heelemaal ’n quaestie van geld is; dat er

niets anders bij ter sprake komt, dan de beurs of wel ’n zeker

traktement per maand?”

„Neen, niet heelemaal, maar toch zal dat voor een vrouw wel het

voornaamste wezen. Wat drommel, men kan niet leven van den wind.”

„En verder....?”

„Wat verder?”

„Ik bedoel wederzijdsche genegenheid, beantwoorde liefde, als je die

uitdrukking beter bevalt,—enfin, datgene, wat onder Europeanen toch

altijd wordt beschouwd als het criterium van ’t huwelijksgeluk, ’t zij

men het adoratie of teelkeus noemt?”

„Ja..... ik vind, dat een man verliefd moet wezen, als hij er toe

overgaat een vrouw te vragen; dàt nu wel; ik begrijp ook niet, dat hij

het anders doen zou, tenzij om het geld, en daarvan is hier geen

sprake. Wat ’n vrouw betreft,—ja, zie je, die moet iemand willen

hebben, en of er dan verliefdheid of niet bij in het spel komt..... dat

is van later zorg; ik geloof dat het al doende wel leert, en ik heb ook

altijd gehoord, dat het voor ’n man voldoende is, als hij er maar ’n

beetje beter uitziet dan ’n aap.”

„’t Is een eigenaardige opvatting, dat is zeker. Misschien is er iets

waars in en zou men nog verder kunnen gaan.”

„Hoe dan?” vroeg Prédier nieuwsgierig.

„Och, als men soms ziet hoe aapachtig verliefde mannen zich aanstellen,

kan men er toe komen, te gelooven, dat het „beetje beter” er ook wel af

kan.”

„Verdomd!” riep Prédier, met z’n zware hand op de tafel slaande. „Als

ik niet wist, dat je het goed meende, zou ik denken, dat het je te doen

was om hatelijkheden te tappen. Je hebt ’n rare manier om iemand in

zulke dingen ’n goeien raad te geven.”

Een oogenblik dacht Bronkhorst na, den rook zijner sigaar opzuigend en

in korte zetjes uitblazend door den neus, en daarna diezelfde sigaar

ernstig beschouwend, alsof het een bron was van Salomonische wijsheid.

„Je hebt gelijk,” gaf hij toe, zijn gewone notarismanier van spreken

hernemend; „het is ook zoo’n vreemdsoortig advies, dat je me vraagt, en

zulk een buitengewoon onderwerp. In ernst Prédier, ik raad je dezen

stap af; in gemoede ontraad ik je hem. Kijk eens, ’t huwelijk is iets,

dat, vooral hier in Indië, vaak lichtvaardig wordt opgevat bij het

aangaan, maar let eens op, waartoe dat dikwerf leidt! Er wordt te

weinig overwogen, dat het een overeenkomst is, die niet tot

wederopzeggens, maar voor het leven wordt gesloten, althans behoort

gesloten te worden. Men let op familie, op geld, op het uiterlijk, op

een positie, op momenteele opwelling van genegenheid of begeerte, maar

men verwaarloost het eenige, dat het huwelijk duurzaam, goed en

gelukkig kan maken.”

Prédier had met een ruk zijn stoel dichterbij geschoven; hij was nu ook

ernstig geworden, maar het was aan zijn gezicht te zien, dat hij

volstrekt niet begreep, waartoe deze nieuwe wending moest voeren.

„En wat is dat dan?” vroeg hij verbaasd.

„Het is zekere overeenkomst in karakter, neigingen en levensvormen; een

overeenkomst, die althans zóóver dient te gaan, dat ze

onvereenigbaarheid uitsluit. Oppervlakkige Fransche schrijvers zeggen:

l’amour vit de contrastes, en oppervlakkige Hollanders zeggen dat na.

Voor de liefde op z’n Fransch of op z’n..... Mahomedaansch wil ik dat

aannemen, maar in onze Europeesche maatschappij en in onze burgerlijke

kringen is het een leugen.”

„Dus, als ik je goed begrijp, wil je zeggen: jij deugt niet voor haar,

of zij niet voor jou, of jullie niet voor elkaar?....”

„Juist,” bevestigde Bronkhorst met warmte, en hij voegde er bij met

iets oudere broerachtigs in toon en manieren: „ik mag je te graag en

Betsy ook, om jullie blindelings in het ongeluk te zien loopen. En ik

houd me overtuigd, dat het zoo wezen zou, want jullie bent, ieder voor

zich, uitstekende menschen, maar je hoort niet bij elkaar. Ik weet nu

niet met juistheid te bepalen, waar het groote, het algemeene verschil

ligt; zulke definitiën zijn ontzaglijk moeielijk, maar ik zie duidelijk

de algemeene onvereenigbaarheid, waarvan ik zooeven sprak.”

„Ik niet,” zei Prédier leuk. „Ik vind wel, dat je van ochtend gruwelijk

zwaar op de hand bent. Je stelt me het huwelijk voor als een geweldige

corvée. ’t Is jandorie of man en vrouw tegenover elkaar staan als twee

vijandige partijen. Als ik zoo alles naga, zou ik denken, dat je zelf

toch andere ondervinding van het huwelijk hebt.”

„Enfin, je schijnt me niet te begrijpen, en het is heel moeilijk,

zooals ik zei, om me er verder over uit te laten of in bijzonderheden

te treden bijwijze van vergelijking. Bovendien,” voegde hij er koel

bij, „is het ook niet noodig. Want je zei wel, dat je m’n raad kwam

vragen, maar ik weet ongeveer, wat dat bij zulke gelegenheden beduidt;

men volgt dan alleen den raad op, die strookt met eigen plannen.”

Prédier lachte op zijn luide, krakende manier, zooals hij sprak, gewoon

als hij was meest altijd te lachen en te spreken buiten in de open

lucht.

„Nu, notaris, die zet is u. Ik geloof waarachtig, dat je gelijk hebt.

Men kan het probeeren, en ik zal het probeeren. Ziedaar! Maar nu zal ik

je niet langer van ’t werk houden en eerst eens ’n praatje gaan maken

bij mevrouw.”

„Doe dat. Vraag je haar ook om raad?”

„Nu, dat kon wel wezen.”

„Misschien dat haar advies beter klopt met je eigen wenschen, dan het

mijne. Maar geloof me, Prédier, denk nog eens ernstig na. Het is zulk

een gewichtige stap, kerel! Beter ten halve gekeerd.....”

„Dan ten heele gedwaald, dat weet ik. Maar je zult me niet kwalijk

nemen, als ik denk dat in zulke zaken zoo’n goede, verstandige dame als

mevrouw Bronkhorst een opinie heeft, die tegen elke andere kan

opwegen.”

Bronkhorst gaf er geen antwoord op; hij knikte slechts eenige malen

langzaam met het hoofd.

„Blijf je ’n dag of wat?”

„Tot overmorgen; vóór dien tijd kom ik je zeggen hoe het is afgeloopen.

Tot ziens!”

Met de linkerhand onder het voorhoofd en den pennenhouder in de

rechter, bleef Bronkhorst voor zijn schrijftafel zitten. Maar hij kwam

niet verder dan den voornaam van dien op dat moment verwenschten

eersten comparant. Het lag hem zwaar op het hart, dat bezoek van

Prédier; het stemde hem onaangenaam en verdrietig; hij kon het niet van

zich zetten om rustig, als vroeger, zijn minute te concipiëeren.

Herhaaldelijk zuchtte hij, zonder dat hij het wist of opmerkte; ’t was

een stemming gelijk aan het voorgevoel van een ongeluk.

Hij hoorde aan den anderen kant van het schutsel den Inlandschen

brievenbesteller zich aankondigen met zijn luid: pos, toean! en een

oogenblik later lei een klerk de brieven en couranten bij hem neer.

Werktuiglijk schoof hij ze uiteen met den vinger; een gedrukt adres

boven het zijne—dàt van den afzender—trok zijn aandacht; hij schoof de

enveloppe tusschen de andere uit en opende dien brief het eerst. Onder

het lezen trokken zijn wenkbrauwen samen en plooiden zijn lippen zich

tot een uitdrukking van ontevredenheid. Die tijding viel hem tegen: hij

moest dadelijk voor een dringende zaak op reis!

Het gebeurde wel meer, en zulke reisjes legden hem in het algemeen geen

windeieren. Ook ontstemde het hem anders volstrekt niet. Integendeel,

hij ging er gaarne eens ’n paar dagen „uit” op die manier; op zijn

candidaat kon hij vertrouwen. Waarom kwam het hem dan nu zoo te onpas?

Zelfs voelde hij, dat een antwoord op die vraag hem moeilijk zou

vallen; toornig kneep hij de gescheurde enveloppe samen tot een

balletje, smeet het in de snippermand, en zei bij zichzelven, met een

kleur op het gezicht en een heftigen draai met zijn schroefstoel: „Laat

ze trouwen, wat kan het mij ook....”

Hij regelde het werk, sloot zijn laden, en ging naar huis, om

postpaarden te laten bestellen, en zijn vrouw te zeggen, dat hij nog

dien dag op reis moest; ze kon dan zijn koffers gereed maken, wat ze

zooveel beter deed dan hijzelf. Zijn boos humeur kreeg weer de

overhand, toen hij Marie vertrouwelijk zag zitten praten met Prédier en

aan diens gezicht wel bespeurde, dat hij van haar een anderen raad had

gekregen. Met opzet ging hij het huis om en de achtergalerij binnen;

maar zijn vrouw had hem gezien, liet Prédier ’n oogenblik bij zijn

bittertje en zijn sigaar alleen, en kwam naar achter.

„Vent, wat ben je vroeg; het eten is nog niet klaar.”

Hij vertelde haar, dat hij uit moest en waarheen.

„Ik zal je boel straks in orde maken,” zei ze, „maar je weet wat

Prédier komt doen, hé? Hij heeft je er al over gesproken.”

„Ja,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik heb het hem ernstig

afgeraden.”

Goena-Goena: Oorspronkelijke roman · 第 5 / 16 段