controleur, een donker jongmensch, onbezorgd en vroolijk, in Indië
gewonnen en geboren; hij bracht zijn logé mee, ook ’n controleur, een
tijdgenoot van Delft, maar overigens in uiterlijk een volkomen
tegenstelling, zoo blond was hij. Er werd „voorgesteld” en een doelloos
praatje gehouden, tot de kapitein, erg in zijn schik, vroeg „hoe de
heeren er over dachten.”
De heeren dachten er goed over, en juist wilde het drietal naar de
speeltafel gaan, toen nog een rijtuig het erf opreed.
„Wie kan dat zijn?” zei mevrouw Bronkhorst verbaasd.
De notaris keek scherp toe.
„’t Is Prédier,” antwoordde hij, zonder emphase, want hoe goed de jonge
man ook was „in de koffie”, in gezelschap vond hij hem luidruchtig
vervelend en vervelend luidruchtig. Het was waar, dat, toen Prédier uit
zijn wagen stapte, hij reeds eenig geluid gaf, en toen hij de treden
der voorgalerij opkwam, was hij reeds druk en hard aan het praten.
„Ik hoop, dat ik niet ongelegen kom..... Blijf tot morgen hier..... Kon
niet nalaten de familie even te begroeten..... Dag mevrouw Borne, hoe
maakt u het..... Mevrouw Den Ekster? Weduwe van een confrater?....
Aangenaam kennis te maken..... Bonjour”—tegen den controleur—„Hoe maak
je het? Dag kapitein, gaat ’t goed?..... Meneer Van Drunen.....
Aangenaam!”
En onder het praten, lachen en handdrukken-wisselen, alles beweeglijk
en rumoerig. Het was of ’t notarishuis plotseling door Prédier in
opschudding werd gebracht.
„Ga zitten, Prédier,” zei de notaris, op een stoel wijzend, dien de
bediende aandroeg.
„Welzeker,” vervolgde de gastvrouw, glimlachend het hoofd schuddend,
„je bent weer zoo druk.”
„Ziedaar, dat krijgt nu ’n arm mensch uit de binnenlanden altijd! Men
zit maanden eenzaam in een lekker koel klimaat met niets dan inlanders
om zich heen, en als men dan „beneden” komt in de warmte en onder de
menschen, dan vinden ze je druk! U zult er ook van weten te praten,
mevrouw Den Ekster! Lekker op het land, ja? Maar saai! U moet niet naar
mijn handen kijken.....”
Eenigszins verontwaardigd richtte Betsy zich op.
„Ik kijk in ’t geheel niet naar uw handen,” zei ze bits.
De dames Borne en Bronkhorst lachten er om en Prédier lachte luid en
krakend, zooals ook zijn spreekstem was. Betsy deed niet mee. Wat
verbeeldde zich zoo’n man? Dat zij naar zijn handen keek? Er zou ook
waarachtig wat aan te zien zijn aan die bruine koffieboeren-handen. De
notaris lachte evenmin; hij vond Prédier ongemanierd, en voor ’t minst
al te familiaar bij zoo geringe bekendheid.
„Nu,” ging deze voort, zijn glinsterende oogen met duidelijke begeerte
op de jonge weduwe gevestigd, „neem me niet kwalijk. Ik dacht het maar.
Ze zijn niet best in orde, ziet u; ’n klein ongelukje met m’n
américaine. Ik kwam van ’n partijtje, en reed naar huis. M’n paard
schrikte onderweg, waarvan weet ik niet, want ’t was ’n stikdonkere
nacht; het sprong op zij en vlan, daar lagen we met ons drieën in ’n
ravijntje naast den weg.”
„Met je drieën?” vroeg Bronkhorst, wiens belangstelling was gaande
gemaakt.
„Ja, het paard, de américaine en ik.”
Weer lachten de twee getrouwde dames, en ditmaal deed de notaris het
ook, maar pijnlijk en welstaanshalve, omdat hij er was „ingeloopen”.
Betsy was niet te ontdooien; ze vond Prédier onuitstaanbaar, en ze
begreep niet waarom men iemand duldde, die ongenoodigd gekomen, met
groote brutaliteit en onzin rammelend, beslag lei op het algemeen
gesprek.
„Het paard was kreupel aan één kant en de américaine aan den anderen;
onkruid kwam er het beste af; ’n paar schrammen aan de voorpootjes,
zooals u ziet; anders niet.”
En lachend strekte hij ’n paar vrij gehavende groote handen uit, bruin
van kleur, maar erger nog verbrand door de zon, met rouwranden aan de
nagels en gedeeltelijk dicht bezet met grove zwarte haren, die uit de
witte, glinsterende manchetten te voorschijn kwamen, in schuine
richting voortwoekerend tot de pinkwortels.
„Ajakkes,” zei Betsy, zich woedend van dit Ezauïsch schouwspel
afwendend; de notaris fronste ernstig de wenkbrauwen, en zou misschien
iets onaangenaams gezegd hebben, al lachten de twee andere dames stil
in haar zakdoeken,—als niet kapitein Borne zijn stentorstem van de
andere zijde der galerij liet hooren.
„Zeg, Prédier, als je soms mee wilt doen?”
Het was voor den koffieboer een zware beproeving. Hij homberde dan toch
wel zoo graag! En hij deed het uitmuntend, en hij had er geluk bij. Hij
was bekend als een „haai”, die altijd met de winst ging strijken. Maar
Betsy, die hij zoo plaagde, trok hem machtig aan. Drommels, dacht hij,
zoo’n vrouwtje! Zoo’n kloeke taille en zoo’n lief kopje zouden hem
lijken, en, als weduwe van een gewezen administrateur, wist ze wat het
binnenland was en wat er kwam kijken. En ze sprak de taal.
De kapitein had het gevraagd, gedrongen door de goedaardigheid van zijn
karakter. Hij was juist bezig zijn partners „af te zetten”, zooals het
winnen heet in spelers-idioom; hij wist ook, dat zijn kansen
achteruitgingen, als Prédier meedeed. Maar aan den anderen kant vond
hij het verschrikkelijk, een liefhebber van een partijtje zoo’n heelen
avond aan de gemoedelijke verveling eener huiselijke kletstafel over te
laten, en dat meegevoel werd hem te machtig.
„Merci. Ik heb hier zulk uitmuntend gezelschap!” riep Prédier terug.
„Ik zal van avond niet meedoen.”
Tegelijk stond de notaris op en ging naar Betsy.
„Als u er genoegen in hebt wat muziek te maken.....”
Zij was blij, dat ze van dien Prédier, die haar telkens den gehaten
naam van „mevrouw Den Ekster” gaf, ontslagen raakte. Even lei ze haar
hand op den arm van Bronkhorst, die haar naar de piano bracht.
Prédier keek hen na met opgetrokken wenkbrauwen, vol verbazing en
teleurstelling.
Zij zocht niet lang. ’t Was haar op dat oogenblik onverschillig, wat ze
spelen zou, nu ze, voor het eerst weer na langen tijd, haar lust kon
voldoen. En zij lette er ook niet op, dat ze een opgewekten
Hongaarschen dans eenigszins woest attaqueerde, daarbij geweldig
worstelend met haar door te lange rust weerspannig geworden vingers.
Jean Bronkhorst was bij haar gebleven om ’t blad om te slaan en toen
hij dat voor de eerste maal doen moest, had hij het bijna vergeten, zoo
verbaasde hem haar muzikale ontwikkeling. Ook in de voorgalerij trok
haar spel, meer artistiek nog dan correct, de aandacht. De controleur
keek telkens van zijn kaarten op en naar binnen, en zou, doordat hij
verzuimde aan de achterhand te blijven met de fourchette, bijna een
sans prendre hebben verloren, als zijn collega, die ook door de muziek
werd afgeleid, zich niet had vertrokken, wat den kapitein een stillen
vloek ontlokte.
Prédier was verrukt en mevrouw Bronkhorst zeer verbaasd; tante keek
triomfeerend van den een naar den ander.
En de klanken, nu eens vroolijk, dan van ’n vreemde sentimentaliteit,
huppelden elkander na, al vlugger, langs de witte wanden der galerij,
en stroomden door de breede openstaande deuren naar voren, verdrongen
door die achter hen kwamen en zich verliezende in de vrije ruimte
tusschen en onder het fijne loof der reusachtige waringins.
Stil en aandachtig volgde Bronkhorst haar spel; het deed hem goed; het
maakte herinneringen wakker uit zijn vroeger leven; ’t wekte poëzie in
zijn gemoed, als schudde zijn geest het prozaïsche stof af, waaronder
hij, door notariëele akten en lekker eten, half was begraven.
Zijn aandacht verdeelde zich, en terwijl hem de muziek door het hoofd
klonk, volgde hij aandachtig het zwart ordeloos gekriewel der teekens
langs de rechte horizontale lijnen der notenbalken, en zag toch nu en
dan met innig welgevallen de kleine handjes hippelend en trippelend
over het stijf wit-zwart mozaïek der toetsen.
De inspanning had haar gezicht verlevendigd; er zat meer kleur en leven
in, toen zij, na een half uur aan de piano te hebben gezeten, het eene
stuk spelend na het andere, opstond van de fraai geborduurde zitting
der kleine mahoniehouten tabouret.
„Mijn hartelijken dank,” zei Bronkhorst zacht, „het was
voortreffelijk.”
„Ja,” stemde zijn vrouw toe, die naar binnen was gekomen en vlak achter
hem stond, toen hij het zei, „ja Betsy, het was keurig, hoor! ik maak
je wel m’n compliment.”
„Mag ik er het mijne ook bijvoegen!” vroeg Prédier eenigszins verlegen.
„Het is heerlijk geweest. Ik heb in lang zoo goed niet hooren spelen.”
Zij was in geen stemming om boos te zijn, en knikte hem vriendelijk
toe, doch haar lippen klemde ze toornig samen, toen hij er argeloos
bijvoegde:
„Dat is wat anders, dan de gamelan in de desa!”
„U schijnt toch ook aan muziek gedaan te hebben,” zei ze tegen
Bronkhorst, Prédier den rug toekeerend.
„Il fut un temps,” antwoordde hij lachend. „Maar als ik nu mijn viool
voor den dag haalde, zou ik, vrees ik, er niet veel uit te voorschijn
brengen.”
„Het is zonde. De viool is zoo’n goddelijk instrument.”
„Nietwaar?” zei mevrouw Bronkhorst. „En hij speelde zeer goed.”
„Welzeker,” bevestigde tante Borne, „toen we vroeger te Soerabaia in
garnizoen waren—m’n man was toen nog tweede luitenant—was Bronkhorst
lid van een muziekvereeniging—och, hoe heette die ook weer; zoo’n
vreemden naam!—en toen speelde hij heel mooi.”
„Ik zal haar eens uit haar stoffige kast voor den dag halen. Na eenige
studie zal het wel weer gaan.”
Betsy knikte hem aanmoedigend toe, en zijn vrouw ook.
„Ik vind ter wereld niets mooier,” zei deze, „dan viool en piano; maar
ik heb geen tijd om het zoover te brengen, dat ik hem accompagneeren
kan. Ik houd amper het weinige bij, dat ik geleerd heb.”
„Als meisje had ik vrijen tijd tot vervelens toe,” erkende Betsy zonder
omwegen, „en daar ik veel van muziek hield, deed ik geducht mijn best.
Verder onderwijs was er niet veel,” voegde ze er zuchtend bij.
„Het is tegenwoordig heel wat gemakkelijker dan vroeger,” meende
Prédier. „Wij hadden een flinken gouverneur.....”
„Dat moet wel,” zei Bronkhorst, „want jij hebt terdege gewerkt.”
De dames keken hem aan en Prédier was „lekker” met het volstrekt niet
onverdiend compliment. Alleen Betsy monsterde hem van het hoofd tot de
voeten met een minachtenden blik. De notaris zag het, en had er
pleizier in, want hij vond het vervelend, dat Prédier dadelijk weer
naast haar was gaan zitten.
De conversatie verliep in praatjes over onderwijs en vergelijkingen
tusschen Indië en Europa. Er werd ’n wandelend soupeetje rondgediend,
en toen het laatste „kleintje” was gespeeld aan de hombretafel, kwamen
ook de vier spelers in ’t gezelschap, zoodat ’t gesprek opgewekter en
luidruchtiger werd.
„Wel Bets,” vroeg de kapitein onder het naar huis gaan, op zijn
goedigsten toon, „heb je van avond nogal pleizier gehad?”
„Praat er niet van, oom! ’t Was verrukkelijk! Men wordt weer eens ’n
ander mensch.”
Drie maanden later was Betsy bij de Bronkhorsten meer dan bij haar
familie een huisgenoot. Ze was er of ze zou er komen. En niet alleen
kwam ze druk aan huis bij den notaris, maar zij ging veel uit, want ze
was the great attraction geworden onder de jongelui op het plaatsje.
Serieuze huwelijkscandidaten deden zich niet op,—maar toch, als zij er
werk van had willen maken, zou meer dan een, en Prédier voorop, aanzoek
om haar hand hebben gedaan.
Doch zij hield er volkomen haar verstand bij, en beschouwde alles met
koelen blik. Zij had geen persoonlijke voorkeur onder haar aanbidders,
en ze zou dáárom toch ook geen huwelijk aangaan. Ze wilde een man
hebben van wien ze houden kon om hemzelf, maar die geld had en een
goede positie in de maatschappij. Geen „vliegenden Hollander” zooals
zij bij haarzelve de jongelui noemde, die hetzij in den handel of den
landbouw nu eens op dit kantoor of dit land, dan weer op een ander
werkzaam waren, alsook de jonge ambtenaren, die bij hun vele
overplaatsingen van den eenen kant van den archipel naar den anderen
zeilen.
Toen ze dit haar tante vertelde, was het goede mensch boos.
„Zoo,” zei ze, „acht jij je daar te goed voor? En wij dan?”
„Dat niet,” antwoordde Betsy, „maar pierre qui roule n’amasse pas de
mousse.”
En daarop had tante Borne, die veel last had van beren, al kocht ze
haar pommade in de toko, een oogenblik gezwegen. „Je hebt nog gelijk,”
zei ze ten slotte met een zucht.
Bronkhorst had, zooals hij gezegd had, zijn viool voor den dag gehaald
en was ijverig aan het studeeren gegaan. De lof hem door Marie en
mevrouw Borne toegezwaaid, was ’n beetje overdreven. Zware muziek was
zijn zaak niet, en Betsy hoorde dat dadelijk; doch hij had een goed
gehoor, een goeden streek en hij wist wat hij deed. Dat vond ze prettig
en het waren aangename avonden, die bij de Bronkhorsten werden
doorgebracht en waarop de bezoekers, talrijker dan vroeger, zich ook
beter dan ooit amuseerden. Maar het samenzijn bepaalde zich niet
uitsluitend tot partijtjes. Betsy was dikwerf geheel alleen des avonds
bij haar buren. En als dan Marie, vermoeid van haar huiselijken arbeid,
als naar gewoonte op haar stoel indommelde, bepaalde zich het
musiceeren of de conversatie uitsluitend tot Bronkhorst en de nu
vriendin des huizes geworden jonge weduwe.
Het werd een spelletje tusschen hen beiden: hij, aanvankelijk zonder
eenige bedoeling, ondervond den invloed van haar veelvuldig gezelschap;
hij was blij, als ze er was, en hij was in haar bijzijn altijd vroolijk
en opgewekt, zelfs geestig; dan scheen het of hij jonger werd, of hij
in sommige opzichten zijn twintig jaren terugvond, die al bijna twintig
jaren gevloden waren. Zij vond veel goede eigenschappen in hem: hij was
gulhartig, vriendelijk, beleefd, in één woord altijd even lief. En zoo
royaal! Nu, hij kon het doen, want hij was rijk! Hoe heerlijk was het
in ’t fraai gemeubelde huis! Hoe lekker en behaaglijk!
„Wel, vertel eens wat van je bezoek bij oom Vijzel.”
Het was een oude echt Indische familie, aan welker hoofd ’n oud bruin
man stond, die door het heele plaatsje „oom” genoemd werd, maar die een
der weinige personen was, met wie Bronkhorst het niet kon vinden.
„Och, ’t was heel aardig,” zei ze: „eenvoudig en echt Indisch. Veel
Maleisch en weinig Hollandsch. Maar hartelijk zijn ze wel.”
„Dat geloof ik ook. Is er gedanst?”
„Ja. We hebben om beurten dansmuziek gespeeld.”
„Het is wèl! Ik begrijp niet, dat je je daartoe leent.”
„Waarom niet? Men kan niet weigeren. Dat staat erg pretentieus.”
„Best mogelijk, maar ik zou me er tegen verzet hebben, als ik er bij
was geweest.”
Zij lachte hem vriendelijk toe, haar witte tandjes toonend.
„Zoo?” vroeg ze, de o’s aanhoudend met aardige stemmodulatie. Zijn
verontwaardiging vleide haar.
„Welzeker,” ging hij voort. „Er zijn genoeg rammelaartjes op zoo’n
partij om walsjes en polka’s af te roffelen voor de dansers; men
behoeft geen goede musicienne voor den vedel te zetten.”
„Nu, ’t was zoo erg niet, en als Prédier me niet zoo had verveeld.....”
„Was die er ook al?”
„Zeker! En hij heeft mij den heelen avond met zijn attenties vervolgd.
Maar erg onbeholpen, kasian!”
„Kasian? Ik zie niet, dat er eenige reden bestaat om hem te beklagen.”
„Och neen; ik bedoel alleen maar, dat hij ’t niet helpen kan, als hij
wat onhandig is. Hij meent het goed.”
„Nu ja.”
„Hij deed soms zoo gek! Dan weer was hij uitgelaten, en een oogenblik
later zat hij me ’n kwartier achtereen te fixeeren.”
„’t Is netjes, in gezelschap,” knorde Bronkhorst. „Hij moest zich
schamen.”
„Kom, kom! Nu, ik ga naar huis. Tot morgen.”
Zij reikte hem over de tafel haar hand, die hij maar flauwtjes drukte.
„Ik zal mevrouw maar laten slapen.”
„Wil ik je brengen?”
„Wel neen, ik ga door het deurtje het achtererf op. Adieu!”
Toen ze weg was, kneep hij eenigszins zenuwachtig boos zijn sigaar
tusschen de vingers. Marie snurkte zacht; zij had dien dag zóóveel te
doen gehad; haar beenen waren zwaar van vermoeidheid en haar voeten
gloeiden. Hij zuchtte diep en wierp uit de hoeken zijner oogen een
ontevreden blik op zijn vrouw.
„Zeg, Marie, wees toch niet zoo gruwelijk vervelend!” riep hij luid.
Ze gaf in het eerste oogenblik geen antwoord; toen rekte zij zich uit
en vroeg:
„Is Betsy al weg?”
„Zooals je ziet.”
„Is het dan al zóó laat?”
Hij gaf daar geen antwoord op.
„Ik zou maar naar bed gaan als ik jou was.”
„Blijf jij nog op?”
„Ja.”
„Nu, wel te rusten dan.”
Zij stond op, kwam naar hem toe en stak haar gezicht vooruit om een
kus; maar daar hij in geen stemming was om haar dien te geven, bepaalde
hij zich er toe alleen het gelaat naar haar te wenden; en zoo bleven ze
eenige dwaze seconden in wederzijdsche afwachting. Toen begon Marie te
lachen en kuste hem:
„Hè,” zei ze. „Wat ben je flauw.”
Hij had geen lust over zijn of haar „flauwheid” in praatjes te
vervallen. Die partij bij de Vijzel’s zat hem dwars. Het was, vond hij,
al te dwaas, dat iemand als zij door zulke menschen werd vernederd om
de muziek te spelen, waarop zij dansten. Ze hadden de inlanders met de
„ronzebons” maar moeten huren, als ze dansmuziek wilden hebben! En dan
die misselijke Prédier met zijn ongelikte berenmanieren en zijn brutale
hofmakerij! Was dàt nu ’n man voor Betsy? Onwillekeurig kwam haar beeld
voor zijn geest en starende in de duisternis van den avond, alleen in
de voorgalerij, glimlachte hij. Zij is toch een lieve verschijning,
dacht hij, en hij monsterde het beeld door zijn herinneringsvermogen
weergegeven met welgevallen. Welk een verschil tusschen haar en Marie!
O! ongetwijfeld had zijn vrouw vele goede hoedanigheden, hij had haar
lief en aan haar persoonlijkheid verbond zich voor hem een reeks van
aangename souvenirs; met haar was hij erg op zijn gemak en altijd zeker
van een groote inschikkelijkheid, welke, zijn deugden kennend en op
prijs stellend, zijn tekortkomingen voorbijzag; zij was een uitmuntende
huisvrouw en een zorgvuldige moeder. Wat kon men eigenlijk meer
verlangen? En daarbij zóó volkomen onbesproken, dat zelfs de Indische
vlugheid in babbelen en kwaadspreken nooit eenigen vat op haar had
gehad.
Wat dat alles betrof was zijn huwelijk hoogst gelukkig. Als meisje had
zij zijn hart veroverd, als vrouw zwaaide zij zelfs den schepter over
zijn voor lekker eten en drinken hoogst gevoelig gehemelte.
En toch, als hij het beeld van Betsy naast dat van Marie teekende,
dan..... Verdrietig zuchtend stond hij op, nam een sigaar en begon,
rookend, de galerij op en neer te loopen. Wat duivel had hij dan toch?
Hij was toch niet op ’t vrouwtje verliefd. Nu moest hij er zelf om
lachen. Dat was toch een al te dwaas idée! Zeker, mocht hij haar graag;
zij schonk hem genoegen door haar muzikaal talent; hij mocht wel eens
met haar lachen en schertsen; hij vond het aardig, dat zij met hem ’n
beetje coquetteerde; soms schiep hij er zelfs vermaak in haar als bij
toeval aan te raken, en als ze dan naar hem opzag, keek hij haar niet
zonder eenige bedoeling diep in de zwarte oogen. Nu, dat was ook alles,
en, vond hij, ’n vrij onschuldig genoegen voor iemand, die op ’n stil
plaatsje in Indië toch eenige distractie moet hebben! Maar
verliefd..... bah!
’t Was waarlijk te gek om er aan te denken! Nu ja, als men hem een
etmaal met haar in ’n cel wilde opsluiten, dan had hij natuurlijk niet
willen zweren.... Nu was het eenvoudig dwaasheid. De tijd voor
kalverenliefde à la Prédier of andere jonge mannen was voorgoed
voorbij.
Hier dacht hij aan den koffieplanter. Het was waar, hij was ’n beetje
ruw en ongepast in zijn manier van spreken en doen, maar overigens had
hij geen ongunstig uiterlijk. Integendeel. En hij verdiende nu aardig
geld met die nieuwe onderneming. Slaagde die en hielden de prijzen zich
sturdy, wel, dan was Prédier binnen ’n jaar of tien een rijk man. Dat
alles was waar, en daar kwam nog bij dat hij goedhartig was en gul; een
man best in staat om een vrouw zoowel in figuurlijken als in
letterlijken zin op de handen te dragen. Waarom zou dan Betsy niet
trouwen met Prédier? Toch stuitte het denkbeeld hem geweldig tegen de
borst; het maakte hem boos. Het kon niet; ’t zou zonde en schande
wezen! En toen hij zich weer betrapte op die stille woede, welke zijn
bedaarde redeneering over de goede eigenschappen van Prédier
overvleugelde, stond hij bij de tafel stil, leunend met de hand op een
stoel, en doelloos starend in de roodgele vlam der petroleumlamp. Zoo
stond hij eenige oogenblikken, wierp daarna met ’n onverschillige geste
z’n sigaar weg, zei bij zichzelven „nonsense”, en riep een bediende om
te sluiten.
Betsy was vlug over het achtererf het huis der Borne’s binnengegaan.
Een oogenblik sprak ze nog met haar tante, die geheel verdiept was in
de lectuur van een roman uit den leestrommel.
„Ik ga maar gauw naar bed,” zei ze, haar kussend.
„Doe dat, Bets. Waren er nog lui bij de Bronkhorsten?”
„Neen, wij waren onder ons.”
„Nu, wel te rusten dan.”
Ze dachten geen van tweeën na over het onlogische van deze conclusie;
zij zeiden het zóó maar, als iedereen. Mevrouw Borne las voort met het
boek dicht bij haar oogen, omdat ze ’n beetje myope was, en Betsy ging
naar haar kamer. Terwijl ze voor de tafel stond en zich ontkleedde, ’n
bezigheid, waaraan de meid haar hielp, schitterden haar oogen van
genoegen en speelde ’n glimlach om haar mond. Hij was jaloersch! Hij
was zoo „ingepakt”, dat hij niets kon verdragen van anderen; die
mochten haar zelfs geen piano laten spelen. En wat was hij woedend op
Prédier! Het deed haar genoegen; waarom wist ze eigenlijk zelf niet.
Zij mocht Bronkhorst zeer gaarne; zij had hem, dat was zeker, liever
gehad, dan wie ook. Maar wat baatte het? Er kon toch niets van komen,
want hij was getrouwd, en de gezonde flinke persoonlijkheid van Marie,
altijd in de weer ondanks het Indische klimaat, verbande elke gedachte
aan een vroegtijdig weduwnaarschap, ’t Was dus niet de moeite waard een
ijdel spel te spelen. Trouwen kon hij haar niet, en zij was vast
besloten, naar Mephisto’s wijze les, de n’ouvrir sa porte, que la bague
au doigt. De vroolijke trek, door de zekerheid der overwinning nog een
oogenblik te voren op haar gelaat geteekend, verdween. Zij schoot een
slaapsarong aan, oud, maar lenig en lekker aanvoelend, en viel
onverschillig op haar bed neer. Sarinah klom er ook in, zuchtend en
steunend, en ving langzaam aan haar met de harde beenige vingers te
pidjiten.
Met gesloten oogen, het loshangende zwarte haar links en rechts over de
kussens uitgespreid en de bloote armen boven het hoofd gekruist, lag
Betsy bewegingloos na te denken, haar lichaam overlatend aan het
drukken en knijpen van de oude meid, die ook hierin een specialiteit
was, al zuchtte en steunde ze er nog tweemaal zoo hard bij als
gewoonlijk. Het was toch maar waar, dacht ze, dat zij voor het ongeluk
geboren was en dat een hardnekkig noodlot haar vervolgde. Werkelijk,
zij hield van dien Bronkhorst; zij vond hem een knap man, en hij was
altijd even goed en lief; zij hield zich overtuigd, dat ze met hem
gelukkig zou zijn; gelukkiger, dan met eenig ander. En hij had geld en
goed! Hoe heerlijk zou zij geleefd hebben in het mooie groote huis met
den rijken inboedel, dien ze zoo goed kende, waarvan zij den inventaris
had kunnen opmaken uit het hoofd! Doch ook ditmaal liep zij alles mis.
Eerst kreeg zij een man tegen wil en dank, met wien ze een ongelukkig
leven had geleid, en de man, met wien ze, dat voelde ze, gelukkig had
kunnen zijn, ontging haar hopeloos, want hij was getrouwd. Zoo zou zij
dan ten laste kunnen blijven van haar bloedverwanten, als behoorende
tot de klasse van „arme familieleden”, of ze zou Prédier kunnen
trouwen, van wien ze een afschuw had, dan wel een ander liefst nog
onbeduidender en akeliger. En dan? Zij wist het niet. Was dat een
toekomst? Zij zou even gaarne sterven, als opnieuw een leven beginnen,
gelijk ze geleid had met Den Ekster. Dat in eeuwigheid niet! Zij werd
nog liever bonne of juffrouw van gezelschap of zoo iets. Maar hoe
weinig aanlokkelijks ook dat denkbeeld voor haar had, bewezen de
tranen, die, toen ze zoover was gekomen in het nadenken over haar
tjelaka, haar oogen ontvloeiden.
„Wat scheelt er aan?” vroeg de meid, die juist den linkerarm omlaag had
gehaald, ten einde het bovengedeelte er van te bewerken.
„Och niks, nèh! Hou jij je mond maar.”
De oude steunde luider en kneep en drukte zachtjes voort. Haar grove
grijze haren waren door de inspanning en beweging in oproer geraakt en
hingen haar over het gerimpeld voorhoofd, en als ze al pidjitend het
bovenlijf regelmatig op en neer bewoog, deelden in die cadense de
ontoonbare restes van wat eens de boezem eener jonge vrouw was geweest.