„wat scheelt de nonna toch?”
En toen ze geen antwoord kreeg, maar de groote oogen zich vol angst en
schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:
„Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.”
„Nèh,” riep Betsy opgewonden en halfluid: „je liegt!”
Doch Sarinah hield vol. Soenggoeh mati het was waar. Zij had nog niets
gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in ’t
zakje tusschen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zoo
heerlijk het te kunnen gelooven! Ze haalde diep adem en streek heur
hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding, even heerlijk als
onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraai
gevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar
oogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret: ze nam het grijze
hoofd van Sarinah tusschen de handen en kuste haar op de wang.
„Geef me gauw ’n handdoek, nèh; ik ga baden!”
Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om den doek te
halen: toen ze dien bracht, zei ze:
„Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het den toean
gaat?”
Betsy rukte haar ruw den doek uit de hand, en de oude haat tegen haar
man misvormde weer haar trekken.
„Tjies,” antwoordde zij, „laat hem voor mijn part....”
Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje
hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename
gewaarwordingen, die haar nutteloos en noodeloos gekweld hadden, weg te
spoelen.
Sarinah ging in het ziekevertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk
bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Borne’s breeden,
sterken arm; het bleeke gezicht, diep ingevallen, zoodat de sterke,
witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de
groote blauwe oogen dwaalden langzaam heen en weer.
„Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.”
„Dag arme kerel,” antwoordde de kapitein met tranen in de oogen, een
prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen.
„Dag, beste tante.”
Zij kon niet antwoorden, zóó overmeesterde haar de aandoening.
Een oogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.
„Dag nèh! Slamat tinggal,” zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond
en hem had opgepast.
„Tabé toean,” klonk het doodbedaard terug. „Slamat djalan.”
Hij hoorde het niet meer. Een oogenblik van hevige pijn scheen in te
treden; een kort moment slechts: toen was het uit, het lichaam rekte
zich, en een zacht gorgelend keelgeluid............
„Tournez, tournez!” neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde in de
badkamer.
„Nonna, nonna!” riep de oude meid aan de deur.
„Nu, wat is er?”
„Al dood!”
Zij danste op haar toonen over den steenen vloer en zwaaide, in stilte
juichend, den blikken gajong boven haar hoofd. Goddank, dat het uit was
en dat zij er geen schuld aan had!
De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig oogenblik zelfs niet
aan Betsy gedacht; zij was ook zoo weinig de vrouw geweest van haar
man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een
bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtigen toestand, het
gelaat van tranen glimmend, vloog ze naar achteren; Sarinah was haar
vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen
ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de
deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en
ongevoelig.
„Bets, lach niet! Och God, hij is dood!”
Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan
ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.
„Ik lach niet; het is verschrikkelijk.”
„Ja. Och, hij heeft een oogenblik nog zóó geleden!”
Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja;
zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.
„Het is vreeselijk, zoo jong. Oom is er ook kapot van.”
Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist
op de borst, en liep met vasten tred en een verschrikkelijk kwaad
gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en
met een krachtig woord zichzelven afvragend, hoe het mogelijk was. De
dames kwamen binnen; bij het zien van den doode kwamen tantes zenuwen
weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken
gelaat; zij kon het niet verder brengen dan tot het
gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden;
gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het
eenige te doen, wat hem restte: den dood te constateeren. En terwijl
hij voor het bed stond, keek Betsy naar het pijnlijk vertrokken
vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zóó had zij het meer gezien!
Zóó had het dien avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op
den grond ging slapen op den bultzak, haar voor de oogen gedanst zonder
romp. ’t Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht
onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van
medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat
ze nu vrij was; ’t scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend
juichend en triomfeerend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig! Zij had
niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij
was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dàt
mocht het oudje houden!
Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig
geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores
tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen
der klerken over het papier; zóóveel woorden op een regel, zóóveel
regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en
neerhalen. Een Chinees zat dicht bij Bronkhorst en sprak met hem op
zachten toon, nu en dan met een luid „saja toean,” als hij bemerkte dat
de notaris hem precies had begrepen.
Driftig werd de achterdeur opengestooten, en ofschoon ze zag, dat haar
man „zaken” had, liep ze tot vlak bij zijn schrijftafel.
„Er is een vreeselijk ongeluk gebeurd, Jean,” zei ze zenuwachtig.
Hij rees verschrikt op.
„Een ongeluk? Wat dan?”
„Den Ekster is zooeven overleden.”
„O zoo! ja, dat is erg ongelukkig. Zoo’n jonge man!”
Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets
anders was, want hij had aan de kinderen gedacht.
„Willen we er niet heen gaan?”
„Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zoodra ik met deze
zaak gereed ben.”
Zij ging ijlings heen, om zich ’n beetje „op te knappen”, want ze was
nog volstrekt niet klaar met het „huishouden”, en ten slotte hield haar
dat juist zóólang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis
kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren
daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een loopend vuur de
ronde gedaan op de plaats, die zich met zoo weinig afwisseling en zoo
weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logé’s kennis
gemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten,
en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die den Ekster nooit
anders hadden gezien dan op z’n rug, als ze achter hem langs den weg
wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de oogen der weduwe echter
wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zoo haar best; het gaf
ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte
den hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke
traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten
harer vriendinnen, op een lumineus idée kwam. „Ik wou in ’s hemelsnaam
maar,” fluisterde ze, eenigszins luider dan in gewone omstandigheden
noodig was, een harer vriendinnen in het oor, „dat ze huilen kon.”
De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op
dat toonbeeld van een smart zóó hevig, dat het er zelfs droge oogen bij
hield.
Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het
feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig menschenleven had
vernietigd, zijn gewonen indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier
koele hand den hartelijken druk van die der totok onbeantwoord liet.
Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy
op, en het trof haar, dat zijn gezicht zoo weinig uitdrukking van
leedwezen of medelijden toonde, en meer dan eenig ander in sympathie
was met de groote onverschilligheid, die haar zelf zoo koud liet.
„Heb je hem nog gezien?” vroeg Marie toen zij met haar man naar huis
terugkeerde.
„Ja; hij was niet veel veranderd.”
„Hè,” zei ze huiverend. „Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.”
„Ben je zóó bang voor ’n doode?”
„Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk
heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de oogen.”
„Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.”
„Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?”—Mevrouw Bronkhorst zei dit
eigenlijk omdat ze over de quaestie, die haar man opwierp, niet gaarne
in bespreking trad.
„Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij
niet, en hij had zelfs geen positie.”
„Goed, maar hij was toch haar man.”
Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectueele waarheid
viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een
oogenblik.
„Weet je wat ik denk, Marie?”
„Nu?”
„Dat hier de dood eigenlijk voor twee menschen een verlossing is
geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.”
„Ja....,” gaf ze aarzelend toe. „Zij waren niet gelukkig, dat is
zeker.”
„En dan,” vervolgde hij met een cynisch lachje, dat hem misstond, „vind
ik het een frappant geval. Het is een bijzondere samenloop van
omstandigheden.....”
„Ik begrijp niet, wat je bedoelt.”
„Neen, je weet gelukkig van die dingen weinig. Eigenlijk zoo goed als
niets. Ik doelde op middelen om bij zekere gelegenheden.....”
Bronkhorst zocht naar een geschikte uitdrukking; zij keek hem
verwonderd aan.
„.....Om de natuur een handje te helpen.”
Zij moest zich een oogenblik bezinnen, en toen bleek, dat ze er toch
meer van wist, dan hij dacht.
„Ajakkes, Jean,” zei ze; „je moogt zulke akelige dingen niet van de
menschen denken.”
„Nu, nu,” zei hij lachend, maar voelende, dat ze gelijk had, „je
begrijpt toch dat het slechts gekheid is. Ik denk er geen oogenblik aan
in ernst.”
Betsy hield haar passieve rol vol, en dat kon zeer gemakkelijk, daar
haar familie volkomen geschikt en bereid was om voor alles te zorgen.
Zij zag alles aan als betrof het zaken, die haar volstrekt niet
aangingen: de met bloemen versierde kist op een stelling in de
binnengalerij; den aanleg tot het geheele onsmakelijke ceremoniëel, dat
men „begrafenis” noemt; de voorgalerij vol zwarte rokken uit elke
periode, voorwereldlijke en nieuwmodische, rood-weerschijnende en
gitzwarte; zij zag den notaris Bronkhorst er bij, even netjes en
correct als de keurige inrichting van zijn woonhuis en de grossen
zijner akten met haar omslagen, zegelafdrukken en roode koordjes. ’t
Viel haar op dat de notaris een erg „kranig” uiterlijk had; veel
„kraniger” dan de andere heeren; en hij liep op en neer speciaal met
den resident, alsof zij menschen waren van een ander allooi dan de
rest.
Toen de kist werd weggedragen, hoorden de heeren vóór, dat er gehuild
werd door een vrouw; het was tante, die binnenskamers deze aandoenlijke
taak verrichtte, uit waarachtigen aandrang vooreerst, maar toch ook ’n
beetje met het besef, dat ze onder de gegeven omstandigheden als
rechtgeaarde bloedverwante verplicht was te huilen voor twee.
Een uur later kwam de kapitein terug; hij ging stil in zijn kamer om
zich lekker te maken.
„Is er nog gesproken?” vroeg zijn vrouw.
Hij haalde minachtend de schouders op.
„Ja, de zendeling heeft een boom opgezet, en het was zijn geluk, dat ik
niet dicht bij hem stond, anders had ik hem op z’n teenen getrapt.”
„Nu, nu; het is anders ’n best mensch,” zei mevrouw Borne geraakt, want
ze hield veel van den zendeling, die wezenlijk ’n achtenswaardig man
was.
„Het raakt me niet, wat hij is,” donderde de commandostem van den
kapitein en woedend sloeg hij met de hand op de tafel, „maar het past
zulke kerels niet om een dood mensch uit te schelden voor zondaar,
verdoold schaap en al zulke poespas meer. Geen mensch roept hen en als
ze niets beters te vertellen hadden, dan moesten zij den mond houden.
Maar ik heb hem getroefd!”
„Mijn hemel, Borne, je hebt toch op het kerkhof geen standjes gemaakt?”
„Ben je dwaas, vrouw! Maar ik heb alleen namens de achtergebleven
zondares, de aanwezige zondaars bedankt voor de laatste eer den
overledene bewezen, zie je. Ik dacht: steek dien in je zak!”
Mevrouw Borne werd beurtelings bleek en rood van ergernis en schaamte.
„Heere, heere!” zuchtte ze in wanhoop, „wat zal dáárover weer gepraat
worden.”
„Het kan me niet schelen, maar ik wil er niets meer van hooren. Doe me
dus het genoegen en zwijg er over.”
Zij volgde hem naar achteren, waar Betsy zat, met nog een paar dames,
die gekomen waren om te troosten. Bij haarzelve moest ze toch lachen;
ze vond het pinter van hem en erg brani, maar overluid zou ze dat niet
graag bekend hebben.
Over den „overledene” werd niet meer gesproken. Tot groote blijdschap
van Betsy vermeed iedereen zooveel mogelijk, den nu „onderwerp”
geworden mensch in de conversatie te herdenken.
Na ’n paar weken betrapte zelfs tante Borne zich op de stille
bekentenis, dat het veel rustiger in huis was, dan toen Den Ekster nog
leefde. Het was waar: hij maakte het niet lastig en was evenmin druk in
den dagelijkschen omgang, maar toch.... zoo’n mannelijk individu meer
in huis had iets eigenaardigs. Met Betsy was dat heel anders; zij
maakte een „groote gezelligheid” uit voor tante, die nu rustig ’s
ochtends met haar in de achtergalerij zat te haken en te borduren.
„Och, Bets,” zei ze, „je moet maar nooit weer trouwen.”
„Ik denk er niet aan.”
„Dat moet je ook niet. Blijf maar bij ons.”
„Bovendien, wie zou me willen hebben; ’n weduwe zonder geld!”
Met eenigen familietrots monsterde haar tante Borne, van het zware
koolzwarte hoofdhaar tot de welgevormde voetjes.
„Nu, dat zou nog te bezien staan, Bets. Je bent mooi genoeg, dat weet
je wel, en, als je het wezen wilt, ook lief genoeg.”
„Ik zal me geen illusies maken.”
„Het doet er ook niets toe. Je blijft maar kalm bij ons, ja? Als je mij
’n handje helpen blijft in het huishouden en met de kinderen, dan
vinden wij het onder ons uitmuntend.”
De jonge weduwe vond het erg lief van haar tante, maar in stilte had
zij geheel andere plannen gemaakt, althans denkbeelden gevormd, die zij
wel dacht, dat later tot plannen konden rijpen. De gedachte haar verder
leven à charge te blijven van familie, beviel haar volstrekt niet, en
als die nare tijd, dat ze in haar rol van de vrouw van een pas
gestorven man niet uit kon gaan, maar voorbij was, zou haar eerste werk
zijn naar een gepast huwelijk te streven. Doch overhaasten zou ze zich
niet, en met den eersten den beste zou zij zich waarlijk niet
vergenoegen; in zoover was ze het met haarzelve eens.
Thans maakte zij rustig en in het volle genot harer herkregen
persoonlijke vrijheid dien naren tijd door. Dadelijk na Den Eksters
begrafenis had ze alles verwijderd, wat slechts rechtstreeks of
zijdelings aan hem herinnerde; geen stuk was meer in de kamer, dat hem
had toebehoord; zelfs zijn reiskoffers, die in een der bijgebouwen
stonden, had zij verkocht. Het behoorde alles tot een tijdperk in haar
leven, dat zij voor volkomen afgesloten hield en waaraan zij door niets
wilde herinnerd worden; dàt was voorbij; zij dacht er niet meer aan, en
ze was woedend, toen ze op een nacht weder ontwaakte met een benauwden
kreet, wijl ze de nachtmerrie had gehad, en weer in den droom dat
akelige, vaalbleeke gezicht had gezien met den blonden baard; het heen-
en weer-gaande hoofd zonder romp. Dat was overigens het eenige, en zij
dacht wel, dat het nooit weer zou gebeuren.
Meer dan vroeger bezocht mevrouw Bronkhorst tegenwoordig haar buren, en
dikwijls bracht ze voor Betsy een kleinigheid ten geschenke mee; zij
had zóóveel, en ze dacht dat het ’t arme weeuwtje, dat veel te mooi en
te jong was om voor de wereld gestorven te zijn, zou afleiden en
opbeuren. Betsy stelde het op prijs; zij kreeg heel graag geschenken en
verblijdde er zich kinderlijk mee; toch stond daarnaast een ander
bitter gevoel van afgunst. Waarom bezat ook zij niet zooveel, dat ze
uit een rijken voorraad cadeautjes geven kon, in plaats van altijd de
dankbare te moeten zijn, die ontvangt? Waarom was toch alles zoo slecht
verdeeld? En dan kon ze mevrouw Bronkhorst nazien, als deze vertrok,
met een onaangenamen trek om den mond, die meer nijd dan vriendschap
uitdrukte.
Soms ging zij ook met haar tante een visite maken bij de buren, maar
dan ook alleen ’s ochtends in sarong en kabaja. Daar verslond ze alles
met de oogen. Ze wist precies, nu, wat er in huis was, tot in de
kleinste bijzonderheden; zij had elk stuk kunnen opnoemen uit de
zilverkast, en het in de duisternis van zijn plaats kunnen krijgen,
zonder een enkelen misgreep.
Als ze er thuis van spraken, waren oom en tante een en al verbazing, en
begrepen volstrekt niet, hoe het mogelijk was, dat Betsy zoo alles kon
opmerken en onthouden.
De nieuwe Fransche pianino van Erard, die dwars in een der hoeken van
de binnengalerij stond, had al dikwijl haar aandacht getrokken; het
instrument zag er zoo fraai en ongebruikt uit, alsof niemand ooit de
vingers op de toetsen of de voeten op de pedalen zette. Zij was een
goede musicienne, maar zij had daar nog niet op durven zinspelen,
schoon ze reeds bij het eerste bezoek lust had gevoeld om te spelen.
Toen ze de tweede maal een ochtendvisite hadden gemaakt, en Bronkhorst
haar al de fraaiigheden van zijn inboedel had getoond, vroeg hij
onverschillig:
„Doet u ook aan muziek?”
„’n Klein beetje,” had ze geantwoord, met de conventioneele
huichelarij, die in het dagelijksch leven gebruikelijk is.
Hij was er toen niet verder op doorgegaan: zij zou, dacht hij, ook wel
een dier wandelende speeldoosjes wezen, met een repertoire van een half
dozijn onbeduidende stukjes, het resultaat van veel uren oefening en
veel geld aan lessen, omdat dit nu zoo bij een jonge-dames-opvoeding
geacht wordt te behooren.
Zij had er ook niet meer over gesproken, en nu in haar betrekkelijk nog
verschen weduwlijken staat, kon ze moeilijk voorstellen wat muziek te
maken; maar ze had het dolgraag gedaan.
Ze bladerde zoo de muziekboeken eens door. Er was van alles: mooi en
leelijk, licht en zwaar, oud en nieuw, stukken voor piano, zangstukken
met accompagnement, duo’s voor viool en piano, enzoovoort.
Mevrouw Bronkhorst, die met tante van achteren kwam, waar beiden een
nieuw kooktoestel hadden bewonderd, dat pas uit Europa was gezonden en
waarop men „alles” kon klaar maken,—deed nu dezelfde vraag, als vroeger
haar man.
„Ze speelt prachtig,” verzekerde mevrouw Borne; „ze was altijd heel
vlug in de muziek.”
Betsy kon een glimlach over die „vlugheid” niet terughouden.
„Hé!” zei ze, „tante overdrijft; ik heb er altijd veel liefhebberij in
gehad, dat is waar.”
„Ik ook,” antwoordde mevrouw Bronkhorst, „maar als men een huishouden
heeft en kinderen, dan neemt dat zóóveel tijd in beslag.....”
„Toe, speel eens iets,” vroeg Betsy.
De huisvrouw liet zich niet lang nooden. Eenvoudig als ze was in al
haar doen en laten, opende zij de piano, en speelde een lief Fransch
romannetje, correct, zonder fouten en in de maat..... precies ’n
speeldoos, dacht Betsy, maar luid prees zij het spel.
„Och, ik ken er niet veel van, doch het weinige, dat ik speel, speel ik
zonder fouten en zooals het geschreven staat. Kom, laat u ook eens
hooren!”
Maar mevrouw Borne vond het niet goed.
„Ik zie er,” zei ze, „op zichzelf wel niets in; maar het is nog pas zoo
kort geleden.... Als er ’n drie maanden overheen zijn....”
’t Was voor Betsy weer een teleurstelling, en ze moest zich wel er in
schikken, al kon ze niet beletten, dat haar gezicht verried hoe
ongaarne zij de gelegenheid ongebruikt liet voorbijgaan, en met hoeveel
spijt ze zag, dat de blinkende mahoniehouten klep over de blanke
toetsen sloot.
„Het is waar,” erkende mevrouw Bronkhorst. „Men kan van den weg zien,
wie er speelt. Nu,” ging ze voort, toen ze het teleurgestelde gezicht
van Betsy zag, „nu, kind, heb maar geduld. Zoo gauw als het kan voor
je, komen jullie hier een avondje doorbrengen. Dan blijven we geheel
onder ons, en je speelt zooveel je maar wilt.”
’s Avonds aan tafel vertelde zij het haar man.
„Waarom liet mevrouw Borne het niet toe?” vroeg hij. „Ik zie niets
goeds in zulke aanstellerij.”
„Och, dat moet je niet zeggen, Jean; zij had wel gelijk. Men moet toch
de vormen in acht nemen.”
„Nu ja,” zei hij lachend, een in Holland geschoten en in blik
geïmporteerd patrijsje met den wellust van een gastronoom ontledend,
„nu ja, als de vormen maar ’n beetje in harmonie zijn met de
werkelijkheid, dan ben ik er ook voor. In dit geval is daar, dunkt me,
bitter weinig quaestie van.”
„Ja, dàt geloof ik ook. Enfin..... haar tante was er tegen.”
„’n Goed mensch, maar erg geborneerd.”
Zij lachten beiden om de woordspeling.
„Ik heb gezegd, dat ze hier ’n avondje moeten komen, als haar tante
denkt, dat het welstaanshalve kan; ze moet dan maar haar hart aan de
piano ophalen.”
„Dat is een kwade verbintenis,” vond hij. „Daar kunnen mijn arme ooren
van genieten.”
„Mevrouw Borne zegt, dat ze prachtig speelt.”
„Poeah! ’t Zal wat wezen! In mijn jeugd heb ik dat ook eens hooren
beweren, door een oude dame van haar dochter. Het meisje speelde.....
ik ben vergeten welk stuk. ’t Was ’n gerammel van belang, en mama zat
er bij als de uitlegger van een panorama: Hoort u, meneer, nu gaan ze
op de jacht; nu begint het te onweeren; nu gaan ze in een kapel
schuilen; nu hoort u den kerkdienst, en zoo rammelde het goede mensch
door, haar rammelende dochter met de tong accompagneerend. ’t Was
prachtig! Neen, maar dat verzeker ik je!”
„O,” zei z’n vrouw, die het verhaal erg grappig vond, „jij bent ook zóó
moeielijk te voldoen. Het meisje was je zeker te leelijk.”
„Volstrekt niet; ze zag er zelfs zeer goed uit; maar zoo’n lieftallige
mama slaat je ineens op de vlucht.”
Eentonig, eenvormig en toch snel ging de eene dag na den anderen
voorbij; de kapitein had al eens bij zijn vrouw geïnformeerd, hoe het
er nu mee stond, en of Bets nu nog altijd fatsoenshalve van uitgaan
moest verstoken blijven. En daar tante het eigenlijk ook erg hard vond,
beknibbelde zij haarzelve op den vastgestelden termijn. De brieven naar
Holland geschreven om de familie van Den Ekster diens overlijden mee te
deelen, waren reeds beantwoord; van weerskanten was het plichtmatig en
eenigszins stijf in den vorm toegegaan, zonder eenige kans op
voortzetting der correspondentie, iets wat door geen der partijen, die
elkaar persoonlijk volkomen onbekend waren, ook werd gewenscht.
Het bleef bepaald dat Betsy haar weder-intrede in de kleine
buitenwereld zou aanvangen met een intiem avondje bij de Bronkhorsten.
„Ik hoop,” had de kapitein nadrukkelijk gezegd, „dat er toch ’n
partijtje zal gemaakt worden?”
„Homberen zullen ze er niet doen.”
„Nu, dan in godsnaam maar whisten.”
„We gaan anders niet om te spelen, maar enkel en alleen voor Bets.”
Hij beantwoordde die opmerking met een diepen zucht. Wat hij daar moest
uitvoeren den ganschen avond, als er geen partijtje werd gemaakt, wist
hij waarlijk niet.
Toen ze er kwamen, zat de notaris reeds met zijn vrouw in de
voorgalerij, en Borne’s gezicht verhelderde, toen hij aan den anderen
kant een speeltafeltje zag staan en daarop vier stellen wit
paarlemoeren fiches, elk vier rondjes, vier vierkantjes en vier lange,
plus twee roode „kapitalen”.
„Ja,” zei na de eerste begroeting Bronkhorst, in antwoord op het
vragend gezicht van den kapitein, „ik wou je den avond niet bederven,
en heb den controleur gevraagd en een vriend van hem, die doortrekkende
is; ze homberen beiden niet al te slecht.”
„Uitmuntend, man. Daar doe je me wezenlijk ’n pleizier mee. De
controleur is een prettig partner, en die vreemde eend in de bijt
zullen we wel te pakken krijgen.”