In de kamer ontkleedde haar de meid, alsof zij een kind was; haar rol

was daarbij volkomen passief; toen ze uitgekleed op den stoel zat en de

oude voor haar neerhurkte om haar kousen uit te trekken, stak ze niet

eens het fraai gevormde been uit, maar liet het de meid opnemen, die

het met den hiel op haar eigen knie plaatste, om te beletten, dat het

in slappe indolentie weer terugviel.

Doch in haar hoofd was het zoo kalm niet; zij was bleek en staarde op

een onverschillig punt, in gedachten verdiept.

„Soedah!” zei de meid met een zucht, na de tweede kous.

„Weet je wat mijn zuster schreef?”

„Misschien.”

„Wat! Misschien? Hoe kan jij ’t weten?”

De oude schudde het hoofd.

„Ik denk zoo maar.”

„Je kunt het niet denken,” zei Betsy; ze sprak zacht, maar snel en

zenuwachtig; „je kunt het niet denken, nèh! Hoe kan jij weten, wat

nonna Lidia schrijft in een brief?”

„Ik weet het niet; ik ken nonna Li, zooals ik nonna Betsy ken. Allah!

ze waren nog slechts zóó klein.”

Mevrouw Den Ekster werd een beetje bang; ofschoon ze het mensch

bejegende met de afwisselende wreedheid en aanhaligheid, die Indische

kinderen voor hun bedienden aan den dag leggen, koesterde zij toch

eenige vrees voor de tooverachtige geheimzinnigheid, die de oude soms

deed blijken; dat was haar bijgebleven uit den tijd toen Sarinah voor

haar kinderbedje zat te vertellen van de gendhroewo, die buiten in de

duisternis achter de boomen gluurde.

Zij vermande zich en trachtte te glimlachen.

„Je bent erg pinter, nèh, dat je raden kunt, wat anderen schrijven.”

„Misschien! Men kan niet weten!”

„Nu zeg het dan, als je het weet,” zei Betsy boos. „Sta dan zoo dwaas

niet te praten.”

Steunend als naar gewoonte, kwam de oude naar haar toe, liep tot naast

haar stoel, en met de hand op de leuning zich vooroverbuigend,

fluisterde zij haar meesteres iets in, en ging daarna zuchtend en

mompelend naar haar matje terug om uit te rusten.

Betsy bleef onbeweeglijk zitten en zag verschrikt naar de gebogen

figuur in het lange blauwe baadje, die in den half duisteren hoek der

kamer neerhurkte.

Het duurde wel een minuut vóór zij iets zei, en in dit tijdsverloop

snelden haar gedachten voort. Ze voelde nog wel een grooten angst voor

het idée, als voor iets dat onberekenbare gevolgen kan hebben, maar

toch begon ze er meer aan gewoon te raken, en eigenlijk verheugde het

haar, dat ze er nu voortaan met de meid over kon praten, zonder dat ze

haar iets had behoeven te vertellen.

„Je bent toch zeer slim,” zei ze tot Sarinah, en toen deze zich niet

geneigd betoonde om op dit compliment te antwoorden, ging ze voort:

„Het is erg slecht.”

„Als men een slang ontmoet, slaat men haar dood.”

„Een slang is wat anders.”

„Somtijds veel minder erg..... ah!..... hu!..... oh!.....” zuchtte en

steunde Sarinah.

Betsy deed een kabaja aan en ging oom en tante goeden nacht zeggen; de

laatste, in haar kamer, sliep reeds bijna; oom zat met Den Ekster ’n

grogje na te drinken, en daar hij niet zien mocht hoe de eigenlijke

verhouding was tusschen het jonge echtpaar, riep zij uit de

binnengalerij naar voren: „Wel te rusten!”

„Dag beste meid, vergeet niet je mooie oogen dicht te doen,” antwoordde

de kapitein op vroolijken toon. Den Ekster bromde iets in z’n baard.

Zij sliep nu elken nacht op den bultzak op den grond; tante Borne wist

het wel, maar deed alsof ze niets merkte, en de kapitein was van die

dingen volstrekt niet op de hoogte.

Haar slaapplaats was reeds door de oude gereed gemaakt; het mensch zat

te wachten met den waaier. Betsy ging eerst op haar harde matras

zitten; ze moest iets zeggen, het kostte wat het mocht, maar de woorden

wilden haar niet over de lippen; haar hart stond bijna stil en haar

hoofd klopte, als onderging zij met schuldgevoel een scherp onderzoek;

zij voelde haar handen en voeten koud worden als steen, en haar mond

werd droog van binnen. Sarinah zat er bij als een stomme; ze vroeg

niets, stond zachtjes steunend op, schonk water in een glas uit den

gendih en reikte het haar toe. Ruw stiet zij de bruine gerimpelde hand

weg, zoodat het water over den vloer spatte, en zag hevig verschrikt de

oude aan.

„Masa!” riep deze afkeurend.

„Nèh, ik ben bang van je! Ga weg, ga weg!” fluisterde Betsy in groote

opgewondenheid.

„Oeah! Waarom is de nonna bang voor haar oude baboe?”

„’t Is slechts gekheid; nèh; ik ben kinderachtig, ja! Geef me het water

maar; het is heel goed van je.”

Zij dronk en ’t bedaarde haar een weinig, maar toen Sarinah haar gewone

plaats op het matje had ingenomen, kwamen dezelfde physiologische

verschijnselen weer terug, en het was de oude meid alsof haar

verdroogde vingers een ijsbad namen, toen Betsy ze greep met beide

handen en bijna onhoorbaar vroeg:

„Zou je het durven?”

Het antwoord bleef ’n oogenblik uit; de baboe zag met haar doffe

onverstoorbare oogen in ’t ontstelde, verwrongen gezicht van het mooie

vrouwtje; en ze glimlachte vredig en streek zacht over den rijkdom van

glanzend zwart haar, zooals ze het ’t kleine kind had gedaan en het

opgroeiend meisje, waarover ze gewaakt had dag en nacht, en dat nu zoo

ongelukkig was.

„Boleh tjobah,” antwoordde ze zacht.

Toen volgde een fluisterend gesprek tusschen beiden, tot Betsy opstond,

met bevende handen de kast opende en uit haar beursje een paar gouden

tientjes nam; het was een klein deel van wat ze op het land had

bespaard, maar dat in de dagen van tegenspoed reeds aanmerkelijk was

geslonken. Sarinah stak het geld in een vuil katoenen zakje, dat ze

oprolde en tusschen haar sarongband verborg.

De oude hand met den waaier erin was reeds lang gedaald en het grijze

hoofd lag op het onzindelijk kussentje, waarop het gewoonlijk rustte;

Den Ekster sliep reeds en snorkte zoo hard dat de glasruiten er van

rinkelden; maar Betsy was, hoewel zij stil lag en met gesloten oogen,

nog klaar wakker midden in den nacht. Zij kon niet slapen. Wel beving

haar nu en dan een loodzwaar gevoel van verdooving, zoodat het was

alsof ze haar arm niet kon oplichten of haar hoofd niet kon bewegen,

maar haar geest bleef waken, denkend over dat ééne onderwerp, het

beziende van alle kanten, het wikkend in alle voor en tegen, in alle

zelfs zijn meest veraf liggende fantastische gevolgen. Nu en dan liep

haar een rilling over het lijf alsof ze koorts had en een dreunend

pijnlijk gevoel trok haar door het hoofd van den eenen kant naar den

anderen. Toen de natuur overwon en zij in slaap viel, liet het

boosaardige plan haar geen rust; zij droomde van gruwelijken moord; zij

sneed eigenhandig iemand het hoofd af en verborg dat onder haar kabaja;

toen kwam de assistent-resident en wilde haar geboeid tusschen zijn

oppassers meenemen; maar zij wilde niet om dat hoofd; en zij voelde hoe

het bewoog met de trekken, hoe die beweging zichtbaar was aan haar

kabaja, en terwijl ze trachtte dat te verbergen voor de politie, die

haar wilde gevangennemen, opende het hoofd den mond en beet haar in de

borst. „Neem het weg,” riep ze of wilde ze roepen, en in werkelijkheid

stiet ze een paar benauwde toonlooze kreten uit, die haar zelf deden

ontwaken en ook aan het snorken van Den Ekster voor ’n oogenblik een

einde maakten. Het koude zweet gudste haar van het voorhoofd; haar

gelaat was doodsbleek en haar handen sidderden, terwijl zij snel en

diep ademhaalde.

„Bagimana!” zei zachtjes en op afkeurenden toon de oude meid, terwijl

ze met een machinale beweging den waaier op en neer deed gaan en met

haar slendang langs het voorhoofd harer meesteres wreef.

Den volgenden morgen aan het ontbijt beschouwden tante en oom het

nichtje met belangstelling en bezorgdheid.

„Kind, wat ben je bleek!”

„Mijn hemel, je bent ziek. Wat scheelt er aan?”

„Ik ben niet erg lekker.”

„Sakit peroet,” hoestte de oude Sarinah, die bij de naaister op de mat

was gaan zitten.

„Nu,” zei mevrouw Borne, met al de zekerheid, die zij uit haar boekoe

obat putte, „daar zullen we je wel wat voor geven.”

„Het is de moeite niet waard, tante.”

„Je ziet er toch heel slecht van uit.”

„’t Zal morgen wel beter zijn.”

Er werd niet verder over gesproken. Na het ontbijt kreeg Betsy, die

niet had meegegeten, ’n smeersel uitwendig en ’n bitter drankje

inwendig, waarop ze ’n half uur later tot groote vreugde der

kapiteinsvrouw verklaarde, dat het haar uitstekend had geholpen.

„Er gaat niets boven inlandsche medicijn,” verklaarde tante plechtig.

„Je ziet er wezenlijk al veel beter uit.”

Nu dat laatste was waar, maar Betsy moest bij haarzelve toch lachen om

de heilzame werking van geneesmiddelen voor kwalen, die men niet heeft.

Met een onrustig oog volgde zij dien dag Sarinah, in al haar doen en

laten.

Het manah nèh? lag haar telkens, als de oude niet in haar nabijheid

was, op de lippen.

„Wees toch niet zoo vervelend!” had tante gezegd. „Het is of je ’n

klein kind bent.”

De dag ging voorbij en de volgende zonder dat er iets gebeurde; de

zenuwachtige toestand van Betsy verdween, en ze zag alles kalmer aan;

zij liep immers persoonlijk volstrekt geen gevaar! Sarinah zou haar niet

verraden, dat wist zij. Bovendien, zijzelve deed immers niets

hoegenaamd en nimmer kon men haar iets bewijzen.

Maar den derden dag liep het haar koud langs den rug en verschoot zij

van kleur, toen ze aan de rijsttafel gewaarwerd dat Den Ekster er

slecht uitzag. Zij had hem in de laatste dagen meer in het oog

gehouden, dan vroeger in maanden; zij zag het dadelijk en begreep. Toch

kon het nog niet erg wezen, dacht ze, want de Borne’s schenen er nog

niets van te bespeuren. Alleen toen Den Ekster, die in gewone

omstandigheden begaafd was met een verbazenden eetlust, slechts een

enkelen lepel rijst nam, vroegen oom en tante in volle verbazing en als

uit één mond:

„Wat mankeert jou?”

„Ik heb ’n onaangenaam gevoel in den buik; ik ben heelemaal zoo loom en

soezerig.”

„Wacht, ik zal je straks wel helpen. Zij,” antwoordde tante, doelende op

Betsy, „had voor een paar dagen precies hetzelfde; ik heb er haar in

een paar uren afgeholpen. Is het niet waar, Bets?”

„Ja.”

Onwillekeurig keek Den Ekster naar zijn vrouw, die net had gehad, wat

hij nu gevoelde te hebben. Het gebeurde niet dikwijls, dat hij haar

aanzag, maar het trof hem nu, dat zij werkelijk bleek en vermagerd was.

„Ben je heelemaal beter?” vroeg hij op zijn gewonen afgemeten toon.

De oude vijandschap verdrong elk gevoel van medelijden.

„Natuurlijk,” zei ze, en uit den klank van haar stem kon men duidelijk

hooren, dat ze er had willen bijvoegen: „ik ben niet zoo’n sukkel als

jij.”

Hij gaf er geen weerwerk op, maar glimlachte spottend, zooals men doet

over de dwaasheid van een kind; daarna keek hij droevig naar zijn ledig

bord en schonk zich een groot glas water.

„Je moet niet zooveel water drinken,” zei de kapitein; „dat is niet

goed. Neem een glas cognac.....”

„Wel, Borne,” riep zijn vrouw. „Je lijkt wel mal met je sterken drank

bij buikziekte.”

„Dat ben je zelf met je heele inlandsche medicijnrommel,” riep hij met

de hand op tafel slaande. „Een glas cognac is altijd goed.”

„Het is niet waar; het is vergif, en mijn inlandsche medicijnrommel is

heel wat heilzamer dan al dat..... zuipen.”

’t Hooge woord was er alweer uit en een woordentwist, die op niets

hoegenaamd uitliep, maar zooals zij er wel vijftig in het jaar hadden,

luid en heftig, brak los. Den Ekster noch Betsy spraken er een woord

tusschen; hij was er te onlekker voor, en zij had zulk een gevoel van

bevangenheid, dat het gekijf haar niet eens erg duidelijk was.

Eindelijk kwam er een eind aan. Bij tante Borne kwamen tranen

aanrukken, en toen stond de kapitein rood als vuur van tafel op, zette

zijn stoel neer als moest die door den grond en rukte uit naar zijn

kamer.

Den Ekster stond ook op, zuchtend en naar het scheen erg vermoeid, want

toen hij uit de achtergalerij naar binnen ging, knikten zijn knieën.

Zij durfde niet in de kamer komen.

„Ga jij niet slapen, Bets?” vroeg tante.

„Neen, ik blijf hier.”

„Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.”

Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verloopen of de kapitein

riep met vervaarlijk bas-geluid:

„Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?”

En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op

het gezicht: „Daar heb je hem al,” en ging gauw haar aandeel nemen in

de echtelijke siësta.

Het was zoo stil als het is, midden op den dag bij het brandende

zonnetje. Mensch en dier zochten schaduw en verademing; de groote

huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de steenen

trap om de oppervlakte van zijn huid zooveel mogelijk er mee in

aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder boomen en planten

kuilen in den grond en lagen daarin met opgestoken veeren, als zett’en

zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die

van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het

achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balés; geen haan dacht

aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen,—alles

onderging den invloed van den tropischen middaggloed, die de lucht deed

trillen, en verzengend en afmattend in altijd terugkeerende golvingen

heen en weer ging.

Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van

pantoffels, ongeveer het eenige wat zij kon; zij deed het bij uitstek

fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig.

Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging

naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleeker was dan

te voren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zoo snel, dat het haar

vrees aanjoeg.

Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met

verschrikkelijken doodstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen,

misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom

en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging

naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het

was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat

hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was

gebleven! Zij liep er heen, ofschoon ze zoo beefde, dat ze waggelde op

de hooge hakken harer slofjes.

„Ben je nog dáár?” vroeg ze zacht buiten de deur.

„Ja,” antwoordde met een zucht ’n klagende stem, welke niet de stem

scheen van Den Ekster.

„Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?”

„Jij niet,” was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en

afgemat is. „Stuur me die oude meid maar.”

Zij vloog naar binnen.

„Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.”

„Oeah!” zei Sarinah langerekt en zangerig. „Moet ik op mijn ouden dag

de baboe zijn van zulke groote kinderen?”

„Kom, ga nu maar.”

„Ik ga al,” steunde de oude niet zonder spotternij. „Het is zoo erg

niet. Lekas baïk!”

Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de

hand, maar den blik onafgewend naar den kant, van waar Den Ekster komen

moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op den arm

van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij er uit! Snel sloeg zij de

oogen op haar borduurwerk en trachtte ’n paar steken te doen, die

scheef en schotsch op het stramien kwamen.

Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door

kringen omgeven oogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen

afstak.

„Wil je zoo goed zijn,” vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende,

en die de zijne niet was, „den dokter te laten roepen? Ik ben erg

ziek.”

„Ik zal het dadelijk doen,” zei ze. Haar stem trilde en had ook een

geheel veranderden klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn

aandacht noodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend

gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.

Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Ekster obat geven, maar de

kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy

reeds om den dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer

te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy

met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stelligen toon:

„Ik zou begonnen zijn met hem een lepel castor-olie te geven.” Sarinah,

die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat de njonja besar pinter

sekali was.

De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte,

luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en

vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de

dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De

kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer,

waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een steenen beeld, terwijl

Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op

een horloge zien, de medicamenten uit de Europeesche apotheek

toediende.

De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een

bewijs van medelijden en verborgen genegenheid.

„Kom,” fluisterde tante haar toe, „kom Bets, ga mee naar achter ’n kop

thee drinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch

niets doen.”

De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de

temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in

zijn slaap, als gevoelde hij pijn.

Het was den volgenden dag iets beter. De dokter kwam trouw ’s morgens,

’s middags en ’s avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom

Borne verklaarde met een zucht van verlichting, dat, al had dan Den

Ekster door dien korten aanval een geducht „rokje uitgetrokken”, hij er

toch wel gauw weer „bovenop” zou zijn.

Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een

pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij

waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas

geval. Toen den derden dag na den ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek

en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt

de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereed

gemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en

Den Ekster nog niet naar „kapitein Jas” ging, onder „den groenen

deken”, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig

naar den kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat.

Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpasseering eenig grof werk

en mompelde nu en dan eenige woorden, die door de jonge naaister met

zekeren eerbied werden aangehoord.

Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de

toespelingen van den kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij

zei:

„Nu, Bets heeft zich wàt ongerust over je gemaakt toen je ziek waart.

Men kon haar „onder een hoedje vangen.””

Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en eenigszins

vriendelijk vroeg hij:

„Was je bang, dat ik dood zou gaan?”

De alle opgewektheid doodende sluier van onverschilligheid trok weer

over haar gelaat, en sprak als ’t ware uit haar geheele houding.

„Volstrekt niet. Ik heb ’n hekel aan ziekte, dat is alles.”

„Zoo! Had je misschien gedacht, dat ik je ’n jong weeuwtje zou maken?”

„Ja,” zei ze brusk-weg.

„Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.”

Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante Borne

vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze

quaestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze

tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond

hij. Zulke jonge menschen!

En mevrouw vond het ook.

„Ze houden betoel van elkaar,” meende zij, alle harten rekenend naar

haar eigen, „maar het is of Joost er mee speelt, — ze vatten alles

verkeerd op, en de een doet den mond niet open of de andere is klaar om

zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.”

„Het is maar gelukkig, oudje,” zei de kapitein, zorgvuldig zijn

uniform-jas uit de kreuken trekkend, „dat wij zoo niet zijn. We mogen

dan al eens ’n los woord hebben, maar als het er op aankomt, dan weten

we toch wel waar Abram den mosterd haalt, hé?” en hij sloeg den arm om

haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een ouden gek noemde,

maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel!

Zelfs Betsy sliep rustig; thans meer dan ooit op den bultzak. Borne,

die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster ’s avonds zijn troost weer

in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitsersche

klokje, dat in de achtergalerij aan den wand hing, sloeg helder en met

lange tusschenpoozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was

droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn

geheele lichaam, en de pijn en de zwaarte in zijn ingewanden; het

gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zoo duister; hij voelde zijn

huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het

eene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat

voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige

week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zooveel

weerstandsvermogen niet meer had?

„Nèh!” riep hij.

De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht

had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben.

Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en

nog een. Dat hielp een oogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende

pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan men van haar

ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van

haar slaapplaats.

„Wat is het?”

„Stuur om den dokter,” kermde hij, van pijn weer krimpend.

Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het

huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig

voort op haar bloote voeten naar het huis van den dokter, dat wel een

halven paal van ’t hare verwijderd was.

Voor den jongen dokter was het een groote teleurstelling. Het had hem

reeds zóó verheugd, dat hij dezen patiënt had genezen van wat hij

meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel

wederwaardigheden te kampen; de eenige taal, waarin hij zich bij

Europeesche bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duitsch. Maleisch

en Hollandsch kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten

slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite

behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen

ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben,

maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.

Toen hij ten huize der Borne’s kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te

vreezen stond. De temperatuur van den zieke was vreeselijk hoog; ook de

overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt

lag geheel uitgeput ter neer, onverschillig voor alles wat gebeurde,

half bewusteloos soms en nu en dan eenigszins opgewonden, maar wat

lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend.

Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij,

en na een uur of wat scheen de aanval eenigszins te bedaren.

In het Duitsch zei nu de jonge man tegen kapitein Borne, dat hij naar

huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn

voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men

hem vinden kon.

„A propos!” zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen,

waar de frissche ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. „Wat zou

je denken dat hem eigenlijk scheelde?”

De jonge man trok eenigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje, dacht een

oogenblik na en zei toen met groote snelheid: „Bösartige tropische

Sumpffieber mit Localisation auf dem Plexus solaris. Guten Morgen, Herr

Kapitän.”

En weg was hij!

Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige

uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij

verbluft den jongen vreemdeling na, die met vluggen tred heenging. Maar

een oogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig

woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaalsch en zijn potjeslatijn?

Het was ’n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met

onverstaanbare dokters.

Toen hij weer in de ziekekamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst

en schrik, die uit ’t geheele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op

een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deel nam aan de

bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw ter zijde.

„Ik zou haar naar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.”

„Ja, daar heb ik niet op gelet. Kasian, ze is heelemaal afgevallen!

Bets, ga jij zoo lang naar achter, ja, en laat de nèh je wat opknappen.

Wij kunnen het nu hier wel af; als je noodig mocht zijn, zal ik je

roepen.”

Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de

bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer.

Goena-Goena: Oorspronkelijke roman · 第 2 / 16 段