DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.

...So unselig-selig strebt

Jeder hier, so lang er lebt,

Sucht und drängt nach seinem Gral.

Jeder Mensch ist Parzival!

(Parzival, ein Abenteurerroman

erzählt von Will Vesper.)

_Hoe prins Gamuret uit zucht naar avontuur de wereld introk en in

den strijd het leven liet._ Prins Gamuret, de tweede zoon van den

koning van Anjou, was gehuwd met Herzeleide, de jonge koningin van

Noord-Wallis en Valois. Het erfdeel, dat hem als jongeren zoon bij den

dood zijns vaders werd toegewezen, bestond uit eenige sterke burchten,

omringd door welige landerijen, die voldoende opbrachten om hem een

bestaan te doen voeren, een koningszoon waardig. Een tijd lang leefde

hij zeer gelukkig met zijne jonge gemalin op één zijner kasteelen,

waar hij open tafel hield voor de ridders uit den omtrek en zich naar

hartelust overgaf aan de genoegens van jacht en ridderspel.

Na eenigen tijd begon dit leven van niets doen hem echter te

vervelen. Van zijn vader had hij diens onrustigen, avontuurlijken

aard geërfd, welke hem reeds als jongen knaap de wijde wereld had

ingedreven. Voor eene wijle had de liefde tot Herzeleide hem weten te

binden aan zijn geboorteland, maar op den duur kon hij het daar niet

uithouden, al sterker en sterker pijnigde hem het verlangen opnieuw

de wereld in te trekken.

Niettegenstaande de smeekbeden van zijne jonge vrouw, vatte hij het

besluit op om zijn dorst naar avontuur te bevredigen en toen hij kort

daarna vernam, dat in het verre Oosten een krijg was uitgebroken,

gaf hij den wensch om daaraan deel te nemen, als voorwendsel op voor

zijn vertrek.

Wel viel het afscheid van Herzeleide hem zwaar, maar hij troostte zich

met de gedachte, dat het niet voor eeuwig was en dat zij in de toekomst

nog vele jaren gelukkig samen zouden kunnen leven! Hij dacht er niet

aan, dat hij, die op de toekomst bouwt, dikwijls bedrogen uitkomt.

Vol moed trok Gamuret heen en wierp zich, in het land zijner

bestemming aangekomen, met vuur in den strijd. Helaas! het zou zijn

laatste gevecht zijn, want reeds den eersten dag werd hij door eene

vergiftigde speer doodelijk gewond en bezweek korten tijd daarna

onder de vreeselijkste pijnen.

_Van de geboorte van Parcival._ Wie schetst de wanhoop van Herzeleide,

toen zij het bericht van den dood haars echtgenoots ontving? Onder het

storten van bittere tranen verwenschte zij den noodlottigen drang tot

avontuur, die den man huis en haard, vrouw en geliefde doet verlaten

om in den vreemde het gevaar te gaan opzoeken. Zij zwoer daarbij een

plechtigen eed, dat, zoo het kind, hetwelk zij verwachtte, een jongen

mocht zijn, zij al het mogelijke zou doen, om elke zwerversneiging

in hem te onderdrukken. Haar zoon zou, althans in dit opzicht, zijns

vaders voorbeeld niet volgen en nooit zou men van hem kunnen zeggen,

dat hij zijne moeder en later misschien zijne echtgenoote ongelukkig

had gemaakt.

Toen de tijd was aangebroken bracht Herzeleide een zoon ter wereld,

dien zij Parcival noemde. Nog vóór het kind een jaar oud was, verliet

zij den fraaien burcht, dien zij bewoonde en trok zich met enkele harer

vrouwen en dienaren terug in een eenzaam slot, dat omgeven was door een

onmetelijk woud. Zij verbood hare dienaren ten strengste, om haren zoon

ooit te spreken over ridderschap en alles, wat daarmede verband hield

en wijdde zich geheel aan de verzorging en opvoeding van haar kind.

Parcival groeide op tot een slanken, welgebouwden knaap. Hij was

geheel vertrouwd met de dieren en planten uit het woud en als kind

kende hij geen grooter genoegen, dan te luisteren naar het gezang

der vogels en te leeren hunne stemmen te onderscheiden. Soms kon hun

liefelijk geluid of hun snelle wiekslag langs het blauwe luchtruim

hem aan het peinzen brengen over de vraag, wie de wereld om hem

heen zoo schoon gemaakt had; wie de bloemen deed bloeien langs de

hellingen der bergen, wie de beekjes deed stroomen door de dalen en de

afwisseling der jaargetijden op aarde deed plaats hebben. Wanneer hij

met dergelijke vragen tot zijne moeder kwam, vertelde deze hem van den

goeden God, Die schooner en lichter was dan de schoonste lentemorgen,

Wien alle menschen dienen moesten om goed en gelukkig te worden en Die

steeds de menschen wilde helpen en steunen en hen in den nood wilde

bijstaan. Wanneer de knaap dan om zich heen zag in het geurende,

bloeiende woud, werd zijn hart met dankbaarheid vervuld voor den

Schepper van al dit schoons en riep hij uit: "Ik wil God zoeken in

de wereld en Hem dienen, waar en wanneer ik kan!"

Dan sloot Herzeleide ontroerd haar zoon in de armen en dacht bij zich

zelve: "Het ware het beste, wanneer ik van mijn kind een geestelijke

maakte. Zulk een ambt is Gode welgevallig en ik kan hem dan steeds

in mijne nabijheid behouden.

De jaren verliepen en Parcival rijpte tot jongeling. Zijne moeder had

hem onderricht doen geven in het jagen en rijden, tot hij in die beide

kunsten zeer bedreven was. De vele beweging en het leven in de open

lucht had zijne spieren gestaald en zijne gestalte kloek en mannelijk

gemaakt, maar zijn hart was rein en onschuldig als dat van een kind,

dat niets weet van de wereld en zijne dagen verdroomt tusschen de

boomen en bloemen van het woud. Wanneer hij, op een heuvel staande,

somtijds uitzag over het land, werd hij wel eens bevangen door eene

vreemde onrust, die zijn hart sneller deed kloppen. Daarginds, aan gene

zijde der heuvelen, zoo meende hij, moest God wonen, Die schoon was

en goed en Dien hij, Parcival, aanhing met al de liefde en vereering

zijner jongelingsdroomen. Eens zou er een dag komen, dat hij God zou

gaan zoeken en Hem zijne diensten zou aanbieden. Nooit echter kwam

het bij hem op om dien dag nader te bepalen; hij was tevreden met

zijn leven en verlangde geen ander gezelschap dan dat zijner moeder.

Spoedig zou dit anders worden.

_Hoe Parcival in het bosch vier ridders ontmoette en hoe hij besloot

naar het hof van koning Arthur te gaan._ Eens op een morgen,

toen Parcival neuriënd langs den woudzoom liep, naderden van de

tegenovergestelde richting vier ridders te paard. Vroolijk rinkelden de

belletjes aan het hoofdstel der paarden en hunne kurassen glansden als

zilver in het heldere morgenlicht. De knaap bleef stilstaan en zag met

open mond naar die schitterende gestalten. Met verbazing vroeg hij zich

af, wie het zijn konden, toen eene plotselinge gedachte hem door het

brein schoot. Had zijne moeder hem niet verteld, dat God, de Schepper

van het aardrijk en de Helper en Vertrooster der menschen, schoon en

licht was als de schoonste lentemorgen? Welnu dan, het kon niet anders,

of deze wonderschoone wezens, wier schittering hem de oogen verblindde,

waren God en Zijne engelen. Juichend liep hij de ruiters tegemoet en

viel voor hen op de knieën, maar de ridders hielden, half verbaasd,

half vertoornd, hunne paarden in en één hunner riep uit:

"Sta op, knaap! Waarom ligt gij voor ons op de knieën, alsof gij

bezig waart, God zelven te aanbidden! Wijs ons liever den naasten

weg naar Camelot. Gisterenavond zijn wij, door de duisternis misleid,

een verkeerd pad ingeslagen en sindsdien is het ons nog niet gelukt

om den rechten weg terug te vinden."

Parcival stond op uit zijne knielende houding en zag den spreker

onthutst aan.

"Zijt gij dan God niet?" vroeg hij verbaasd, "wie zijt gij dan

wel? Nooit in mijn leven zag ik mannen zooals gij!"

De ridders zagen elkander aan en haalden met een spottend lachje de

schouders op, maar één hunner, die medelijden had met de onnoozelheid

van den knaap, boog zich voorover tot Parcival en sprak: "Wij zijn

ridders van de Tafel Ronde en Gods dienaren, zooals elk waarachtig

ridder een dienaar van God is. Wij trekken op avontuur door het land en

veroveren sterke burchten, schoone vrouwen en machtige koninkrijken!"

Parcival's oogen begonnen te schitteren.

Welk een schoon bestaan moest dat zijn: door de wereld te trekken en

God te dienen: niet in eene eenzame cel, zooals de vrome kluizenaars in

het woud dit deden, maar te paard gezeten, in een glinsterend gewaad,

zooals deze mannen!

De zucht tot avontuur, die als vaderlijk erfdeel diep in zijn hart

sluimerde, ontwaakte in hem en deed hem uitroepen:

"Ik wil een ridder worden zooals gij en God dienen! Zeg mij, edele

Heer, wie mij tot ridder kan maken?"

"Dat kan alleen koning Arthur," antwoordden de ridders als uit één

mond en daarna gaven zij hunnen paarden de sporen en reden verder.

Parcival echter snelde, zoo vlug hij maar kon, naar zijne moeder,

viel haar om den hals en riep uit:"Moeder, ik wil een ridder worden!"

Herzeleide ontstelde hevig en antwoordde:" Wie heeft u van ridders

gesproken? Zeg het mij en ik zal hem doen dooden!" Maar toen Parcival

haar met zijne onschuldige oogen aanzag en verbaasd vroeg:

"Is het dan zondig, moeder, om een ridder te zijn?" boog zij het

hoofd en zeide: "Neen, mijn kind, het is eene eer!"

"Ik wist het wel," riep de knaap verheugd uit, "zij dienen immers God!"

Van toen af aan was hij niet meer te houden. Of zijne moeder hem

ook smeekte en bad om bij haar te blijven, hij liet haar geen rust,

vóór zij hem toestond naar het hof van koning Arthur te gaan en dezen

te vragen, hem tot ridder te slaan. Eindelijk verzon Herzeleide eene

list. Zij kleedde den knaap in een narrenpak van grauwe stof, bezet

met bontgekleurde strepen. Een paar grove laarzen van kalfsvel gaf zij

hem aan de voeten en zoo uitgerust wilde zij hem laten vertrekken,

in de hoop, dat de spotternijen, welke hij zou hebben te verduren,

hem spoedig den lust tot reizen zouden benemen en hem tot haar terug

zouden doen keeren.

Parcival was uitgelaten van vreugde over de verkregen toestemming. Geen

oogenblik kwam het bij hem op zich over zijn uiterlijk te bekommeren,

en toen zijne moeder hem een boerenpaard en eene korte werpspies ten

geschenke gaf, toonde hij zich hierover even verheugd, als waren het

een edel strijdros en een zwaard met gouden greep geweest.

Op den morgen van zijn vertrek gaf Herzeleide hem nog eenige wijze

raadgevingen.

"Wees vriendelijk en hulpvaardig jegens alle menschen," zoo sprak zij,

"onverschillig of zij arm of rijk, oud of jong zijn. Eert den ouderdom,

en zoo een grijsaard u raad wil geven, neem dien dan dankbaar aan. Wees

een trouw dienaar der vrouwen en als eene schoone vrouw u een ring

of een groet schenkt, neem haar dan in uwe armen en kus haar; niets

kan een ridder meer tot eer strekken!"

In alle vroegte reed Parcival heen; zijne moeder liep hem na en

volgde hem met hare oogen tot hij bij eene kromming van den weg uit

het gezicht verdween. Toen keerde zij zich om, maar bij het zien

harer eenzame woning brak haar het hart. Met een luiden kreet stortte

zij voorover en toen hare kamervrouwen toeschoten, vonden zij hare

meesteresse levenloos ter aarde liggen.

_Van Parcival's reis naar het hof._ Een vroolijk deuntje zingend reed

Parcival voort en stuurde zijn vreemdsoortig rijdier in de richting

van het bosch van Broceliande. Tegen den middag kwam hij voorbij een

grasveld, in welks midden hij eene tent vond opgeslagen. Nieuwsgierig

naar wat zich daarbinnen bevond, steeg hij van zijn paard en sloop

naderbij. Hij lichtte eene slip van het zijden tentdoek op en kon

nauwelijks een kreet van bewondering onderdrukken, toen hij daarbinnen

op een zijden rustbed eene wonderschoone vrouw zag liggen, in diepen

slaap verzonken. Het was de jonge hertogin Jeschute, wier echtgenoot,

Heer Orilus, op de jacht was getogen en haar eene wijle in hunne tent

alleen had gelaten. Vol eerbied zag Parcival op haar neer; plotseling

ontdekte zijn oog een gouden ring, welke aan haar vinger glinsterde,

en begeerig als hij was, om reeds nu eene ridderlijke onderscheiding

deelachtig te worden, trok hij voorzichtig den ring van hare hand, nam

de inmiddels ontwaakte schoone in zijne armen, kuste haar en verliet

haastig de tent, de hertogin in de grootste verbazing achterlatend.

Kort daarop kwam haar echtgenoot, Heer Orilus, van de jacht terug. Toen

hij in het bedauwde gras de voetstappen van een man bemerkte, ontstak

hij in hevigen toorn en beschuldigde zijne gemalin, dat zij gedurende

zijne afwezigheid eene heimelijke samenkomst met haren geliefde had

gehad. Het baatte niet, of Jeschute hem al bezwoer, dat er niemand

bij haar was geweest dan een baardelooze knaap in narrenkleeding,

die haar in den slaap een ring had ontnomen en haar vervolgens op de

wang had gekust--de jaloersche echtgenoot was niet van de waarheid

harer woorden te overtuigen! Hij brak in aller haast de tent op, zette

zijne ontstelde echtgenoote te paard en joeg het dier met stokslagen

voor zich uit, terwijl hij de arme Jeschute met de vreeselijkste

beschuldigingen overlaadde.

Parcival vervolgde intusschen opgeruimd zijn weg; getrouw aan

den raad zijner moeder groette hij een ieder, dien hij tegenkwam,

op vriendelijke, bescheiden wijze. Wanneer hij door een dorp reed,

lachten de kinderen hem uit om zijne wonderlijke kleedij, maar hij,

die niet wist, wat spot was, lachte vroolijk met hen mede en vroeg hun

om hem den kortsten weg naar het hof van koning Arthur te wijzen. De

één zond hem hier, de ander daarheen, want niemand beschouwde zijne

vraag als ernstig gemeend. Zoo zwierf hij vele dagen door het land,

tot het toeval hem eindelijk voor de muren der stad Nantes bracht,

waar koning Arthur destijds hof hield.

Vóór de poort trof hij een ridder aan in roode wapenrusting, die hem

staande hield en hem naar het doel zijner reis vroeg. Toen Parcival

zijn wensch te kennen gaf door koning Arthur tot ridder geslagen te

worden, barstte de roode ridder in lachen uit, zoodat onzen jongen

held van ergernis het bloed naar de wangen steeg. Dit ziende, bedwong

de ridder zich en sprak:

"Gij schijnt mij tamelijk jong en onervaren om reeds nu onder de

ridders van koning Arthur te worden opgenomen. Doch dit is niet mijne

zaak. Luister, ik heb u een verzoek te doen. Wanneer gij toegang krijgt

tot den koning, zoo zeg dan aan de ridders, die gij om hem heen ziet

staan, dat Heer Ither--zoo is mijn naam--hen uitdaagt tot een tweekamp

om het bezit van dezen zilveren beker, welken ik van den koninklijken

disch heb meegenomen. De koning denkt, dat ik een kind ben, maar hij

zal zien, dat hij zich vergist! Ik wil den beker en mijne eer tot

mijn laatsten snik verdedigen: meld dit aan de Tafel Ronde."

Parcival beloofde zijne boodschap te zullen overbrengen en drong door

tot vóór den troon des konings. Daar gekomen viel hij voor den vorst

op de knieën en bracht hem de uitdaging van Heer Ither over. Een

spottend gemompel ging door de rijen der aanwezige ridders en ook

over het gelaat des konings gleed een glimlach, toen hij antwoordde:

"Wij allen kennen de nukken en luimen van Heer Ither. Waarschijnlijk

gevoelt hij zich beleedigd door de eene of andere miskenning zijner

waardigheid en zendt hij daarom deze dwaze boodschap. Wij doen beter,

ons niet om hem te bekommeren, tot zijne drift wat bekoeld is, dan zal

hij wel uit zichzelven naar het paleis terugkeeren. En gij, knaap",

zoo vervolgde hij tot Parcival, "hebt gij mij nog iets anders te

zeggen, dat gij zoo geknield blijft liggen? Spreek, wat wenscht gij?"

Thans was het oogenblik gekomen, dat Parcival gedurende zijn langen

zwerftocht als doelwit voor oogen had gezweefd. Hij richtte zich op uit

zijne knielende houding, zag den koning recht in het gelaat en sprak:

"Heer koning, ik heb slechts één wensch op aarde en die is, dat gij

mij tot één uwer ridders maken wilt!"

De ridders uit 's konings omgeving konden hun lachen nauwelijks

bedwingen, toen zij Parcival's wensch hoorden. Deze halfwassen,

potsierlijk uitgedoste knaap wilde toegelaten worden tot de befaamde

ridderschap der Tafel Ronde! Het was inderdaad belachelijk en hoe

eerder men den jongen zulke gedachten uit het hoofd praatte, des te

beter voor hem.

Maar de koning lachte niet; hij zag hoe het gelaat van den

knaap straalde van edele geestdrift; wat hij daarop las was geen

jeugdige overmoed, het was de heilige bezieling voor eene hooge

roeping! Vriendelijk zag hij Parcival aan en sprak: "Uw gelaat bevalt

mij, knaap! Gij zijt nog jong en onervaren, maar eens zult gij een

goed en dapper man worden en dan zal ik het mij tot eene eer rekenen,

u onder mijne ridders te begroeten. Blijf tot zoolang in mijn dienst

hier aan het hof, ten einde u voor te bereiden voor de schoone,

maar zware levenstaak, welke u wacht. Bedenk, dat er meer noodig is,

om een goed ridder te zijn, dan een open oog en een sterke arm!"

Maar Parcival was met 's konings belofte niet tevreden; hij viel

opnieuw voor Arthur op de knieën en riep smeekend:

"Wat ik u bidden mag, spreek mij niet van uitstel en wachten! Nu,

op dit oogenblik wil ik tot ridder gemaakt worden. Het is niet om aan

het hof te blijven en als hoveling goede sier te maken, dat ik het u

vraag, neen, ik wil de wereld zien en God zoeken! Hem wil ik dienen,

maar ik wil Hem dienen als één der uwen."

Toen de koning bij zijne weigering bleef volharden, vroeg Parcival

hem verlof om zichzelven eene wapenrusting te verschaffen. De roode

rusting van Heer Ither, daarginds voor de poort, beviel hem, deze

zou hij vragen. Toen de koning en het gansche hof in een schaterlach

uitbarstten over zijn onnoozel plan, werd Parcival boos en liep de

zaal uit, zeggende, dat, wanneer de roode ridder hem niet goedschiks

zijne wapenrusting afstond, hij zich die met geweld zou verschaffen.

Zoo geschiedde het inderdaad, Heer Ither, die aanvankelijk het verzoek

van den knaap slechts met een schamper lachen ontving, zag weldra

in, dat het den jongeling ernst was met zijn verlangen. Vertoornd

over zulk eene onbeschaamdheid, lichtte hij met een welgemikten

speerstoot onzen held uit het zadel en meende hiermede de zaak

afgedaan te hebben. Parcival ontstak echter in zóo hevige woede over

zijn smadelijken val, dat hij op Heer Ither toeliep, hem zijne korte

werpspies door de oogopeningen in den helm stak, en hem de hersenen

doorboorde. Als een blok viel Heer Ither neer en gaf den geest,

Parcival knielde bij het ontzielde lichaam neer, maakte de beenstukken

en het kuras los en gespte die zichzelven om. Daarna zette hij zich

den helm op het hoofd, greep de lans van den gevallen ridder en steeg

weer te paard.

Eenige schildknapen, die uit het paleis kwamen aanloopen, klaagden

luide over den dood van hun heer en verweten Parcival, dat hij een

man, die hem geenerlei kwaad gedaan had, in koelen bloede had doen

sneven. Onze held stoorde zich echter niet veel aan wat zij zeiden en

toen zij hem dreigden met de ongenade des konings, riep hij vroolijk

uit: "Wat gaat mij de toorn van koning Arthur aan? Nu ik een ridder

geworden ben, wil ik God dienen, niet slechts den koning!"

Met deze woorden reed hij heen, maar in het paleis van koning Arthur

treurde men om den dood van Heer Ither en verwenschte den vreemdeling,

die hem gedood had.

_Parcival komt aan het slot van heer Gurnemanz._ Na eenige dagen

zwervens kwam Parcival bij een machtig slot; vóór de poort, onder de

schaduw eener linde zat een oude man, met een sperwer op de gesloten

vuist. Bij het zien van den grijsaard herinnerde de jongeling zich den

raad zijner moeder; hij steeg af, groette den oude eerbiedig en sprak:

"Mijne moeder heeft mij geleerd den raad van een grijsaard te

eerbiedigen. Eenige dagen geleden heb ik mijzelven met geweld deze

wapenrusting verschaft; van de gebruiken der ridderschap ben ik

evenwel geheel onkundig. Kunt en wilt gij ze mij leeren?"

De grijsaard werd getroffen door het kinderlijk vertrouwen, dat de

knaap in hem stelde, en beloofde hem te zullen helpen. Daarop wierp

hij zijn sperwer omhoog in de lucht en het dier, dat aan zijn hals een

gouden schelletje droeg, vloog met lustig gerinkel over den slotmuur

om de komst van zijn meester aan te kondigen.

Gurnemanz--zoo heette de grijsaard--en Parcival volgden hem weldra

binnen den gastvrijen burcht, waar den jongeling een gul onthaal

ten deel viel. Geruimen tijd bleef hij de gast van Heer Gurnemanz,

die hem onderwees in alle kundigheden, waarmede een ridder vertrouwd

moet zijn. Hij vond in Parcival een vluggen, ijverigen leerling,

die weldra zijn meester dreigde voorbij te streven. Eén ding prentte

Gurnemanz den knaap vast in het geheugen: niets misstaat den ridder

meer dan nieuwsgierigheid en onbescheidenheid. Daarom moet hij,

wanneer hem het een of ander bevreemdt, zich er voor hoeden naar

de verklaring hiervan te vragen. Wanneer hij die behoort te weten,

zal hij ze wel zonder vragen te weten komen.

Toen Parcival gevoelde, dat er voor hem op het slot niets meer

te leeren viel, gaf hij Gurnemanz zijn voornemen te kennen om te

vertrekken en zijne onderbroken reis voort te zetten.

Gaarne had de oude ridder hem bij zich gehouden, want zijne beide

zonen waren in den strijd gevallen en niets zou hij liever gezien

hebben dan een huwelijk tusschen Parcival en zijn eenig dochtertje

Liasse. Maar het hart laat zich niet dwingen en dat van den knaap

sluimerde nog. Wel mocht hij de kleine Liasse gaarne lijden, maar

het kwam niet bij hem op haar tot vrouw te begeeren.

Zoo nam hij dus afscheid van zijn trouwen leermeester en dankte hem

voor alles, wat hij voor hem gedaan had. Hij kuste Liasse op beide

wangen en bemerkte niet, hoe droevig zij hem aanzag. Toen zadelde hij

zijn paard en verliet den burcht, waar hij zooveel goeds en nuttigs

geleerd had en reed opnieuw de wereld in.

_Van het huwelijk tusschen Parcival en Condwiramur en hoe hij zijne

vrouw verliet om God te zoeken._ Onze held zwierf door het land en

zocht God. Overal verwachtte hij Hem te vinden. Als de boomen van

het woud steunden en kraakten onder den druk van den wind, als de

sneeuw dreunend van de bergen stortte, als de watervallen bruisten,

als de donder rolde en de bliksemstralen flitsten, dacht hij steeds:

"Nu zal het gebeuren! Nu komt God!"

Maar God kwam niet en Parcival trok verder, nu eens troosteloos over

zijne teleurgestelde verwachtingen, dan weer blij en opgewekt door

een innerlijk gevoel van hoop en vertrouwen.

Eens op een dag reed hij langs het strand, diep geroerd door

de schoonheid der zee, die zich voor hem uitstrekte en in haar

klaren spiegel het blauw van den hemel ving. Na eenige uren rijdens

kwam hij aan de monding eener breede rivier, aan welker overzijde

eene versterkte stad gelegen was. Aan de drukte en bedrijvigheid,

die rondom de muren heerschten, kon hij zien, dat men bezig was,

zich voor te bereiden op een vijandelijken aanval. Daarom waren de

bruggen over den stroom reeds alle vernietigd, met uitzondering van

ééne, welke men juist begon af te breken. Parcival sprong ijlings

op de wankelende balken en bereikte de overzijde, waar hij door zijn

plotseling verschijnen eene groote ontsteltenis veroorzaakte onder de

werklieden en krijgsknechten. Toen zij evenwel zagen, dat hij alleen

was en hij hen allen vriendelijk groette, werden zij gerustgesteld en

kwamen naderbij. Op zijn belangstellend vragen vertelden zij hem, dat

de burcht het eigendom was van de jonge hertogin Condwiramur, die na

den dood haars vaders werd lastig gevallen door koning Clamides, die

haar tot een huwelijk met hem wilde dwingen. Reeds verscheidene malen

had hij zijn maarschalk, Kingrun, naar haar slot Bel Repair gezonden

om bij de hertogin aan te dringen op eene verwezenlijking van zijn

verlangen, maar Condwiramur bleef weigeren. Thans had hij gedreigd,

de stad te zullen belegeren en de hertogin te dwingen zijne vrouw

te worden. Daarom was men druk in de weer om den burcht in staat van

verdediging te brengen, want den volgenden morgen zou Kingrun voor de

laatste maal komen om het antwoord der hertogin te vernemen en wanneer

dit opnieuw eene weigering bevatte, zou het beleg spoedig volgen.

Parcival was diep begaan met het lot der ongelukkige jonkvrouw en

verzocht den knechten hem bij haar te brengen.

Daarop leidden zij hem naar den ingang van het kasteel. Daar vond

hij een dienaar, die hem in een ruim vertrek voerde, waar de jonge

hertogin met hare kamerjuffers aan het venster zat om van daar uit

de toebereidselen voor het beleg gade te slaan.

Condwiramur trad den binnentredende tegemoet, vol spanning over het

doel zijner komst, maar toen zij tegenover hem stond, vergat zij haren

grooten nood en de gevaren, welke haar bedreigden. Evenzoo ging het

hem. Hij vergat alles om zich heen en kon slechts vol bewondering

staren naar het gelaat der jonkvrouw, dat, ondanks de sporen van

vergoten tranen, hem schooner toescheen dan eenig vrouwengelaat hem

ooit was voorgekomen.

Condwiramur was de eerste om zich te herstellen en heette Parcival

welkom in haren burcht. Zij gaf hem op zijn verzoek een meer omstandig

verslag van den benarden toestand, waarin zij verkeerde, maar onze

held hoorde nauwelijks wat zij zeide, zóó zeer was zijn gansche wezen

bevangen door de zoete bedwelming der ontluikende liefde. Toen zij

ophield met spreken, kon hij slechts eenige woorden van troost en

opbeuring stamelen, daarop vroeg hij zijne gastvrouw verlof om zich

voor den nacht ter ruste te begeven.

Eenige uren later, toen hij juist, na lang woelen en peinzen, in een

onrustigen slaap verzonken was, werd hij uit zijne droomen gewekt

door het gevoel van iets vochtigs op zijn gelaat.

Hij richtte zich overeind en zag tot zijne verbazing eene witte

gestalte vóór zijn bed neergeknield liggen. Het was Condwiramur,

die met het hoofd in de handen lag te snikken, alsof haar hart

zou breken. Toen Parcival haar op ontstelden toon vroeg, wat haar

deerde, hief zij haar door tranen overstroomd gelaat tot hem omhoog

en klaagde hem haar grooten nood. Nadat Parcival zich ter ruste had

begeven, zoo zeide zij, had zij opnieuw eene bespreking gehouden met

hare raadslieden. Deze hadden haar ten slotte in overweging gegeven,

om het aanzoek van koning Clamides aan te nemen, daar dit de eenige

uitweg was om haar volk en hare stad voor een wissen ondergang te

behoeden. Zij kon er evenwel niet toe besluiten om de vrouw te worden

van een man, dien zij haatte en minachtte om de wijze, waarop hij

zich in hare gunsten trachtte te dringen. Liever zocht zij den dood.

Dit droevig verhaal maakte diepen indruk op Parcival's jeugdig

gemoed. Zijne gevoelens van recht en ridderlijkheid, maar nog meer de

nieuwe, teedere gevoelens, welke dien dag in zijne ziel tot ontluiking

waren gekomen, kwamen in heftigen opstand tegen het onrecht, zijne

geliefde aangedaan. Hij bezwoer Condwiramur bij alles wat haar heilig

was om zich de gedachte aan een huwelijk met dien onverlaat uit het

hoofd te zetten; hij, Parcival, zou haar helpen! Hierdoor eenigermate

gerustgesteld deelde de jonkvrouw hem mede, dat haar meest gevreesde

vijand niet was koning Clamides, maar diens maarschalk en afgezant,

Kingrun. Wanneer de vorst, zooals nu en dan geschied was, neiging

vertoonde om zijne booze plannen op te geven, was het Kingrun,

die telkens weer zijne kwade lusten en hartstochten wist op te

wekken. Menig ridder uit de hofhouding van Condwiramur had hij

reeds in een tweegevecht gedood en morgen zou hij opnieuw komen om

de rechten van zijn heer te bepleiten! Toen Parcival dit hoorde, was

zijn besluit genomen: hij zou met den valschen maarschalk strijden en

met Gods hulp zou het hem gelukken, den booswicht een verder optreden

onmogelijk te maken.

Condwiramur ging getroost heen en Parcival legde zich opnieuw ter

ruste, maar het duurde geruimen tijd, alvorens hij den slaap weer

kon vatten.

Den volgenden morgen in alle vroegte kwamen de dienaren der hertogin

hem roepen en hem wapenen voor den komenden strijd. Kort daarop

verkondigde een luid bazuingeschal van den slottoren, dat Kingrun

voor de poorten der stad verschenen was. Op groven toon daagde hij één

van de volgelingen der hertogin tot een tweegevecht met het zwaard uit.

De brug werd neergelaten en Parcival reed naar buiten, gekleed

in zijne roode wapenrusting en met zijn glinsterend zwaard--een

geschenk van Heer Gurnemanz--in de hand. Recht en fier troonde hij

op zijn ongeduldig trappelend strijdros, een toonbeeld van jeugd

en schoonheid. Welk eene tegenstelling met het uiterlijk van zijn

tegenstander! Kingrun was krom en gebocheld, maar zijne spieren waren

als van ijzer en staal en zijne kracht maakte hem gevreesd door het

gansche land.

Parcival wist niets omtrent de sterkte van zijn vijand; hij wist

alleen, dat nu het oogenblik gekomen was om de wijze lessen van

zijn ouden leermeester in praktijk te brengen en te toonen, wat hij

kon. Bovenal echter had hij het besef, dat hij streed voor de eer

en het behoud van de vrouw, die hij liefhad, en dit besef schonk hem

een onweerstaanbaren moed en kracht.

Zoo kwam het dan ook, dat onze held na een strijd, welke zijne weerga

niet vond in hevigheid, erin slaagde zijn vijand zoodanig af te matten,

dat het hem ten slotte gelukte Kingrun van zijn paard te werpen. De

verleiding hem te dooden was sterk, maar hij bedacht zich en droeg in

plaats daarvan den overwonnene op om naar het hof van koning Arthur

te gaan en aldaar melding te maken van het feit, dat de roode ridder

hem in het gevecht overwonnen had.

Toen de ongelukkige maarschalk zich verwijderd had, openden zich

de wijde poorten van het kasteel en de dienaren en knechten van

Condwiramur stroomden naar buiten om den held van den dag in

feestelijken optocht naar hunne meesteres te geleiden.

De jonge hertogin wachtte haren bevrijder op boven aan de breede

trappen, welke naar den hoofdingang van het kasteel voerden. Wederom

stonden hare schoone oogen vol tranen, maar ditmaal waren het tranen

van vreugde en dankbaarheid. Toen Parcival voor haar op de knieën

viel en den zoom van haar kleed kuste, richtte zij hem op, sloot

hem in de armen en verklaarde ten aanzien van de verzamelde menigte,

dat zij geen anderen man tot haren echtgenoot begeerde dan hem.

Juichend en jubelend omstuwde het volk het jeugdige paar, dat elkander

bevend van geluk omarmd hield en nog dienzelfden dag werd de bruiloft

gevierd.

Niets ontbrak aan het geluk der jonge echtgenooten. Weliswaar trok

koning Clamides met zijn leger op naar de stad om de nederlaag

van Kingrun te wreken, maar de bezetting van Bel Repair werd door

Parcival's leiding en het geluk hunner geliefde meesteres met nieuwen

moed bezield en wist de aanvallen der belegeraars met goed geluk af

te slaan. Toen het ten slotte tot een tweestrijd kwam tusschen de

beide aanvoerders en Parcival daarin overwinnaar bleef, kende het

geluk en de blijdschap der inwoners van Bel Repair geen grenzen. Ook

koning Clamides werd naar het hof van koning Arthur gezonden om van

de zegepraal des rooden ridders te getuigen en in den burcht vierde

men de overwinning met blijde feestgelagen. Zoo troonde het jonge

paar in de volheid van hun geluk op Bel Repair en het verwoeste land

daaromheen kwam allengs tot nieuwen bloei.

Een tijd lang vond Parcival vrede en voldoening in het samenzijn met

zijne geliefde gemalin en in de zorgen voor het bestuur van haar land,

maar ten slotte sloop de onrust weer binnen in zijne ziel en maakte

het oude verlangen om God te zoeken, zich opnieuw van hem meester.

Het rustige leven aan de zijde zijner echtgenoote, die hij toch zoo

liefhad, bevredigde hem niet langer. Nog had hij God niet gevonden,

mocht hij dan zijne verdere dagen in ledigheid doorbrengen, en doof

blijven voor die innerlijke stem, welke hem aanspoorde om niet te

versagen?

Hij deelde Condwiramur zijn voornemen om te vertrekken mede en hoewel

haar hart verscheurd werd bij de gedachte aan eene scheiding, zweeg

zij nochtans stil en eerbiedigde zijn verlangen.

Zoo reed onze held opnieuw de wijde wereld in, maar ditmaal was hij

droevig gestemd, want zijn hart bleef bij Condwiramur.

_Parcival komt aan den graalburcht: Montsalvasch._ Parcival zwierf

door de velden en wouden, tot hij aan eene bergachtige streek kwam,

vol diepe ravijnen en donkere spelonken. Een ieder, dien hij tegenkwam,

vroeg hij, waar God woonde, maar niemand kon het hem zeggen, hoewel

zij allen voorgaven, Hem te dienen. Soms werd onze held ongeduldig

over zijn langen wachttijd; dan twijfelde hij er wel eens aan,

of hij God ooit zou vinden en vergat, dat men God niet kan dwingen,

maar dat zij, die Hem zoeken, Zijne schreden moeten volgen in deemoed

en naastenliefde, tot dat God Zelve hen tot zich roept.

Na een langen, vermoeienden zwerftocht kwam Parcival eens op een

avond bij een klein meer, omgeven door hooge berghellingen. Op het

meer lagen eenige visschersbooten voor anker en in eene van deze

leunde een oude man over de verschansing. Het was een grijsaard,

wiens kostbare kleederen hem eenigszins misplaatst deden schijnen in

de ruwe visschersschuit. Meer nog dan door de pracht zijner kleeding

werd Parcival getroffen door de treurige uitdrukking van zijn gelaat

en met verbazing vroeg hij zich af, waarom de grijsaard met zulk eene

sombere uitdrukking in het water staarde.

Daar de avond kil en vochtig was, vroeg hij den grijsaard op bescheiden

toon om hem een onderkomen voor den nacht aan te wijzen en ziet, toen

de oude man hem aanzag, scheen het Parcival toe, of er een glans van

blijde verwachting in zijne doffe oogen kwam. Hij gaf den jongeling

op zijne vraag te kennen, dat de streek, waarin hij zich bevond,

zeer eenzaam en bijkans onbewoond was, maar dat zijn eigen slot

zich niet ver van daar bevond en geheel tot Parcival's beschikking

stond. Hierop wees hij den jongeling den weg daarheen en na eenig

zoeken zag onze held inderdaad de torens en tinnen van een burcht

tusschen de boomen van het woud doorschemeren. Het was eene woeste,

eenzame plek, te midden van dichte bosschen; de burcht was op eene

hooge rots gelegen, en ving de laatste stralen der ondergaande zon

in zijne vensters. Een diepe afgrond gaapte vóór het slot, maar bij

Parcival's nadering viel er eene zware ophaalbrug dreunend over de

kloof en maakte den toegang tot het kasteel mogelijk.

Een aantal ridders en knapen kwamen den gast tegemoet treden en

begroetten hem eerbiedig, maar allen zagen er somber en ernstig uit

en over het gansche slot scheen eene stemming van rouw te hangen.

Nadat zij Parcival van zijn harnas en wapenen hadden ontdaan en hem

een stel fraaie kleederen hadden doen brengen, voerden zij hem voor

den maaltijd in eene groote, ruime zaal. Hier brandden een ontelbaar

aantal kaarsen, die, in zware lichtkronen gevat, naar alle kanten

een warm gouden schijnsel verspreiden. Langs de muren stonden een

aantal rustbedden; vóór elk bed lag eene zware vacht. In drie marmeren

haarden vlamden open vuren en vóór het middelste vuur lag op eene lage

rustbank de zieke burchtheer, in kostbaar pelswerk gehuld. Parcival

werd uitgenoodigd, aan zijne zijde plaats te nemen, waarop de zaal

zich langzamerhand vulde met eene schare van ridders, die zich op

de rustbedden langs den muur nederzetten. Toen allen gezeten waren,

vloog de deur der zaal open en een knaap trad binnen. In zijne

uitgestrekte hand droeg hij eene lange speer met eene bloedige punt,

waarvan de roode droppels omlaag vielen op de mouw van den drager. Op

het zien van de lans begonnen alle aanwezigen luidkeels te jammeren

en te weenen en hun geweeklaag verstomde eerst, toen de knaap, na de

lans langs de vier muren te hebben gedragen, weer met zijn vreemden

last uit de zaal verdween. Een oogenblik was er stilte, toen openden

zich de wijde zaaldeuren opnieuw en binnen trad eene jonkvrouw, die in

hare opgeheven handen een schotel of kom droeg, welke een verblindend

licht uitstraalde. Voor den schijn van dit licht, dat rozig was als

het licht van den dageraad, maar nochtans verblindend als de felste

zonnestralen, verbleekte het honderdvoudige licht der kaarsen. Alle

ridders verhieven zich van hunne rustplaats en bogen eerbiedig het

hoofd, ook Parcival moest voor dien fellen schijn de oogen sluiten. Het

was hem, of hij eene zachte muziek door de zaal hoorde ruischen en

hij voelde eene siddering van ontroering zijn lichaam doortrillen.

Middelerwijl had een schildknaap een kostbaar zwaard naderbij

gedragen, welks greep met robijnen was bezet, en de kranke burchtheer

overhandigde het Parcival en verzocht hem het te willen aannemen als

vergoeding voor wat er mogelijk aan zijne ontvangst ontbroken had;

hij zelf had het in menigen kamp gebruikt, tot God hem met eene

ongeneeslijke kwaal gestraft had. Geheel uit het veld geslagen door

al het wonderlijke om hem heen, stamelde onze held een paar woorden

van dank, waarop de zieke door een aanval van pijn scheen te worden

overvallen, althans hij viel steunend in de kussens.

Duizend vragen drongen den jongeling naar de lippen bij het zien van

den wonderschotel, die op een marmeren tafel te glanzen stond, maar,

gedachtig aan de wijze lessen van Gurnemanz, weerhield hij zich naar

de beteekenis van dit alles te vragen, weinig vermoedend, welk een

onheil hij door zijn zwijgen teweegbracht.

"Het is een vreemde burcht", zoo dacht hij, "en er heerschen hier

vreemde gebruiken. Wat mag toch wel de reden zijn van de droevige

stemming, welke hier heerscht? Wat kan de herkomst wezen van dien

lichtenden schotel en waaraan ontleent hij zijn wonderglans? Hoe

gaarne zou ik dit alles weten, maar--zeide mijn leermeester mij niet,

dat bescheidenheid onder alle omstandigheden als hoogste deugd des

ridders geprezen moest worden? Bovendien--ik kan den slotheer niet

helpen. Ieder mensch heeft zijn eigen leed te dragen, heb ik niet

het mijne, dat mij rusteloos voortjaagt in ongestild verlangen naar

een doel, dat ik wellicht nooit bereiken zal?"

Op dit punt gekomen geraakte onze held verdiept in droefgeestig

gepeins over zijn eigen kommer, die zijn hart zóó zeer vervulde, dat

het ongevoelig werd voor het lijden van anderen. Eerst veel later zou

hij dermate door de smart gelouterd zijn, dat hij zijn eigen verdriet

genoegzaam op zijde kon zetten om oog en oor open te houden voor het

leed zijner medemenschen.

Onder eene drukkende stilte werd de maaltijd genuttigd; de Graal,

zooals Parcival den schotel fluisterend hoorde noemen, verschafte

daarbij al het noodige. Men behoefde zich slechts iets te wenschen,

of het verlangde verscheen onmiddellijk in de schalen en bekers.

Toen het maal was afgeloopen, droeg de jonkvrouw den Graal uit de zaal

weg en leidde men Parcival naar een weelderig ingericht slaapvertrek.

Uitgeput door zijn langen rit en al het vreemde, dat hij gezien had,

viel hij spoedig in een doffen slaap, waaruit hij eerst ontwaakte, toen

de zon reeds hoog aan den hemel stond. Ontsteld over zijn lang slapen,

riep hij terstond om de knapen, die hem den vorigen avond bij het

ontkleeden behulpzaam waren geweest, maar niemand verscheen--doodsche

stilte heerschte in het gansche slot. Daar bemerkte Parcival,

dat zijne kleederen en wapenrusting voor zijn bed gereed lagen,

dus besloot hij zichzelven te helpen. Tegen zijne rustbank geleund

stonden twee zwaarden: het zijne en dat, hetwelk de zieke slotheer

hem ten geschenke had gegeven.

Toen hij geheel gereed was, begaf hij zich langs de breede trappen

naar beneden, naar alle kanten spiedend, of hij niet een spoor van

leven kon ontdekken. Maar neen--het slot was als uitgestorven. Op

het voorplein vond hij zijn paard gezadeld, en in een haast om weg te

komen uit deze vreemde omgeving, waar de drukkende stilte hem benauwde,

stoof hij de ophaalbrug over. Nauwelijks had zijn paard de hoeven van

de brug gelicht, of deze werd met knarsend geluid omhoog getrokken

en eene stem vanuit den burcht riep hem na: "Dwaas, die gij zijt,

scheer u weg van hier! Waarom hebt gij uwen gastheer de verlossende

vraag niet gedaan? Den sleutel tot het hoogste geluk hieldt gij in

de hand, maar gij hebt dien niet weten te gebruiken, omdat uw hart

koud is als ijs. Thans zijt gij vervloekt in alle eeuwigheid!"

Parcival had zich omgewend en wilde den burcht opnieuw naderen, maar

de gapende afgrond hield hem tegen en op al zijn roepen ontving hij

geen antwoord.

Mismoedig haalde hij de schouders op en vervolgde zijn weg door het

eenzame woud.

Na eenigen tijd kwam hij langs eene open plek tusschen de struiken,

waar hij eene jonkvrouw vond met het lijk van een ridder in de

armen. Toen Parcival haar vroeg naar de oorzaak van den dood van

haren metgezel, vertelde zij hem, dat zij beiden met vele andere

edelvrouwen en ridders op een naburig kasteel woonden, waar zij zich

allen wijdden aan het nastreven van een hoog en heilig doel. Kort

geleden op een middag hadden zij vanaf de slotmuren een hond uit

het bosch te voorschijn zien springen, die een kostbaren halsband

droeg, bezet met flonkerende diamanten. Daar zij wisten, dat er in

verren omtrek geen menschelijke woning te vinden was, waren zij ten

zeerste verbaasd over het zien van den hond en Sigune--zoo heette de

jonkvrouw--had haren geliefde schertsenderwijze bevolen om, zoo hij

haar werkelijk liefhad, dien fraaien band voor haar te bemachtigen.

Drie lange dagen was hij weggebleven totdat eindelijk de onrust

Sigune in het woud gedreven had, om hem te zoeken. Zij vond hem, maar

helaas! onder welke omstandigheden--in een doodelijken kamp gewikkeld

met Heer Orilus, die, sinds de vermeende ontrouw zijner echtgenoote

Jeschute, als een woesteling door het land trok en mensch noch dier,

die hij op zijn weg ontmoette, spaarde. Sigune was nog juist bijtijds

gekomen, om haren stervenden vriend in hare armen op te vangen en

hem de oogen te sluiten.

Parcival was diep ontroerd door het treurige verhaal der

jonkvrouw. Getroffen zag hij haar aan, toen zijn oog plotseling viel op

het beeld eener witte duif, dat zij, evenals haar ontslapen echtgenoot,

op hare kleederen droeg. Hij herinnerde zich datzelfde teeken gezien

te hebben op de kleedij der ridders in het geheimzinnige slot. Zou

de jonkvrouw hem de verklaring kunnen geven van wat hij daarginds

voor raadselachtigs gezien en gehoord had?

In haastige bewoordingen vertelde hij Sigune zijn wedervaren en terwijl

hij sprak, kwam er een glans van groote vreugde op het gelaat zijner

toehoordster, welke echter allengs plaats maakte voor eene uitdrukking

van verbazing en groeiende ontsteltenis.

Toen hij ophield met spreken, nam Sigune het woord en zeide op

bitteren toon:

"Heer, ik weet bijna niet, wat ik zeggen zal. God had u tot de

hoogste heerlijkheid uitverkoren en gij zijt die onverschillig

voorbijgegaan. Hoe kondt gij zwijgen bij het zien van het lijden

des kranken konings? hoe kondt gij zwijgen bij het aanschouwen van

den Graal, het goddelijk mysterie, dat elke ridder dienen en eeren

moet?" Maar toen Parcival wanhopig uitriep, wat dan toch die Graal

was en waarom allen in het slot hem zoo droevig hadden aangezien,

werd hare stem zachter en zij hernam:

"Heer, luister naar mij! De Graal is een wonderschotel, zooals er

geen tweede op aarde te vinden is. Christus zelf heeft hem gemaakt en

gebruikte hem bij het laatste Avondmaal, dat Hij met Zijne jongeren

nuttigde. Na Zijn heengaan, liet Hij den Graal achter als teeken Zijner

goedheid. Toen nu echter de heidenen in het land vielen, vluchtten zij,

die met den zorg voor den Graal belast waren, en brachten hem hier,

in deze wildernis. Zij verzamelden een aantal ridders om zich heen,

die den Graal moesten bewaken en stelden aan hun hoofd een koning, die

over de geheele wereld regeerde en wien de Graal kracht verleende om

ten allen tijde het recht te steunen en het booze te bestrijden. Zijne

volgelingen, de Graalridders, waartoe ook mijn geliefde behoorde, zond

die koning de wereld in om hem die heilige taak te helpen vervullen

en, waar deze ook heentrokken, steeds bleef de heilige glans van den

Graal hen omzweven en maakte hen sterk en schier onoverwinlijk.

Zoo was het vele jaren, tot eindelijk de menschelijke boosheid de

macht van den Graal kwam verstoren. De tegenwoordige koning, Amfortas,

dezelfde, dien gij ziek en lijdend op zijn burcht Montsalvasch hebt

zien liggen, erfde het Graal-koningschap van zijn vader, toen hij

nog zeer jong was. Kort daarop kwam de booze hertogin Orgeluse en

veroverde zijn hart met haar schoonheid. Wel mogen de Graalridders

liefhebben--immers zonder liefde is het leven onvolkomen--maar zij

beminnen met eene heilige, innige liefde, welke die der andere menschen

te boven gaat. Orgeluse echter rustte niet, alvorens de jonge Amfortas

zich willoos en zinneloos in hare macht had gegeven.

Wat was het gevolg? De Graalridders volgden het voorbeeld van hun

koning en brachten hun tijd door in ledigheid en bedwelmend zingenot,

zonder zich te bekommeren over de hooge levenstaak, die God hun had

opgelegd. De glans van den Graal verminderde allengs, alsook zijne

macht; ware dit niet het geval geweest, dan zou mijn geliefde nog in

leven zijn! Eens op een dag vond Amfortas zijne geliefde in de armen

eens medeminnaars en hij, de Graalkoning, de beschermer van recht en

billijkheid, ontstak in zulk eene blinde woede, dat hij den ongelukkige

met een speerstoot doodde. Sindsdien ondergaat hij de straf, die God

hem heeft opgelegd. Hij ligt weg te kwijnen aan eene slepende kwaal,

waarvan de dood hem niet verlossen zal, alvorens" ... hier werd hare

stem van een plechtigen ernst en hare oogen begonnen te stralen,

"alvorens het wonder is geschied en de nieuwe Graalkoning zijn ambt

heeft aanvaard!"

"Wie zal dat zijn?" vroeg Parcival in ademlooze spanning en Sigune

antwoordde: "Als een kind in de eenvoud zijns harten, als een held in

de sterkte van zijn arm, een ridder en tevens een dwaas, zoo zal de

nieuwe Graalkoning zijn. Amfortas is oud en vergrijsd en snakt naar

rust. Die rust is nabij--sedert eenigen tijd straalt de Graal met

vernieuwden glans en langs den rand van den heiligen schotel staat in

vlammend schrift de naam te lezen van hem, die eerlang komen zal. Wij

allen hebben dien naam vernomen, maar hij, die hem draagt, is zich

niet bewust, wat van hem verwacht wordt. Niemand mag hem helpen den

Graal te zoeken, niemand mag hem over den Graal spreken, wanneer hij

er niet uit eigen beweging naar vraagt. Komt hij op het slot en vraagt

hij niets, dan is de Graal voor eeuwig voor hem verloren!"

Onder hare woorden was Parcival alles duidelijk geworden; een

vreeselijk berouw greep hem aan en angstig vatte hij Sigune bij den

arm, terwijl hij uitriep:

"Voor eeuwig! Dat kunt gij niet meenen! Waarom zou hem de kans niet

geboden worden, om zijne fout te herstellen?"

Hierop sprak Sigune: "Slechts hij kan den Graal vinden, die een zacht

en hulpvaardig gemoed heeft en die medelijden gevoelt voor het lijden

van zijne medemenschen. Hij, die door de smart van den koning en zijne

ridders ongeroerd bleef, moet een hart van steen hebben, en is niet

waard den Graal te bezitten!"

Parcival's ziel kwam in opstand tegen het noodlot, dat hem zóó strafte.

"Is het dan zulk een schoon en begeerlijk lot om Graalkoning of

-ridder te zijn?" vroeg hij nog, maar Sigune zag hem verontwaardigd

aan en sprak:

"Wat spreekt gij domme taal! Wie den Graal dient, dient God. God

geeft zijne ziel vrede en kracht om het booze te bestrijden en het

goede te willen. Is er iets schooners denkbaar? Gij echter zijt hard

en ongevoelig, gij leeft, maar het goddelijk heil zult gij ontberen,

nu en altijd. Door u is de redding, die zoo nabij scheen, voor goed

verloren. Waarom spreek ik nog met u? Voort! Gij, die ongeluk brengt,

waar gij maar komt, die uwe moeder van verdriet deedt sterven, omdat

gij haar alleen liet, gij zijt het kind van uw vader, een avonturier

zonder hart! Voort! ik wil u niet langer zien!"

Het hart vervuld van wroeging en bitterheid reed Parcival verder. De

plotselinge tijding van den dood zijner moeder had hem diep geroerd

en onder het langzaam voortrijden werd er een stroom van herinneringen

bij hem wakker, die zijne ziel vervulden met een smartelijk verlangen

naar het land en den tijd zijner kindsheid.

Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen sloeg hij weinig acht

op zijne omgeving, tot zijn oor plotseling getroffen werd door een

klagelijk geween. Opziende, bespeurde hij aan den kant van den weg

eene vrouwengestalte, die met luide stem zat te jammeren.

Parcival hield zijn paard in en vroeg haar naar de oorzaak van haar

verdriet. Hoe verbaasd was hij, toen de aangesprokene de edelvrouwe

bleek te zijn, die hij--hoe lang geleden scheen het hem!--kort na

zijn vertrek uit de ouderlijke woning in hare tent had gekust.

Ook Jeschute--want zij was het--herkende hem en in een stroom van

bitter-droeve woorden deelde zij hem mede, welke noodlottige gevolgen

zijne onbezonnenheid voor haar gehad had.

Terstond besloot Parcival het onrecht, hetwelk haar echtgenoot

haar aandeed, zooveel hij kon te herstellen. Even daarna stormde

hertog Orgilus uit de struiken naderbij en overlaadde de arme vrouw

met smaadredenen. Toen hij haar in Parcival's gezelschap aantrof,

kende zijne woede geen grenzen en wat onze held ook zeide, om zijn

toorn te doen bedaren, niets vermocht hem de overtuiging te geven,

dat zijne vrouw inderdaad onschuldig was. Zoo kwam het eindelijk

tusschen de beide mannen tot een gevecht, waarin Parcival de

overwinning behaalde. Hij schonk zijn overwonnen tegenstander het

leven, op voorwaarde, dat deze zich met zijne vrouw verzoenen zou,

hetgeen geschiedde. Toen hij het tweetal zich samen zag verwijderen,

had onze held voor het eerst sinds vele weken een gevoel van voldoening

door het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht.

Hertog Orgilus trok naar het hof van koning Arthur en legde daar

eene eerlijke bekentenis af over het onrecht, dat hij zijne vrouw

had aangedaan. Toen hij vervolgens vertelde hoe een ridder in roode

wapenrusting hem tot de erkenning van dit onrecht had gedwongen,

werd Arthur, wien nu reeds ten derden male getuigd werd van den moed

en kracht van dien onbekenden held, zóó verlangend om te weten, wie

die onbekende was, dat hij besloot, den rooden ridder op te zoeken

en hem te vragen, een der zijnen te worden. Hij begaf zich met een

talrijk gevolg op weg in de richting, vanwaar Heer Orgilus gekomen

was en liet zijne tenten opslaan in de nabijheid van de plek, waar

deze met den rooden ridder gestreden had. Toevallig kwam onze held na

eenige dagen zwervens opnieuw bij de plaats des gevechts en zoodoende

in de buurt van 's konings legerplaats.

In den nacht was er sneeuw gevallen. Een valk, die toebehoorde

aan een der ridders uit Arthur's gevolg, was ontsnapt en had jacht

gemaakt op eene vlucht wilde ganzen, waarvan hij er één had weten

te vangen. Terwijl hij bezig was zijne prooi te verslinden, hoorde

hij Parcival's paard langs het boschpad naderbij komen. Met een

luid klapwieken vloog de valk weg, eenige losse veeren en een paar

bloeddruppels als sporen van zijn wreed bedrijf achterlatend.

Parcival zag de helderroode druppels afsteken tegen de blanke sneeuw

en ziet--voor zijn geestesoog verrees het beeld van het gelaat zijner

jonge vrouw, blank als de sneeuw aan zijne voeten en rozig getint

door den warmen blos der jeugd. Hoe weinig had hij aan haar gedacht

den laatsten tijd en toch, hoe dierbaar was zij hem!

Hij verzonk in zoet gepeins over zijne geliefde en bemerkte niet,

hoe een ridder te paard hem naderde. Een schildknaap, die uitgezonden

was om den ontsnapten valk te vangen, had in Arthur's kamp de mare

verspreid van de nadering des rooden ridders en terstond had een der

ridders zich gereed gemaakt om den vreemdeling te bestrijden en de

eer der Tafel Ronde tegenover hem te verdedigen.

Als in een droom stelde Parcival zich teweer, toen hij aangevallen

werd, maar nochtans slaagde hij erin zijn aanvaller uit het zadel

te lichten.

Het gebeurde herhaalde zich, toen Heer Key, vergramd over den

nederlaag van zijn vriend, waarvan hij op eenigen afstand getuige

was geweest, den rooden ridder aanviel. Ook hij werd van zijn paard

geworpen en brak daarbij een arm en een been. Maar zelfs deze tweede

overwinning was niet in staat om onzen held uit zijn gemijmer wakker

te schudden. Peinzend staarde hij voor zich uit en doorleefde in zijne

gedachten nog eens den korten tijd van echtelijk geluk, welken hij

aan de zijde van Condwiramur had doorgebracht en waaraan hij zelve

op ruwe wijze een einde had gemaakt. De ridders van koning Arthur

sloegen hem op eenigen afstand met verbazing gade, tot eindelijk Heer

Walewein op hem toereed en hem met zachten drang tot de werkelijkheid

wist terug te roepen. Op zijn aandringen volgde Parcival hem naar de

legerplaats des konings, die hem hartelijk welkom heette en hem deed

aanzitten aan zijn disch.

Nauwelijks waren zij gezeten, of het doek voor 's konings tent

werd op ruwe wijze uiteengescheurd en in de opening verscheen eene

afschuwelijke gestalte: eene oude vrouw, met boosaardig grijnzend

gelaat en fladderende, grijze haren. Bij haar binnentreden rezen

alle ridders van hunne zetels overeind. "Kundri, de Graalbode,"

fluisterden zij met huiverend ontzag, "wat zou zij te melden hebben?"

De oude vrouw liet hare blikken glijden langs de rij der

aanwezigen. Toen zij Parcival ontdekte, sloeg zij beide armen omhoog

en riep met krijschende stem:

"Weg met hem! den harteloozen verrader, die zijne Goddelijke

roeping verloochend heeft en den glans des heiligen Graals heeft

doen verflauwen! Wat zit hij hier temidden van dappere mannen, wier

gezelschap hij tot schande is! Voort met hem in de eeuwige duisternis,

nu hij het licht der Goddelijke openbaring vrijwillig den rug heeft

toegekeerd!"

Na deze woorden uitgestooten te hebben, verdween de grijze Kundri weer

even plotseling als zij gekomen was. Parcival had onder het aanhooren

harer verwenschingen het hoofd gebogen; toen hij het weer ophief,

was hij alleen in de tent met Walewein, die hem droevig aanzag.

Toen onze held bespeurde, dat allen waren weggevlucht uit zijne

tegenwoordigheid, als ware hij de drager eener besmettelijke ziekte,

werd zijn hart met bitterheid vervuld en hij riep uit: "Mijn gansche

leven heb ik getracht, God te zoeken ten einde Hem mijne diensten aan

te bieden. Wat is mijn loon hiervoor? Gehoond en vervolgd word ik als

een uitgestootene, alleen omdat ik den raad van mijn leermeester poogde

op te volgen. Heb ik daarom mijne moeder verlaten en haar, die mij het

liefste is op aarde? Thans heb ik genoeg geleden! Wanneer er een God

was, zou Hij mij voor dezen onverdienden smaad bewaard hebben! Ik wil

Hem niet langer dienen! God is de oorzaak van al mijn lijden! Wanneer

Hij mij niet de onrust in het hart had gelegd, woonde ik nu gelukkig

en tevreden met mijne geliefde, zooals alle andere menschen. Ieder

spreekt van God, als kenden zij Hem, maar ik, die Hem overal zoek,

ken Hem niet. Waarom verbergt Hij zich voor mij, die bij alles wat

ik doe, Zijnen wil indachtig ben? Maar genoeg! Van nu af aan zal ik

zonder God mijn weg zoeken en Hem ten spijt zal ik den Graal vinden,

al zou het mij het leven kosten! Wat geef ik om Gods vloek? Indien

Hij mij vervloekt, zoo vervloek ik Hem!" Haastig wilde hij de tent

verlaten, maar Walewein hield hem terug en sprak:

"Vriend, waar wilt gij heen? Weet gij dan niet, dat niemand den Graal

vinden kan, zonder Gods hulp en steun? Wat wilt gij alleen uitrichten?"

Parcival echter rukte zich los en riep uit: "Laat mij gaan!" daarop

sprong hij te paard en reed het donkere bosch in, dat niet donkerder

was dan zijne ziel.

Toen zwierf Parcival vier lange jaren door het land, in zijn stalen

harnas, de lange speer in de hand. Het was hem onverschillig, waarheen

het lot hem voerde; hij zag zelden om zich heen, maar staarde steeds

voor zich uit met donkeren, speurenden blik. De koude des winters,

de verzengende zomerhitte--hij voelde ze nauwelijks; de schoonheid der

jaargetijden gleed aan hem voorbij zonder zijne ziel te beroeren. Zijn

hart was met tweestrijd vervuld, nu eens drong het hem terug te keeren

naar Condwiramur om in hare liefde troost te vinden voor zijne gewonde

ziel, dan weer joeg het hem voort in de onbekende toekomst, waar het

beeld van den Graal hem lokte met stralenden schijn. Somber en in zich

zelf gekeerd vervolgde hij zijn tocht; alleen wanneer hij kans zag

zich in den strijd te onderscheiden, verdween de bittere trek om zijn

mond en scheen hij voor eene wijle op te leven uit zijne moedeloosheid.

In alle gevechten bleef hij overwinnaar; roem en eer gewerden hem,

maar zijn hart bleef koud en bitter en den Graal vond hij niet.

Nooit ging hij meer ter kerke en wanneer men hem over God sprak,

lachte hij luid en hoonend, zoodat de menschen hem verschrikt aanzagen

en haastig een kruis sloegen.

Voor de vijfde maal sedert Parcival de legerplaats des konings verlaten

had, was de lente in het land gekomen. Een teer groen waas lag over

de takken van het woud en tusschen de struiken ritselde en schuifelde

het van jong, nieuw leven.

Parcival had het vizier van zijn helm omhooggeslagen en voelde

den zoelen lentewind over zijne wangen streelen. Onwillekeurig zag

hij omhoog naar de blauwe lucht, waarlangs de witte wolken dreven;

hij hoorde het kweelen der vogels en zag, hoe de knoppen zwollen

aan de boomen. Van heel ver drong het kleppen van een kerkklok tot

hem door. Langs een zijpad naderde een klein gezelschap in grijze

boetekleederen. Het waren de heer van een naburig kasteel met zijne

vrouw en hunne beide dochters, die zich naar de mis begaven, want

het was Goede Vrijdag, de dag, waarop men het lijden en sterven van

den Heer herdenkt.

Toen de kerkgangers een ruiter in volle wapenrusting bespeurden,

stonden zij stil en de hertog riep uit: "Wie zijt gij, Heer, dat gij op

een dag als dezen met wapenen in de hand, als voor den strijd gereed,

door het land trekt? Weet gij dan niet, dat het heden de Goede Vrijdag

is, die voor alle Christenen een dag van heilige herdenking zijn moet,

omdat Christus op dien dag voor hen gestorven is?"

Maar Parcival antwoordde norsch:

"Laat mij met rust! Wat maal ik om den Goeden Vrijdag? God heeft mij

uit Zijnen dienst verstooten; sindsdien erken ik Hem niet langer als

mijn Heer."

De grijze hertog sloeg ontzet de handen ineen over deze lastertaal

en zeide:

"Uwe woorden doen mij pijn! Gij moet inderdaad zwaar geleden hebben,

om zóó diep gezonken te zijn. Gij hebt raad en bijstand noodig, maar

van een beter en wijzer man dan ik. Niet ver van hier woont een vrome

kluizenaar, Trevizent, die u de geestelijke voorlichting zal geven,

welke gij behoeft. Ga tot hem en hij zal u helpen, om in Gods veilige

hoede terug te keeren. Daar en daar alleen zult gij troost vinden

voor uw lijden!"

Parcival haalde de schouders op, maar de woorden van den grijsaard

en de overtuiging, waarmede hij gesproken had, hadden toch indruk

gemaakt en na een vriendelijk woord van dank wendde hij zijn paard

in de richting der kluizenaarswoning.

Terwijl hij zoo voortreed door het bloeiende woud en overal om zich

heen het ontwaken der natuur gadesloeg, drong voor het eerst sinds

langen tijd iets van de reine klaarheid van dien lentemorgen door tot

zijne ziel. Aarzelend begon hij zich af te vragen, of hij God misschien

onrecht had aangedaan, door Hem te zoeken zooals een jager het wild

opspoort en door te veronderstellen, dat Zijn toorn persoonlijk en

haatdragend kon zijn als die van een mensch.

Toen hij bij de hut des kluizenaars gekomen was, steeg hij van zijn

paard, legde schild en speer terzijde en boog zich voor den vromen

grijsaard op de knieën. Met een nieuwen, ongekenden deemoed in het

hart sprak hij: "Vader, help mij om vrede te vinden!" Daarop vertelde

hij hem zijne gansche levensgeschiedenis.

Zwijgend luisterde de grijsaard naar het verhaal van Parcival's lijden

en strijden. Toen hij uitgesproken had, legde Trevizent hem de hand

op het hoofd en zeide:

"Mijn zoon, ik ken uw strijd uit eigen ervaring. Ook ik was eens

jong en wilde het leven en ook God met geweld veroveren. Het leed

heeft mij gelouterd. Ik heb geleerd te berusten en mij aan Gods wil

te onderwerpen. Mijn broeder Amfortas was als ik en stelde lust en

begeerte hooger dan de ware christelijke gezindheid. God heeft ons

beiden gestraft. Mijn broeder ligt weg te teren aan eene doodelijke

krankheid en ik, die mij in de eenzaamheid heb teruggetrokken, om

te trachten door vasten en zelfkastijding ons met God te verzoenen,

ben niet in staat om hem genezing te brengen. Eens scheen het of

die genezing zou komen, maar hij, die ze brengen moest, was hard

en liefdeloos en kon mijn broeder niet helpen! Hoe vaak heb ik den

ongelukkige beklaagd."

"Heer," sprak Parcival nederig, "die ongelukkige ben ik! Ik heb den

Graal verloren door eigen schuld. Nu zoek ik hem reeds verscheidene

jaren, maar ik kan den weg naar den Graalburcht niet terug vinden. Toch

zal ik nooit ophouden hem te zoeken!"

Toen zag Trevizent hem droevig aan en sprak:

"Weet gij dan niet, dat slechts hij in staat is om den Graal te vinden,

dien God daartoe heeft uitverkoren? Zonder Zijne hulp zal het u nooit

gelukken den wonderburcht te vinden. Daarom raad ik u aan om eenigen

tijd bij mij te blijven en door vasten en gebeden te trachten, u met

God te verzoenen!"

Parcival vertoefde twee dagen in de woning van den vromen vader en

toen hij op den Paaschmorgen zijn gastheer vaarwel zegde, was hij

een ander mensch geworden.

De wijze levenslessen van den kluizenaar en de vredige stilte van het

woud hadden de stormen in zijn hart doen bedaren. Hij was teruggekeerd

tot het geloof zijner kinderjaren, maar de blijde overmoed, waarmede

hij eens was uitgereden om God te zoeken had plaats gemaakt voor een

kalmen, diepen ernst. Niet langer zocht hij God te veroveren als een

kostbaren buit, dien men zegevierend met zich draagt--thans wist hij,

dat men Hem zoeken moet met stillen eerbied in 't hart en met volkomen

vertrouwen in Zijne wijsheid en goedheid.

Toen hij Trevizent gedankt had voor al wat deze voor hem gedaan had,

nam hij afscheid van hem met de woorden: "Ik trek thans weer de wereld

in, bereid om het werk te verrichten, waartoe God mij roepen zal. Al

heb ik het bezit van den Graal verspeeld, toch wil ik trachten om

diens heerschappij over de wereld te bevorderen, door het recht te

dienen, waar ik kan en de zwakken en onderdrukten te helpen.

In die stemming van blijde hulpvaardigheid reed Parcival heen, niet

langer met gebogen hoofd en gefronst voorhoofd, maar met een dankbaar

hart en een open oog voor al het schoone om zich heen.

Hij Liet zijn paard den vrijen teugel en het trouwe dier droeg hem

door de bloeiende wouden, waar de bloemen geurden en de vogels in de

twijgen zongen.

_Hoe Parcival den Graal gewon._ Plotseling herinnerde hij zich,

dat hij dit pad, dat beekje, die hooge struiken reeds eerder gezien

had. Eene vage onrust maakte zich van hem meester. Hij drukte de

sporen in de flanken van zijn ros, dat voortjoeg in dolle vaart. En

ziet--eene juichkreet drong uit zijne keel--daarginds--recht voor

hem uit--daar rezen in den stralenden zonneschijn de torens van den

Graalburcht omhoog, glinsterend en flikkerend in het gouden licht.

Parcival staarde en staarde; hij kon bijna niet gelooven, dat het

werkelijkheid was, wat hij zag, maar hoor! daar klonk bazuingeschal

en een koor van blijde stemmen vervulde de lucht.

Dreunend viel de zware slotbrug neer en eene jubelende schare stroomde

hem tegemoet. Als in een droom liet onze held zich meevoeren naar

binnen, waar hij neerknielde voor den stervenden Amfortas, die hem

zegenend de handen boven het hoofd hield.

Daarna plaatsten de Graalridders hem op een troon en na een oogenblik

van stilte werden de breede deuren der zaal geopend en een verblindende

lichtschijn drong naar binnen. Plechtige muziek ruischte door de

gewelven en allen--ook Parcival--bogen het hoofd in diepen eerbied

voor wat komen ging.

Toen Parcival de oogen weer opsloeg, zag hij den Graal vóór zich,

stralend in ongekenden luister; langs den rand stond in vlammende

letters zijn naam geschreven.

Eene hooge, gesluierde vrouwengestalte droeg den kostbaren schotel en

plaatste hem vóór Parcival's troon. Daarna sloeg zij den sluier van

haar gelaat weg en zag hem aan. Toen was het den held, of de poorten

des hemels zich eerst recht voor hem openden, want zij, die hem aanzag,

was zijne geliefde: Condwiramur!

"Wilt gij thans opnieuw van mij vluchten?" vroeg zij en stak hem hare

beide handen toe, en als eenig antwoord sloot Parcival haar jubelend

in zijne armen.

Zoo leefden Parcival en Condwiramur lange, lange jaren gelukkig op

het slot Montsalvasch in dienst van den Heiligen Graal, het recht

verdedigend, waar zij maar konden, en datgene bestrijdend, wat boos

en slecht was.

Eeuwen zijn verstreken, sedert Parcival na lijden en strijden den

Graal veroverde. De burcht Montsalvasch is in puin vervallen en de

Graal zelve is door engelen heengevoerd, zoo meldt de overlevering. Wie

zal zeggen waarheen?

Toch houden sommigen vol, dat de Graal nog bestaat en dat wie hem

zoekt met inspanning van alle krachten hem vinden zal.

Nog heden ten dage trekt menigeen uit om den Graal te zoeken. Hij,

die dit doet, tracht het goede te dienen en het kwade te bestrijden

onder welken vorm hij het ook ontmoet.

Wie onzer zal dan met stelligheid durven beweren, dat de hooge prijs,

dien hij zoekt, hem onthouden zal worden?

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 26 / 56 题