INLEIDING TOT DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.

Wie zich ten doel stelt den oorsprong der Graal-sage op te sporen en

hare ontwikkeling in de letterkunde van Europa na te gaan, zal weldra

bemerken, dat de omvang der taak, welke hij hierdoor op zich neemt,

inderdaad geweldig is. Over het wezen van den Graal, den wonderschotel

met zijne bezielende kracht, hangt een sluier van geheimzinnigheid,

welke ondanks veler pogen nog nooit geheel is opgelicht.

Het is hier niet de plaats om uit te weiden over de vele theorieën,

welke ten opzichte van dit moeilijke vraagstuk door geleerden uit

verschillende landen zijn opgeworpen; wij willen slechts met een enkel

woord de richting aangeven, waarin deze zich ontwikkelen en voor het

overige de uiteenzetting van het probleem: het ontstaan der Graal-sage,

aan anderen, meer bevoegden overlaten.

De Graal-sage--want als zoodanig willen wij voorloopig het

Parcival-verhaal beschouwen--is eene der meest geliefde sagen uit de

Middeleeuwsche letterkunde. Waardoor kunnen wij hare groote bekoring

verklaren, waarvan de tallooze dicht- en prozawerken, welke aan eene

behandeling van dit onderwerp gewijd zijn, getuigen?

Het geheim van de groote populariteit van het Graal-verhaal is

hierin gelegen, dat het de vertolking is van 's menschen verlangen

naar een hooger leven, dat het ons de belichaming geeft van het

Goddelijk mysterie, hetwelk voor de zoekende menschenziel steeds

eene groote aantrekkingskracht heeft bezeten. Bovendien vonden in de

Graal-sage de tweeërlei stroomingen, welke zich in de Middeleeuwsche

kunstbeschouwing openbaarden, bevrediging. Zij, die doordrongen waren

van den geest der nieuwe, Christelijke beschaving, vonden er voedsel

voor hunne geestelijke behoeften; zij, wier smaak trouw was gebleven

aan de oude ridderverhalen, genoten volop van het avontuurlijke

element, dat ook in dit verhaal sterk naar voren komt. Zoo bleef de

Graal--gelijk hij dit in de oude heidensche verhalen in letterlijken

zin placht te doen--voedsel geven aan elk, die erom vroeg, zij het

thans van geestelijken aard. Tot op heden heeft de Graal-sage hare

bekoring behouden en zij zal dit blijven doen, omdat de menschelijke

ziel door alle eeuwen heen dezelfde blijft in haar zoeken en verlangen

naar de verwezenlijking harer hoogste idealen.

Wat is de Graal?

Vele antwoorden zijn op deze vraag gegeven; wij willen er voorloopig

slechts twee noemen, welke de meening weergeven van twee der

toonaangevende geleerden op dit gebied.

Professor Alfred Nutt, de schrijver van het bekende werk: "Studies

in the Legend of the Holy Grail", Londen 1888, is van meening, dat de

oorsprong van den Graal te vinden is in de mythologie der oud-Iersche

Kelten, waar wij veelvuldige vermelding vinden van wonderbaarlijke

talismans, welke den bezitter een onuitputtenlijken overvloed

verschaffen van al, wat hij zich wenscht. Eén van die talismans is

een wonderketel, welke voedsel verschaft tot in het oneindige: hij

is het zinnebeeld van vruchtbaarheid en overvloed. In de oud-Iersche

mythologie, waarvan Professor Nutt eene bijzondere studie heeft

gemaakt en die hem de verklaring heeft doen vinden van veel, dat

tot nu toe duister was in de geschiedenis der Arthur-sagen, is het

beeld van dien wonderketel nauw verbonden aan dat van een zwaard,

een speer en een kostbaren steen. Zoo meent dus Professor Nutt den

oorsprong van den Graal te vinden in de heidensche godenleer der oude

Kelten; het Christelijk karakter van den Graal is volgens hem eerst

van lateren datum.

Geheel anders denkt Professor A. Birch-Hirschfeld erover, de schrijver

van "Die Sage vom Gral", Leipzig 1877. Volgens hem is de Graal van

den aanvang af een zuiver Christelijk zinnebeeld geweest, al mogen

de eigenschappen, welke eraan verbonden waren, eenige overeenkomst

vertoonen met die van voorwerpen uit de oude volksoverleveringen.

Jessie Weston, de schrijfster van een zeer belangwekkend werk: "The

Legend of Sir Perceval", Grimms Library, vol. XVII, London, D. Nutt

1906, is evenals Prof. Nutt de meening toegedaan, dat de Graal van

heidenschen oorsprong is en eene rol speelde in de natuur-eeredienst,

welke in de Britsche eilanden vóór de tijden van het Christendom in

zwang was.

Wij spraken over "de Graal-sage", doch feitelijk bestaat er eene

geheele reeks van Graal-sagen, welke gesplitst kan worden in twee

groepen: de sagen, die tot onderwerp hebben: het zoeken van den held

naar den heiligen wonderschotel en zij, die den oorsprong en den aard

van den Graal beschrijven.

Het beroemdste werk uit de eerste groep is wel het oud-Fransche

gedicht: "Perceval ou Le Conte del Graal", geschreven door Chrétien de

Troies tusschen de jaren 1150 en 1180. De Graal wordt hier beschreven

als een tooverschotel, maar de dichter wenscht blijkbaar zijne

lezers in spanning te houden aangaande het eigenlijk wezen van dien

schotel. Ongelukkigerwijze is hij nooit toegekomen aan de oplossing van

dit raadsel; zijn gedicht is onvoltooid gebleven. Drie andere dichters:

Wauchier de Denain [53], Manessier en Gerbert hebben getracht, zijn

werk te voltooien; zij schreven tusschen de jaren 1190 en 1240. Op

het werk van deze dichters hopen wij nader terug te komen. Behalve

hunne gedichten moeten wij nog eenige andere werken noemen, welke

eveneens het zoeken van den Graal tot onderwerp hebben. In de

eerste plaats den beroemden "Parzival", van den Beierschen dichter

Wolfram von Eschenbach, geschreven omstreeks het jaar 1200 op zijn

burcht Wildenberg. Wolfram ontleende zijne stof aan het werk van

een Provençaalsch dichter: Kyot of Guiot. Verder noemen wij eene

proza-vertolking uit Wales, die te vinden is in den reeds meermalen

genoemden "Mabinogion" en waarvan het handschrift dagteekent uit

de 13e eeuw. Als levensbeschrijving van Parcival noemen wij in dit

verband nog: "Sir Percyvelle", een Middel-Engelsch gedicht, geschreven

omstreeks het midden der 15e eeuw, waarin echter geene melding wordt

gemaakt van den Graal.

Tot de tweede groep, welke zich bezig houdt met eene beschrijving

van den aard en de herkomst van den Graal, behoort allereerst een

oud-Fransch proza-werk: "Le Grand St. Graal", waarvan de schrijver

onbekend is gebleven. [54] Vervolgens eene trilogie, vermoedelijk van

de hand van Robert de Borron, welke geschreven werd tusschen de jaren

1170-1212. De drie deelen, welke in één handschrift voorkomen, zijn:

1 Joseph d' Arimathie, 2. Merlin en 3 de zoogenaamde Didot-Perceval,

een proza-werk, zoo genoemd omdat het eenige handschrift, waarin

het wordt aangetroffen, toebehoorde aan den bekenden verzamelaar van

manuscripten A. F. Didot. [55]

Over het feit, of dit derde en laatste deel ook van de hand van Borron

is, zijn de geleerden verschillenden meeningen toegedaan. Gaston Paris,

Professor Birch-Hirschfeld en Jessie Weston betoogen met klem, dat

wij inderdaad Borron als den schrijver van de drie romantische werken

moeten beschouwen, Prof. Alfred Nutt is van eene tegenovergestelde

meening.

Als derde werk over den oorsprong van den Graal noemen wij:

"Perceval le Gallois", een Fransch proza-werk, geschreven voor een

zekeren Jean, Heer van Nesle, in Vlaanderen, die leefde in het begin

der 13e eeuw. Dit werk wordt thans veelal "Perlesvaus" genoemd,

de eerstgenoemde naam was die, welken de eerste uitgever M. Potvin

eraan gaf. Het werk werd in het Engelsch vertaald door Dr. Sebastian

Evans onder den titel: "The High History of the Holy Grail." [56]

Ten slotte verdient hier vermelding de proza-roman "La Quête del

St. Graal", waarin de held niet langer Parcival is, maar Galahad. De

oorzaken dezer verwisseling bespreken wij hieronder nader. De schrijver

van dit werk is Walter Map, wiens invloed op de Arthur-sagen wij elders

in deze inleiding nog nader zullen toelichten. Uit dit werk putte

Thomas Malory voor de wedergave der Graalsage, welke wij aantreffen

in zijn "Morte d' Arthur".

De meeste van bovengenoemde verhalen stemmen overeen in de

beschrijving van den Graal als een wondervoorwerp van heilige,

Goddelijke herkomst. Sommige schrijvers zeggen, dat het de beker was,

waaruit Christus dronk aan het laatste Avondmaal, anderen zien erin

den schotel, waarin Jozef van Arimathea het bloed opving, dat uit

de wonden van Christus druppelde, toen Deze aan het kruis hing. In

Wolfram's gedicht is de Graal een steen, welke hem of haar, die hem

ziet, het eeuwige leven en de eeuwige jeugd kan schenken; in andere

gedichten lezen wij hoe de Graal het vermogen bezit om voedsel te

verschaffen aan een groot aantal menschen. Over de verschillende

theorieën omtrent den eigenlijken oorsprong van den Graal werd

hierboven reeds met een enkel woord gesproken.

Er zijn drie ridderfiguren, die in den loop der tijden door de dichters

en schrijvers tot Graalheld werden uitverkoren: Walewein, Parcival en

Galahad. Tegenwoordig wordt algemeen als stellig aangenomen, dat de

oorspronkelijke held der Graal-sage Walewein moet zijn geweest. Als

zoodanig komt hij voor in de vertolking door Bleheris [57], welke

Wauchier de Denain, den eersten voortzetter van Chrétien's werk,

tot bron diende en welke beschouwd wordt als de oudste vorm van

de Graal-sage.

In de werken van de andere navolgers van Chrétien nemen de avonturen

van Walewein eene bijkans even voorname plaats in als die van

Parcival. De laatste is, zooals wij zullen zien, de held in Wolfram von

Eschenbach's gedicht, evenals in de meeste andere Graal-verhalen. Hij

wordt meestal voorgesteld als zijnde de kleinzoon van Brons, welke

laatste de zwager was van Jozef van Arimathea en deze verwantschap

maakt onzen held voorbestemd om den Graal te vinden en te behouden.

Volgens Jessie Weston dagteekent de verwisseling van Walewein

en Parcival dan ook uit den tijd, toen de Graal-sage aangepast

werd aan de beginselen der Christelijke kerk. Dat de persoon van

Walewein nauw verbonden zou zijn met de vage overleveringen van

een ouden en mystieken eeredienst, is waarschijnlijk. Toen de sage,

welke uit deze overleveringen ontstond, dienstbaar werd gemaakt aan

christelijk-godsdienstige doeleinden, was hij daarin niet langer op

zijne plaats.

In de eerste Parcival-Graal-verhalen, waartoe ook Wolfram's "Parzival"

behoort, wordt de held ons geteekend als eene zuiver menschelijke

figuur, die wel is waar eene Goddelijke roeping heeft ontvangen, doch

wiens fouten en zwakheden hem bij het vervullen van die hooge roeping

in den weg staan en wiens hart verdeeld wordt tusschen den drang

naar het vervullen van zijne taak en het verlangen naar Condwiramur,

zijne jonge vrouw.

In de latere werken, zooals de "Quête", de "Didot-Perceval" en

"Perceval le Gallois" zien wij het ascetische element steeds meer op

den voorgrond treden. Dit werd sterk bevorderd door de geestelijkheid,

die in de Graal-sage een welkom middel zag voor het verspreiden van

hare leerstellingen aangaande onthouding en zelfbeproeving, welke een

tegenwicht moesten vormen voor de heerschende weelde en bandeloosheid.

Als gevolg van dezen sterken invloed der geestelijkheid, die eene

nieuwe strooming teweegbracht in de letterkunde der Middeleeuwen,

treedt in het zoo juist genoemde drietal Graal-romans naast of in de

plaats van Parcival een nieuwe held op den voorgrond: Galahad. Deze

wordt ons beschreven als een vlekkeloos-reine jongeling, die aan

Arthur's hof komt, waar hij, door een zwaard uit een drijvenden steen

te trekken, het bewijs levert, dat hij de edelste onder de ridders is,

en dus voorbestemd om den Graal te vinden; hij gaat met hart en ziel

op in zijne verheven taak om den Graal te veroveren en is door geene

banden aan zijne medemenschen gebonden.

Wij treffen hem, zooals wij reeds zeiden, als Graal-held aan in de

"Quête", welk werk een deel uitmaakt van den grooten, oud-Franschen

proza-roman: "Lancelot", dien wij in de Inleiding tot de sage van

Lanceloet en Elaine reeds noemden.

Galahad is de zoon van Lanceloet en door die afstamming is de band

gelegd tusschen laatstgenoemden held en den Graal. Sedert eenigen

tijd had men gevoeld, dat men Lanceloet, den befaamdsten ridder van

Arthurs hof, niet buitengesloten kon houden, waar het betrof het

meest verspreide en beroemd geworden avontuur: het zoeken naar den

heiligen Graal. Lanceloet zelf kon op dien tocht echter niet slagen

ten gevolge van zijne zondige liefde voor Ginevra. Evenmin kon hij

die liefde prijsgeven, daar dan een der meest geliefde thema's voor

het maken van liederen en gedichten zou komen te vervallen.

De oplossing was deze: niet hij zelf, maar zijn zoon zou de held

van het Graal-avontuur worden. Natuurlijk kon deze zoon niet een

kind zijn van Ginevra, doch men deed hem geboren worden uit eene

verbintenis, welke op bovennatuurlijke wijze tusschen Lanceloet

en de dochter des Graal-konings tot stand was gekomen. Deze reine

jonkvrouw werd de moeder van Galahad en zoodoende kunnen de latere

Graal-verhalen beschouwd worden eene verheerlijking te zijn van het

geslacht van Lanceloet. Op deze wijze worden twee onafhankelijke

en geheel verschillende sagen, die van Lanceloet en die van den

Graal te zamen gebracht. Dat dit niet geschieden kon, zonder de

oude verhalen geweld aan te doen, spreekt vanzelf, wanneer men

bedenkt, hoe geheel verschillend van inhoud en strekking de beide

zijn. Galahad, juist door zijne geestelijke volmaaktheid, ontneemt

aan de Graal-sage die eigenschappen, welke haar in het geval van den

oorspronkelijken held zoo aantrekkelijk maakten. Bij Galahad is er

geen sprake van eenigen twijfel omtrent de hooge roeping, waartoe

God hem heeft uitverkoren. Hij groeit op, als het ware in de schaduw

van den wonderschotel en is van zijne prilste jeugd af vertrouwd met

de nauwe betrekking, waarin deze tot hem staat. Maar juist door zijne

bekendheid met de taak, die hem is opgelegd, missen wij in het verhaal

zijner lotgevallen datgene, wat ons in de levensbeschrijving van

Parcival zoo weet te boeien: het lijden en strijden van den mensch,

die streeft naar innerlijke volmaking, die in zijne onwetendheid

het goede oogenblik om te handelen ongebruikt voorbij laat gaan en

eerst na eene lange worsteling met zuiver menschelijke zonden en

verleidingen waardig wordt bevonden het goddelijk mysterie, dat in

den Graal wordt belichaamd, te aanschouwen.

De proza-roman: "Lancelot" moet oorspronkelijk bestaan hebben

uit vier deelen, waarvan het eerste verloren is geraakt. De drie

bestaande deelen zijn: 1e de eigenlijke "Lancelot"; 2e de "Quête

del St. Graal" en 3e de "Morte Artus". Het werk wordt toegeschreven

aan Walter Map, een geestelijke en geleerde aan het hof van Hendrik

II van Engeland (1154-1189). Het was het streven van den schrijver

om door de toevoeging der Graal-legende eene diepere, geestelijke

beteekenis te geven aan de oude verhalen. Hoezeer hij zich ook als

hoveling en man van de wereld kon verlustigen in de veelvuldige

beschrijvingen van schitterende hoffeesten en tournooien, welke

wij in de oude ridderverhalen aantreffen, toch miste hij daarin

de godsdienstige strekking, welke die sagen in overeenstemming zou

kunnen brengen met den geest der Christelijke samenleving uit die

dagen. De sage van den heiligen Graal moest dienen om den samenhang

tusschen de Arthur-verhalen en de nieuwe Christelijke denkbeelden

te bewerkstelligen.

Zooals hierboven reeds vermeld werd, vinden wij eene wedergave van het

Graal-verhaal uit de "Quête" in Thomas Malory's "Morte d' Arthur". Ook

hier is de held Galahad, evenals in Tennyson's Koningsidylle "The holy

Grail", waarvoor de dichter Malory's werk als bron heeft gebruikt. Wel

brengt hij er eenige wijzigingen in aan, teneinde de allegorische

beteekenis zijner Idylle nog sterker te doen uitkomen.

Wij willen thans met een enkel woord melding maken van de meeningen

der verschillende geleerden omtrent het ontstaan der Parcival-sage

en hare samensmelting met de sage van den Graal. Hunne houding wordt

bepaald door het standpunt, waarop zij zich plaatsen ten opzichte van

het ontstaan der Arthur-sagen in het algemeen. Ook hier staan de twee

partijen lijnrecht tegenover elkander: de Fransche, Amerikaansche

en Engelsche geleerden met aan het hoofd mannen als: Gaston Paris,

[58] Ferd. Lot, Kittredge en Schofield en Alfred Nutt [59], zijn de

meening toegedaan, dat de oorsprong der Arthur-sagen en dus ook van

het Parcival-verhaal te vinden is in de oude, Keltische overleveringen

der Britsche eilanden, welke volgens G. Paris bewaard zijn gebleven

door de sagenvertellers van Wales, de beroemde "conteurs gallois"

[60], die ze aan het hof van Willem den Veroveraar voordroegen,

waar zij door de Normandische en Fransche dichters met ijver werden

overgenomen. Eveneens werden zij volgens hem door de rondreizende

zangers en harpspelers verspreid, ook op het vasteland, onder de

Keltische stamgenooten in Bretagne en in de kasteelen der Fransche

edelen in het naburige Normandië, tot zij ook daar door middel

van Normandisch-Fransche vertalingen binnen het bereik kwamen

van Fransche dichters als Chrétien de Troies. Gaston Paris neemt

als stellig aan het bestaan eener groep van Anglo-Normandische

gedichten, welke de verbindingsschakel moet hebben gevormd tusschen

de oud-Keltische verhalen en de bestaande Fransche gedichten. Van

die Anglo-Normandische gedichten is echter geen enkel werk bewaard

gebleven, waaruit zijne tegenstanders de gevolgtrekking maken, dat

zij er ook nimmer geweest zijn. De bovengenoemde partijgenooten van

Paris, deelen over het algemeen zijne inzichten, al leggen zij meer

den nadruk op het eerstgemelde punt: het ontstaan der verhalen uit

Keltische volksoverleveringen. Alfred Nutt en de Amerikaansche school

van Kittredge en Schofield zoeken den oorsprong dier overleveringen

meer bepaaldelijk onder de oud-Iersche volksverhalen en mythologie.

De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Professor Wendelin

Foerster, den bewerker der beroemde, critische uitgave van Chrétien's

gedichten, en Professor Golther, willen van het ontstaan der

Arthur-sagen op de Britsche eilanden niets weten. Volgens hen zijn de

schamele historische overleveringen betreffende den persoon van Arthur

het eenige, dat Wales ons inzake het ontstaan van den Arthur-cyclus

kan aanbieden. De romantische sagenkring, welke zich om hem en zijn

hof vormde, ontstond, meenen zij, uitsluitend in Bretagne, dus op

het vasteland, waar Chrétien de Troies de eerste was om de sagen in

dichtmaat te bezingen. [61] Wat de Parcival-Graal-sage in het bijzonder

aangaat, zijn deze beide geleerden van meening, dat wij in Chrétien

den oorspronkelijke schepper hiervan moeten zien. Deze bewering te

weerleggen is het hoofddoel van Jessie Weston's reeds genoemde studie:

"The Legend of Sir Perceval". Zij komt hierin tot de slotsom, dat de

oorsprong van den Graal oneindig veel dieper is gelegen en dat wij om

dien te vinden, terug moeten gaan tot de tijden lang vóór de prediking

van het Christendom. De schrijfster is van meening, dat Chrétien de

sage in haren oudsten vorm nooit heeft gekend, dat deze den dichter

eerst in haar tweede stadium, toen Parcival reeds de held was en het

verhaal reeds eene Christelijke strekking had verkregen, ter oore is

gekomen en hij dus geen recht heeft, om, zooals de Duitsche geleerden

dit wenschen, als de schepper van het verhaal beschouwd te worden.

Onderstaande behandeling van de Parcival-sage is in hoofdzaak ontleend

aan Wolfram von Eschenbach's "Parzival". Slechts werden eenige

bekortingen aangebracht: zoo is het verslag van Walewein's avonturen,

hetwelk niets met den verderen loop van het verhaal uitstaande heeft,

weggelaten. Verder vindt men den Graal, welke door Wolfram wordt

voorgesteld als een steen, hieronder beschreven onder den meer

gebruikelijken vorm van een schotel.

In Wolfram's gedicht vinden wij eene zuivere voorstelling van het

symbolische karakter, dat de Graal door alle tijden heen, zij het

onder telkens wisselenden vorm, heeft gehad. De wonderschotel is

daarin het zinnebeeld van het ongeziene in het leven, waardoor het

zuiver-menschelijk streven in ons wordt wakker geroepen om door

te dringen tot dat, wat wij achter de zichtbare wereld verborgen

voelen. Het is de bedoeling van den dichter om ons een beeld te geven

van 's menschen pogen het vergankelijke leven in aanraking te brengen

met dat, wat ons het eeuwig voortbestaan belooft.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 25 / 56 题