ARTHUR'S DOOD. [62]

_Hoe heer Agravaine en heer Modred het geheim van de schuld der

koningin aan den koning verrieden._ Langzaam maar zeker was het

geheim van de liefde tusschen Koningin Ginevra en Heer Lanceloet in

de hofkringen bekend geworden. Hunne heimelijke bijeenkomsten, de

voorkeur voor Lanceloet's gezelschap, welken de koningin op rijtoeren

en hoffeesten aan den dag legde, de teedere blikken, waarmede hij

haar bij die gelegenheden placht aan te staren,--dit alles kon niet

onopgemerkt blijven. Nog waren er enkele ridders, die, ondanks den

kwaden schijn, volhielden, dat de koningin even rein en onschuldig

was als de heilige, wier naam zij droeg, maar hun getal werd steeds

kleiner. De meerderheid der hovelingen was overtuigd van haren schuld

en steeds sterker werd de stem van hen, die het noodig vonden om ook

den koning in te lichten over wat er aan zijn hof geschiedde.

Eindelijk was het zoover gekomen!

Een aantal ridders, met Heer Agravaine en Heer Modred aan het hoofd,

verzochten hun vorst om een onderhoud, waarin zij hem in korte woorden

vertelden, welk eene zondige verhouding er bestond tusschen de koningin

en Heer Lanceloet.

Niemand, die van het onderhoud getuige was geweest, zou ooit

de uitdrukking van vertwijfeling vergeten, waarmede de koning

zijne ridders aanzag, toen de beteekenis van het gehoorde tot hem

doordrong. Het was niet slechts de smart van den bedrogen echtgenoot,

die op zijn gelaat te lezen stond, het was de wanhoop van den man,

die, in zijne heiligste gevoelens gekwetst, voelt, dat hij de kracht

mist om verder te leven, nu datgene, wat voor hem de grootste waarde

bezat, hem op zulk eene ruwe wijze ontnomen werd.

Modred en Agravaine en al de andere ridders, die jaren lang met zekeren

wellust naar dit oogenblik hadden uitgezien, bogen het hoofd en gingen

zwijgend heen, het hart vol mededoogen voor het lijden van hun vorst.

Zoo bleef Arthur alleen met de folterende gedachte aan al het

vreeselijke, dat hij zoo juist vernomen had. Toen kwam er een

oogenblik, waarop zijne ziel weigerde te gelooven aan de waarheid

der afschuwelijke beschuldiging, welke men tegen Ginevra had

uitgesproken. Hij verlangde bewijzen, bewijzen! zoo bezwoer hij

den teruggeroepen ridders, die zwijgend de schouders ophaalden en

beloofden ze hem te zullen verschaffen. Daartoe moest de koning,

hoewel vol inwendigen afschuw over wat hij deed, zich naar hunne

plannen schikken en mede helpen om eene samenzwering tegen de

beide beschuldigden op touw te zetten. Hij gaf Ginevra te kennen,

dat hij voor eenige dagen op de jacht dacht te gaan, maar reeds den

eersten nacht keerde hij heimelijk naar het paleis terug. Terwijl

hij zich daar in een afgelegen vertrek schuil hield, ten prooi aan de

folterendste zielesmart, begaven twaalf ridders, onder aanvoering van

Modred, zich in alle stilte naar de vertrekken der koningin en ziet,

hunne vreeselijke voorspelling werd bewaarheid, Lanceloet bevond zich

bij haar. Koning Arthur werd gewaarschuwd en kwam. Eene worsteling

ontstond; wel gelukte het Lanceloet te ontsnappen, maar Ginevra bleef

achter in de handen van den koning en zijne ridders. Arthur liet zich

geheel medesleepen door zijne gevoelens van haat en verbittering; hij

zwoer bij al wat hem heilig was, dat hij de schuldigen zou straffen,

dat hij Lanceloet zou opsporen en dooden en Ginevra, de trouwelooze,

den onteerenden dood op den brandstapel zou doen sterven.

Van toen af aan nam het drama der wraakneming zijn vasten loop. De

maatregelen voor de voltrekking van het vonnis der koningin werden

genomen, alles was gereed en men stond op het punt haar in de

vlammen te werpen, toen plotseling Lanceloet, gevolgd door een aantal

volgelingen, ten tooneele verscheen, zijne geliefde bevrijdde uit de

handen harer belagers en haar op zijn paard met zich wegvoerde. In

het algemeene gevecht, dat hieraan voorafging, lieten vele dappere

mannen het leven, onder hen ook Agravaine en Gaheris, twee der zonen

van koning Lot. Vreeselijk was de smart van Heer Walewein over den

dood zijner broeders en, bij hunne bloedige lijken neergeknield,

zwoer hij een duren eed, dat hij zich wreken zou op Lanceloet voor

het leed, dat door diens toedoen veroorzaakt was.

Naar alle zijden werden boden uitgezonden om te verspieden, waar de

vluchtelingen zich ophielden, en weldra bleek het, dat Lanceloet

zich met zijne geliefde had teruggetrokken in een zijner sterke

burchten aan de grenzen van het rijk. Terstond maakte de koning zich

op om met een machtig leger het beleg om dien burcht te slaan, in de

hoop dat Lanceloet hem, bij een mogelijken uitval der belegerden,

in handen zou vallen. Lanceloet scheen echter een treffen met zijn

vorst zooveel mogelijk te willen vermijden. Het beleg zou dan ook

misschien maanden geduurd hebben, indien er niet op zekeren dag in

Arthur's kamp renboden waren aangekomen, die den vorst een schrijven

overhandigden van Zijne Heiligheid den paus, waarin deze hem gebood,

zich met zijne gemalin te verzoenen. Stond er niet geschreven:

"Wat God vereend heeft, mag de mensch niet scheiden?"

Daarop deed Arthur de koningin weten, dat zij zonder gevaar voor

haar leven aan het hof kon wederkeeren. Ginevra nam dit aanbod aan,

waarop de koning het beleg om den burcht opbrak. Niemand echter uit

zijne omgeving, die niet wist, dat met deze schijnbare verzoening de

zaak nog niet beslist was.

Toen de koning in zijne hoofdstad teruggekeerd was, bracht hij alles

voor eene langdurige afwezigheid in gereedheid. Hij stelde orde op

zijne zaken, hoorde zijne raadslieden over de maatregelen, welke zij

voor het welzijn van zijn land moesten treffen en wees Modred aan

als regent. Daarna trok hij met zijn leger over zee naar Benwick,

het land van Heer Lanceloet, waarheen deze in zijne wanhoop over het

verlies zijner geliefde de wijk had genomen.

Door de groote overmacht zijner vijanden gedwongen, trok Lanceloet zich

terug in een zijner kasteelen en trachtte dit met alle middelen, die

hem ten dienste stonden, tegen een mogelijk beleg te versterken. Wat

hij verwacht had, geschiedde. Weldra naderden Arthur's legerscharen

den machtigen burcht, welken zij zóó nauw omsingelden, dat er van

eenige gemeenschap tusschen de belegerden en de buitenwereld geen

sprake kon zijn.

Heer Walewein was in het leger van zijn vorst mede naar Benwick

getrokken. De smart over het sterven zijner broeders was overgegaan in

eene toomelooze woede tegen den bewerker daarvan en hij zag reikhalzend

uit naar eene gelegenheid om zich op Lanceloet te wreken. Toen

het beleg geene vorderingen maakte, werd Walewein dan ook zoodanig

door zijn ongeduld overmeesterd, dat hij den koning verlof vroeg om

zich met een ridder uit de belegerde vesting in een tweegevecht te

meten. Zoo werd er eene uitdaging naar den burcht gezonden, welke,

naar Walewein heimelijk hoopte, ten gevolge zou hebben, dat Lanceloet

zelve zich voor een tweekamp beschikbaar zou stellen.

Inderdaad toonde de laatste zich ook geneigd om persoonlijk op de

uitdaging van Heer Walewein in te gaan. De dood in een eerlijken strijd

van man tegen man scheen hem een welkom middel om te ontsnappen aan

de folteringen van zijn berouw en de pijnigende onzekerheid over het

toekomstig lot der koningin.

Toen hij echter zijne makkers deelgenoot maakte van zijne plannen,

rustten deze niet, alvorens zij hem tot andere gedachten hadden

gebracht. Hij was het zijnen volgelingen verplicht, zoo meenden zij,

om niet dan in den uitersten nood het kasteel te verlaten. Indien

hij viel, wat zou dan het lot zijn van hen, die tegen de bevelen des

konings in, zijne partij hadden gekozen?

Het slot van de besprekingen was, dat Heer Bors, de trouwe vriend van

Lanceloet, Walewein's uitdaging aannam, maar helaas!--nog dienzelfden

avond droeg men zijn lijk binnen het kasteel. Hetzelfde lot trof zijn

jongeren broeder, Lionel, die zich vol geestdrift had aangeboden om

den dood van Bors te wreken.

Toen was Lanceloet's besluit genomen en reeds den volgenden morgen

zond hij een bode naar het vijandelijke kamp, om Walewein tot een

beslissend gevecht uit te dagen.

Tot twee maal toe streden de beide ridders, die eens zulke trouwe

vrienden waren geweest, met elkander, en in beide gevechten bleef

Lanceloet overwinnaar. Het ware hem gemakkelijk gevallen om zijn

tegenstander te dooden, maar op het beslissende oogenblik deinsde

hij telkens voor die daad terug.

Reeds was het tijdstip voor een derde treffen tusschen de beide helden

bepaald, toen eene plotselinge tijding den loop der gebeurtenissen

eene andere wending gaf.

_Hoe koning Arthur verneemt, dat Modred zich van de heerschappij

over zijn rijk had meester gemaakt._ Op zekeren dag kwamen in

de legerplaats des konings eenige mannen, die op dringenden toon

verzochten tot hun vorst te worden toegelaten, daar zij hem eene

uiterst gewichtige tijding kwamen brengen. Toen men hen bij den

koning bracht, vielen zij voor Arthur op de knieën en smeekten hem

onverwijld naar Brittannië terug te keeren, ten einde zijn land en

volk voor een wissen ondergang te behoeden. Toen de vorst hun op

ontstelden toon vroeg, wat zij hiermede zeggen wilden, vertelden zij

hem, dat Modred zich gedurende zijne afwezigheid meester had gemaakt

van zijn troon. Hij had het volk door valsche brieven wijsgemaakt,

dat hun koning in den strijd was gevallen en hem in zijne laatste

beschikkingen tot zijn opvolger had aangewezen. Dit was echter nog

niet alles. De ellendige verrader had zich verstout om de koningin

zijne liefde te bekennen en toen deze hem verachtelijk afwees, had hij

gezworen haar te zullen dwingen, zijne vrouw te worden. Ginevra had

toen de vlucht genomen in de sterke vesting van Londen en ijlboden naar

Benwick gezonden om haar gemaal van den stand van zaken te verwittigen.

Er bleef Arthur geene keuze over.

In aller haast brak hij het beleg op en keerde terug naar Engeland,

waar hij eenige weken later te Dover landde.

Zoodra Modred van zijne komst in kennis was gesteld, zond hij een groot

leger uit, om Arthur het binnendringen in het land te beletten. In

de nabijheid van Dover kwam het tusschen de twee legers tot een

treffen. In dien bloedigen slag werden door beide partijen vele dappere

daden volbracht, maar het einde was, dat Modred's leger in wanorde op

de vlucht sloeg. De vreugde der overwinning werd bij Arthur's troepen

alras getemperd door de mare, dat Heer Walewein, de man, die om zijne

daden en deugden door een ieder werd geprezen, in den strijd gevallen

was. Weenend zat Arthur bij het ontzielde lichaam van den wakkeren

held, ook deze steun moest hem ontnomen worden! Wat restte hem thans

nog? Zijne vrouw, zijn vriend, drie zijner dappere neven waren hem

ontvallen; Merlijn, zijn trouwe raadsman in tijden van nood, had hem

eveneens verlaten, De grijze toovenaar was het slachtoffer geworden

van de booze fee Viviane, die hem door hare schoonheid had weggelokt

uit het paleis, hem al zijne geheimen ontfutseld had en hem thans

gevangen hield in hare ondergrondsche rotswoning.

Zoo het koning Arthur al droef te moede was aan het einde van den dag,

welke hem toch eene overwinning had gebracht, hoeveel te grooter

waren de woede en ergenis van Modred, toen hij het bericht van de

nederlaag zijner troepen ontving.

Terstond vatte hij het plan op om zich persoonlijk aan het hoofd van

zijn leger te stellen en reeds weinige dagen later kwam het tot een

nieuwen veldslag, die onbeslist bleef.

Koning Arthur trok thans met zijne legerscharen naar het Westen,

in de richting van Wallis, het land, dat zich altijd zeer trouw had

betoond jegens hem en zijn vorstenhuis. Voorloopig nam hij zijn intrek

in Salisbury en zond van uit die stad boden in alle richtingen, om de

bewoners der omliggende streken aan te sporen, zich aan zijne zijde

te scharen.

Modred volgde hem derwaarts en legerde zich met zijne troepen op eene

naburige vlakte. Toen hij echter bericht ontving, dat Arthur's leger

dagelijks in sterkte toenam, begreep hij, dat langer talmen voor hem

nadeelig zou zijn en zond hij daarom een boodschapper naar 's konings

legerkamp om zijn vorst uit te dagen tot een beslissenden slag,

welke geleverd zou worden op den dag na het feest van Allerheiligen.

Den nacht vóór den slag had Arthur een wonderlijken droom. Hij

droomde, dat hij, in een mantel van goudbrokaat gekleed en met de

koningskroon op het hoofd, gezeten was op een groot rad, dat langzaam

rondwentelde. Onder hem bevond zich een zwarte poel, waaruit een

aantal draken hunne afschuwelijke koppen omhoog staken. Plotseling

begon het rad sneller te draaien en hij werd meegesleurd naar omlaag,

waar de draken hem met hunne scherpe klauwen vastgrepen.

Met een luiden schreeuw werd de koning wakker, badende in zijn

zweet. Zijne bedienden kwamen hevig ontsteld aanloopen, maar Arthur

stelde hen gerust, door te verklaren, dat het slechts een booze droom

was geweest, die hem had doen schrikken.

Spoedig daarna viel hij weer in slaap en opnieuw had hij een

droom. Ditmaal stond hij aan den oever van eene rivier en staarde over

het land, toen hij plotseling de gedaante van een ridder op zich zag

toetreden. Het was Walewein, die gevolgd werd door eene lange rij van

engelen: dit waren al degenen, die de ridder in zijn leven met raad

en daad had bijgestaan en die thans zijne beste vrienden waren. Hij

verzocht, neen, hij smeekte den koning, om Modred voor te stellen, de

vijandelijkheden een maand lang te staken; na afloop van dien termijn

zou Lanceloet komen om zijn vorst te helpen. Na dit gezegd te hebben,

verdween de gestalte van Walewein en de koning ontwaakte.

_Hoe Arthur zijnen vijanden om een wapenstilstand verzocht en hoe door

eene vergissing de strijd toch ontbrandde._ Toen Arthur zijne ridders

den volgenden morgen deelgenoot had gemaakt van zijne vreemde droomen,

zagen de meesten van hen hierin een voorteeken, dat de kansen van den

strijd hun voor het oogenblik niet gunstig waren en daarom rieden zij

den koning aan, den raad, dien de geest van Walewein hem in zijn droom

gegeven had, op te volgen. Arthur deed zulks en zond boodschappers naar

Modred om hem een wapenstilstand van een maand voor te stellen. Deze

weigerde echter kortaf dien toe te staan, daar hij wel begreep,

dat zijne kansen door dit uitstel niet gebaat zouden zijn. De boden

des konings, die een dergelijk antwoord wel verwacht hadden, kwamen

nu met een tweede voorstel, waartoe zij opdracht hadden ontvangen,

ingeval het eerste werd afgewezen. Zij gaven Modred in overweging,

den strijd te beëindigen en Arthur in vrede te laten regeeren,

dan zou deze op zijne beurt beloven, de rechten op den troon na

zijn dood aan Modred af te staan. Modred had hier wel ooren naar,

want hij begon in te zien, dat het volk nooit zou dulden, dat hun

vorst wederrechtelijk de troon ontnomen werd. Daar hij echter ook

eenig onmiddellijk voordeel uit de overeenkomst wenschte te behalen,

eischte hij, dat de graafschappen Cornwallis en Kent thans reeds aan

hem zouden worden afgestaan. De boden beloofden hem zijn eisch aan

den koning te zullen kenbaar maken en spraken af, dat den volgenden

morgen eene samenkomst zou plaats hebben tusschen Arthur en Modred,

waarin de voorwaarden van den wapenstilstand nader zouden worden

vastgesteld. Op verlangen van Modred zou die samenkomst plaats hebben

in tegenwoordigheid der beide legers.

Zoo geschiedde het. Den volgenden dag, in den grauwen Novembermorgen,

dreunden de heuvelen van Salisbury onder het hoefgetrappel van

vele honderden paarden en weerklonk van alle zijden het schetterend

hoorngeschal der strijdtrompetten.

Toen de beide legers in slagorde tegenover elkander stonden opgesteld,

begaven de aanvoerders, elk vergezeld van een tiental ridders, zich

naar een aangegeven punt in de tusschenliggende vlakte om aldaar

te onderhandelen.

Arthur stelde niet veel vertrouwen in Modred's bedoelingen; daarom

had hij, alvorens zich naar de plaats der onderhandelingen te begeven,

zijne ridders gewaarschuwd om op hunne hoede te zijn en scherp uit te

zien, of er ook verraad dreigde. Het eerste spoor hiervan: het eerste

wapen, dat getrokken werd, moesten zij beschouwen als een bevel om met

alle kracht den vijand aan te vallen, zoo luidden 's konings orders.

Modred had eveneens zijne bevelen achtergelaten en toevallig stemden

deze geheel overeen met die van koning Arthur. Niet, dat hij verraad

vreesde! Hij kende het karakter van zijn vorst te goed, dan dat hij

daar bang voor behoefde te zijn, maar hij vreesde, dat wellicht een der

ridders uit 's konings gevolg, zich niet zou kunnen weerhouden om hem,

den verrader, te dooden. Daarom deed ook hij zijnen troepen weten, dat

zij bij het zien van een getrokken wapen terstond moesten aanvallen.

Helaas, weinig besefte hij, welke noodlottige gevolgen deze opdracht

hebben zou!

De onderhandelingen hadden een aanvang genomen. De beide aanvoerders

stonden tegenover elkaar: Arthur met zijne fiere gestalte en edel

gelaat, waarin de smart diepe lijnen had gegroefd, en Modred, die

tevergeefs trachtte zich eene trotsche houding te geven, terwijl

zijne oogen schitterden van boosaardige voldoening.

Reeds was men het over de hoofdpunten eens geworden, toen er iets

vreeselijks gebeurde.

Eén der ridders, die tot het geleide van Modred behoorden, werd door

eene adder in het been gebeten en, zonder aan de beteekenis van zijne

daad te denken, trok hij zijn zwaard om het dier te dooden. Dit

was voor beide legers, die scherp toezagen, wat daarginds op de

vlakte geschiedde, het teeken tot den aanval. Onder een donderend

krijgsgeschreeuw stormden de mannen de heuvels af en stortten zich

op elkander in een vreeselijken strijd zonder genade. Hier was

geen tegenhouden meer mogelijk. Als wilde dieren wierpen Arthur's

manschappen zich op hunne vijanden. Maar ook Modred's volgelingen

lieten zich niet onbetuigd. Opgewonden door de schoone beloften, welke

hun aanvoerder hun gedaan had, indien zij in den strijd overwinnaar

bleven, zetten zij alles op het spel om de zege te behalen, ten einde

al dat goede deelachtig te worden.

Den ganschen, somberen herfstdag duurde de strijd. In de mistwolken,

die over de vlakte hingen, konden de strijdenden soms niet

onderscheiden, of zij vriend of vijand tegenover zich hadden,

maar zij vochten blindelings voort en sloegen links en rechts met

hunne lange zwaarden. Het gejammer der stervenden vermengde zich

met de wilde strijdkreten en het gekletter der wapenen. Groote

plassen bloed drenkten den gronden het aantal krijgers werd steeds

kleiner. Eindelijk bleven slechts vier mannen over, die zich, hoewel

allen gewond, staande wisten te houden. Het waren Arthur met twee

zijner volgelingen: Heer Lucanus en Heer Bedivere--en Modred.

Met een wenk beduidde Arthur zijnen volgelingen, zich op een afstand

te houden, toen zwaaide hij zijn zwaard Excalibur hoog in de lucht en

snelde op Modred toe. Een verwoed gevecht volgde. Omringd door hunne

doode en stervende volgelingen streden deze beiden een wanhopigen

strijd, de één om het behoud van zijn troon en zijne eer, de ander

uit een natuurlijken drang tot zelfbehoud.

Een welgemikte speerstoot--en Modred tuimelde met een wilden kreet van

pijn achterover; met inspanning van zijne laatste krachten richtte

hij zich echter nog éénmaal overeind en wist Arthur met zijn zwaard

zulk een zwaren slag toe te brengen, dat deze kreunend ineenzonk.

_Van Arthur's dood en hoe deze heer Bedivere beval zijn zwaard

Excalibur in het meer te werpen._ IJlings snelden de beide volgelingen

des konings naderbij en droegen den stervenden vorst naar eene kleine,

vervallen kapel, welke zich niet ver van het slagveld bevond. Daar

legden zij hem op de trappen vóór het altaar en knielden naast

hem neer. Onder het prevelen van de vurigste gebeden voor zijn

behoud, maakten zij Arthur's kleederen los en wieschen zijne

wonden. Helaas! het was maar al te duidelijk, dat het einde van den

held naderde; het bloed gutste hem in een breeden stroom uit zijne

wonden en eene vale doodstint scheen zich reeds over zijn gelaat

te verspreiden. De beide ridders waren eveneens gewond, maar zij

voelden dit nauwelijks, zóózeer waren zij vervuld van het streven om

het leven van hun geliefden heer zoo lang mogelijk te rekken.

Na eenige oogenblikken stelde Heer Lucanus voor om den koning naar eene

plaats te brengen, waar hij de noodige verpleging kon verkrijgen. Nadat

hij zijn vriend had verzocht, te zien of er mogelijk onraad dreigde,

nam hij behoedzaam het lichaam van zijn vorst in zijne armen en wendde

zijne schreden naar den ingang der kapel.

Nauwelijks had hij echter eenige stappen gedaan, of hij werd door

eene plotselinge duizeling bevangen; de inspanning was te groot

geweest! Nog vond hij de kracht om den koning op den grond neer

te leggen; toen stak hij de handen omhoog en met een diepen zucht

sloeg hij achterover. Toen Bedivere hevig ontsteld naderbij kwam,

had Lucanus reeds den laatsten adem uitgeblazen.

Wanhopig staarde de ridder om zich heen; wat nu te beginnen? Hoe zou

hij alleen, gewond en verzwakt als hij was, zijn vorst en zichzelven

in veiligheid kunnen brengen? Hij peinsde en zon, wat hem te doen

stond, toen hij plotseling bemerkte, dat Arthur zich uit zijne

liggende houding had opgericht en de aandacht van zijn volgeling

poogde te trekken. Terstond begaf deze zich naar hem toe, boog zich

over hem heen en ving toen de volgende woorden op, welke de koning

met gesmoorde stem tot hem sprak: "Bedivere, mijn trouwe vriend, ik

ga sterven. Nog weinige uren en ik zal u moeten verlaten om mij te

begeven naar een land, waar men dood noch scheiding kent. Hoor dus

naar dit, mijn laatste verzoek! Neem mijn zwaard Excalibur en begeef

u daarmede naar het meer, dat ginds tusschen de boomen ligt. Werp

het zwaard in het meer en kom mij berichten, wat er daarna geschiedt!"

Bedivere nam het zwaard in de hand en begaf zich naar de aangewezen

plek, maar toen hij onder het voortgaan het fraaie wapen eens nader

bekeek, kon hij het niet over zich verkrijgen om het aldus weg

te werpen.

"Het kan mij in den strijd nog goede diensten bewijzen," dacht hij,

"en wanneer ik het in het meer werp, is het niemand meer van eenig

nut." Hij verborg dus het zwaard tusschen de struiken en keerde terug

naar de kapel.

"Wat zaagt gij, toen gij het zwaard in het meer wierpt?" vroeg hij

terstond, en Bedivere, die op deze vraag was voorbereid, antwoordde

rustig: "Sire, ik heb niets gezien dan eenige vogels, die langs het

watervlak scheerden en geen ander geluid vernomen dan het kabbelen

der golfjes tegen den oever."

Een vluchtig rood overtoog 's konings gelaat en met toornige stem

riep hij uit:

"Gij hebt het zwaard hier of daar verborgen, om het voor u zelven

te bewaren! Schande over u, dat gij mijn laatsten wensch niet weet

te eerbiedigen. Ik herhaal u mijn bevel: ga heen en werp mijn zwaard

Excalibur in het meer!"

Bedivere keerde zich berouwvol om en haalde het wapen uit zijne

schuilplaats te voorschijn. Toen hij het uit de scheede trok, werd hij

opnieuw getroffen door den edelen glans van het metaal. Zou hij een

dergelijk meesterstuk wegwerpen? Hoe vaak had hij het zijn vorst in

den strijd zien gebruiken, welke eene reeks van dappere heldendaden,

door Arthur verricht, riep het hem in herinnering! Neen, het wapen

moest behouden blijven, al ware het slechts als aandenken aan hem,

wien het had toebehoord. Vastbesloten verborg hij het zwaard opnieuw

tusschen de struiken en begaf zich met de scheede naar het meer, waarin

hij deze met luiden plons deed neerkomen. Toen keerde hij naar den

koning terug. Deze zag hem vorschend aan en sprak: "Hebt gij nu mijne

opdracht volvoerd? Wat zaagt gij, toen het zwaard in het water viel?"

Bedivere aarzelde een oogenblik, toen sprak hij: "Heer, gij spant

uwe verwachtingen te hoog. Ik heb niets gezien dan het wuiven der

rietpluimen langs den waterkant en niets gehoord dan het ruischen

van den avondwind door de boomen." Ongeduldig bewoog de gewonde zich

heen en weer. "Gij hebt mij opnieuw bedrogen," riep hij uit! "Ontrouwe

dienaar, die gij zijt, hoe durft gij het wagen mijne bevelen aldus te

veronachtzamen? Maar ik weet wel, waarom gij zulks durft te doen! Het

is, omdat ik niet langer in staat ben, mijnen woorden de noodige

kracht bij te zetten. Helaas, moet dit dan mijn lot zijn: te zien,

dat men mij niet langer gehoorzaamt, mij, die eens door iedereen met

eerbied naar de oogen werd gezien!"

Zijne woorden sneden Bedivere door de ziel. Hij vluchtte heen, zocht

het wapen weer op en snelde ermede naar het meer. Zonder zich verder

een oogenblik te bedenken wierp hij het zwaard met een forschen zwaai

in het water. En ziet, wat geschiedde? Op het oogenblik, dat de punt

van het wapen den waterspiegel raakte, stak een arm, in wit fluweel

gehuld, daaruit omhoog, vatte het bij den gouden greep, zwaaide het

driemaal door de lucht en verdween er mede in de donkere diepte.

Bedivere haastte zich terug naar de kapel en toen hij Arthur het

gebeurde had medegedeeld, gleed er een glans van voldoening over's

konings gelaat en hij zeide: "Thans kan ik rustig heengaan!"

Na eenige oogenblikken verzocht hij Bedivere hem naar den oever van

het meer te dragen. Deze voldeed aan zijn verzoek en ziet, toen zij

aan den waterkant waren aangekomen, zagen zij een rank vaartuig,

dat door de vallende schemering naar den oever kwam varen. In het

vaartuig bevonden zich een aantal schoone vrouwen, die op zachten

toon een weemoedig lied zongen. Eén van haar, de schoonste van allen,

steeg aan land en droeg den stervenden vorst in het vaartuig. Zij

waren op het punt om wederom van wal te steken, toen Bedivere, die

in stomme verbazing dit wonderlijk schouwspel had gadegeslagen en

nu eerst recht begon te beseffen, dat hij gansch alleen achterbleef,

naar den oever snelde en smeekend uitriep:

"Sire, laat mij niet alleen, of, zoo ge mij niet met u mede kunt

nemen, zeg mij dan althans, waar gij heengaat, opdat ik het uw volk

kan melden."

Hierop antwoordde Arthur met eene stem, die helder en duidelijk over

het water klonk:

"Zeg aan mijn volk, dat ik voor eene wijle ben heengegaan naar

het eiland Avalon, om aldaar genezing te vinden voor mijne

wonden. Vaarwel!"

Nauwelijks had hij het laatste woord gesproken, of het vaartuig

verdween uit het gezicht en Bedivere bevond zich alleen in de

toenemende duisternis. Peinzend over de woorden van zijn vorst dwaalde

hij den ganschen nacht door het woud, tot hij bij het aanbreken van

den dag bij de hut van een kluizenaar kwam, die hem liefderijk opnam

en verzorgde. Zóó zeer hadden de gebeurtenissen der afgeloopen weken

den held aangegrepen, dat hij geen moed gevoelde om tot zijn vroeger

leven terug te keeren. Hij verzocht zijn gastheer bij hem te mogen

blijven en werd een kluizenaar als hij, die zijn leven wijdde aan

het lezen van gebeden en het verrichten van goede werken.

_Hoe koningin Ginevra haar leven eindigde in een klooster en

hoe Lanceloet kwam om haar vaarwel te zeggen._ Een maand na den

veldslag landden een aantal schepen in Dover, bemand met gewapende

krijgsknechten. Het waren de volgelingen van Heer Lanceloet, die,

zoodra men hem verteld had, welk gevaar den koning naar Engeland

had terug doen keeren, het plan had opgevat zijn vorst te volgen. De

gevaren, die zijn geliefden meester bedreigden, hadden in Lanceloet's

hart het gevoel van vervreemding, dat hem van Arthur scheidde, doen

verdwijnen om plaats te maken voor de oude gevoelens van vriendschap

en eerbied.

Ontzetting greep hem aan, toen hij bij zijne landing vernam,

wat er geschied was. Het land verkeerde in een staat van hopelooze

verwarring. Het leger van den koning was vernietigd, zijne raadslieden

hadden naar alle hoeken van het land de vlucht genomen, koningin

Ginevra vertoefde in het klooster van Almesbury en scheen geheel

verslagen te zijn van smart en droefheid en de koning zelve--omtrent

hem deden de zonderlingste geruchten de ronde. Volgens sommigen

was hij gesneuveld op het veld van eer, volgens anderen leefde hij

nog en hield hij zich schuil in het bergland van Wallis, waar hij

trachtte de bevolking op te wekken tot eene poging om de orde in het

rijk te herstellen. Een ander gerucht zeide, dat hij stervende was

weggevoerd in een boot naar het eiland Avalon, vanwaar hij eens zou

wederkeeren om zijn land en volk tot nieuwen bloei te brengen. Dit

laatste gerucht won allengs veld, één der ridders van koning Arthur,

zoo heette het, had met eigen oogen gezien, hoe een vaartuig, waarin

vele schoone vrouwen waren gezeten, den koning had medegenomen. Wie die

ridder was en waar hij vertoefde, kon niemand met juistheid zeggen,

wel wist men te vertellen, dat hij de wereld had vaarwel gezegd en

in vrome afzondering zijn leven wenschte te eindigen.

Dit alles vernam Lanceloet bij zijne aankomst in Brittannië; terstond

was zijn plan gemaakt: hij wilde vóór alles Ginevra spreken.

Eenzaam reed hij door de kale vlakten van Engeland, terwijl de

herfststormen om hem heen gierden en de kille nevels over de velden

trokken. Dood en verwoesting grijnsden hem tegen in de dorpen en

steden: de ruwe krijgsbenden van Modred hadden op hun weg mensch noch

dier gespaard en bij het doortrekken hadden zij vaak de dorpen in

brand gestoken, ten einde hunne wandaden onder de rookende puinhoopen

te verbergen. De enkele dorpelingen, die niet gevlucht waren, liepen

met eene uitdrukking van wanhoop op het gelaat tusschen de bouwvallen

rond en smeekten Heer Lanceloet, om hen te helpen bij het zoeken

naar hunne verloren eigendommen. Maar deze gunde zich geen rust,

alvorens hij de poorten van het nonnenklooster had bereikt, waarin

koningin Ginevra de wijk had genomen. Het duurde geruimen tijd, eer

hij de vorstin kon doen bewegen, hem te ontvangen, maar eindelijk

verklaarde zij zich bereid hem een kort onderhoud toe te staan.

Daar stonden zij tegenover elkander--de twee, die door hunne liefde

zooveel onheil hadden te weeg gebracht. Zij zagen elkander aan en

in dien langen blik proefden zij opnieuw het bitterzoete van hunnen

hartstocht, dien zij niet hadden weten te overwinnen. Eindelijk begon

Ginevra te spreken. De handen wringend onder de donkere plooien van

haar kleed, smeekte zij Lanceloet om terug te keeren naar zijn land

en haar te vergeten. Zij wilde gedurende den tijd van haar leven, die

haar nog restte, trachten om door berouw en zelfverloochening vergeving

te vinden voor hare zonde. Dit zou haar echter gemakkelijker vallen,

indien zij de overtuiging bezat, dat Lanceloet niet in hare nabijheid

vertoefde en ginds in zijn eigen land zich een nieuw leven trachtte te

scheppen. Toen zij ophield met spreken en Lanceloet smeekend aanzag,

bewaarde hij een oogenblik het zwijgen en boog het hoofd als een

teeken van eerbiedige instemming met haren wensch.

Toen begon hij te spreken. Een nieuw leven te beginnen, was hem,

zoo zeide hij, onmogelijk na alles wat hij had doorgemaakt, maar

evenals zij gevoelde hij eene dringende behoefte om boete te doen

voor zijn zondig leven. Hij wenschte dus niets liever dan zich in de

eenzaamheid terug te trekken en te trachten zich door vurige gebeden

met God te verzoenen.

Toen scheidden zij. Ginevra keerde terug naar de nonnen, die haar

met schuchteren eerbied bejegenden; Lanceloet begaf zich naar buiten

en besteeg opnieuw zijn paard, dat hem met tragen stap in de donkere

schemering henen droeg.

Dit was het einde van Arthur's leven en van dat zijner getrouwen:

in de sombere herfstnevels werd de koning weggevoerd naar het

geheimzinnige rijk der Vrouwe van Avalon, voor langen tijd, voor

altijd misschien--wie zal het zeggen? Rouw en droefenis, schrik en

verwarring liet hij achter, maar gelijk eene heldere ster kan lichten

aan den duisteren horizon, zoo straalde in het hart der Britten de

hoop, dat hij eens zou wederkeeren, om zijn volk te regeeren en zijn

rijk te brengen tot nieuwen, nooit gekenden bloei.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 27 / 56 题