DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE.

"Allas", they sayden, "launcelot du lake,

That euyr shuldistow se the quene!"

("Le Morthe Arthur", Middel-Engelsch

gedicht uit de 14e eeuw).

_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet daarvan thuis bleef,

maar door de koningin werd aangespoord om toch te gaan._ Koning Arthur

had ter eere van het feest, waarop de Hemelvaart der Heilige Maagd werd

herdacht, zijne edelen opgeroepen tot een groot steekspel te Camelot

aan de Theems. De koninklijke herauten hadden opdracht gekregen, de

mare hiervan wijd en zijd in den lande te verkondigen en alle ridders

op te wekken tot deelname aan dit tournooi, dat alle voorafgaande

feesten in luister en pracht verre zou overtreffen. De koning zelve,

zoo verklaarden zij aan een ieder, die het hooren wilde, zou ditmaal in

eigen persoon aan den strijd deelnemen en had zich bereid verklaard,

om tezamen met zijne ridders een kamp aan te gaan tegen elke groep

tegenstanders, die zich daarvoor aanbood. Onnoodig te zeggen, dat dit

bericht de belangstelling voor het komende steekspel aanmerkelijk

deed stijgen. Velen, die anders zeker tegen de moeite en kosten,

aan den langen tocht naar Camelot verbonden, zouden hebben opgezien,

besloten thans toch de reis te ondernemen, ten einde dit belangwekkende

schouwspel bij te wonen.

Ook in het paleis van koning Arthur sprak men weken van te voren

over niets anders dan over de komende feesten te Camelot. Uren lang

wikten en wogen de ridders de kansen van hen, die zich reeds als

deelnemers aan den strijd hadden aangemeld en verdiepten zich in

gissingen omtrent het aantal der vreemde ridders, die zich alsnog

daarbij zouden voegen. De edelvrouwen aan het hof bespraken ijverig

de keuze hunner kleederen en verlustigden zich bij voorbaat in het

vele schoons, dat zij in Camelot te zien zouden krijgen.

Koningin Ginevra nam geen deel aan deze gesprekken. Gedurende het

grootste deel van den afgeloopen winter was zij lijdende geweest

aan de gevolgen eener zware gevatte koude en nog steeds gevoelde

zij zich zwak en lusteloos. Den ganschen dag bracht zij door in

een hoogen zetel aan het raam van een harer eigen vertrekken, het

gepraat der vrouwen vermoeide haar en 't liefst was zij alleen. Dan

zat zij uren lang naar buiten te staren en aan de uitdrukking van haar

gelaat kon men zien, dat hare overpeinzingen niet van de vroolijkste

waren. Tegen den middag, als de lentezon koesterend over de paden

van het slotpark scheen, wist koning Arthur haar met zachten dwang

te overreden om hare vertrekken voor een oogenblik te verlaten en

met hem naar buiten te gaan. Dan wandelde Ginevra, leunend op den

arm van haren gemaal, eenigen tijd in de tuinen rond het paleis en

met genoegen bemerkte de vorst, hoe bij het huiswaarts keeren een

zacht rood de wangen der zieke kleurde. Ook Ginevra zelve voelde,

dat de zoele voorjaarslucht haar goed deed. Wanneer zij aldus alleen

met haar echtgenoot was, temidden der vrije natuur, terwijl om haar

heen de vogels tjilpten en kweelden en alles sprak van een nieuw

ontwakend leven, scheen het, of ook in haar arm, gefolterd hart

iets van den ouden levensmoed terugkeerde. Als zij dan opzag naar

's konings edel gelaat, dat zich vol zorg en toewijding tot haar

neerboog, trachtte zij zich zelve op te dringen, dat hij het was,

dien zij liefhad en niet die andere, Lanceloet, wiens beeld haar

steeds voor oogen zweefde. Waarom kon zij niet gelukkig zijn, zij,

die zich boven zoo vele vrouwen begenadigd moest voelen door de liefde

van één, die goed en nobel was als geen ander?

Zij zou, zij moest gelukkig worden en dien ander trachten te vergeten;

hier buiten, in den koesterenden zonneschijn, met haar arm in dien

van haar echtgenoot en zijne vriendelijke, opbeurende stem in hare

ooren, meende zij ook werkelijk dat zij het zou kunnen. Maar, eenmaal

terug in hare vertrekken, als men haar alleen liet en de vermoeienis

der wandeling haar afgemat deed neerzinken in de kussens van haren

zetel, miste zij de kracht om zich te verzetten tegen den stroom

van bitterzoete herinneringen, welke zich van hare ziel meester

maakten. Tegen den avond voelde zij zich dan weer moe en slap en de

wijze artsen schudden hunne geleerde hoofden en spraken van geduld

en langzamen vooruitgang.

Nu de algeheele beterschap der koningin zoo lang op zich liet wachten,

kon er geen sprake van zijn, dat zij den koning naar het tournooi te

Camelot zou kunnen vergezellen. De vermoeienissen van een dergelijken

tocht zouden haar te veel aangrijpen. Hoezeer het koning Arthur ook

leed deed zijne gemalin alleen achter te laten, toch zag hij in,

dat het niet anders kon. Maar nog eene andere teleurstelling wachtte

hem. Daags voor zijn vertrek kwam Lanceloet, de dapperste zijner

ridders bij hem en verzocht hem om van deelname aan het tournooi

te worden vrijgesteld. Als reden tot dit verzoek gaf hij op eene

nog niet geheel genezen beenwond, welke hij eenigen tijd tevoren

bij een val van zijn paard had opgeloopen en die hem in den strijd

hinderlijk kon zijn. Geheel uit het veld geslagen hoorde Arthur toe;

een steekspel zonder Lanceloet miste voor hem zijne grootste bekoring

en juist nu hij zelf aan den strijd dacht deel te nemen, viel het

hem dubbel zwaar in de afwezigheid van zijn meest geliefden ridder

te moeten berusten. Geen oogenblik kwam het bij hem op, verband te

zoeken tusschen diens thuisblijven en dat der koningin; toen hij zag,

dat elke poging om Lanceloet tot meegaan te bewegen, vruchteloos was,

gaf hij hem met een zucht de gevraagde toestemming. Daarbij ontging

hem de glans van vreugde, die zich over het gelaat van den ridder

verspreidde, toen deze zich omwendde om het vertrek te verlaten.

De dag van vertrek was aangebroken en een lange stoet van ridders en

onderhoorigen stond op het voorplein opgesteld, gereed om de reis

naar Camelot te aanvaarden. Arthur begaf zich naar de vertrekken

der koningin om afscheid van haar te nemen. Vol teedere zorg over

haar welzijn, liet hij Ginevra beloven, gedurende zijne afwezigheid

de uiterste voorzichtigheid in acht te nemen. Toen zij hem veel

genoegen te Camelot wenschte, schudde hij het hoofd en sprak: "Zonder

u en Lanceloet is mij het zijn aldaar veeleer eene kwelling dan een

genoegen. Hoezeer zal ik uw dierbaar gelaat missen onder de rijen der

vrouwen, die het tournooi met hare tegenwoordigheid zullen opluisteren

en hoe zal ik in den strijd den sterken arm en het nooit falend zwaard

ontberen van Lanceloet, mijn trouwen vriend en strijdmakker. Neen,

het genoegen van het spel te Camelot is mij vergaan, nu ik de beiden,

die mij 't liefst zijn op aarde, daar niet zien zal. Ware ik niet de

koning, maar slechts een eenvoudig ridder, ik zou niet aarzelen om

thuis te blijven. Het is echter mijn plicht mijn volk niet teleur te

stellen en daarom ga ik heen. Mijn eenige troost is, dat ik u thans

in de beste hoede achterlaat!"

De koningin had tot dusverre niets vernomen omtrent Lanceloet's

thuisblijven. Deze had haar willen verrassen en haar daarom niet van

te voren over zijn plan gesproken. Hare eerste gewaarwording was dan

ook een gevoel van onstuimige vreugde, toen haar vlugge geest haar in

eene reeks van visioenen voor oogen tooverde, wat dit thuisblijven

voor hen beiden beteekende. Maar toen Arthur voortging met spreken

en al zijne woorden uiting gaven aan zijne groote liefde voor haar

en aan het onbegrensd vertrouwen, dat hij in haar en ook in Lanceloet

stelde, maakte dat gevoel van blijdschap plaats voor een van bittere

schaamte. Zij moest zich geweld aandoen om niet neer te knielen voor

haren echtgenoot en hem hare schuld te belijden, maar zij deinsde

terug voor de gevolgen van die bekentenis. Toen losten hare schaamte en

wroeging zich op in een gevoel van bittere ergernis tegen Lanceloet,

die de schuld was van dit alles. Nadat de koning vertrokken was

en zij hem vanuit haar venster een laatst vaarwel had toegewuifd,

liet zij Lanceloet bij zich ontbieden. Met een gelaat, waarop hij

tevergeefs beproefde, de vreugde over dit samenzijn te verbergen,

trad de ridder het vertrek binnen. Deze uitdrukking van blijdschap,

waaruit tevens de zekerheid sprak over de liefdevolle ontvangst,

die hem van hare zijde zou ten deel vallen, droeg er het hare toe

bij de geprikkelde stemming, waarin de koningin verkeerde, nog te

verhoogen. De houding, waarin zij hem ontving, was dan ook gansch

anders, dan Lanceloet zich had voorgesteld. Eerbiedig knielde hij

voor haar neer, maar zij bleef rechtop in haren zetel zitten en reikte

hem zelfs niet de hand ten groet. Op ijskouden toon voegde zij hem toe:

"Wat beduidt uwe aanwezigheid hier, als alle ridders zijn

vertrokken? Hebt gij dan allen eerbied voor mij uit het oog verloren,

dat ge mij aldus blootstelt aan den lasterpraat van nieuwsgierige

hovelingen, die ons doen en laten met venijnige blikken bespieden? Hoe

durft gij aldus handelen, zonder eerst met mij in overleg te zijn

getreden, waar het eene zaak betreft, die mij zoo nauw aangaat? Nog

is het tijd, om allen boozen vermoedens den kop in te drukken. Daarom,

maak u gereed en begeef u alsnog naar Camelot. Het zal u niet moeilijk

vallen den koning in te halen, daar hij door den langen stoet, die

hem vergezelt, slechts langzaam vooruitkomt. Haast u en verlaat dit

vertrek, waar ge reeds lang genoeg hebt vertoefd, om de achterdocht

der hovelingen gaande te maken!"

Met somberen blik zag Lanceloet haar aan.

"Gij zijt plotseling wel zeer wijs en verstandig geworden, edele

vrouwe", sprak hij, "en toch was er een tijd, dat gij de eischen

van het hart wist te stellen boven die der voorzichtigheid. Spaar

mij echter uwen toorn, nog heden zal ik den koning naar Camelot

volgen. Daar ik echter eene verklaring moet vinden voor het feit, dat

ik niet terstond ben mede gegaan, zoo ben ik van zins als een onbekend

ridder aan het tournooi deel te nemen. Het zal dan tevens blijken,

of ik ook zonder den steun van mijn naam, bij machte ben om mij in

den strijd te onderscheiden." Dit zeggend boog hij eerbiedig voor de

koningin en wilde het vertrek verlaten. Zóó kon Ginevra hem echter niet

laten gaan. Zijne woorden en nog meer de sombere uitdrukking van zijn

gelaat hadden den muur verbroken, waarmede zij in hare stemming van

ergernis haar hart had trachten te omringen en zij voelde, hoe haar

gansche wezen doorstroomd werd door de liefde voor dezen man. Met een

kreet van verlangen strekte zij de armen naar hem uit en het volgende

oogenblik lag zij aan zijne borst en snikte hare wanhoop uit in een

vloed van tranen. Lanceloet hield haar vast omklemd, maar toen zij

hem smeekte, haar niet te verlaten en den tocht naar Camelot op te

geven, maakte hij zich zachtkens los uit hare omarming, leidde haar

naar eene rustbank en knielde voor haar neder, zeggende:

"Liefste, weet gij, waarom uwe booze woorden van zooeven mij zoo dubbel

griefden? Het was, omdat zij eene kern van waarheid bevatten. Gij hadt

gelijk met mij mijn thuisblijven te verwijten. Ik had moeten bedenken,

hoezeer ik uw goeden naam daarbij in de waagschaal stelde. Niet langer

is onze liefde een geheim voor onze omgeving. Ridders als Modred en

Agravaine loeren en spieden om ons te verraden. Het past ons thans

dubbel voorzichtig te zijn, daarom bid ik u, laat mij gaan!"

Weenend verborg Ginevra het hoofd in de kussens. Ook zij begreep,

dat het wijzer was Lanceloet te laten vertrekken, maar hoeveel

kostte het haar om afscheid van hem te nemen! De indruk van Arthur's

afscheidswoorden was geheel weggevaagd; haar geheele wezen klopte en

beefde van hartstocht voor hem, die daar geknield voor haar lag. Toch

moesten zij scheiden en na een laatst vaarwel, eene laatste, lange

omhelzing verliet Lanceloet het vertrek om zich voor de reis gereed

te maken.

Eenige uren later reed hij de poorten van het vorstelijk paleis uit,

in verbazing nagestaard door de achtergebleven ridders, die maar

niet konden begrijpen, waarom Heer Lanceloet zoo plotseling op zijn

besluit om niet naar het tournooi te gaan, was teruggekomen.

Een storm van aandoeningen ging hem onder het voortrijden door de

ziel, want de liefde voor Ginevra bracht hem naast oogenblikken van

innigste zaligheid ook tijden van folterend berouw. Wanneer hij zijn

vorst in het gelaat zag en in zijne oogen de liefde en het vertrouwen

las, welke deze voor hem koesterde, moest hij zich geweld aandoen om

het niet uit te schreeuwen van felle zielepijn. Hoe dikwijls nam hij

zich voor om het gezelschap der koningin te vermijden en te trachten

haar uit zijn hart te verbannen! Tevergeefs! telkens weer trok zij

hem met onweerstaanbare macht tot zich en koning Arthur werkte in

zijne argeloosheid hun beider samenzijn vaak in de hand.

Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen had Lanceloet niet

bemerkt, dat het allengs avond was geworden. De schaduwen op het

boschpad werden langer en langer; nu en dan struikelde zijn paard

over een boomwortel, die over den weg groeide en weldra was het

onmogelijk om op eenigen afstand voor zich uit te zien. Uit zijn

gepeins ontwakend, besloot Lanceloet, zoo spoedig mogelijk een

onderkomen voor den nacht te zoeken en daar hij wist, dat hij zich in

de nabijheid van het kasteel Astolat moest bevinden, dat op eenigen

afstand van Camelot aan de Theems was gelegen, stuurde hij zijn ros

in de richting der rivier. Nadat hij eenigen tijd langs den oever

was voortgereden, zag hij bij eene kromming van den stroom de donkere

massa van een ridderslot voor zich oprijzen.

Bij het laatste schemerlicht, dat over de velden langs den rivieroever

hing, zocht hij den ingang van het slot en meldde zich aan bij de

poortwacht als een ridder van koning Arthur, die op weg naar Camelot

door den nacht was overvallen en thans om een onderkomen voor zich en

zijn paard verzocht. Het noemen van 's konings naam deed de wachters

haastig de poort voor hem ontsluiten en spoedig daarna trad hij de

zaal binnen, waar het gezin van den slotheer rond den avonddisch

zat geschaard. De oude graaf Bernard van Astolat trad hem met een

vriendelijk welkomstwoord op de lippen tegemoet. Hij werd gevolgd door

zijne beide zonen: Torre, een bleeken, ziekelijk uitzienden jongeling

en Lavaine, een frisschen blozenden knaap van nauwelijks achttien

jaren. Daarachter kwam schuchter en verlegen Heer Bernards eenig

dochtertje Elaine, de jongste van het drietal en nog bijna een kind in

leeftijd en uiterlijk. Blozend reikte zij den vreemden ridder de hand

en toen deze die eerbiedig kuste, zag zij in angstige verlegenheid

op naar haar vader, als om hem te vragen, wat haar thans te doen stond.

Graaf Bernard trok vroolijk lachend zijn dochtertje naar zich toe

en zeide: "Onze Elaine is een natuurkind, Heer ridder, en kent de

gebruiken van het hof niet. Gij moet haar dit niet ten kwade duiden,

wij leiden hier een eenvoudig en teruggetrokken leven en ik stel er

prijs op, dat mijn dochtertje zoo lang het mogelijk is, hare blijde

jeugd geniet. Later zal zij dan moeten leeren, hoe zich in de hofwereld

te gedragen."

"Dat zal haar niet moeilijk vallen", antwoordde Lanceloet met

de hem aangeboren hoffelijkheid, "jeugd en schoonheid zijn twee

machtige beschermers, waarvan men de waarde ook ginds weet te

waardeeren. Wanneer men die bezit, is men er zeker van, dat men overal

vriendelijk ontvangen wordt, de rest volgt dan van zelf."

"Ho, ho! Heer vreemdeling," lachte de oude graaf, "dergelijke vleitaal

hoort hier niet thuis en is allerminst geschikt voor de ooren van

een jong meisje als onze Elaine, wier hoofdje gij er licht mee op

hol zoudt kunnen brengen. Maar kom, genoeg van dit alles. Zet u neder

aan onzen eenvoudigen maaltijd en vertel ons, wat u hier henen voert."

Lanceloet voldeed aan dit verzoek en vertelde zijn vriendelijken

gastheer, dat hij tot de ridders der Tafel Ronde behoorde en op weg was

naar Camelot om aldaar aan het tournooi deel te nemen. Tevens verzocht

hij hem, van het noemen van zijn naam verschoond te mogen blijven,

daar hij als onbekende aan den strijd wenschte deel te nemen. Na

afloop van het steekspel, zoo beloofde hij, zou hij zich aan graaf

Bernard bekend maken, tot zoo lang verzocht hij zijn gastheer, hem

te willen verontschuldigen.

Met de grootste welwillendheid ging de graaf op het voorstel van zijn

vreemden gast in en toen deze hem vervolgens een schild ter leen vroeg

om het geheim van zijn persoon nog beter te kunnen bewaren, antwoordde

hij vriendelijk: "Met genoegen wil ik u dit geven. Doordat mijn oudste

zoon, Torre, bij het eerste gevecht, waaraan hij deelnam, nadat hij

tot ridder geslagen was, eene ernstige verwonding heeft opgeloopen,

kan hij voorloopig zijn schild niet gebruiken en stel ik dat thans

gaarne te uwer beschikking. Ik heb echter wederkeerig een verzoek

aan u en wel, dat deze knaap",--hierbij legde hij zijne hand op het

blonde hoofd van Lavaine, die naast hem zat--"met u mede mag rijden

naar Camelot. Sedert weken houdt hij niet op mijne toestemming te

vragen om aan het tournooi deel te mogen nemen. Ik vond hem echter te

jong om alleen daarheen te gaan, maar beloofde hem, dat, indien zich

een geschikt geleide voordeed, ik zijne zaak zou bepleiten. Spreek,

hebt gij er geen bezwaar tegen hem met u mede te nemen?"

Lanceloet zag lachend in het gelaat van den knaap, dat bij zijns

vaders woorden hoogrood werd gekleurd en hem nu vol spanning aanzag,

daarna sprak hij: "Niet in 't minst, waarde graaf! Het is mij steeds

eene aangename taak, de eerste schreden van een jongeling op het pad

des roems te leiden, dus neem ik gaarne uw zoon met mij mede. Gij

kunt gerust zijn, dat ik goed voor hem zorgen zal!"

Nu alles zoodoende tot ieders genoegen was geschikt, verliep de

maaltijd verder onder vroolijk gekout. Na afloop schaarde het

gezelschap zich om de breede schouw, waar een helder vlammend

vuur eene aangename warmte afstraalde en de kilte van den vroegen

voorjaarsavond verjoeg.

De graaf noodde zijn gast om hem en zijnen zonen het een en ander

van zijne krijgstochten te vertellen en Lanceloet, die zich dankbaar

gestemd voelde door de gulle ontvangst op het slot, verklaarde zich

gaarne daartoe bereid. Met aandacht luisterde Heer Bernard naar het

verslag zijner krijgsavonturen, ook Torre's belangstelling werd door

het gehoorde opgewekt en hij zette zich wat rechter overeind in zijn

stoel. Lavaine hing in ademlooze spanning over den rug van zijns

vaders zetel en genoot met hart en ziel van Lanceloet's verhalen; in

gedachten leefde hij mede met den verteller en stelde hij zich zelven

in diens plaats. Zijn hart klopte luider van vreugde bij de gedachte,

dat ook hij spoedig dergelijke avonturen zou beleven en dankbaar zag

hij den vreemdeling aan, die voor hem de poorten van de wonderschoone

wereld zou ontsluiten.

Aan de voeten van haar vader, op een laag bankje bij het vuur zat

Elaine. Het was haar lievelingsplekje, waar zij steeds placht te

zitten, wanneer haar vader en broeders na het avondmaal spraken over

jacht en landbouwbedrijf en de dagelijksche voorvallen in huis en

hof. Dan vond zij er een genot in om urenlang in de haardvlammen te

staren en met hare levendige verbeelding zich daarin allerlei schoons

voor oogen te tooveren. Temidden van den rossen vlammengloed bouwde zij

zich een sprookjespaleis, zóó schoon, zóó rijk, als er op aarde geen

te vinden was. Daar troonde zij in één der zalen, waarvan de muren

glinsterden als goud, en aan hare voeten knielde een ridder. Hoe die

ridder er uitzag, hoe hij heette en vanwaar hij kwam, waren slechts

bijkomstige omstandigheden, waarin zij zich tot dusverre nooit

verdiept had; de hoofdzaak was, dat hij eens komen zou en dat hij

haar lief zou hebben en vereeren, zooals de schoone vrouwen uit de

liederen der minnezangers, die somtijds in haars vaders slot kwamen,

bemind plachten te worden.

En nu was hij gekomen, de held harer droomen, de prins uit haar

sprookjespaleis. In de gestalte van een edelen vreemdeling zat hij

thans te praten met haar vader, zóó kalm en rustig, als ware heden door

zijne komst niet het groote wonder geschied, waarop zij reeds zoo lang

wachtte! Zou hij er zelf geen besef van hebben, welk een gewichtige dag

het voor hen beiden was? Het scheen bijna van niet, maar toch--had hij

hare hand niet gekust, had hij haar niet schoon genoemd en haar daarbij

aangezien, wel ernstig, ja, maar zóó vriendelijk en zacht, dat zijn

blik haar hartje had doen kloppen van eene vreemde, warme ontroering?

Nooit nog had één der makkers van hare beide broeders haar zóó

aangezien, beteekende die blik dan niet, dat hij haar ook gaarne zag?

Met glanzende oogen zag Elaine naar den vreemdeling op; ditmaal keurde

zij de heldere haardvlammen geen blik waardig, zelfs keerde zij het

vuur bijna den rug toe om toch maar vooral geen woord te verliezen,

van wat de vreemde ridder sprak. Zij hoorde hem vertellen, hoe hij

op het slot Corbin had gestreden tegen een vuurspuwenden draak, die

de eer en veiligheid der slotvrouwe bedreigde, en terwijl hij sprak,

beschouwde zij aandachtig zijn gelaat. Hij zag er nu geheel anders

uit, dan toen hij voor 't eerst bij hen binnentrad. Zijne oogen, die

toen zoo somber voor zich uitzagen, hadden nu eene bijna vroolijke

uitdrukking aangenomen; zijne stem klonk helder en opgewekt en men kon

zien, dat hij met hart en ziel bij zijn verhaal was. Eindelijk werd het

tijd om zich ter ruste te begeven, want den volgenden morgen zouden de

reizigers reeds in alle vroegte op weg moeten gaan. Toen Elaine bij het

goeden nacht wenschen opnieuw Lanceloet's lippen op hare hand gevoelde,

ging er eene rilling door al hare leden en haastig vlood zij heen,

naar haar eenzaam torenkamertje, waar zij van kindsbeen af geslapen

had. Daargekomen opende zij haar venster en staarde naar buiten, waar

de sterren flikkerden en straalden aan den helderen avondhemel. De

bevende handjes tegen haar hart gedrukt luisterde zij toe, tot alle

geluiden in het kasteel verstomd waren, toen begaf ook zij zich ter

ruste, maar het duurde lang, eer zij den slaap kon vatten.

_Hoe Lanceloet en Lavaine zich op weg begaven en hoe de eerste zijn

schild ter bewaring gaf aan Elaine._ Tegen het krieken van den morgen

maakten Lanceloet en Lavaine zich gereed om den tocht naar Camelot te

ondernemen. In de grijze ochtendschemering betraden zij het slotplein,

waar de stalknechts van Graaf Bernard hunne paarden bij den teugel op

en neer leidden. De diepe stilte, die aan den dageraad voorafgaat,

heerschte om hen heen, slechts nu en dan verbroken door het kraaien

van een haan of het getjilp van een vroegen vogel. Terwijl Lanceloet

het tuig van zijn paard onderzocht om te zien of alles in orde was,

ging Lavaine het kasteel binnen om zijns broeders schild te halen,

hetwelk zijn vader aan hun gast beloofd had. Toen hij met vluggen

tred de hoofddeur binnenliep en in één der vóórvertrekken verdween,

zag hij niet, hoe eene kleine gedaante langs de breede trap omlaag

kwam sluipen. Het was Elaine.

Alvorens zij dien nacht was ingeslapen, had zij besloten, dat zij

den volgenden morgen vroeg op wilde staan om den vreemden ridder nog

éénmaal te zien, vóór hij heenging. Het gestamp der paardehoeven op

het voorplein onder haar raam had haar uit hare onrustige sluimering

gewekt; ijlings was zij opgestaan en had zich met bevende vingers,

aangekleed. Zoo kwam zij thans beneden en een zucht van verlichting

ontsnapte haar, toen zij door de open deur de paarden der vertrekkenden

nog op het voorplein zag staan. Goddank! zij was nog juist op tijd.

Een oogenblik later meende Lanceloet, die in gebukte houding bij de

paarden stond, een zacht geritsel achter zich te hooren; haastig

zag hij om, denkend dat het Lavaine was, die hem het schild kwam

brengen. Op het zien van Elaine kon hij een kreet van verrassing

niet onderdrukken. En inderdaad, wel mocht de plotselinge aanblik van

het jonge meisje, zooals hij haar daar roerloos en met neergeslagen

oogen zag staan, hem treffen. In haar witte kleedje, waarvan zij de

slippen over den arm geslagen had, opdat ze haar bij het voortgaan

niet zouden hinderen, met de lange blonde haren golvend om haar heen

en het fijne gelaat, waaruit de aandoening alle kleur verdreven had,

geleek zij een wezen uit eene andere wereld, eene fee van den dageraad,

die zoo aanstonds, als de wereld uit hare sluimering ging ontwaken,

weer heen zou vluchten naar het schimmenrijk, waar zij thuis behoorde.

De nabijheid van haren held had Elaine al haren moed ontnomen en zoo

bleef zij met neergeslagen oogen vóór hem staan, terwijl hare vingers

onrustig heen en weer gleden langs de plooien van haar kleed. Lanceloet

van zijn kant staarde haar in klimmende verbazing en ontroering aan;

de diepe indruk, dien hare plotselinge verschijning op hem maakte,

belette hem het spreken.

Eindelijk waagde Elaine het de oogen naar hem op te slaan en stamelde,

zóó zacht, dat hij zich voorover buigen moest om te verstaan,

wat zij zeide: "Ik ben gekomen om u en Lavaine eene goede reis te

wenschen. Moge God u behoeden en beschermen in het gevaar."

Terwijl zij deze woorden sprak, kwam Lavaine uit het slot aanloopen,

met het schild van Torre. Op het zien van zijne zuster, slaakte

hij een uitroep van verbazing en naderbij gekomen, plaagde hij het

jonge meisje op vroolijken toon met haar vroege opstaan. Zijne woorden

joegen Elaine het bloed naar de wangen. Lanceloet haalde verruimd adem,

nu aan de spanning van het oogenblik een einde was gekomen en hij in

haar weer een menschelijk wezen kon zien, een jong meisje dat blozen

kon als elk ander, bij een schertsend woord van haar broeder.

Terwijl Lavaine zich bukte om zich eveneens te vergewissen, dat zijn

paard behoorlijk voor den tocht was uitgerust, legde Elaine haar

handje op Lanceloet's mouw en sprak snel: "Heer ridder, ik heb een

verzoek aan u, dat ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Zoo gaarne

zou ik zien, dat gij in het tournooi te Camelot een herinneringsteeken

van mij wildet dragen. Wilt ge dat doen?"

"Heb dank voor uw aanbod," antwoordde Lanceloet, "en geloof mij,

wanneer ik u zeg, dat ik van niemand liever dan van u een teeken zou

willen dragen. Toch kan ik niet aan uw verzoek voldoen, daar ik, om

persoonlijke redenen, nooit aan die gewoonte heb medegedaan. Duid het

mij niet euvel, indien ik hierdoor onhoffelijk mocht schijnen. Elk

ander verzoek van u zal ik met graagte inwilligen, slechts dit niet."

Elaine echter liet niet los. Zij trad nog eene schrede dichterbij en

den ridder met hare groote oogen smeekend aanziend, zeide zij: "Ik

bid u, weiger mij mijn verzoek niet. Het zou mij zoo innig gelukkig

maken, te weten, dat gij in den strijd eene kleine herinnering aan

mij medenaamt. En wat uw bezwaar daartegen betreft, hebt ge ons

gisterenavond niet verteld, dat gij in Camelot onbekend wenscht te

blijven? Welnu dan, hoe kunt gij u op meer afdoende wijze vermommen,

dan dat gij, die nooit het geschenk eener dame draagt, thans daarmede

in het perk verschijnt? Zelfs uwe beste vrienden zullen, uw beginsel

hieromtrent kennend, er door om den tuin worden geleid."

Lanceloet kon zich de waarheid harer woorden niet

ontveinzen. Inderdaad, nooit zou men gelooven, dat hij, Lanceloet,

zich had laten bewegen om in een tournooi uit te komen met het geschenk

eener vrouw als talisman. Bovendien werd het hem steeds moeilijker

om den dringenden blik van Elaine's reine kinderoogen te weerstaan,

daarom greep hij hare hand, die op zijne mouw rustte, drukte die

hartelijk en sprak: "Gij hebt gelijk! Door aan uw verzoek te voldoen,

zal ik in den strijd dubbel onherkenbaar zijn. Daarom zal ik ditmaal

van mijne gewoonte afwijken. Maar," zoo voegde hij er lachend aan toe,

"ware gij het niet geweest, die het mij vroeg, zou zoo ik er zeer

zeker niet toe hebben kunnen besluiten!"

Het was Elaine, of eene warme golf van ontroering haar doorstroomde;

diep blozend stamelde zij eenige woorden van dank en reikte den ridder

eene mouw van karmozijnrood fluweel, bezet met blanke paarlen.

Lanceloet nam zich den helm van het hoofd, maakte den wuivenden

vederbos er van los, en bevestigde de mouw daarvoor in de

plaats. Daarna zette hij hem weer op het hoofd en zeide vroolijk:

"Moge het mij gegeven zijn, het geschenk in ongeschonden staat aan

de schoone geefster terug te brengen!"

Lavaine had thans het onderzoek van zijn paard beëindigd en stelde

Lanceloet voor om te vertrekken. Deze was terstond bereid, maar,

alvorens hij zich te paard zette, wendde hij zich nogmaals tot het

jonge meisje en zeide vriendelijk: "Sta mij toe, u wederkeerig

om een dienst te verzoeken. Uw broeder heeft mij zoo juist het

schild gebracht, dat uw vader mij zoo welwillend ter leen heeft

afgestaan. Mijn eigen schild is thans overbodig geworden, wilt gij

het zoo lang voor mij bewaren, tot ik het na afloop van het steekspel

in eigen persoon kom terughalen? Niet gaarne zou ik willen, dat het

in verkeerde handen geraakte, want het roept de herinnering in mij

wakker aan vele roemrijke veldtochten, waarin het mij steeds trouw

gediend heeft!"

Vol vreugde nam Elaine het schild in ontvangst, dat Lanceloet haar

toereikte.

Een oogenblik later zaten de beide ridders in den zadel en reden na

een laatst vaarwel de slotpoort uit. Even dreunde de ophaalbrug onder

de hoeven hunner paarden, daarna draafden zij den breeden heirweg op

in de richting van Camelot.

Het jonge meisje was hen tot aan de slotpoort gevolgd, daar tuurde

zij hen na, leunend op het zware schild, terwijl haar hartje klopte

van vreugde en verlangen en in hare ooren nog steeds de woorden

weerklonken: "Ware gij het niet geweest, zoo zou ik er zeer zeker

niet toe hebben kunnen besluiten!"

Met den weerklank van die woorden in het hoofd, keerde zij

langzaam naar het slot terug en besteeg de breede trappen naar haar

torenkamertje. Moeizaam torste zij het schild in hare armen; af en toe

moest zij even stilstaan, om uit te rusten, maar toch kwam het niet

bij haar op, om den zwaren last aan andere handen toe te vertrouwen,

voor niets ter wereld zou zij hem hebben afgestaan.

In haar eigen vertrek gekomen, zette zij zich neder in de breede

vensternis, het schild op hare knieën. Aandachtig bezag zij het

kostbare snijwerk en met eene huivering van angst en nieuwsgierigheid

gleden hare vingers over de vele deuken en krassen, welke het in de

verschillende gevechten had opgeloopen. Daarbij poogde zij zich voor

te stellen, op welke wijze en onder welke omstandigheden die slagen

waren toegebracht. Zoo droomde zij van haar held en volgde hem in

gedachten op zijn tocht, die hem ook thans weer in het gevaar zou

brengen. Telkens, wanneer zij aan het steekspel te Camelot dacht,

ging er eene rilling van angst door hare leden; dan klemde zij hare

handjes vast ineen en zond een vurig gebed omhoog, waarin zij Maria

en alle Heiligen smeekte om haren geliefde in den strijd te beschermen.

Lanceloet en Lavaine hadden intusschen in weinige uren den afstand

afgelegd tusschen het kasteel Astolat en Camelot. Aldaar gekomen,

vonden zij de stad in groote opwinding over het tournooi, dat den

volgenden dag zou beginnen. Het bleek onmogelijk om nog een geschikt

onderdak te vinden, daarom besloot Lanceloet den volgenden nacht

door te brengen bij een bevrienden kluizenaar in het naburig bosch,

in wiens woning hij reeds meermalen gastvrijheid had genoten. Op

weg daarheen vertelde hij zijn jeugdigen metgezel, wie hij was,

hem tevens verzoekend, zijn geheim te willen bewaren.

Het hooren van zijn beroemden naam maakte diepen indruk op het

ontvankelijk gemoed van den jongeling, die, van zijne jeugd af aan,

Lanceloet vereerd en bewonderd had en geen vuriger wensch koesterde,

dan hem eens, zij het ook van verre, te mogen aanschouwen. En nu reed

hij in gezelschap van den held zijner droomen naar Camelot en deze,

de beroemde, gevierde ridder behandelde hem als zijn vriend en gaf

hem op kameraadschappelijken toon allerlei wenken en raadgevingen

voor den komenden strijd.

Bij den kluizenaar aangekomen, vond het tweetal een gastvrij onthaal;

reeds vroeg begaven zij zich ter ruste, ten einde den volgenden morgen

zoo frisch en krachtig mogelijk in het perk te kunnen verschijnen.

_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet gewond werd._ Het

tournooi zou gehouden worden op een uitgestrekt weiland aan de

rivier. Daarheen begaven zich reeds in alle vroegte de bewoners van

Camelot met hunne vrouwen en kinderen. De gansche stad liep leeg;

slechts zij, die door ziekte verhinderd waren hunne woning te verlaten,

bleven in huis, verder stroomde jong en oud, rijk en arm naar de

plaats, waar het lang verbeide feest zou plaats vinden.

De beide partijen der strijdenden stonden reeds aan weerskanten van

het perk opgesteld, toen Lanceloet en Lavaine vanuit het woud kwamen

aanrijden.

Aan de ééne zijde van het veld bevonden zich koning Arthur en zijne

ridders, die gesteund werden door koning Anguish van Ierland en

den koning der Schotten; hunne tegenstanders waren de koningen van

Noord-Wallis en Northumberland, met hunne ridders en volgelingen.

Lanceloet en zijn metgezel hielden zich schuil achter het geboomte,

dat de weide omzoomde om het verloop van den strijd af te wachten. Zij

waren namelijk overeengekomen, dat zij zich voegen zouden bij de

zwakste partij, onverschillig welke die zijn mocht. Weldra bleek het,

dat de tegenpartij van koning Arthur het niet lang zou kunnen volhouden

tegen den onstuimigen aanval der Tafel Ronde. Toen Lanceloet zag,

hoe de ridders van Wallis en Northumberland langzaam maar zeker het

veld moesten ruimen, gaf hij Lavaine een wenk en beiden stortten zich

onder luide kreten van aanmoediging in het strijdgewoel.

De uitwerking van hunne deelname aan het gevecht was verbluffend. De

ridders, die op het punt waren den strijd op te geven, schepten

nieuwen moed en drongen met kracht voorwaarts. Bij de tegenpartij

daarentegen veroorzaakte hunne plotselinge verschijning een oogenblik

van verwarring, waarvan Lanceloet terstond gebruik wist te maken. Met

Lavaine aan zijne zijde joeg hij op zijne tegenstanders los, zijn

slagzwaard door de lucht zwaaiend. Verwarring en ontsteltenis

verspreidden zich door de gelederen der Arthur-ridders. Met

bijkans bijgeloovige vrees zagen zij naar den vreemden ridder met

het wapperende, roode kenteeken op zijn helm, die in woeste vaart

op hen toe kwam rijden. Een gemompel van "Lanceloet" ging door de

gelederen der strijdenden, geen ander toch wist zóó krachtig zijn

zwaard te hanteeren. Maar--Lanceloet was thuisgebleven en bovendien,

zelfs al zou hij zich op het laatste oogenblik bedacht hebben, men

had hem toch nooit met het geschenk eener dame als helmteeken in den

strijd zien treden. Het scheen intusschen, of de roode mouw den drager

geluk aanbracht, want nog nooit had hij zich zóó roekeloos gewaagd,

zonder dat hem het minste letsel werd toegebracht. Ook Lavaine hield

zich wakker, geen oogenblik week hij van Lanceloet's zijde en hij

steunde hem, waar en wanneer hij kon. Reeds liep de strijd ten einde,

toen één van de ridders der Tafel Ronde, Heer Bors, een der beste

vrienden van Lanceloet, kans zag, hem van ter zijde te benaderen en

hem zijne scherp gepunte speer in de zijde drukte.

Even daarna bliezen de herauten het sein, dat de strijd was afgeloopen

en verkondigde de scheidsrechter, dat den ridder met de roode mouw

de prijs der overwinning was toegekend, welke hij vóór de tent des

konings in ontvangst kon komen nemen. Lanceloet echter schudde het

hoofd. Eene felle pijn brandde hem in de zijde en benam hem bijna het

bewustzijn. De gedachte zich daar ginds te laten huldigen en vieren,

was hem ondragelijk; hij snakte naar rust en kalmte en verlangde niets

liever, dan zoo spoedig mogelijk te ontsnappen aan die juichende,

joelende menschenmenigte.

In haastige woorden verzocht hij Lavaine hem te volgen en

gebruik makend van de algemeene verwarring verliet hij ijlings het

strijdperk. Met de uiterste krachtsinspanning wist hij zich in het

zadel overeind te houden, tot zij door het dichte geboomte onttrokken

werden aan de blikken van hen, die hunne overhaaste vlucht hadden

opgemerkt. Toen was het echter met zijn uithoudingsvermogen gedaan. Met

een klagelijken kreet van pijn sloeg hij de armen omhoog en stortte

bewusteloos van zijn paard.

Men kan zich de ontsteltenis van Lavaine voorstellen, toen hij zijn

vriend plotseling zulk een val zag doen. In een oogwenk was ook hij van

zijn paard gesprongen en knielde bij zijn strijdmakker neer. Bij een

haastig onderzoek naar de oorzaak van Lanceloet's bezwijming ontdekte

hij de speerpunt, die in zijne zijde stak. Met een kloek besluit trok

hij het wapen uit de wonde en na deze haastig verbonden te hebben,

zoo goed en zoo kwaad als het ging, tilde hij het bewustelooze lichaam

van zijn vriend opnieuw in den zadel en leidde zijn paard aan den

teugel naar de woning des kluizenaars, welke gelukkig niet ver van

de plek des onheils verwijderd was.

Het duurde niet lang, of de vrome man wist zijn gast uit diens

verdooving te doen ontwaken door het toedienen van eenige opwekkende

middelen, waarvan hij het geheim verstond. Lanceloet's wonde liet

zich echter ernstig aanzien en de wijze heremiet voorspelde Lavaine,

dat het langen tijd zou duren, alvorens zijn vriend weder geheel

hersteld zou zijn.

In het strijdperk te Camelot verdiepte men zich intusschen in gissingen

omtrent het plotseling verdwijnen van den vreemden ridder. Sommigen

beweerden, dat zij hem in gezelschap van een jongeling het bosch

hadden zien inrijden, anderen weer hielden vol, dat hij het veld niet

had verlaten.

Koning Arthur vooral was zeer teleurgesteld, dat hem de kans werd

ontnomen om kennis te maken met den man, die zich zoo meesterlijk in

den strijd gedragen had. Zijne geheime hoop om dien vreemdeling voor

zijne Tafel Ronde te winnen, moest hij nu ook opgeven. Mistroostig

luisterde hij naar de opgewonden gesprekken om hem heen, tot

eindelijk Walewein, de teleurstelling van zijn vorst bemerkend,

aanbood om den vreemdeling te gaan zoeken. Zijne naspeuringen waren

echter tevergeefs!--na eenige dagen keerde hij onverrichter zake in

Camelot terug.

Spoedig daarop ondernam de vorst met zijn gevolg de terugreis naar

Londen en ziet, toen gebeurde het, dat Walewein, die op zekeren avond

in de vallende duisternis van het overige gezelschap was afgedwaald,

zich genoodzaakt zag om gastvrijheid te vragen in het kasteel Astolat,

waar Lanceloet eenigen tijd te voren om een onderkomen had aangeklopt.

Heer Bernard ontving hem met dezelfde gulle hartelijkheid, welke hij

Lanceloet had betoond en Walewein's belangstelling werd alras opgewekt

door het zoo uiteenloopende drietal: de eerbiedwaardige grijsaard,

zijn linksche, zwijgzame zoon en het bekoorlijke, jonge meisje. Toen

de gast zich in den loop van den avond liet ontvallen, dat hij

uit Camelot kwam, waar hij het beroemde steekspel had bijgewoond,

ging er een schok van ontroering door het kleine gezelschap en met

bevende stem vroeg Heer Bernard hem, of hij hun ook eenig bericht kon

geven omtrent zijn zoon, die in gezelschap van een vreemden ridder

ten strijde was getrokken. De naam van Lavaine bleek Heer Walewein

echter geheel onbekend te zijn, dus kon hij den bezorgden vader

geenerlei tijding over het welzijn van den knaap verschaffen. Wel

beschreef hij hun den loop van het tournooi en onder het vertellen

prees hij telkens weer het moedige gedrag van den vreemden ridder,

die ten slotte overwinnaar was gebleven. Op Heer Bernard's verzoek

om hem dien stoutmoedigen vreemdeling eens nader te beschrijven,

gaf hij ten antwoord, dat de ridder voorzien was van een wit schild

en dat hij op zijn helm eene roode mouw droeg, met paarlen bezet.

Bij het hooren van deze woorden slaakte Elaine, die vol spanning had

zitten luisteren naar hetgeen Heer Walewein verhaalde, een kreet van

verrassing. Verbaasd zagen haar vader en zijn gast haar aan; zij was

opgesprongen van haar zetel en stond met glinsterende oogen en blozend

gelaat voor hen, terwijl zij uitriep: "Hoort gij het, Vader en gij,

Torre, die daar zoo suf voor u uit zit te staren? Hoort gij, wat Heer

Walewein vertelt? Hij is het, de vreemdeling, die hier overnacht heeft

en ons zulke wonderschoone verhalen van den koning en zijne ridders

wist te vertellen. Ik dacht het wel, dat er niemand sterker en moediger

was dan hij! O, hoe gaarne zou ik bij het tournooi tegenwoordig

geweest zijn om hem toe te juichen en als overwinnaar te huldigen!"

Walewein had verbaasd naar hare woorden geluisterd; nu zij ophield

met spreken, wendde hij zich met eene hoffelijke hoofdnijging tot haar

en sprak: "Indien gij weet, wie de ridder met de roode mouw zijn kan,

zoo smeek ik u, mij zijn naam te noemen. Koning Arthur stelt er hoogen

prijs op, dien te weten en ook in zijn eigen belang is het beter, dien

niet langer geheim te houden. Hij is zwaar gewond uit het strijdperk

verdwenen, mogelijk ligt hij ergens weg te kwijnen door gebrek aan

hulp en verzorging. Daarom, nog eens, zeg mij, wie hij is en ik zal

onverwijld maatregelen nemen om zijne schuilplaats te ontdekken."

Een doodelijk wit had Elaine's gelaat overtogen, bij het hooren

van die vreeselijke tijding. Hare ledematen schenen als verstijfd;

zij hoorde de stem van Heer Walewein, maar de beteekenis van wat

hij zeide kon zij niet in zich opnemen. Alleen de woorden: "hij is

zwaar gewond uit het strijdperk verdwenen", klonken haar in de ooren

en riepen haar de vreeselijkste visioenen voor den geest: Lanceloet

gewond, badend in zijn bloed--Lanceloet dood, met verstarde trekken

en groote, verglaasde oogen. Een oogenblik sloot zij de hare om

dat vreeselijk droombeeld buiten te sluiten, daarna deed zij eene

bijna bovenmenschelijke poging om hare kalmte te herwinnen en sprak:

"Zijn naam kunnen wij u helaas niet zeggen, Edele Heer, daar hij ons

dien niet heeft medegedeeld. Indien gij echter, zooals gij zooeven

zeidet, ook tot Arthur's hof behoort, zoo weet ik eene andere wijze,

waarop gij kunt ontdekken, wie de vreemde ridder was. Bij het heengaan

liet hij zijn schild hier achter, en verzocht mij, dit voor hem te

willen bewaren. Mogelijk herkent gij het." Na dit gezegd te hebben,

verliet zij met rassche schreden het vertrek en snelde de trappen

op naar hare kamer. Zij nam het schild, dat haar toevertrouwd was,

van den wand en begaf zich ermede naar de zaal, waar Walewein in

spanning haar terugkeer verbeidde.

Alvorens hem het schild in handen te geven, ontdeed zij het van

het zijden omhulsel, waarmede hare handige vingeren het hadden

voorzien. Toen reikte zij het den ridder met de woorden: "Hem,

dien het toebehoort, heb ik lief met mijn gansche hart en ziel, red

mij daarom uit de kwellende onzekerheid en zeg mij, zoo gij kunt,

wie en waar hij is!" Diep ontroerd nam Walewein het schild van haar

aan. Eén blik erop was hem voldoende; met een luiden uitroep van

verrassing herkende hij het schild van zijn wapenmakker. Een stroom

van tegenstrijdige aandoeningen ging hem door de ziel, toen hij de

oogen van Elaine vol angstige spanning op zich gericht voelde en een

overweldigend gevoel van medelijden maakte zich van hem meester. Nooit

had zijne stem zóó zacht geklonken, als toen hij tot haar zeide:

"Inderdaad, thans weet ik, wie de vreemde ridder is geweest. Het was

niemand anders dan Lanceloet, de dapperste, edelste ridder van het

hof. Geen wonder, dat hij in den strijd de overwinning behaalde, want

er is geen man ter wereld, die hem ooit heeft kunnen verslaan. Gij hebt

uw hart aan geen onwaardige geschonken, schoone jonkvrouw, en wat geene

vrouw ter wereld nog vermocht, hebt gij weten te volbrengen. Nooit

nog zag ik hem in den strijd verschijnen met de gift eener vrouw op

zijn helm!"

Walewein zag, hoe Elaine's oogen begonnen te stralen van geluk. Een

oogenblik vroeg hij zich af, of het wellicht mogelijk kon zijn, dat

Lanceloet haar inderdaad had liefgekregen, maar toen rees het beeld

van koningin Ginevra voor hem op en zijn hart werd vervuld van zorg

en angst voor dit jonge kind, dat hem zoo argeloos hare liefde toonde

en zoo overtuigd scheen te zijn, dat die werd beantwoord.

Nog zachter en vriendelijker klonk zijne stem toen hij voortging:

"Zooals ik u reeds zeide, verkeert men in ongerustheid omtrent het

lot van uw vriend. Hij is spoorloos uit het strijdperk verdwenen,

niemand weet waarheen, maar wel weten wij, dat hem even vóór het

einde van den strijd eene gevaarlijke wonde werd toegebracht door

de hand van een zijner beste vrienden, Heer Bors. Ach, wat zal die

ongelukkig zijn, wanneer hij verneemt, wie het is, dien hij gewond

heeft! Maar nu ter zake. Hoe ter wereld zullen wij ontdekken, waar

Lanceloet zich schuil houdt en wie zal den koning mededeelen, dat hij

het was, die in den strijd zich zoo schitterend heeft onderscheiden?"

Toen klonk het kalm en vastbesloten uit Elaine's mond: "Dat zal ik u

zeggen. Gij, Heer ridder, keert terug naar het hof van koning Arthur

en meldt hem, wat gij hier gehoord hebt. Intusschen zal ik mij op weg

begeven om hem te zoeken, indien mijn vader zulks goedkeurt. Verbied

het mij niet," ging zij onstuimig voort, toen zij zag, dat graaf

Bernard eenige tegenwerpingen wilde maken, "ik bid u, vadertje,

sta mij toe om te gaan. Alles kan ik dragen, behalve deze martelende

onzekerheid omtrent zijn lot." De oude graaf zag zijne dochter diep

ontroerd in de oogen, toen haalde hij gelaten de schouders op en zeide:

"Ga dan, mijn kind, God behoede u op uw zwaren tocht!"

_Hoe Elaine haar held ging zoeken en hoe zij Lanceloet verpleegde

tot hij geheel hersteld was._ Den volgenden morgen vroeg zette

Walewein zijne reis naar Londen voort en kwam nog dienzelfden

avond in het koninklijk paleis aan. Daar vertelde hij zijn vorst

op welke vreemde wijze hij het geheim van den ridder met de roode

mouw ontdekt had. Toen Arthur hoorde, dat de vreemdeling niemand

anders was geweest dan Lanceloet, toonde hij zich blij verrast, al

werd zijne bezorgheid voor het leven van den dapperen held er des te

grooter om. Met groote belangstelling luisterde hij naar Walewein's

beschrijving van zijne ontvangst op het kasteel Astolat en toen deze

hem vertelde, dat de roode mouw een geschenk was van het bekoorlijke

dochtertje van graaf Bernard, gleed er een glans van genoegen over 's

konings gelaat, terwijl hij opmerkte: "Dat is inderdaad goede tijding,

die gij brengt. Reeds lang was het mijn wensch, dat ook Lanceloet het

geluk der liefde zou leeren kennen. Ondanks al zijn roem en aanzien,

lijdt hij een eenzaam leven en allen, die hem liefhebben, zouden er

zich hartelijk in verheugen, wanneer hij op zijne beurt eene bruid

aan het hof bracht!"

Allen, die hem liefhebben--echter niet koningin Ginevra. Uiterlijk

bedaard en kalm, maar inwendig bevend van woede en schaamte

over Lanceloet's trouweloosheid, had zij naar Walewein's woorden

geluisterd. Vlammen van hartstocht en nijd zetten haar in gloed en

met gebalde vuisten zwoer zij in stilte een duren eed van wraak op

de vrouw, die haar het hart van haar minnaar ontstolen had.

Bij Heer Bors daarentegen, die, zonder het te willen, Lanceloet had

gewond, wekte het verhaal van Walewein een gevoel van diep leedwezen

op. Weliswaar had hij zich niets te verwijten, daar Lanceloet zelf

door zijne vermomming tot deze vergissing aanleiding had gegeven, maar

toch smartte het hem diep, dat hij aldus oorzaak was geweest van het

lijden, wellicht den dood van een zijner beste vrienden. Zijn besluit

was spoedig genomen; na den koning daartoe verlof te hebben gevraagd,

begaf hij zich onverwijld naar Camelot om zijn vriend te zoeken.

Laat ons zien, hoe het intusschen met onzen held gesteld was.

Denzelfden dag, dat Walewein van het kasteel Astolat vertrokken was,

had ook Elaine zich op reis begeven.

Zij koos den kortsten weg naar Camelot, waar zij haar intrek nam bij

een haar bevriend gezin. Zonder haar gastheer en gastvrouw in kennis te

stellen met het doel harer reis, dwaalde zij den ganschen dag in den

omtrek van de stad rond. Zij had de stellige overtuiging, dat hij,

dien zij zocht, zich niet ver van de plaats zijner verwonding zou

bevinden. En ziet--haar verwachting werd niet beschaamd. Na verloop

van eenige dagen ontdekte zij op één harer ronddwalingen plotseling

de gestalte van haar broeder Lavaine, die op eene weide, even buiten

de stadsmuren, bezig was zijn paard af te rijden.

Welk een vreugdevol weerzien was dat voor hen beiden! Lavaine geraakte

niet uitgepraat over den moed van zijn nieuwen vriend en Elaine

luisterde met gretige aandacht naar zijne opgewonden verhalen. Toen

kwam haar beurt om te spreken en zonder omwegen vertelde zij haar

broeder, met welk doel zij naar Camelot was gekomen. Op haar angstig

vragen, hoe de gewonde het maakte, antwoordde Lavaine, dat hij volgens

het zeggen van den vromen kluizenaar, die hem verpleegde, thans buiten

gevaar verkeerde, maar dat het nog geruimen tijd zou duren, alvorens

er van een algeheel herstel sprake kon zijn. Toen Elaine hem vroeg,

haar naar hunne verblijfplaats te geleiden, voerde hij haar langs een

dicht begroeid boschpad naar de woning des kluizenaars en weinige

oogenblikken later stond het jonge meisje aan het leger van hem,

dien zij liefhad.

Er was niet veel overreding toe noodig om den vromen vader te bewegen,

zijne plaats naast het ziekbed aan haar af te staan. Hij was geheel

uitgeput door de zware, lange verpleging en nu het gevaar toch geweken

was, gaf hij zijne taak volgaarne aan andere handen over.

Van dat oogenblik af waakte Elaine elken dag aan Lanceloet's

sponde. Iederen morgen in de vroegte sloop zij door de stille straten

van Camelot naar het bosch, iederen avond kwam zij als eene bleeke

schim tusschen de zwarte schaduwen van het woud te voorschijn glijden

om zich weer naar hare woning te begeven. Den loodzwaren last van hare

vermoeidheid voelde zij allengs niet meer; haar tenger lichaam werd met

den dag magerder, hare oogen straalden onnatuurlijk groot in het smalle

gelaat, maar toch hield zij vol en onder hare teedere zorgen herstelde

Lanceloet langzaam maar zeker van zijne zware verwondingen. De eerste

weken herkende hij haar nauwelijks en verkeerde hij meestentijds in een

toestand van verdooving, maar langzamerhand herwon hij zijn bewustzijn

en toonde weer eenige belangstelling voor de menschen en dingen om hem

heen. Zoo moest Elaine hem vertellen, wie haar zijn naam had verraden,

maar toen zij hem over het bezoek van Walewein sprak en hem zeide,

hoe deze terstond naar het hof was gereisd om daar het geheim van zijne

vermomming op te lossen, gleed er een donkere schaduw over het gelaat

van den zieke en scheen zijne belangstelling plotseling gedoofd. Dien

nacht en vele volgende nachten en dagen schilderde hij zich in zijne

door koorts verhitte verbeelding de ontvangst af, welke Walewein's

bericht, aan het hof ten deel zou zijn gevallen. Vóór alles echter

stelde hij zich de verbazing en ergernis van koningin Ginevra voor,

toen zij vernomen had, onder welke omstandigheden hij aan het tournooi

had deelgenomen. Zou haar liefde sterk genoeg zijn om den schok van de

ontdekking dezer schijnbare ontrouw te doorstaan? Dit was de vraag,

waarmede hij zich afpijnigde en die hem geen rust liet. Elaine zag

wel, dat er iets was, dat hem bezwaarde, daarom verdubbelde zij hare

teedere zorgen, maar tevergeefs! de zieke bleef moe en lusteloos.

Op zekeren dag echter gebeurde er iets, dat Lanceloet uit zijne

stemming van gedruktheid opwekte. Lavaine, die naar Camelot was

gereden om aldaar eenige inkoopen te doen, keerde terug in gezelschap

van Heer Bors! De laatste had reeds eenigen tijd in den omtrek der

stad rondgezworven, in de hoop eenig bericht omtrent Lanceloet in te

winnen. Reeds wanhoopte hij er aan iets aangaande hem te vernemen,

toen hij plotseling dien middag Lavaine was tegengekomen, wiens

voorkomen hij zich meende te herinneren. Hij had niet gerust, alvorens

de jongeling beloofd had, hem naar Lanceloet te zullen brengen en zoo

knielde hij dan spoedig daarna aan het leger van zijn zieken vriend en

gaf zijn hart lucht in een vloed van berouwvolle woorden. Lanceloet

weigerde echter zijne betuigingen van spijt te aanvaarden. Hij zelf,

zoo beweerde hij, was immers de oorzaak van zijn ongeval. Door zijne

vrienden in den waan te brengen, dat hij een vreemdeling was, had

hij zich aan hunne aanvallen blootgesteld en hij zou de laatste

zijn, hun daarvan een verwijt te maken. Om de aandacht van Heer

Bors van zijn eigen persoon af te leiden, ondervroeg hij hem naar

de gebeurtenissen aan het hof en vernam zoodoende, dat de koning een

nieuw tournooi had uitgeschreven, hetwelk gehouden zou worden op het

feest van Allerheiligen.

Het scheen, of dit bericht onzen held nieuw leven schonk; terstond

gaf hij den wensch te kennen om zoo mogelijk aan dit steekspel

deel te nemen en weldra was hij met Bors en Lavaine in geestdriftige

besprekingen verdiept aangaande de kansen der ridders, die zich volgens

Bors reeds beschikbaar hadden gesteld. Van dien dag af aan nam zijne

beterschap met rassche schreden toe en weldra was het oogenblik

gekomen, waarop hij voor 't eerst zijne krachten zou beproeven. In

volle wapenrusting steeg hij te paard en liet het dier allerlei

sprongen maken om zijne eigen krachten op de proef te stellen. Maar

helaas! hij waagde teveel; door de ongewone inspanning ging zijne

nauwelijks geheelde wonde weer open en begon hevig te bloeden. In zijn

ijver bemerkte hij niet, wat er geschied was, tot hij plotseling door

eene duizeling overvallen werd en bewusteloos van zijn paard stortte.

Hevig ontsteld snelden Elaine en de kluizenaar op het hooren van

den slag toe, en overlaadden Bors en Lavaine, die beteuterd stonden

toe te zien, met de hevigste verwijten, dat zij hun vriend niet van

eene dergelijke roekeloosheid hadden teruggehouden. Toen Lanceloet

weer uit zijne bezwijming ontwaakt was en opnieuw op zijn rustbed lag

uitgestrekt, ried de wijze heremiet hem aan om voorloopig van deelname

aan het tournooi af te zien en Heer Bors alleen te laten vertrekken. Na

eenig aarzelen gaf onze held toe en spoedig daarop nam de brave Bors

afscheid en keerde terug naar het hof, waar hij zijn vorst uitvoerig

verslag uitbracht van de omstandigheden, waaronder hij zijn vriend

had aangetroffen. Hoezeer het koning Arthur ook speet zijn geliefden

ridder voorloopig niet te zullen zien, toch verheugde hij zich over

het feit, dat hij althans in leven was en zich in goede handen bevond.

Koningin Ginevra luisterde met kalm en onbewogen gelaat naar het

verhaal van Heer Bors. Tusschen de wijde plooien van haar kleed

krampten zich hare handen in woede samen, toen zij hem in geestdriftige

bewoordingen het aanvallige wezen en de liefderijke zorgen van Elaine

hoorde prijzen, maar zij zeide niets. Even werd haar hart geroerd,

toen zij vernam, hoe Lanceloet al zijne krachten had ingespannen

om op het tournooi van Allerheiligen tegenwoordig te kunnen zijn,

maar de booze stem der achterdocht fluisterde haar toe, dat hij zulks

alleen gedaan had om opnieuw met het geschenk zijner nieuwe geliefde

op den helm in het perk te kunnen treden. Gehoor gevend aan die stem

verbande zij alle zachtere gevoelens uit haar hart en verleende de

kwade machten van wrok en bitterheid daarin vrijen toegang.

Het steekspel, dat op Allerheiligen te Londen gehouden werd, behoefde,

ondanks het minder gunstige jaargetijde, in pracht en praal niet onder

te doen voor het tournooi van Maria Hemelvaart. Onder de vele koene

ridders, die eraan deelnamen, onderscheidden zich bovenal Heer Walewein

en Heer Bors door hunne schier ongeloofelijke stoutmoedigheid. Zoodra

de feestelijkheden, aan het steekspel verbonden, afgeloopen waren,

spoedde Bors zich naar de verblijfplaats van Lanceloet om zijn vriend

verslag uit te brengen over het gebeurde. Deze was thans geheel

hersteld en verlangde er vurig naar om in het gewone leven terug te

keeren. Het duurde dan ook niet lang, of de dag van zijn vertrek werd

bepaald. Na een dankbaar afscheid van den goeden kluizenaar te hebben

genomen, aanvaardde het viertal de reis naar Astolat, waar Heer Bernard

zijne kinderen en de beide ridders met vreugde welkom heette. Maar

ook hier wenschte Lanceloet niet lang te vertoeven; hij snakte terug

naar de omgeving van het hof, naar zijne vrienden en kennissen, zijne

dagelijksche plichten en bezigheden en bovenal--naar de koningin! Vóór

alle dingen wenschte hij zich tegenover haar te rechtvaardigen; uit

de verhalen van Bors had hij maar al te goed begrepen, dat Ginevra

vertoornd op hem was en de gedachte van in hare oogen een onwaardige

te schijnen, was hem ondragelijk.

In zijne haast om weg te komen had hij weinig acht geslagen op zijne

omgeving en dus niet bemerkt, hoe Elaine met den dag stiller en bleeker

werd. Haar vader en hare broeders bemerkten wel de verandering, die

over haar gekomen was, maar schreven die toe aan de vermoeienis en

inspanning der laatste weken.

Indien Heer Bernard al een ander vermoeden omtrent de oorzaak van

haar lijdend uitzien koesterde, zoo verborg hij dit in 't diepst van

zijn hart en waagde het niet, er over te spreken.

_Hoe Elaine, tot wanhoop gedreven, Lanceloet hare liefde bekende._ De

dag van Lanceloet's vertrek was aangebroken, een van die wonderschoone,

late herfstdagen, die het den mensch zoo moeilijk maken, zich met de

gedachte aan den scheidenden zomer te verzoenen. Vroeg in den morgen

was Lanceloet, dien de opwinding over het naderend wederzien met

zijne geliefde reeds vroeg uit den slaap had gewekt, den rozentuin

ingedwaald, welke ter zijde van het kasteel was gelegen. Hier hadden

tijdens zijn eerste bezoek aan het slot de rozen gegeurd en gebloeid,

thans waren de struiken kaal, slechts een enkel knopje stak bedeesd

tusschen de takken omhoog, maar verder was het met groeien en bloeien

gedaan. Het stervende jaargetijde had zijn stempel gedrukt ook op

dit plekje grond; dorre bladeren lagen overal verspreid en blauwige

nevelsluiers hingen tusschen de boomen. Lanceloet liep peinzend

tusschen de ontbladerde rozenstruiken op en neer. Een gansche zomer

was dus voorbijgegaan, sinds hij zich hier had gereed gemaakt om

aan het tournooi van Camelot deel te nemen. Een ganschen zomer met

zijne reeks van zonnige dagen en lauwe sterrennachten had hij in

ballingschap doorgebracht, ver van het hof en zijne vrienden, ver van

zijne geliefde! Zijne gedachten vlogen terug naar vorige zomers en zóó

zeer raakte hij in zijne herinneringen verdiept, dat hij niet bemerkte,

hoe iemand met lichten tred het pad kwam oploopen, waar hij zich

bevond. Eerst toen eene hand zich schuchter op zijn arm legde, schrikte

hij op uit zijne overpeinzingen. Zich haastig omkeerend, bemerkte hij

Elaine, die vóór hem stond en hem recht in de oogen zag met een blik,

zóó innig droevig en smeekend, dat hij er van ontstelde. Hij wilde

iets zeggen, om de pijnlijke stilte te verbreken, maar tegen hare

gewoonte in, was het meisje hem vóór en begon op smartelijken toon:

"Het is dus waar, dat gij ons verlaten wilt, om naar het hof terug

te keeren! Ik heb steeds gehoopt en gebeden, dat het niet waar mocht

zijn en dat gij nog op uw besluit zoudt terugkomen of althans niet

van hier zoudt gaan, vóór gij door een enkel woord de onrust uit mijn

hart verdreven hadt. Nu echter het oogenblik van scheiden is gekomen,

zonder dat gij dit woord hebt gesproken, moet ik zelve spreken. Daarom

smeek ik u, neem mij met u mede naar Londen, naar Camelot, waarheen

gij maar wilt, doch laat mij niet alleen hier achter om van verlangen

naar u te sterven. Hebt gij het dan niet begrepen, in al die dagen,

in al die lange weken, dat ik aan uw ziekbed zat om te trachten u in

het leven te houden? Kondt gij dan niet voelen, hoe ik u liefheb met

eene liefde, die geene grenzen kent, en moet ik het u met eigen mond

zeggen? Welnu dan, luister! Ik bemin u, u en geen ander en wanneer

gij mij geene wederliefde schenken kunt, moet ik sterven!"

Herhaalde malen had Lanceloet gepoogd den stroom van hare woorden

te stuiten, maar zij luisterde niet naar wat hij zeide. Hare stem,

aanvankelijk zacht en bevend, werd sterker naarmate zij voortging

met spreken en bij de bekentenis harer liefde klonk zij vast en helder.

Toen zij zweeg en ook Lanceloet, ten prooi aan zijne aandoeningen, niet

bij machte was te spreken, heerschte er een oogenblik volmaakte stilte,

daarna was het met Elaine's zelfbeheersching gedaan; zij verborg

het hoofd in hare beide handen en barstte uit in een hartstochtelijk

weenen. Hare tranen gaven Lanceloet zijne kalmte terug.

Liefderijk legde hij zijne hand op het gebogen hoofd van het meisje en

sprak bedarend: "Ween niet, Elaine. Ik ben diep geroerd door wat gij

mij hebt toevertrouwd en ik smeek u, mij te gelooven, als ik u zeg,

dat ik op uwe bekentenis in 't geheel niet was voorbereid. Nooit heb ik

kunnen vermoeden dat gij dergelijke gevoelens voor mij koesterdet. Wees

er echter van overtuigd, dat ik de eer, die ge mij toekent, niet

waardig ben, trouwens," zoo ging hij haastig voort, daar hij zag,

dat zij hem heftig in de rede wilde vallen, "zelfs al ware dit zoo,

dan nog zou ik niet op uwe woorden mogen ingaan. Ik zal nooit, versta

mij wel, nooit een huwelijk aangaan!"

"Dat vraag ik ook niet," viel Elaine hartstochtelijk in, "zoo ik

slechts bij u mag zijn, zoo ge mij slechts mee wilt nemen en mij toe

wilt staan u lief te hebben, u in de oogen te zien en u te dienen

als eene nederige dienstmaagd. Meer vraag ik niet, meer zou ik niet

durven vragen!"

Tot in 't diepst van zijne ziel getroffen, nam Lanceloet hare

bevende handjes in de zijne en sprak ernstig: "Dat kan en mag ik

niet toestaan, Elaine! Ware het niet, dat de eerbied, dien ik voor u

koester, mij ervan terughield, dan nog zou ik moeten bedenken, op welk

eene schandelijke wijze ik daardoor de gastvrijheid en vriendschap,

mij door uw vader bewezen, zou beloonen. Maar luister naar mij, die

zooveel ouder ben dan gij! Ge zijt jong en schoon; eens zult gij de

liefde leeren kennen in al haar rijkdom en volheid. Niet een man als

ik, die bijkans uw vader kan zijn in jaren, maar een jongeling van

gelijken leeftijd en aanleg als gij zal uw hart weten te veroveren. Hij

zal u vereeren en liefhebben; hij zal u dienen als zijne vorstin en

door hem zult gij het ware geluk vinden. Wat mijzelve betreft, ik wil

steeds uw trouwe dienaar blijven en u met raad en daad bijstaan, waar

en wanneer ik kan. Nooit zal ik u kunnen vergelden, wat gij voor mij

gedaan hebt, maar ik zal uwe liefderijke zorgen nimmer vergeten. Mocht

het toeval willen, dat de uitverkorene uws harten niet rijk is aan

geld en goed, zoo wil ik hem eene jaarlijksche uitkeering schenken

om hem in staat te stellen, met u te leven, zooals dit aan uw rang

en stand past. Geloof mij en wees niet bedroefd, wanneer ik u zeg,

dat gij mij eens dankbaar zult zijn voor mijne woorden, al mogen zij

u thans wreed en ongevoelig toeschijnen!"

Elaine sprak geen woord; zij zag Lanceloet slechts aan met groote,

droeve oogen en bij het zien van dien smartelijken blik werd het den

ridder bang om het hart. Toch mocht hij niet anders handelen. Met

een paar vriendelijke afscheidswoorden verliet hij den rozentuin en

begaf zich met haastige schreden naar zijne vertrekken. Hij wenschte

niets liever dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken om te ontsnappen

aan dien smeekenden blik, die hem met bange voorgevoelens vervulde.

Elaine staarde hem na, tot hij in het slot verdwenen was, toen eerst

drong het besef van wat er gebeurd was tot haar door. Zij had Lanceloet

hare liefde bekend en hij had geweigerd die aan te nemen. Hare arme,

moede hersenen pijnigden zich tevergeefs af om eene oplossing voor

zijn gedrag vinden. Had hij haar dan niet gezegd dat zij schoon

was? Had hij haar geschenk niet op zijn helm gedragen, hij, die dit

nog nooit voor eenige vrouw ter wereld gedaan had? En toch had hij

haar niet lief? Maar waarom had hij haar dan aangezien met dien

eigenaardigen blik in zijne donkere oogen? Waarom had zijne stem

zachter en vriendelijker geklonken, telkens, wanneer hij het woord

tot haar richtte? Of--had zij zich dit alles slechts verbeeld? De

gedachte aan die mogelijkheid deed haar de oogen sluiten; eene

plotselinge duizeling overviel haar--angstig strekte zij de handen

om steun zoekend voor zich uit en viel bewusteloos neer. Toen hare

oude voedster eenigen tijd daarna in den tuin kwam om haar voor den

ochtendmaaltijd in huis te roepen, vond zij hare lieveling tusschen

de kale rozenstruiken op den grond liggen, met doodsbleek gelaat en

gesloten oogen. Eerst na langen tijd gelukte het de trouwe dienares

haar uit hare diepe bezwijming te doen ontwaken.

Eenige uren later verliet Lanceloet in gezelschap van Lavaine,

die verlof had gevraagd hem naar het hof te mogen vergezellen,

het kasteel om de terugreis naar Londen te aanvaarden. Bij zijne

aankomst in het paleis werd hij door den koning en het gansche

hof met uitbundig vreugdebetoon begroet, alleen de koningin was

koud en strak en verwaardigde hem na de eerste begroeting met

geen blik. Hoezeer Lanceloet leed onder haar grievende houding,

laat zich niet gemakkelijk beschrijven. Hij poogde tevergeefs een

onderhoud met haar te verkrijgen; steeds wist zij dat op behendige

wijze te ontwijken. Eindelijk riep onze held zijn trots te hulp

om hem over de kwelling van deze onrechtvaardige behandeling heen

te helpen. Hij had zich in geen enkel opzicht iets te verwijten;

de schijn was weliswaar tegen hem, maar wat beteekende Ginevra's

liefde, als zij zich daardoor zoodanig liet beïnvloeden, dat zij hem

zelfs geene gelegenheid wilde schenken zich te rechtvaardigen? Liefde

zonder wederzijdsch vertrouwen was immers geene liefde? Hoe dikwijls

had Ginevra het trouwens al moeten ondervinden, dat haar wantrouwen

ongegrond was, het was immers niet de eerste maal, dat zij zich door

hare achterdocht had laten meesleepen!

Van nu af aan ging Lanceloet rustig zijn eigen weg en vermeed het

bijzijn der koningin zooveel hij kon; hij was overtuigd, dat de loop

der gebeurtenissen hem tegenover haar in het gelijk zou stellen.

_Van Elaine's dood en hoe zij in een bootje werd gelegd, dat haar naar

het paleis des konings bracht._ In het kasteel Astolat, in haar eenzaam

torenkamertje lag Elaine weg te kwijnen. Wat zij tot Lanceloet gezegd

had en wat deze had opgevat als eene uiting van jeugdige wanhoop,

bleek maar al te waar: zonder hem kon zij niet leven. Haar gestel,

dat door de zware verpleging en de lange tochten van en naar het woud

geheel was uitgeput, kon dezen schok niet verdragen en zij had het

gevoeld, zoodra men haar in haar eigen kamertje had neergelegd--zij

moest sterven.

Uren lang lag zij onbeweeglijk te staren naar de kale, ontbladerde

takken voor haar venster, die door den guren herfstwind heen en

weer bewogen werden. Spreken deed zij bijna niet en de opbeurende

woorden van haar vader en broeder beantwoordde zij slechts met een

matten glimlach.

Toen zij eene week zoo gelegen had, voelde zij haar einde naderen en

riep haar vader en Torre bij zich om hun hare laatste beschikkingen

mede te deelen. Zij smeekte Heer Bernard hare wenschen in deze

getrouwelijk op te volgen en toen hij dit beloofd had, beval

zij Torre om pen en papier ter hand te nemen en op te schrijven,

wat zij hem zeide. Langzaam, woord voor woord droeg zij hem op,

wat hij schrijven moest en toen de brief gereed was, slaakte zij

een zucht van verlichting en sprak tot Heer Bernard: "Vader, hoor

thans naar mijn verzoek, en bedenk, dat ge mij beloofd hebt dit te

zullen eerbiedigen. Ik heb niet lang meer te leven, dat weten wij

allen. Ween niet daarover, het is beter zoo, ik ga in vollen vrede

mijn einde tegemoet. Wanneer ik dan gestorven zal zijn, zoo verzoek

ik u, mij dezen brief in de hand te geven, vóór deze verstijfd zal

zijn. Vervolgens vraag ik u mijn lichaam naar de rivier te dragen en

het aldaar in eene boot neder te leggen. Laat dit vaartuig dan, met

een vertrouwd dienaar als stuurman aan boord, den stroom afdrijven

tot het bij het koninklijk paleis te Londen aankomt. Hoe vaak heb ik

niet, wanneer wij als kinderen op de rivier aan het roeien waren,

mijne broeders gesmeekt daarheen te mogen gaan, ten einde de fraai

gekleede edelvrouwen en ridders te kunnen bewonderen, van wie men

mij zooveel verteld had. Welnu dan, thans, nu ik hun eene boodschap

te brengen heb, zal mijn wensch vervuld worden en eerst wanneer men

aldaar mijn schrijven gelezen heeft, zal mijne ziel rust en vrede

vinden. Daarom handel naar mijn wensch, wat ik u bidden mag!"

Weenend van smart beloofde Heer Bernard zijn stervend kind in alles

hare wenschen te eerbiedigen, doch bezwoer haar, niet aan sterven

te denken, maar uit te zien naar eene beterschap, die zeker niet

lang op zich zou laten wachten. Elaine echter glimlachte droevig en

schudde het hoofd, zij wist maar al te goed, hoe ijdel dergelijke

verwachtingen waren.

Twee dagen later, op een fraaien herfstmorgen, stierf zij in de armen

van haar vader, het moede hoofdje tegen hem aangeleund.

Groote rouw en droefenis heerschten in het kasteel van Astolat. Als

een beeld van stomme wanhoop zaten de graaf en zijn oudste zoon dien

geheelen dag bij het lijk van haar, die eens--het leek hun nu zoo

lang geleden!--de vreugde van hun huis geweest was en die daar nu

zoo stil en vredig lag, met een glimlach om de lippen, als ware de

gedachte aan den naderenden dood haar aangenaam geweest.

Den volgenden morgen kleedde hare oude voedster onder snikken en

tranen Elaine's tengere lichaam in een kostbaar gewaad van witte

zijde en vlijde hare blonde haren als een wijden mantel om haar

heen. Zoo legde men haar op eene baar en droeg haar door de velden

naar de rivier. Daar lag een vaartuig aan den steiger, bedekt met een

kleed van zwart fluweel. Aan het stuur zat een der oudste dienaren

van het kasteel; hij was stom, de arme man, maar zijne knippende

oogen en bevende mond getuigden, beter dan woorden vermochten, van

zijne diepe smart. Behoedzaam legden de graaf en zijn zoon het doode

lichaam van Elaine in de boot en bedekten haar tot het middel met een

dekkleed van goudbrokaat. Met de ééne hand omvatte zij den brief, in

de andere hield zij eene lelie. Zoo zagen ze haar voor het laatst: met

een vredigen glimlach op het gelaat, in haar mantel van blonde haren.

Op een teeken van Heer Bernard bracht de oude dienaar het vaartuig

in beweging, dat langzaam met den stroom mee de rivier afdreef.

In den namiddag kwamen de trotsche torens van het paleis van

Westminster in het gezicht. De tuinen langs de rivier waren echter

verlaten en het duurde geruimen tijd, alvorens het vreemde vaartuig

iemands aandacht trok. Hij, die het ten slotte bemerkte, was koning

Arthur zelve, die zich met zijne gemalin in een vertrek bevond, dat

uitzicht had op de Theems. Onder het praten had hij zich naar het

venster begeven en tuurde naar buiten in de vallende schemering. Daar

bemerkte hij, hoe langs den oever van het park een bootje dreef,

waarover een kleed lag gespreid, hetwelk met lange slippen in het

water afhing. In het bootje lag iets, maar wat dit was, kon de vorst

niet nader onderscheiden. Terstond gaf hij eenigen ridders bevel het

vaartuig aan te houden en de zaak nader te onderzoeken. Na korten tijd

keerden zij terug, blijkbaar zeer onder den indruk van hetgeen zij

gezien hadden. In het vaartuig, zoo meldden zij hun vorst, lag eene

doode jonkvrouw, zóó schoon en bevallig, dat zij bijna een wezen uit

eene hoogere wereld geleek. Niemand wist, vanwaar zij gekomen was,

en de man aan het roer scheen stom te zijn, althans, hij gaf geen

antwoord op wat men hem vroeg.

Nu begaven zich de koning en koningin, gevolgd door eene schaar

nieuwsgierigen, naar den landingssteiger, en staarden diep ontroerd

naar het vaartuig met zijn droeven last. Plotseling maakte koningin

Ginevra haar gemaal opmerkzaam op den brief, welken de jonkvrouw in

de hand hield. Voorzichtig maakte men hem los en bracht het schrijven

naar den koning, die het opende en las:

"Edele Heer Lanceloet! Ik, die men de schoone maagd van Astolat

placht te noemen, ben herwaarts gekomen om u voor 't laatst vaarwel te

zeggen. Ik had u lief, maar mijne liefde werd door u niet beantwoord

en is daardoor mijn dood geworden. Gij vrouwen en meisjes, die dit

hoort, weent om mij en bidt voor mijne ziel en ook gij, Heer Lanceloet,

bid voor mij, dit is mijn laatste verzoek. God behoede u!"

Ten zeerste geschokt door het droevige tooneel hadden de ridders

en edelvrouwen toegeluisterd; toen de koning ophield met lezen,

heerschte er eene doodsche stilte, die plotseling verbroken werd door

een fluisterend gemompel van: "Lanceloet! Daar komt hij zelve!"

Inderdaad kwam onze held, gevolgd door Lavaine, naderbij getreden om

de oorzaak van de ongewone drukte aan den steiger te vernemen. Toen

Lanceloet de gestalte van Elaine in de boot ontdekte, deinsde hij

een oogenblik achteruit, terwijl schrik en ontsteltenis zich op zijn

gelaat afspiegelden. Aller blikken waren op hem gevestigd, maar hij

herstelde zich spoedig en wendde zich tot den koning om van hem eene

nadere verklaring van dit vreemde schouwspel te vernemen. Daarop

reikte Koning Arthur hem den brief.

Toen Lanceloet dien gelezen had, werd hij zeer bleek en staarde eene

wijle zwijgend en met een blik vol innig medelijden, naar het gelaat

van haar, wier ondergang hij geweest was. Daarna wendde hij zich tot

de aanwezigen en sprak: "Sire! en gij allen, die hier tegenwoordig

zijt--ik verklaar u op mijn woord van edelman, dat ik niet bij machte

ben geweest om deze noodlottige gebeurtenis te verhinderen. Niemand kan

meer getroffen zijn door den dood van dit jonge, schoone kind, dan ik,

die er de oorzaak van ben geweest. Zij was rein en goed en beminde mij

met eene liefde, zooals men die maar zelden ziet. Maar--de gevoelens

des harten laten zich niet dwingen, vooral niet wanneer men, zooals ik,

zijne eerste jeugd achter zich heeft. Ik roep echter haar broeder Heer

Lavaine tot getuige, dat ik nooit aanleiding heb gegeven haar te doen

vermoeden, dat ik haar liefde beantwoordde. Meer kan ik niet zeggen!"

Koning Arthur reikte zijn vriend de hand en sprak met bewogen stem:

"Wij allen kennen en vertrouwen u. Ware liefde kan niet afgedwongen

worden, maar moet als eene natuurlijke bron uit het hart omhoog

wellen. Laat ons haar, die daar ligt, naar binnen dragen en laat ons

trachten haar eene passende begrafenis te geven; het is het eenige,

dat wij doen kunnen!"

Zoo geschiedde het. Lanceloet zelve droeg in zijne sterke armen het

doode lichaam de trappen op naar het paleis en legde het op een zacht

rustbed neer.

Eenige dagen later had de teraardebestelling plaats. In eene lange

rij volgden de ridders der Tafel Ronde, met koning Arthur aan het

hoofd, de rijk versierde baar, na afloop van de plechtige lijkmis

in de kathedraal. Als eene koningin werd zij begraven, Elaine,

die den edelsten onder de ridders had liefgehad en voor hare liefde

was gestorven. Toen men haar neergelegd had tusschen de stoffelijke

overblijfselen van lang gestorven vorsten en vorstinnen, beval koning

Arthur dat in den grafsteen hare gestalte uitgebeiteld zou worden,

zooals zij in haar bootje was komen aandrijven, en dat het schild

van Lanceloet aan hare voeten zou worden geplaatst. Dit gebeurde

en rond haar graf schreef men in letters van goud en azuur hare

droeve geschiedenis, opdat allen, die er voorbij kwamen, het lezen

konden. Toen de stoet van de kathedraal naar het paleis teruggekeerd

was, nam de koningin Lanceloet ter zijde en smeekte hem om vergiffenis

voor haar gebrek aan vertrouwen.

Somber zag onze held haar aan, toen hij antwoordde: "Hoe kan ik

anders doen dan u vergeven? Ben ik niet met onverbreekbare banden aan

u verbonden? Maar onthoud dit: afgunst en wantrouwen zijn een vloek

voor de ware liefde!"

Dien avond zat Lanceloet alleen aan den oever der rivier en peinsde

over hetgeen er gebeurd was. Alles, wat hem door de liefde van

Elaine deelachtig had kunnen worden, werd hem in verleidelijk schoone

visioenen voor den geest gebracht. Een eigen thuis--de liefde eener

vrouw--een krachtig kroost van schoone dochters en wakkere zonen, dit

alles had zijn deel kunnen worden. Wat had hij nu? Huiverend zag hij

om zich heen. Alleen, was hij, altijd alleen, met het bewustzijn eener

zondige liefde, een bewustzijn, dat hem kwelde en vervolgde tot zelfs

in de oogenblikken van het innigst samenzijn met de geliefde. Moest

hij, voor zulk een samenzijn niet zijn vorst, dien hij vereerde en

liefhad, op laaghartige wijze bedriegen? Hoe kon hij nog eenig genot

daarvan verwachten? Hij, de eerste onder zijne tijdgenooten, beroemd

en gevierd als geen ander, was armer dan de minste onder Arthur's

hovelingen, die tegen den avond, als zijne dagtaak was afgeloopen,

in zijne eigen woning terugkeerde, waar hij met vreugde en liefde

begroet werd.

Zoo bleef onze held langen tijd in somber gepeins verzonken en toen

hij eindelijk naar het kasteel terugkeerde, waren zijne oogen vochtig.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 24 / 56 题