De voorname plaats, welke Lanceloet bekleedt onder de ridders van
koning Arthur, alsook zijne verhouding tot koningin Ginevra, maken
het wenschelijk, dat wij in deze inleiding een weinig dieper ingaan
op de geschiedenis van dien held, dan, strikt genomen, voor een juist
begrip van onderstaande legende noodzakelijk is.
De figuur van Lanceloet, die zulk eene belangrijke rol zou vervullen
in den Arthur-cyclus, doet haar intrede gedurende het tweede, Fransche
tijdperk der Arthur-sagen.
In de oude verhalen van Wales en in het bekende Middel-Engelsche
gedicht "Brut" van Layamon, wordt Lanceloet's naam niet genoemd;
het eerst lezen wij dien in "Erec" van Chrétien de Troies, waar
onze held als derde genoemd wordt onder de ridders van Arthur's
hof. In dit gedicht, alsook in het latere "Cligés", eveneens van
Chrétien's hand, is Lanceloet slechts een naam. Opmerkelijk is het,
dat het laatste gedicht tot onderwerp heeft de liefde van den held,
Cligés, voor de jonge vrouw van zijn oom _en vorst_ en dat, terwijl
wij daarin veelvuldige toespelingen vinden op de sage van Tristan en
Isolde, er toch met geen enkel woord wordt gerept van de verhouding
tusschen Lanceloet en Ginevra! In het volgende gedicht van Chrétien
de Troies, dat getiteld is: "Le Chevalier de la Charrette" [49] staan
wij plotseling voor eene geheel uitgewerkte en in bijzonderheden
vertelde beschrijving van Lanceloet's verhouding tot de schoone
koningin. Deze verhouding, waarover in de vorige gedichten in 't
geheel niet werd gesproken, is thans een voldongen feit en levert
de stof voor eindelooze beschouwingen en bespiegelingen over de
liefde. In het volgende gedicht: "Yvain" vinden wij slechts één
vluchtige vermelding van Lanceloet's naam; in Chrétien's laatste werk:
"Perceval", wordt hij in het geheel niet genoemd.
Hoe nu dit alles te verklaren?
Volgens Jessie Weston, de schrijfster van "The Legend of Sir
Lancelot du Lac", Grimms Library, vol. XIII, is de oorsprong van de
Lanceloet-legende te vinden in een van die vele Bretonsche liederen,
de beroemde "lais bretons", welke de minnezangers van Wales en Bretagne
in de 12e eeuw plachten te zingen in de kasteelen der Normandische en
Fransche edelen en die zooveel hebben bijgedragen tot de verspreiding
der Arthur-sagen. De inhoud van dit lied zou dan geweest zijn de roof
van een koningszoon door eene waterfee. Dit blijkt het eenige gegeven
omtrent onzen held te zijn, dat in al zijne levensbeschrijvingen
voorkomt; onder welke gedaante hij ons vertoond wordt, steeds is en
blijft hij "Lancelot _du Lac_."
Het eerste verslag van zijne lotgevallen vinden wij in een
Middel-Duitsch gedicht: "Lanzelet", dat dagteekent uit de eerste jaren
der 13e eeuw en geschreven werd door Ulrich van Zatzikhoven. Hoewel
het werk van lateren datum is dan Chrétien's gedicht, is de stof, die
daarin verwerkt wordt, van veel ouderen oorsprong en moet het dus ook
als ouder beschouwd worden. Uit den lossen bouw van het gedicht maakt
Jessie Weston op, dat het is samengesteld uit een aantal "_lais_",
die elk op zichzelf een afzonderlijk geheel vormden.
De Fransche dichter was evenwel de eerste, die den naam van den held
in verband heeft gebracht met dien van de schoone, jonge gemalin
van koning Arthur. Zijn "Chevalier de la Charrette" werd geschreven
op bevel en waarschijnlijk volgens aanwijzingen van gravin Marie
de Champagne, die zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld in het
letterkundige leven van haar tijd. Bovengenoemd gedicht is eene
verheerlijking der hoofsche liefde, zooals zij in die dagen werd
gepredikt in de galante kringen van Frankrijk. De held is in blinde
aanbidding verzonken voor zijne geliefde, die door hare grillen en
luimen de standvastigheid zijner gevoelens op de proef tracht te
stellen. De bewondering voor zulk eene onnatuurlijke verhouding was
het gevolg van de over-beschaving uit die dagen en de overdreven
verheerlijking der vrouw was eene verklaarbare reactie op de
geringschatting, waarmede men in de voorafgaande eeuwen op haar
nederzag. Ons echter, die dergelijke toestanden ontgroeid zijn,
treft bovenal het gekunstelde van zulke verhoudingen en daarom kan
ons Chrétien's gedicht, waarin deze gevoelens op de spits worden
gedreven, niet werkelijk ontroeren. Hoe geheel anders worden wij
getroffen door de sage van Tristan en Isolde, ongeveer in denzelfden
tijd ontstaan, maar waarin, dat voelen wij terstond, van werkelijke
liefde en hartstocht sprake is.
De Lanceloet-sage komt tot voltooiing in den Franschen prozaroman:
"Lancelot", waar de geschiedenis van den held in verband wordt gebracht
met de Graal-sage. [50]
Het handschrift van "Lancelot" dagteekent uit de 14e eeuw, maar
Dr. Jonckbloet, de bewerker van den Middel-Nederlandschen "Lanceloet",
de eenige in dichtmaat geschreven vertolking van het Fransche werk,
is van meening, dat de tekst van veel ouderen datum is.
Alvorens over te gaan tot eene nadere beschouwing van den oorsprong
van onderstaande sage, dient hier nog een enkel woord gezegd te worden
over de reeds bovengenoemde verhouding tusschen onzen held en koningin
Ginevra. Reeds in de oudste Arthur-verhalen vinden wij melding van
Ginevra's ontrouw aan haren echtgenoot, maar haar medeschuldige is
hier niet Lanceloet, maar Modred, die volgens sommige schrijvers de
neef, volgens anderen tevens de natuurlijke zoon was van koning Arthur.
In de letterkunde van Wales, waar Lanceloet zelfs niet bij name bekend
was, wordt de volle nadruk gelegd op Ginevra's schuld en betuigen
de schrijvers hunne diepe verontwaardiging over haar gedrag. Geheel
anders is de houding, welke de latere Fransche schrijvers tegenover
haar aannemen. In hunne werken blijft Ginevra's zedelijk karakter
geheel onaangetast door hare verhouding tot Lanceloet en in de "Quête
del St.Graal", een werk van beslist godsdienstige strekking, wordt
haar naam zelfs met eerbied genoemd. Volgens Jessie Weston is de zaak
aldus: de ongunstige voorstelling van Ginevra's persoonlijkheid in
de oude verhalen van Wales wijst op eene vroegere, meer primitieve,
maar gezondere samenleving dan die uit den Franschen riddertijd.
De oorspronkelijke minnaar der koningin was waarschijnlijk Walewein,
welke stelling door vele aanwijzingen in de oudste Keltische
overleveringen gesteund en bevestigd wordt. In latere verhalen
werd echter Modred als minnaar genoemd; het Christelijk-ethische
element, dat zich in de Arthur-sagen begon te ontwikkelen, maakte
het onmogelijk, dat Walewein anders eene eervolle plaats onder de
volgelingen des konings bleef innemen. Hetzelfde bezwaar deed zich
gelden voor Ginevra en wij zien haar dus allengs voorgesteld als
valsch en bedriegelijk.
Een tijd lang nemen de dichters en schrijvers eene streng afkeurende
houding tegenover haar aan, dan volgt er een tijdperk, dat van de
Fransche proza-romans, waarin hare afdwaling van het pad der deugd
wordt vergoelijkt en ten slotte geheel uit het oog verloren. In deze
romans wordt zij, gelijk reeds hierboven werd vermeld, beschreven als
eene deugdzame vrouw, die door sommige schrijvers [51] zelfs wordt
geacht hooger te staan dan haar echtgenoot.
De opvatting van 19e eeuwsche schrijvers, zooals Tennyson is
begrijpelijkerwijze gegrond op overwegingen, welke geheel verschillen
van die uit bovengenoemde tijden. De moderne dichters keuren Ginevra's
verhouding tot Lanceloet af, maar hunne afkeuring is vermengd met
medelijden.
Hoe kwam het nu, dat Lanceloet de plaats ging innemen van den valschen,
listigen Modred? Dit geschiedde om twee redenen: 1º om te voldoen
aan de eischen der hoofsche liefde, 2º om zijne geschiedenis te doen
gelijken op de zeer populair geworden Tristan-sage.
Reeds hebben wij er op gewezen, dat de verhouding tusschen Lanceloet
en Ginevra toch altijd eene gansch andere blijft als die, welke bestaat
tusschen de gelieven van Cornwall. De eerste draagt geheel het stempel
van den tijd, waarin zij ontstond, het is de ware "amour courtois",
die zich uit in slaafsche aanbidding en onderdanig huldebetoon aan de
zijde van den ridder en in hooghartig neerzien en heerschzuchtigen
trots aan de zijde van zijne "_dame_". Eene dergelijke liefde,
die kenschetsend was voor de zeden en gewoonten uit dien tijd, was
voorbestemd om met dien tijd te verdwijnen. De liefde van Tristan en
Isolde daarentegen heeft door de eeuwen heen de menschheid weten te
boeien, omdat zij eene natuurlijke uiting is van het menschelijk hart,
dat door alle tijden heen hetzelfde is gebleven.
Bepalen wij thans onze aandacht tot de sage, welke in de volgende
bladzijden vermeld wordt. Zij verhaalt van de noodlottige liefde, welke
de jonkvrouw van Astolat voor onzen held had opgevat, toen deze op
zijne reis naar het tournooi te Camelot, eenige dagen in haars vaders
kasteel vertoefde. Het verhaal, zooals het hieronder is weergegeven,
is ontleend aan Malory's "Morte D'Arthur", waar het deel uitmaakt van
het achttiende boek. Gelijk ook het geval is met de andere verhalen,
welke wij in Malory's verzameling aantreffen, moeten wij den oorsprong
dezer sage elders zoeken en wel in het eerste deel van den Franschen
prozaroman: "Lancelot". In dit eerste deel schildert de schrijver,
Walter Map, ons het ridderleven in de daartoe geëigende bontheid van
kleuren. De episode van Lanceloet's verblijf op het kasteel Astolat
valt op een tijdstip, waarin onze held reeds geheel onder den ban
verkeert van zijne liefde voor koningin Ginevra.
Behalve in Thomas Malory's werk vinden wij in de Middel-Engelsche
literatuur nog eene tweede vertolking van de Sage van Lanceloet
en Elaine, daar deze ook het gegeven vormt van een Middel-Engelsch
gedicht uit het einde der 14e eeuw. De schrijver van dit werk is,
evenals de meeste dichters uit zijn tijd, onbekend gebleven, maar uit
de schrijfwijze blijkt, dat hij behoord moet hebben tot de klasse
der minnezangers. Het gedicht, dat getiteld is: "Le Morte Arthur"
(aangezien het voor het grootste deel gewijd is aan eene beschrijving
van de gebeurtenissen, die leidden tot Arthur's dood) is geschreven
in acht-regelige coupletten; het dialect is dat van het Noordwesten
van Engeland. Hoewel de letterkundige schoonheid van het gedicht niet
zeer groot is, verdient het toch onze belangstelling, niet alleen om de
aantrekkelijkheid van het onderwerp, maar ook om de aangename, zij het
soms ietwat eentonige wijze van vertellen. Op groote oorspronkelijkheid
kan de dichter niet bogen, zijne beschrijvingen vertoonen een zeker
gebrek aan verbeeldingskracht, maar daar staat tegenover, dat hij
ons nu en dan weet te treffen door de eenvoudige, gevoelvolle wijze,
waarop hij de lotgevallen zijner heldin verhaalt. Bovendien heeft
zijn werk de verdienste, de eerste Engelsche bewerking te zijn van het
Lanceloet-Elaine verhaal en van de romantische sage van Arthur's dood,
al werd van deze laatste reeds eene korte aanduiding in Layamon's
"Brut" aangetroffen.
Wat nu de verhouding tusschen "Le Morte Arthur" en de vertolking onzer
sage in Malory's prozawerk betreft, zoo is door sommige geleerden
de stelling opgeworpen, als zou de laatste aan het Middel-Engelsche
gedicht zijn ontleend.
Latere geleerden zijn het hiermede niet eens en de algemeene meening
is thans wel, dat beide afstammen van eene gemeenschappelijke bron:
een verloren gegaan handschrift van den Franschen "Lancelot", waarin
de gebeurtenissen eenige afwijkingen vertoonen van die uit het bewaard
gebleven manuscript.
Alfred Tennyson wijdde één zijner Koningsidyllen aan de behandeling
onzer sage. Hij gebruikt als bron het Middel-Engelsche gedicht, en
neemt daar dus ook uit over de ongunstige rol, welke de dichter van
"Le Morte Arthur" Walewein daarin laat spelen.
Gelijk wij elders [52] gelegenheid hadden te bespreken, heeft het
karakter van dezen ridder, aanvankelijk een der aanzienlijkste en
edelste helden van Arthur's hof, in de latere Fransche prozaromans--dus
ook in den "Lancelot"--eene opmerkelijke verandering ten kwade
ondergaan en Tennyson, die de sagen in haren ouderen vorm niet schijnt
gekend te hebben, beschrijft Walewein in zijne gedichten als een
onbetrouwbaar en lichtzinnig man.
In Malory's vermelding van Walewein's bezoek op Astolat, speelt deze
geen dubbele rol, daarom is ook in onderstaande wedergave der sage
zijn goede naam onaangetast gebleven.