DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.

"O purblind race of miserable men

How many among us at this very hour

Do forge a life-long trouble for ourselves,

By taking true for false, or false for true."

(Alfred Tennyson: "Geraint and Enid").

_Hoe koning Arthur en zijne ridders op jacht gingen naar het witte

hert en wat er dien dag verder geschiedde._ Het was aan den vooravond

van het Paaschfeest. Koning Arthur hield hof te Cardigan in Wallis

en de ridders van de Tafel Ronde hadden met hun gevolg hun intrek

genomen in het vorstelijk paleis, om aldaar gezamenlijk het feest der

Opstanding te vieren. Toen men des avonds in wijden kring bijeenzat,

om te bespreken, op welke wijze men de komende dagen zou doorbrengen,

kwam een der jagermeesters des konings de zaal binnentreden met het

bericht, dat in de wouden rondom de stad een wit hert van buitengewone

schoonheid was ontdekt. Terstond besloten de ridders eene poging te

wagen om dit zeldzame wild te vangen en koning Arthur liet tegen den

volgenden morgen een jachtrit uitroepen, waaraan een elk, die lust

daartoe gevoelde, kon deelnemen. Tevens verklaarde hij, dat degene,

die erin slaagde het hert te dooden, tot belooning het recht zou

verkrijgen, om de schoonste vrouw van het hof een kus te geven.

Walewein wees hem op het gevaar, dat deze belofte inhield. "Nijd

en afgunst zullen het gevolg zijn van een dergelijk besluit", sprak

hij, "immers, er is geene enkele vrouw aan het hof, of zij bezit een

echtgenoot, vader of broeder om hare aanspraken op die onderscheiding,

desnoods met kracht van wapenen, te doen gelden. Geen uwer ridders

zal dulden, dat eene andere vrouw dan de zijne, verklaard wordt de

schoonste te zijn!" De koning echter kon zijn eens gegeven woord niet

herroepen en zoo bleef zijne belofte van kracht.

Gedurende het overige deel van den avond heerschte er onder de ridders

en hovelingen groote bedrijvigheid, om alles voor de komende jacht

in gereedheid te brengen. Temidden der toebereidselen trad koningin

Ginevra op haren echtgenoet toe en vroeg hem vergunning, om hem op

dien tocht te vergezellen. Dit werd haar gaarne toegestaan en verheugd

begaf de vorstin zich ter ruste, om den volgenden morgen vroegtijdig

bij de hand te kunnen zijn.

Bij het eerste morgenkrieken verliet Arthur zijne legerstede en maakte

zich voor den rit gereed. De koningin sluimerde echter nog zoo rustig,

dat haar gemaal het niet over zich kon verkrijgen, haar te wekken. Hij

gaf hare kamervrouwen last, haar niet te storen en verliet in alle

stilte het vertrek, om zich met zijne ridders op weg te begeven.

Eenige uren later ontwaakte Ginevra uit haren diepen slaap door een

zonnestraal, die door het venster juist op haar gelaat viel. Even

bleef zij liggen in dien toestand tusschen droomen en waken, waarin het

besef van wat er gedurende den vorigen dag is geschied, langzaam tot

den geest terugkeert. Zoo drong ook de herinnering aan den voorgenomen

jachtrit allengs tot haar brein door en, nu zij geheel ontwaakt was,

trof haar de ongewone stilte, die in het paleis heerschte. Verschrikt

rees zij overeind. Zou zij te lang geslapen hebben en zich daardoor

het genot ontzegd zien van de vroolijke jacht, waar zij zich zóó

op verheugd had? Hare kamervrouwen bevestigden haar vermoeden en

vertelden haar, dat de koning zelve bevel gegeven had, hare rust

niet te storen. Verdrietig over deze teleurstelling besloot Ginevra

zich in aller ijl naar het woud te begeven, in de hoop ten minste

bij het einde der jacht tegenwoordig te kunnen zijn. Zij beval hare

dienaressen haar zoo snel mogelijk bij het kleeden behulpzaam te zijn

en al zeer spoedig reed zij op haren witten telganger, vergezeld van

één harer vrouwen de slotbrug over. Nauwelijks waren zij den zoom van

het woud genaderd of het geluid van een dravend paard achter haar,

deed de beide vrouwen omzien. In de verte naderde in vliegenden draf

een ruiter, die, toen hij naderbij kwam, een der ridders van het hof

bleek te zijn. Het was Erec, de zoon van koning Lac, welke laatste tot

de aan Arthur schatplichtige vorsten behoorde. Blijkbaar had ook hij

de jacht verzuimd, want hij droeg geene wapenrusting en geen ander

wapen dan een zwaard met gouden greep. Om zijne schouders hing een

purperen bandelier, aan welks beide uiteinden een gouden appel was

bevestigd, die lustig heen en weer zwaaide bij den vluggen draf van

zijn paard. Zijn breede mantel hing in zware plooien tot over den

rug van zijn rijdier, onder dien mantel glinsterde zijn zijden buis,

dat met gouddraad bestikt was.

Minzaam hield de koningin haar rijpaard in, tot Erec haar had

ingehaald. Deze boog eerbiedig het hoofd, maar Ginevra reikte hem

vriendelijk lachend de hand en zeide: "Wij beiden zijn lotgenooten,

Heer Prins! daarom moeten wij trachten, elkander te troosten. Wat

dunkt u, zou het ons nog mogelijk zijn, om iets van de jacht te zien?"

Erec bedacht zich even, toen antwoordde hij: "Niet ver van hier is

een heuvel, vanwaar men den ganschen omtrek kan overzien. Indien wij

ons daarheen begeven, zullen wij misschien den jachtstoet tusschen

de boomen van het woud ontdekken en kunnen wij ons wellicht nog bij

het overige gezelschap voegen, vóór de jacht ten einde is."

Zijne aanwijzingen volgend, reed het kleine gezelschap eenige

minuten voort, tot het bij eene verhevenheid in den woudbodem kwam,

vanwaar men een ruimen blik had over het omliggende land. Aandachtig

spiedde het drietal tusschen het dichte geboomte van het woud of zij

niet de groene gestalten der jagers ontdekten, maar niets bewoog

zich dan de wisselende schaduwen van takken en twijgen. Toen zij

eenigen tijd zwijgend hadden staan wachten, kwam op een smal pad,

dat langs den voet van den heuvel liep, een ridder aanrijden, in

volle wapenrusting, met gesloten vizier en gevelde lans. Aan zijne

zijde reed eene jonkvrouw en achter hen volgde een dwerg te paard,

die het schild van den ridder droeg. Nieuwsgierig volgde Ginevra met

hare blikken het vreemde drietal, dat zwijgend aan haar voorbijreed;

nòch de jonkvrouw, nòch de ridder waren haar bekend. Waar zouden zij

vandaan komen en wat zou het doel zijn van hunne reis? Zich tot hare

dienares wendend, sprak de koningin: "Gaat heen en vraag gindschen

ridder zijn naam en dien zijner gezellin!"

De aangesprokene deed, wat haar bevolen was; zij stuurde haar paard den

heuvel af in de richting der voorbijtrekkenden, maar toen zij dezen

wilde naderen, reed de dwerg haar tegemoet en vroeg haar, wat zij

verlangde. Op hare mededeeling, dat hare meesteres wenschte te weten,

wie de vreemde ridder was, die daar henen reed, werd haar op ruwen

toon ten antwoord gegeven, dat de vreemdeling weigerde zijn naam te

noemen. Toen zij, verontwaardigd over deze onheusche bejegening, bleef

aandringen, sloeg de dwerg haar zóó hardhandig met eene lange rijzweep

in het gelaat, dat het bloed haar langs de wangen vloeide. Weenend van

pijn en schaamte vluchtte het jonge meisje terug naar de plek, waar de

koningin en Erec den uitslag van het onderhoud afwachtten en toen de

laatste zag, hoe zij door den dwerg mishandeld was, gaf hij terstond

zijn paard de sporen, om den onbeschaamde te straffen voor de grove

beleediging, welke deze zijne vorstin in hare dienares had aangedaan.

Opnieuw plaatste de dwerg zich in het pad, dat Erec nemen moest,

en wachtte met eene boosaardige grijns op het gelaat diens nadering

af. Op hoogen toon gelastte de ridder hem, terstond den naam zijns

meesters te zeggen, maar ook tegenover hem bleef de dwerg in zijne

weigering volharden. Erec wendde zijn paard in de richting van den

vreemden ridder, die, zonder zich te bekommeren over hetgeen achter

hem voorviel, zijn weg vervolgde, om dien ridder zelven rekenschap te

vragen over de beleedigende houding, die zijn dienaar tegenover Erec

aannam. Toen de dwerg Erec's plan bemerkte, reed hij hem in den weg

en sloeg hem met zijne zweep in het gezicht. Dit was te veel voor den

trotschen ridder. Kokend van woede wilde hij zich op den dwerg werpen,

om hem met zijn zwaard den schedel te splijten, maar hij bedwong zich

juist bijtijds. Het ging toch niet aan, dat hij, een ridder der Tafel

Ronde, zich in een tweegevecht zou begeven met een erbarmelijk wezen

als dezen dwerg, boven wien hij zich zóó hoog verheven voelde als boven

het stof onder zijne voeten! En dan nog wel ten aanzien van zijne

geëerbiedigde vorstin, neen, die vernedering zou te groot zijn! Hij

deed beter met dien vreemden ridder, die daar zoo kalm en onverstoord

zijn weg vervolgde, terwijl zijn dienaar zich aan dergelijke grofheden

schuldig maakte, ter verantwoording te roepen. Maar--zoo bezon hij

zich--de vreemdeling was in volle wapenrusting en bovendien voorzien

van lans en schild--hij zelve daarentegen droeg zijne hofkleedij: het

zijden buis met den wijden mantel, die hem bij het vechten in zijne

bewegingen zou belemmeren. Toch, zoo zwoer hij bij zich zelven, zou hij

zich niet straffeloos laten beleedigen! Zich op de lippen bijtend van

verbeten woede, reed hij den heuvel weer op, waar Ginevra hem wachtte

en vroeg haar verlof om den vreemdeling te volgen, tot hij aan eene

plaats zou komen, waar hij zich wapenen en rusting kon verschaffen,

om zich over de hem aangedane beleediging te wreken. Na verloop

van drie dagen hoopte hij aan het hof terug te keeren, tot zoolang

verzocht hij Ginevra, hem bij den koning te willen verontschuldigen.

Gaarne stond de vorstin hem zijn verzoek toe; ook zij gevoelde zich

diep gekrenkt door de handelwijze van den dwerg en de gedachte, dat

hem daarvoor eene gerechte straf zou worden toegediend, kon haar dus

niet anders dan aangenaam zijn.

Erec nam dus afscheid van zijne meesteresse en haastte zich, den

vreemden ridder, die reeds bijna uit het gezicht verdwenen was, weder

in te halen. Urenlang volgde hij hem op eenigen afstand; langs velden

en beemden, door uitgestrekte, donkere bosschen liet hij zich door

het vreemde drietal leiden, tot hij hen tegen het einde van den middag

eene hooge helling zag bestijgen. Op den top van den heuvel aangekomen,

staken hunne gestalten een oogenblik als drie donkere schimmen tegen

den helderen voorjaarshemel af, daarna schenen zij weg te duiken aan

gene zijde des heuvels. Erec gaf zijn paard de sporen en draafde de

hoogte op. Toen hij den top bereikt had, zag hij aan zijne voeten

een dal, aan alle zijden omgeven door begroeide heuvels. Door het dal

stroomde eene rivier en aan den oever daarvan verrees een ridderslot,

welks tinnen glinsterden in de namiddagzon.

Rondom het slot lagen een aantal woningen door het dal verspreid

en bij nadering bleek het Erec, dat daarin eene ongewone drukte

heerschte. Van alle zijden klonk een geluid als het hameren van staal

op een aanbeeld en inderdaad, overal bleken smeden aan het werk te

zijn. Ook waren de straten vol van dringende, schreeuwende menschen

en spoedig was het onzen held duidelijk, dat men zich hier aan den

vooravond van eene gewichtige gebeurtenis bevond. Één ding was zeker:

zoo ergens, zou hij er hier in slagen, zich wapenen te verschaffen,

waarmede hij zich op zijn onbekenden vijand wreken kon. Deze was

intusschen voor Erec's oogen in het slot aan de rivier verdwenen, waar

hij met gejuich door de bewoners was binnengehaald. Erec kreeg allengs

behoefte aan rust en daar de avond begon te vallen, besloot hij vóór

alles naar een geschikt nachtverblijf om te zien. Het viel hem echter

niet gemakkelijk, dit te vinden; overal werd hij afgewezen, het scheen

wel, of de gansche stad volgepakt was met menschen. Eindelijk verwees

men hem naar een vervallen kasteel, niet veel meer dan een bouwval,

dat zich op geringen afstand van het slot bevond.

Bij de brug over de uitgedroogde slotgracht zat een grijsaard

en staarde somber voor zich uit. Zijne kleeding toonde aan, dat

hij betere dagen gekend had; de stof moest eens fraai en kostbaar

geweest zijn, maar was thans vaal en versleten. De oude leunde met het

hoofd op de hand en peinzend speelden zijne vingers met zijn langen,

grijzen baard. Aarzelend trad Erec naderbij, iets in het gelaat van

den grijsaard en in de wijze, waarop deze hem bij zijne nadering

tegemoet trad, scheen erop te wijzen, dat hij van goede afkomst was,

en dat slechts de dwang der omstandigheden hem tot dezen staat van

gebrek had gebracht.

Op hoffelijken, bescheiden toon vroeg Erec om een onderkomen voor

den nacht. Toen hij uitgesproken was, antwoordde de grijsaard:

"Wanneer gij u wilt vergenoegen met een eenvoudig maal en een nederig

nachtverblijf, heet ik u welkom in mijne woning. Armelijk en vervallen

is zij en gansch verschillend van haren vroegeren staat, maar nooit nog

hebben wij den voorbijtrekkenden vreemdeling een onderkomen behoeven

te weigeren. Daarom, treed binnen en wees nogmaals welkom geheeten

in mijn huis."

Erec reed de brug over en het voorplein op, waar het onkruid wortel

had geschoten tusschen de verbrokkelde steenen. Overal werd zijn

oog getroffen door sporen van armoede en verval. De muren van het

slot waren gedeeltelijk ingestort en op de bouwvallen tierden welige

woekerplanten. Hier had een enkel stuk muur zich staande gehouden,

en zag Erec den roodgekleurden avondhemel door de omlijsting van wat

eens een boogvenster was geweest; ginds bespeurde hij eene torentrap,

waarvan de omringende muren waren ingestort en die nu nutteloos

was geworden; lange klimopranken hingen langs de trap omlaag en

bedekten de uitgesleten treden met hare groene slingers. Getroffen

door al deze kenteekenen van tegenspoed en achteruitgang zag Erec

zijn gastheer aan en deze, die op het gelaat van zijn gast kon

lezen, wat er in hem omging, lachte bitter en zeide: "Ik bemerk,

dat gij getroffen zijt, door het armoedig uitzien mijner woning. Het

gevoel van medelijden, dat ik op uw gelaat weerspiegeld zie, doet uw

goede hart eer aan. Inderdaad, wel zijn de omstandigheden veranderd

bij vroeger, toen een ieder het zich tot eene eer rekende, in mijn

huis te worden ontvangen, waar ik steeds open tafel hield, en waar

de zalen weergalmden van blijde stemmen en vroolijk gelach. Kwade

lastertongen hebben het hunne gedaan, om mij ten val te brengen,

ook mijne eigen goedgeloovigheid en te groote mildheid zijn daaraan

schuld. Maar kom, niet langer getreurd over wat voorbij is! Treed

binnen in onze nederige woning; gij vindt er een even gastvrij,

zij het een minder ruim onthaal dan vroeger".

Bij deze woorden leidde de grijze edelman Erec naar den middenbouw van

het kasteel, het eenige gedeelte, waarvan de muren zich hadden staande

gehouden. Door de hoofddeur traden zij eene ruime zaal binnen, waar

zich twee vrouwen bevonden, bezig met eenig huiswerk. De eene was eene

bejaarde dame, wier waardig voorkomen en statige houding aantoonden,

dat het werk, hetwelk zij thans verrichtte, haar vroeger vreemd moest

zijn geweest, de andere scheen de dochter des huizes te zijn. Nooit

nog had Erec een lieftalliger verschijning gezien dan die van dit

jonge meisje. Haar gelaat was frisch en bloeiend als eene roos, haar

blonde haren hingen haar in twee vlechten op den rug en het eenvoudige,

grijze kleedje, dat zij droeg, deed de slanke lijnen harer gestalte

voordeeliger uitkomen, dan het fraaiste staatsiekleed zou kunnen

doen. Maar het was niet alleen hare schoonheid, die Erec's hart sneller

deed kloppen, er was iets in haren oogopslag, in de onbewuste gratie,

waarmede zij over haar werk gebogen zat, dat hem onweerstaanbaar

bekoorde. Zijn gastheer maakte zijne echtgenoote en dochter aan hem

bekend en verzocht de laatste, om het paard van den gast naar den

stal te leiden en van voedsel te voorzien. Haastig sprong Erec op,

ten einde haar bij die taak behulpzaam te zijn, maar zijn gastheer

hield hem terug met de woorden: "Bij gebrek aan een stalknecht, neemt

Enide, mijne dochter, diens plichten op zich. Weerhoud haar niet wat

ik u bidden mag, want de gedachte zou ons ondraaglijk zijn, dat een

gast zelve zijn paard moest verzorgen". Zoo moest Erec dus lijdelijk

toelaten, dat Enide met vluggen tred het vertrek verliet, zijn ros

bij den teugel nam en het met zich mee voerde. Zoolang hij kon volgde

hij haar met de oogen, toen zette hij zich neer en begon op aandringen

van zijn gastheer te vertellen, wat hem herwaarts had gevoerd.

Bij de beschrijving, die hij gaf van den vreemden ridder met zijne

dame en den dwerg, knikte de grijsaard eenige malen bevestigend met

het hoofd en toen Erec eindigde met hem te vragen, wat wel de oorzaak

kon zijn van de ongewone drukte en beweging in den omtrek, gaf hij ten

antwoord: "De reden daarvan is vlug genoeg gezegd. Morgen zal hier het

groote jaarlijksche steekspel gehouden worden, dat bekend staat als

het Steekspel van den Sperwer. De deelnemers daaraan strijden om den

schoonheidsprijs voor hunne dame, welke prijs bestaat uit een gouden

sperwer, rustend op eene zilveren staaf, die aan de ééne zijde van

het strijdperk tusschen twee vorken is opgehangen. De ridder, dien

gij zoekt, is de laatste twee jaren als overwinnaar uit het perk te

voorschijn getreden; mocht het hem dit jaar opnieuw gelukken, zijne

tegenstanders te verslaan, dan wordt de gouden sperwer en daarmede

het recht der schoonste, voorgoed toegekend aan zijne geliefde."

"Dat mogen alle heiligen verhoeden!" riep Erec uit, "ik zelve zal tegen

hem in het veld treden en bitter zal hij boeten voor de beleediging,

mijne vorstin aangedaan! Wanneer ge mij slechts de noodige wapenen

wilt verschaffen, zal ik deze gelegenheid om mij te wreken, niet

onbenut laten voorbijgaan!"

"Wapenen kan ik u wel bezorgen", hernam de grijsaard, "maar om eene

andere reden zal het u, vrees ik, onmogelijk zijn, aan den strijd

deel te nemen. Allen, die dit doen, moeten vergezeld zijn van eene

dame, voor wie zij den schoonheidsprijs opeischen en gij reist

immers alleen?"

Bij deze woorden schoot Erec het bloed naar de wangen. Gedurende den

ganschen tijd, dat hij met zijn gastheer in gesprek was geweest,

hadden zijne blikken de bekoorlijke gestalte van het jonge meisje

gevolgd, dat na haren terugkeer uit den stal zich onledig had gehouden

met het bereiden van een eenvoudig avondmaal. De kalme opgewektheid,

waarmede zij hare bezigheden verrichtte, de vriendelijke wijze, waarop

zij hare moeder het werk uit handen nam, en de teederheid, waarmede

zij hare bejaarde ouders scheen te omringen, hadden op het gemoed

van den jongen man een diepen indruk gemaakt, die nog versterkt werd

door haar liefelijk voorkomen. Zonder zich een oogenblik te bedenken,

gehoor gevend aan eene plotselinge ingeving van zijn hart, riep hij

uit: "Laat mij uw dochters rechten op den schoonheidsprijs mogen

verdedigen! Geene, die hem meer waardig is dan zij. Daarom, vergun

mij te trachten hem voor haar te veroveren en wanneer ik ongedeerd

uit den strijd te voorschijn treed, schenk mij dan hare hand! Sedert

ik hier binnentrad, ken ik geen grooter wensch op aarde, dan haar

de mijne te mogen noemen; geloof mij, ik zal haar gelukkig maken en

haar mijn leven lang eeren en liefhebben. Nog steeds weet ge niet,

wie ik ben. Mijn naam is Erec, ik ben de zoon van koning Lac en een

ridder van koning Arthur. Reeds lang drong mijn vader er op aan, dat

ik eene vrouw zou nemen; hij zal dus uwe dochter met vreugde welkom

heeten en haar met geschenken overladen. Ook aan uwe armoede zal hij

een einde maken; de goede tijden van weleer zullen wederkeeren en uw

hart zal zich verjongd gevoelen door het geluk van uw kind!"

Toen hij zweeg, vatte Enide's vader hem geroerd bij de hand en

sprak: "Gij hebt waardig en eerlijk gesproken; uw naam en die van uw

vader waarborgen ons, dat het u ernst is, met wat ge zegt. Daarom,

wanneer Enide geen bezwaar heeft, zal zij uwe vrouw worden. Moge God u

morgen in den strijd bijstaan en u langen tijd voor ons kind gespaard

houden! En nu, wat denkt Enide zelve ervan, waar is zij?" Dit zeggend,

zag de edelman om zich heen, maar Enide was nergens te bespeuren;

bij het hooren van haar naam had zij ijlings het vertrek verlaten,

door maagdelijken schroom gedreven. Lachend zagen hare ouders elkander

aan en de moeder stond fluks op om hare dochter te volgen, terwijl

Erec met zijn gastheer diens wapenen in oogenschouw ging nemen,

om daaruit zijne keuze voor den volgenden dag te doen.

De morgen van het groote steekspel brak helder en zonnig aan. Tegen

het aanvangsuur stond een dichte menschenhaag geschaard om het ruime

grasveld, waar het tournooi gehouden zou worden. Aan de ééne zijde

glinsterde en flikkerde de gouden sperwer in den zonneschijn, aan de

andere zijde van het perk waren de tenten der ridders opgesteld, die

aan den strijd zouden deelnemen. Een aantal schoone vrouwen bevonden

zich onder de toeschouwers en wierpen begeerige blikken naar den prijs.

Daar kwam Erec aanrijden op zijn vurig ros en aan zijne zijde reed

Enide, de blonde haren golvend in den wind en een blos van opwinding

op de wangen.

Juist toen de herauten het sein wilden geven, dat de strijd zou

beginnen, reed de vreemde ridder in woeste vaart het strijdperk binnen,

gevolgd door zijne geliefde. Met ruwe hand greep hij den sperwer van

de zilveren staaf, zwaaide hem uitdagend boven het hoofd en reikte

hem toen aan zijne dame met de woorden: "Als de schoonste onder de

schoonen overhandig ik u dezen prijs en daag tevens een ieder, die

lust daartoe gevoelt, uit, om mij het recht daartoe te betwisten!"

Alle aanwezige ridders zwegen, maar Erec drukte de sporen in de flanken

van zijn paard en reed het perk binnen, terwijl hij uitriep: "Dat doe

ik en wel op grond, dat mijne geliefde schooner is dan de uwe. Voorts

heb ik nog eene rekening met u te vereffenen wegens de grievende wijze,

waarop uw dwerg mijne vorstin en mij beleedigd heeft. Laat ons zien,

wie het recht aan zijne zijde heeft!"

Daarop begon een lange en hevige strijd, waarin de beide ridders

wedijverden in kracht en behendigheid. Nu eens scheen Erec, dan

weer zijn onbekende tegenstander het onderspit te moeten delven, maar

telkens herstelden zij zich en vielen met hernieuwde kracht op elkander

aan. Eindelijk gelukte het Erec, zijn vijand uit den zadel te lichten;

met een behendigen zwaai sprong ook hij van zijn paard, zette den

vreemdeling de punt van zijn zwaard op de borst en riep uit: "Geef u

gewonnen of ik dood u!" De aldus toegesprokene wierp zijn wapen weg en

smeekte om genade, daarop beval Erec den ridder op te staan en hem zijn

naam te noemen. "Gaarne wil ik dat doen", antwoordde de vreemdeling,

"want ik erken uwe meerderheid. In een open en eerlijk gevecht hebt

ge mij verslagen en de rechten uwer geliefde op den schoonheidsprijs

op mannelijke wijze verdedigd. Geen ridder behoeft het zich tot eene

schande te rekenen door u verslagen te worden. Weet dan, mijn naam

is Yder, en van nu af aan stel ik mijne diensten tot uwe beschikking."

"Als dat zoo is," hernam Erec, "zoo draag ik u op naar het hof van

koning Arthur te gaan en de koningin te melden, wie ge zijt en vanwaar

gij komt. Tevens kunt gij haar mededeelen, dat ik weldra volgen zal

en dat ik eene schoone, jonge bruid van mijne reis mede terugbreng."

Yder deed, wat hem bevolen was en Erec begaf zich met Enide, die

den gouden sperwer met zich mededroeg, in gezelschap van hare ouders

huiswaarts.

Groote vreugde heerschte dien avond in het bouwvallige kasteel; de oude

graaf was opgewonden over den goeden afloop van den strijd en over

al het geluk, dat zijn gezin daardoor ten deel zou vallen. Telkens

weer drong hij er bij Erec op aan hem te vertellen, hoe zich alles

aan het hof toedroeg, wie zijne vrienden waren en op welke wijze

zij den tijd doorbrachten. Ook hoorde hij gaarne beschrijvingen van

hoffeesten en aan de schittering in zijne oogen kon men zien, dat

hij met zijne gedachten weer in het verleden verkeerde, toen ook hij

bij dergelijke festijnen tegenwoordig placht te zijn. Nu en dan bleef

zijn blik vol trots op zijne dochter rusten en stelde hij zich voor,

hoe zij weldra aan het hof de plaats zou innemen, waarop zij door

hare geboorte en schoonheid aanspraak mocht maken.

Enide bewoog zich intusschen rustig en kalm door het vertrek en

verrichtte hare huiselijke bezigheden als gewoonlijk. Slechts nu en

dan zond zij een verstolen blik in de richting van Erec en wanneer het

dan zoo trof, dat zijne oogen eveneens de hare zochten, verspreidde

zich een warme blos over hare wangen en boog zij zich haastig over

haar werk met eene uitdrukking van bekoorlijke verlegenheid op het

schoone gelaat.

Des avonds, toen Enide zich ter ruste had begeven, drong Erec er bij

hare ouders op aan, dat zij reeds den volgenden morgen hem naar het

hof zou vergezellen. Nadat hij de toestemming daartoe had verkregen,

wilde de gravin zich ijlings verwijderen om het een en ander voor

de reis in gereedheid te brengen; Erec hield haar echter terug en

zeide: "Nog een ander verzoek heb ik aan u, dat u wellicht vreemd zal

toeschijnen. Gaarne zou ik zien, dat Enide mij volgde in hetzelfde

eenvoudige kleed, waarin ik haar gisteren voor 't eerst gezien heb

en waarin zij mijn hart heeft weten te bekoren. Langen tijd geleden

zeide koningin Ginevra eens tot mij, dat, zoo ik ooit eene bruid

aan het hof mocht brengen, zij zelve haar de kleederen en sieraden

wenschte te schenken, die aan haren rang pasten. Het aanbod was te

vriendelijk om af te slaan, daarom, bid ik u, doe wat ik u verzoek."

Hoewel Enide's moeder het denkbeeld niet aangenaam was, dat hare

dochter in zulk eene eenvoudige kleedij aan het hof zou verschijnen,

kon zij Erec's verzoek niet weigeren en werd dus aan zijn wensch

voldaan.

Den volgenden morgen vroeg begaven Erec en Enide zich op weg, nadat

de laatste een teeder afscheid had genomen van hare ouders en van de

woning harer kindsheid.

Welk eene heerlijke reis was dat voor het jonge paar! Onder het

helderblauwe hemelgewelf, door het zonbeschenen landschap, reden zij

naast elkander voort. Aanvankelijk wilde het gesprek niet vlotten;

het was alles nog zoo nieuw en vreemd voor hen, maar weldra raakten

de tongen los en hadden zij elkander honderd dingen te vragen en te

vertellen van hun beider jeugd, hunne vrienden en speelgenooten en

hunne droomen en verlangens voor het leven.

De uren vlogen voorbij, zonder dat zij het bemerkten; tegen den middag

rustten zij eene wijle tegen een begroeiden heuvelrug en gebruikten een

eenvoudig maal, dat Enide's moeder hun had medegegeven. Daarna drong

Erec er op aan, dat het jonge meisje wat rust zou nemen en ondanks

haar aanvankelijke tegenwerpingen bleek zij daar wel behoefte aan

te hebben, althans zij viel al ras in eene lichte sluimering. Erec

zat naast haar en beschouwde haar bekoorlijk gelaat. Een gevoel van

trots en voldoening maakte zich van hem meester, toen hij bedacht,

hoe men aan het hof zou staan te kijken, wanneer hij zijne bruid

daar binnenvoerde en hoe naijverig de andere ridders zouden zijn op

het bezit van zulk eene schoone vrouw. Ook het besef, dat hij van

nu af aan haar natuurlijke beschermer was, dat zij vol vertrouwen

met hem was meegegaan in het vreemde land en daar nu zoo rustig

onder zijne hoede lag te sluimeren, gaf hem een streelend gevoel van

zelfvoldoening. Toen hij haar eenigen tijd zwijgend had gadegeslagen,

kon hij de verleiding niet langer weerstaan en hij wekte haar met een

kus op de frissche lippen. Blozend rees Enide overeind en toen hij zijn

kus wilde herhalen, en zij hem lachend afweerde werd het een vroolijk

spel van stoeien en kozen tusschen de geurende bloemen en struiken.

Onder scherts en gelach werd de reis voortgezet en tegen den avond

bereikten de beiden den burcht te Cardigan. Den ganschen dag had de

koningin de torenwachters doen uitzien naar Erec's komst en toen zij

eindelijk van hen bericht ontving, dat een ridder met eene jonkvrouw

te paard het kasteel naderde, ging zij in eigen persoon de komenden

tot op het voorplein tegemoet. Minzaam ontving zij het jonge meisje,

dat beschroomd en vol ontzag voor hare hooge gastvrouw, op haar

toetrad en terstond nam zij Enide mede naar haar eigen vertrekken,

terwijl Erec zich naar den koning begaf om verslag uit te brengen

over zijn wedervaren.

In de groote slotzaal vond hij den vorst met zijne gansche hofhouding

bijeen, want dienzelfden avond zou beslist worden, aan welke der

edelvrouwen koning Arthur--want hij was het, die het witte hert

had weten te dooden--den kus als schoonheidsprijs zou toekennen. Met

belangstelling luisterde men naar Erec's avonturen en toen de herauten

na eenigen tijd de komst der koningin aankondigden, richtten aller

oogen zich vol verwachting naar de deur van het vertrek.

Daar trad koningin Ginevra binnen, schoon en bevallig als altijd, maar

ditmaal hadden de aanwezigen weinig aandacht voor hare schoonheid,

zóó zeer werd aller belangstelling geboeid door de lieftallige

verschijning aan hare zijde.

Ook Erec kon zijne oogen nauwelijks gelooven. Was deze vorstelijke

verschijning, die hare kostbare kleederen zoo sierlijk en natuurlijk

wist te dragen, alsof zij nooit anders gewend was geweest, inderdaad

Enide, het eenvoudige, jonge meisje in haar grijze kleedje, dat hem

daar ginds bediend en verzorgd had?

Inderdaad, zij was het, met haar vriendelijk gelaat, hetwelk thans

overtogen was met een diepen blos van opwinding, met hare lieve,

blauwe oogen, die terstond bij haar binnentreden in de zaal de zijne

zochten en met hare blonde haren, glinsterend als gesponnen goud,

waartusschen zich nu een keten van blanke paarlen slingerde.

Met bonzend hart en stralende oogen ging Erec zijne bruid tegemoet

en leidde haar tot aan de treden van den troon onder het algemeen

stilzwijgen der aanwezigen. Koning Arthur daalde van zijn zetel af en

heette Enide met eenige welgekozen woorden welkom aan het hof; daarop

liet hij haar aan zijne zijde plaats nemen en vond Erec gelegenheid

om de koningin dank te zeggen.

Spoedig daarop had de beslissing plaats aan wie de vorst den

schoonheidskus zou schenken. Onder luide toejuichingen van het gansche

hof verklaarde koning Arthur, dat hij Enide, de bruid van prins Erec,

deze onderscheiding het meest waardig keurde en de daad bij het woord

voegend, stond hij op en kuste het blozende meisje op beide wangen.

Korten tijd daarna begonnen de voorbereidselen tot de bruiloft, die met

Pinksteren gevierd zou worden. Ter gelegenheid van Erec' s huwelijk

schreef de koning een groot tournooi uit, waaraan de edelste ridders

uit het land deelnamen. Vele dagen duurden de bruiloftsfeesten, maar

eindelijk naderde de zoo vurig verbeide dag, waarop de beide jonge

menschen in den echt verbonden werden.

Nadat zij eenigen tijd na hun huwelijk aan het hof hadden vertoefd, was

de tijd gekomen, dat Erec zijne jonge vrouw naar zijn land zou voeren,

om haar aan zijn vader, koning Lac, voor te stellen. Na van allen

aan het hof een hartelijk afscheid te hebben genomen en na beloofd

te hebben, dat zij spoedig zouden wederkeeren, vertrokken Erec en

Enide, begeleid door een gevolg van zestig ridders, naar Carnant [48]

in Zuid-Wallis, waar koning Lac verblijf hield. Daar werd hun eene

feestelijke ontvangst bereid. Reeds bij den eersten aanblik van Enide

toonde Erec's vader zich ten zeerste ingenomen met de keuze van zijn

zoon, terwijl ook de leden der hofhouding zich er zeer over verheugden.

Weldra gevoelde Enide zich geheel thuis in hare nieuwe omgeving en

onder de algemeene belangstelling en welwillendheid bereikte het

geluk van het jonge paar zijn vollen bloei.

Naarmate de weken en maanden verliepen, ging Erec zich steeds meer aan

zijne schoone vrouw hechten. Voortdurend zocht hij haar gezelschap;

op de feesten aan het hof week hij niet van hare zijde en ook in zijn

eigen slot verloor hij Enide geen oogenblik uit het oog.

Soms zat hij uren lang naast haar, terwijl hare nijvere vingeren zich

onledig hielden met eenig naaldwerk, en staarde in verrukking naar haar

schoon gelaat. Wanneer een der aanwezigen dan iets tegen hem zeide,

antwoordde hij nauwelijks, zóó zeer was al zijn denken door Enide

in beslag genomen. Als in een der naburige landstreken een steekspel

werd uitgeschreven en de ridders van koning Lac hem verzochten, hen

daarheen te vergezellen, wist hij steeds een voorwendsel te vinden,

om thuis te kunnen blijven, zóó ondragelijk was hem de gedachte om

voor één of meerdere dagen zijne geliefde te moeten verlaten. Ook

wanneer zijne vrienden uitreden op jacht naar wolven of wilde zwijnen,

placht hij zijn tijd door te brengen in de vrouwenvertrekken, aan de

voeten van Enide.

_Hoe de hovelingen Erec bespotten over zijne liefde voor Enide en hoe

deze hem dit mededeelde._ Weldra begon men aan het hof te fluisteren

over de verandering, die in Erec had plaats gegrepen, en achter zijn

rug werd spottend gemompeld over zijn hartstocht voor Enide, die hem

tot een laffen dwaas maakte. In bedekte toespelingen verweet men hem

zijn gedrag, dat zulk slecht voorbeeld was voor de jonge ridders uit

zijne omgeving.

Erec, in zijne verblindheid, bemerkte niets van de afkeurende stemming

om hem heen, maar Enide, wier blik door de liefde gescherpt was,

bespeurde alras, hoe men over hunne verhouding dacht. De spottende

blikken, welke men op haren echtgenoot wierp, wanneer hij haar na het

middagmaal naar hare vertrekken volgde, de heimelijke toespelingen en

de schampere opmerkingen uit hare omgeving wondden haar in 't diepst

harer ziel, maar nochtans vond zij niet den moed om haren echtgenoot

eerlijk en ronduit te zeggen, wat haar het hart beklemde.

Eens op een morgen, toen Enide vroegtijdig was ontwaakt en den slaap

niet meer kon vatten, zette zij zich naast de legerstede van haren

echtgenoot en beschouwde aandachtig diens slapende gestalte. Het

kon niet anders, of zij moest getroffen worden door de schoonheid

van zijn mannelijk voorkomen, zooals hij daar in rustige sluimering

verzonken lag. De groote liefde, die zij voor hem gevoelde en haar

trots op zijne kracht en dapperheid deden haar hart sneller kloppen,

maar tegelijk drong de gedachte zich bij haar op, hoe zeer het

te betreuren viel, dat zulk een edel en dapper man zich door den

hartstocht zoodanig liet beheerschen, dat hij roem en aanzien, ja

zelfs zijn goeden naam als ridder, er door dreigde te verliezen. In

't diepst van haar gevoelig hart maakte Enide er zich een verwijt

van, dat zij de oorzaak was van dit alles en bijna wenschte zij,

dat Erec haar nooit gezien had, zóó zeer kwelde haar de gedachte,

dat hij door haar toedoen een onteerd man zou worden. Hoe langer zij

het geliefde gelaat bezag, des te treuriger werd het haar te moede,

tot zij eindelijk zachtkens begon te weenen. Een harer tranen viel

op het gelaat van den slapende en deed hem ontwaken. Hevig verschrikt

door den aanblik zijner weenende vrouw, rees Erec overeind en bezwoer

Enide hem de oorzaak van haar verdriet mede te deelen.

Toen, plotseling moed vattend, zeide zij, zonder hem te sparen, hoe

de ridders en hovelingen hem achter zijn rug uitlachten en bespotten,

hoe zij hem verweten, dat hij onverschillig geworden was voor roem

en eer, hoe ze hem voor verwijfd en lafhartig scholden en voor een

zwakkeling, die zijn wil had leeren te onderwerpen aan de luimen en

grillen eener vrouw.

De uitwerking harer woorden op Erec was vreeselijk. Het was hem, of de

wereld, zijne wereld, waarin hij zoo trotsch en gelukkig voortleefde,

uit hare voegen werd gerukt. Wat! hij een zwakkeling, hij buigen voor

de grillen eener vrouw, hij, Erec, de fiere koningszoon, wiens wil

wet was in het rijk zijns vaders en die, in het bewustzijn van zijn

hoogen rang, vol hoogmoed placht neer te zien op de ridders uit zijne

omgeving! Hoe durfden zij het wagen, die laffe vleiers en kruipers,

om hem achter zijn rug te bespotten! Die gedachte joeg hem het bloed

naar het hoofd en hij kon zich nauwelijks bedwingen met het zwaard

in de hand naar buiten te snellen en hun rekenschap te vragen van

hun schandelijk gedrag.

En zij, Enide, het eenvoudige meisje, dat hij uit de diepste

armoede tot zich had omhoog geheven, dacht zij misschien zooals

die anderen? Gevoelde ook zij in haar hart slechts eene spottende

geringschatting voor den armen dwaas, dien zij zoo geheel in hare

macht had weten te krijgen? Beschuldigde zij hem soms ook van lafheid

en eerloosheid? Dit denkbeeld deed hem nog veel meer leed dan het

vorige, maar hij was te trotsch om haar te vragen, hoe zij over hem

dacht. Zijn hart was slechts vervuld van één verlangen: haar en al

die anderen te toonen, wie hij was! Door daden van dapperheid zou hij

hen dwingen te erkennen, dat zij hem onrecht hadden aangedaan met te

zeggen, dat hij een lafaard en zwakkeling was! Maar niet hier, aan

het hof van zijn vader kon hij dit bewijzen; geen oogenblik langer

dan noodig was, wilde hij in deze nu zoo gehate omgeving blijven,

waar tot zelfs de muren hem zijne zwakheid schenen te verwijten.

Niets had Erec geantwoord op hetgeen Enide gezegd had en de laatste,

die reeds lang berouw gevoelde over haar openhartigheid, maakte zich

inwendig de hevigste verwijten, dat zij door hare woorden den vrede

tusschen hen verstoord had. Plotseling klonk Erec's stem, koud en

hard, zooals zij die nog nooit gehoord had. "Het is genoeg!" zeide

hij. "Wij zullen zien, of uwe woorden waarheid bevatten." Maak u gereed

tot eene lange reis, wij vertrekken over een uur van hier." Daarop

verliet hij het vertrek.

Toen Enide een uur later, bevend van angst en spanning, het voorplein

betrad, vond zij daar Erec, staande naast twee gezadelde paarden,

omringd door een aantal hovelingen. Ook koning Lac bevond zich bij

de groep van ridders en trachtte met hen de oorzaak te ontdekken

van dit plotseling vertrek. Maar Erec was er niet toe te bewegen,

iets anders daaromtrent mede te deelen, dan dat het hem behaagde om

vreemde streken te bezoeken. Op het dringend verzoek van zijn vader

om althans eenige ridders als gevolg mede te nemen, ten einde hem in

het gevaar bij te staan, gaf hij kortaf ten antwoord, dat hij geen

ander gezelschap wenschte dan dat zijner vrouw, omdat hij meende zich

zelven en haar voldoende tegen elken aanval te kunnen beschermen.

Nadat alle aanwezigen een hartelijk afscheid van Enide hadden genomen,

reden de beiden zwijgend de slotbrug over. Nog éénmaal zag Enide

om naar het kasteel, waar zij zulk een innig gelukkigen tijd had

doorgebracht, nog éénmaal wuifde zij haren vrienden een laatst vaarwel

toe, toen zette zij zich met een zucht vaster in den zadel en wierp

tersluiks een angstigen blik op het booze gelaat van haren echtgenoot,

die, zonder om te zien, somber voor zich uit starend, voortreed.

Toen zij eenigen tijd zwijgend naast elkander waren voortgereden,

hield Erec zijn paard in. Voor 't eerst sedert zij het slot hadden

verlaten, zag hij Enide aan. Met eene uitdrukking van grimmigen ernst

op zijn gelaat voegde hij haar toe: "Luister! Indien een verzoek

van mij nog eenige waarde voor u heeft, zoo vraag ik u bij deze,

om, wat er ook geschiede en wat gij ook zien moogt op uw pad, niet

tegen mij te spreken. Hebt ge mij begrepen?" Enide knikte zwijgend;

het spreken was haar onmogelijk, zóó zeer snoerde het verdriet over

Erec's harde woorden haar de keel toe.

Met gebogen hoofd reden zij verder en zonder het elkander te verraden

maakten zij beiden onwillekeurig eene vergelijking tusschen dezen

tocht en hun eersten gezamenlijken rit naar het hof, toen alles in

hen jubelde en zong van blij geluk. Welk een verschil met thans, nu

gekrenkte trots en angstige beschroomdheid hen van elkander verwijderd

hielden! Zouden zij ooit weer tot elkaar komen?

Nauwelijks hadden zij eenige mijlen afgelegd, of Enide bespeurde,

hoe langs den zoom van het woud, dat vóór hen oprees, drie roovers

kwamen aanrijden. Zonder zich een oogenblik te bedenken, riep zij

uit: "Heer, wees op uw hoede! Ginds naderen drie mannen te paard,

die zeker niet veel goeds in hun schild voeren!"

"Heb ik u dáárom verboden tot mij te spreken?" voer Erec toornig uit:

"dat gij bij de eerstkomende gelegenheid mijn gebod overschrijdt? Gij

denkt zeker, dat ik te laf en te zwak ben geworden, om mij

tegen die drie te verdedigen en dat ik u dus onbeschermd hier zal

achterlaten! Gij behoeft echter niet bevreesd te zijn, zoover is het

nog niet met mij gekomen!"

Enide sloeg beschaamd de oogen neer, om aanstonds weer op te zien,

toen zij bemerkte, hoe Erec in volle vaart op de roovers afstoof

en hen met getrokken zwaard te lijf ging. Met een geweldigen zwaai

van zijn wapen scheidde hij één zijner tegenstanders het hoofd van

den romp en bracht den tweeden zulk een slag met zijn schild toe,

dat de roover bewusteloos van zijn paard stortte. De derde was door

het lot van zijne makkers zóó ontsteld, dat hij uit het zadel sprong

en door het dichte struikgewas te voet het hazenpad koos.

Enide, die op eenigen afstand den strijd had gadegeslagen, ademde

verruimd op, toen zij Erec ongedeerd tot haar zag wederkeeren. Het

eenige, wat hij haar van het voorgevallene toevoegde, was: "Ziet ge

nu wel, dat uwe vrees ongegrond was?" daarna beval hij haar, de drie

paarden bij den teugel te nemen en ze voor zich uit te drijven. Hij

eindigde met haar nogmaals op het hart te drukken, om vooral niet

tegen hem te spreken.

Voor eene wijle gingen zij ongestoord huns weegs, toen plotseling

Enide's waakzaam oog vijf ruiters ontdekte, die met gevelde lans op

hen kwamen toerijden. Een oogenblik voerde zij een zwaren strijd in

haar binnenste. Zou zij opnieuw zondigen tegen Erec's gebod en hem

waarschuwen voor het dreigend gevaar? Het zou gewis zijne gramschap

tegen haar nog doen toenemen, maar aan den anderen kant, bij een

onverhoedschen aanval van zulk eene verpletterende overmacht zou hij

zeer zeker het onderspit delven. Neen, liever nog haalde zij zich zijn

toorn op den hals, dan dat zij zou verzuimen hem voor een dergelijk

gevaar te waarschuwen. Zich omwendend naar Erec, die achter haar reed,

riep zij hem toe: "Heer, opnieuw dreigt gevaar! Ditmaal zijn het vijf

ridders, die u willen aanvallen. Ik smeek u, wees op uwe hoede!"

De angst en bezorgdheid in haren toon waren Erec niet ontgaan en deden

zijn gewond hart goed, maar zijne stem klonk nog barscher dan voorheen,

toen hij Enide ten antwoord gaf: "Hoe dikwijls moet ik u hetzelfde

verzoeken? Gij schijnt inderdaad allen eerbied voor mij verloren

te hebben, dat gij mijn wil zoo herhaaldelijk wederstreeft. Wat die

vijf schelmen betreft, ik zal ze eene passende ontvangst bereiden,

daar kunt ge zeker van zijn!"

Van achter een boom zag Enide in angstige spanning toe, hoe haar

echtgenoot den ongelijken strijd tegen het vijftal aanbond, maar

ook thans wist Erec door zijn onstuimigen aanval en verpletterende

zwaardslagen zijne vijanden te verslaan. Drie der ridders lagen weldra

op den grond te zieltogen, de beide anderen vluchtten met achterlating

van hunne paarden en wapenen. Zonder een woord te spreken bond Erec de

teugels der dieren samen, overhandigde ze aan Enide en beval haar voort

te rijden. Met groote moeite hield deze de acht onwillige paarden in

bedwang en toen Erec dit bespeurde, kwam het een oogenblik bij hem op

om haar te hulp te komen en haar de teugels uit handen te nemen. Hij

dwong echter met kracht elke aandoening van zachtheid in zijn hart

terug en vervolgde zwijgend zijn weg.

Het was allengs avond geworden en de beide reizigers zagen zich

gedwongen, in het bosch te overnachten. Toen zij aan eene daarvoor

geschikte plek waren gekomen, bond Erec de paarden aan een boom vast en

begon hout te verzamelen voor een vuur. Enide was uitgeput op het gras

neergezonken, maar toen Erec haar kortaf beval eenige rust te nemen,

terwijl hij zou waken, weigerde zij met ongekende beslistheid, zulks

te doen. Aan zijne gelaatstrekken en zijne gebogen houding zag zij,

hoezeer de zware strijd hem vermoeid had en hoezeer hij behoefte had

aan eenige uren slaap. Daarom liet zij niet af, alvorens hij zich

naast het vuur had uitgestrekt en toen zij even daarna aan zijne

rustige ademhaling bemerkte, dat hij was ingesluimerd, kwam er een

glans van voldoening op haar gelaat. Op hare teenen sloop zij naar

hem toe en spreidde haren mantel over hem uit, daarna zette zij zich

naast hem neer en bracht den nacht wakende door. Hare overpeinzingen,

terwijl zij daar zoo zat, waren niet van vroolijken aard. In den

slaap was de booze, harde uitdrukking van Erec's trekken weggevaagd

en het scheen zelfs, of er iets van een glimlach om zijne lippen

speelde. Nu zij hem zoo zag liggen en zich de gebeurtenissen van dien

dag in het geheugen terugriep, kwam het haar schier ongeloofelijk

voor, dat de hovelingen het hadden durven wagen Erec van lafheid

te beschuldigen. Opnieuw verweet zij zich hare openhartigheid, die

het hart van haren geliefde voor haar had gesloten en zijne ziel met

wrok en wantrouwen had vervuld. Was dit haar dank voor alles, wat hij

voor haar gedaan had, dat zij het zijn moest, die hem deze pijnlijke

wonde toebracht? Maar--zoo sprak eene andere stem in haar binnenste,

had zij het niet gedaan uit liefde voor hem, was het niet beter hem

eerlijk te wijzen op zijne fouten, dan hem te laten voortleven in

een bestaan, dat hem tot oneer strekte?

Zoo wikte en woog Enide het vóór en tegen van hare handelwijze en

tobde zich af met het uitdenken van middelen, die Erec met haar zouden

verzoenen, totdat het eindelijk begon te dagen tusschen de boomen en

kort daarop de zonnestralen haar koesterend omvingen. Toen ontwaakte

Erec, geheel verfrischt door zijne lange sluimering. Na een karig

maal gebruikt te hebben, hervatten beiden zwijgend hunne reis.

Tegen den middag lieten zij het bosch achter zich en zagen voor zich

uit de tinnen oprijzen van een kasteel, dat gelegen was op den top van

een heuvel, tegen welks helling eenige woningen verspreid lagen. Langs

een pad, dat van den heuvel naar omlaag voerde, naderde een jongeling

met eene groote mand op de schouders, waaruit een geur van versch

gebakken brood opsteeg. Ondanks zijne zware vracht liep hij vlug en

opgewekt, onder het voortgaan een lustig liedje neuriënd. Erec hield

hem staande: "Wat hebt ge daar in uwe mand, vriend?" sprak hij, "en

waar brengt gij ze heen? Indien het iets eetbaars is, wat ge draagt

en het is voor geld te koop, zoo geef het ons. Wij hebben den nacht

in het bosch doorgebracht en zijn zeer hongerig."

De jongeling lachte vroolijk. "Ik wil u gaarne afstaan, wat ik draag,

edele Heer," gaf hij ten antwoord, "het is brood en landwijn, die

ik brengen moet aan de maaiers van mijn meester, Graaf Galoain,

die daar ginds in de velden aan het werk zijn. Ik kan echter zoo

noodig gemakkelijk nieuwen voorraad uit het slot halen, dus neem,

waar ge lust in hebt." Dit zeggend, plaatste hij zijne mand op den

grond en haalde er een verschgebakken brood en eenige kruiken wijn uit.

Erec en Enide lieten zich niet tweemaal nooden. Zij zetten zich in

het lange gras aan den kant van den weg en lieten zich het aangeboden

voedsel kostelijk smaken. Toen zij gegeten en gedronken hadden,

bood Erec den vriendelijken jongeling, die intusschen zijne mand

aan de maaiers gebracht had, één zijner buitgemaakte paarden aan,

tot belooning voor zijne welwillendheid. Opgetogen van vreugde dankte

de knaap hem voor dit kostbare geschenk en toen Erec hem verzocht,

hun een geschikt onderkomen voor den nacht aan te wijzen, verzekerde

hij hem, daar gaarne voor te willen zorgen.

Het drietal begaf zich nu den heuvel op en weldra had Erec met

behulp van den knaap eene herberg gevonden, waar men hem een ruim

vertrek aanwees als nachtverblijf voor hem en Enide. De jongeling was

intusschen naar het kasteel teruggekeerd, waar hij vol trots aan een

ieder, die het hooren wilde, vertelde, wat hem overkomen was. Het

verhaal van zijn wedervaren kwam zoodoende ook ter oore aan Graaf

Galoain zelven, die den knaap vóór zich liet verschijnen en zich

persoonlijk verslag deed uitbrengen van zijne avonturen. Deze gaf

hem zulk eene opgetogen beschrijving van den gullen en vriendelijken

vreemdeling en de wonderschoone dame, die hem vergezelde, dat de

graaf lust begon te gevoelen, zelf eens kennis te gaan maken met die

onbekende gasten in zijne stad. Daarom beval hij zijn paard te zadelen

en weinigen tijd later stapte hij af aan de herberg, waar Erec zijn

intrek genomen had. Deze werd door den waard van de komst van zijnen

hoogen bezoeker verwittigd en toen de graaf met zijn gevolg in het

vertrek binnentrad, vond hij aldaar eene feestelijk gedekte tafel

aangericht, bedekt met eene keur van kostelijke spijzen. Terstond werd

hij getroffen door de hoffelijkheid, waarmede Erec hem tegemoet kwam,

maar meer nog door de bevallige gratie van Enide. Na afloop van het

middagmaal bleven de ridders tot laat in den avond bijeen. Onder een

beker schuimenden wijn geraakten de tongen los en weldra zochten

zij elkander te overtreffen in opgewonden verhalen van avonturen,

die zij in den loop der jaren beleefd hadden. Enide had zich, zoo

spoedig zij dit ongemerkt kon doen, van het gezelschap verwijderd en

plaats genomen aan een open venster.

Naar buiten, starend in den zwoelen zomernacht, geraakte zij weldra

geheel verdiept in hare droeve overpeinzingen en hoorde niets meer van

het luidruchtig gelach en gepraat der ridders. Ook bemerkte zij niet,

hoe de graaf, wiens hoofd door den wijn verhit was, steeds vaker

zijne blikken in hare richting liet dwalen. Eindelijk kon hij zich

niet langer bedwingen en vroeg Erec vergunning om vóór zijn vertrek

nog afscheid te mogen nemen van zijne schoone gastvrouw. Met een

onverschillig handgebaar gaf Erec hiervoor zijne toestemming en een

oogenblik later werd Enide opgeschrikt door de stem van den graaf aan

haar oor, die haar op heeschen toon toefluisterde: "Waarom wendt gij

uw schoon gelaat zoo hardnekkig van ons allen af? Is het om hem niet

te zien, die uw echtgenoot is, maar die u niet gelukkig maakt? Want

gelukkig zijt ge niet, dat zie ik aan de treurige uitdrukking uwer

oogen, aan den droeven trek om uw mond. En toch zijt gij geschapen om

blij en vroolijk te zijn, om te worden aangebeden als het schoonste en

kostbaarste kleinood, dat een man ten deel kan vallen. Hij daar ginds

is een dwaas, een lompe vlegel, die niet in staat is, uwe gaven naar

waarde te schatten. Maar"--hier zag hij haar diep in de oogen--"er zijn

anderen, die dit wel kunnen, die het zich tot een onschatbaar voorrecht

zouden rekenen, u te mogen dienen en liefhebben. Eén woord van u en

ik dood uw echtgenoot met een enkelen slag van mijn zwaard. Dan voer

ik u mede naar mijn kasteel, waar gij heerschen zult over mij en de

mijnen. Spreek, gij hebt slechts te bevelen!"

Bij het vernemen dezer woorden voelde Enide zich een oogenblik als

verlamd van schrik. Eén blik in de richting van haren echtgenoot toonde

haar, dat hij ongewapend was en dus een gemakkelijk slachtoffer zou

zijn voor een onverhoedschen aanval zijner gasten. Wat te doen? Met

den graaf in zijn opgewonden geestestoestand viel niet te praten,

dat begreep zij maar al te goed. Een oogenblik was zij radeloos, toen

verzon haar vlugge geest eene list. Al hare wilskracht verzamelend

om den afkeer te overwinnen, dien Galoain haar inboezemde, boog zij

zich tot hem voorover, zag hem vast in de oogen en sprak fluisterend:

"Gij hebt gelijk! Mijn echtgenoot maakt mij niet gelukkig en eene

verandering van lot, zooals gij mij die voorspiegelt, zou mij dan

ook niet onaangenaam zijn. Eene arme vrouw als ik kan echter niet

voorzichtig genoeg zijn, waar het haar goeden naam betreft. Wanneer

gij mijn echtgenoot thans dooddet, zouden uwe ridders mij steeds

kunnen verwijten, u daartoe aangezet te hebben en nooit zouden zij

voor mij den eerbied kunnen gevoelen, dien zij aan uwe echtgenoote

verschuldigd zijn.

Daarom smeek ik u, ga thans heen, maar keer morgen in de vroegte

terug om mij te halen. Uwe daad zal dan den schijn dragen van eene

plotselinge overrompeling, waartegen ik mij niet kan verzetten."

Opgetogen over hare instemming met zijn plan, beloofde de graaf, haren

raad te zullen opvolgen en verliet kort daarop met zijn gevolg de

herberg, na een hartelijk afscheid van zijn gastheer te hebben genomen.

Deze begaf zich weldra ter ruste en ook Enide maakte zich in den

tegenovergelegen hoek van het vertrek voor den nacht gereed. Hare

sluimering was echter slechts van korten duur. Nog vóór het eerste

morgenkrieken was zij reeds weer op de been en sloop geruischloos

door het vertrek om alles voor een plotselingen aftocht gereed

te maken. Toen zij Erec's kleederen en wapenen had klaargelegd,

begaf zij zich naar het venster en wachtte daar het aanbreken van

den morgen af. Zoodra het daarbuiten licht begon te worden, wekte

zij Erec en deelde hem in haastige woorden het plan van den graaf

mede. Toen hij vernomen had, wat er zou gebeuren, ontbood hij ijlings

den waard en beval hem hunne paarden te zadelen. Daarop schonk hij

hem als betaling de zeven paarden, welke hij aan de roovers ontnomen

had en spoedig daarna begaven hij en Enide zich op weg.

Niet lang nog waren zij voortgereden, of zij hoorden achter zich een

luid geschreeuw en getier, benevens hoefgetrappel, dat de nadering

van eene groote schare ruiters aankondigde. Omziende zagen zij, in een

dichte stofwolk gehuld, een aantal ridders naderen, die hevig joelend

met gevelde lans op hen toereden; de graaf aan de spits. Deze was kort

na het vertrek der beiden in de herberg gekomen en toen hij vernam, dat

de vreemde gasten in alle vroegte vertrokken waren, had hij begrepen,

dat hij om den tuin was geleid. Met eene schaar van honderd ridders

had hij toen de vluchtenden achtervolgd en nu hij hen ingehaald had,

daagde hij op hooghartigen toon Erec tot een tweegevecht uit. In den

strijd, die nu volgde, moest Galoain het echter tegenover de groote

krijgsmanskunst van zijn vijand weldra afleggen en toen Erec hem

eene diepe wonde in de zijde had toegebracht, zonk hij op de knieën

en smeekte om genade. Terwijl hij daar geknield lag, viel zijn blik

op Enide en toen hij de uitdrukking van innige dankbaarheid over den

afloop van den strijd op hare ontspannen trekken las, besefte hij

eerst, hoe zij haren man met hart en ziel moest liefhebben, ook al

gaapte er op dat oogenblik een diepe kloof tusschen hen beiden. Hij

schaamde zich over zijn hartstocht van den vorigen avond, die hem

bijna tot zulk eene oneervolle daad had gebracht en zich omwendend,

beval hij zijnen ridders huiswaarts te keeren, waarheen hij hen

langzaam en in gedachten verzonken, volgde.

Erec en Enide zetten intusschen hunne reis verder ongehinderd voort,

tot zij aan eene breede rivier kwamen, aan welker oever een fraai

ridderslot was gelegen. Dicht onder de muren van het slot voerde

eene breede brug over den stroom en daar Erec niemand op de wallen

bespeurde, aan wien hij inlichtingen omtrent den te nemen weg kon

vragen, besloot hij, de rivier over te steken om te zien, wat zich aan

genen oever daarvan bevond. Nauwelijks echter had zijn rijpaard de brug

betreden, of een uitroep van Enide deed hem omzien. "Heer!" riep zij

uit, "ginds nadert een ruiter, blijkbaar de eigenaar van het kasteel,

tot wiens eigendommen ook deze brug schijnt te behooren. Zeker

wil hij u ter verantwoording roepen over het feit, dat gij zonder

zijne toestemming wilt trachten de rivier over te steken. Ik bid

u, wees voorzichtig en vermijd zoo mogelijk een nieuwen strijd,

nu gij nauwelijks van de vermoeienissen van een vorig gevecht zijt

bekomen." Uit hare woorden sprak zóó duidelijk hare bezorgdheid voor

hem, dat een warm gevoel van vreugde Erec doorstroomde. Had zij hem

dan tòch nog lief, na al hetgeen er gebeurd was en was het werkelijk

slechts vrees voor zijn leven en niet vrees voor haar eigen veiligheid

geweest, die haar ondanks zijn verbod tot spreken had gedwongen? Al

brak een straal van hoop door de duisternis, die Erec's ziel vervulde,

toch klonk zijne stem koel en hard als te voren, toen hij tot Enide

sprak: "Het schijnt nutteloos te zijn, u iets te gebieden, want keer

op keer overschrijdt gij mijne bevelen. Doe daarom voortaan, wat u

goed dunkt, ik zal er mij niet langer om bekommeren."

Bij deze woorden deed hij zijn paard op de brug omkeeren en reed

langzaam den naderenden ridder tegemoet.

Deze was zóó klein van gestalte, dat hij bijkans een dwerg geleek,

maar al was hij smal en nietig van bouw, toch glinsterden zijne oogen

van moed en strijdlust, toen hij Erec tot den kamp uitdaagde. De strijd

was spoedig beslist, de vreemde ridder moest weldra inzien, dat hij

tegen de meerdere kracht van zijn tegenstander niet bestand was. Hij

verdedigde zich echter met zulk een moed en volharding, dat Erec eene

groote bewondering in zich voelde opkomen voor den durf, waarmede

hij den ongelijken strijd was aangegaan. Hij weerhield zich dus van

hem te dooden en vergenoegde zich met hem zijn zwaard uit handen te

slaan. Daarop sprak hij: "Laat ons dezen onnutten strijd niet langer

voortzetten; de natuur heeft mij met meerdere lichaamsgrootte en kracht

bedeeld dan u; aan deze en aan geene andere oorzaken dank ik het, dat

ik in dezen strijd overwinnaar ben gebleven. Ik koester echter grooten

eerbied voor uw moed en dapperheid. Wanneer gij mij dus wilt toestaan,

uw vriend te worden, zal ik dit als eene hooge eer beschouwen!"

De aangesprokene nam zijn edelmoedig aanbod dankbaar aan; hij

verklaarde toen Guivret Le Petit te heeten en heer te zijn over

uitgestrekte landerijen in den omtrek. Nadat Erec zijn aanbod om

eenigen tijd zijn gast te zijn had afgeslagen onder voorwendsel, dat

dringende zaken hem elders riepen, namen de beide ridders afscheid

van elkander onder warme vriendschapsbetuigingen.

Na eenige uren rijdens kwamen Erec en Enide in een dicht woud,

waar zij zich slechts met moeite een weg door het kreupelhout konden

banen. Plotseling werd de diepe stilte om hen heen verbroken door een

luid gejammer, dat uit de struiken tot hen kwam. Op het hooren van

dit klagelijk geluid greep Erec terstond naar zijn zwaard en nadat

hij Enide bevolen had op hem te wachten, drong hij te paard door

het dichte struikgewas in de richting van het geluid. Spoedig kwam

hij aan eene open plek in het bosch, waar hij eene luid weenende

jonkvrouw op den grond vond uitgestrekt. Op zijn deelnemend

vragen vertelde zij hem, dat haar geliefde door twee reuzen was

weggevoerd, die hem met de vreeselijkste folteringen bedreigden en

die gezworen hadden terug te zullen keeren om ook haar hetzelfde

lot te doen ondergaan. Terstond beloofde Erec haar al het mogelijke

te zullen doen, om haren geliefde te bevrijden en nadat hij van de

ongelukkige eenige aanwijzingen had ontvangen omtrent de richting,

waarin de roovers vertrokken waren, begaf hij zich terstond op

weg. Inderdaad had hij nog niet lang gereden, toen hij op eenigen

afstand den ontvoerden ridder ontwaarde. Hij verkeerde werkelijk

in een deerniswekkenden toestand. Zijne beulen hadden hem, bijna

geheel ontkleed, op een rijpaard vastgebonden en liepen elk aan

een kant van hun slachtoffer, dat zij met hunne zware knuppels op

de vreeselijkste wijze mishandelden. Eene hevige verontwaardiging

maakte zich van Erec meester, toen hij dit erbarmelijk schouwspel

aanzag. In vliegende vaart stoof hij op de reuzen af en dezen, die in

't geheel niet voorbereid waren op zulk een onverwachten aanval, waren

er zóó door uit het veld geslagen, dat zij na een korten strijd luid

schreeuwend het hazenpad kozen. Erec's eerste werk was toen om den

vreemden ridder, die half bewusteloos op zijn paard hing, te ontdoen

van zijne knellende banden en te trachten hem tot bewustzijn terug te

brengen. Boven verwachting gelukte hem dit vrij spoedig. Hoewel zeer

stijf en pijnlijk, had de gevangen ridder geene enkele gevaarlijke

kneuzing opgeloopen en zoo kon hij aan Erec's arm strompelend de

plek bereiken, waar zijne geliefde hem wachtte. Het was roerend de

dankbaarheid der beiden jegens hun redder aan te zien. Zij vielen

voor Erec op de knieën, en kusten zijne handen, terwijl de tranen

van blijdschap en geluk hun over de wangen stroomden. Het werd Erec

bij het zien van hunne vreugde over het feit, dat zij voor elkander

behouden waren gebleven, vreemd te moede. Ook hem wachtte ginds eene

geliefde, die in spanning verkeerde over den afloop van het avontuur,

en al zou hare blijdschap over zijn behouden wederkeer niet zoo

uitbundig zijn als deze, toch,--dit voelde hij in 't diepst zijner

ziel als eene onomstootelijke waarheid--, zij zou haar in innigheid

zeer zeker evenaren, zoo niet overtreffen. Waarom kon hij dan den muur

niet breken, die hen scheidde en het woord van verzoening spreken,

dat haar in zijne armen zou voeren? Het was zijn gekrenkte trots,

die hem daarvan terughield en die meerdere boetedoening eischte van

de vrouw, die hem door hare woorden zoo diep beleedigd had. Hier werd

hij uit zijn gepeins opgeschrikt door den vreemden ridder, die zich

aan hem bekend maakte als Heer Cadroc van Tabriol en nu wederkeerig

wenschte te weten, welke de naam was van zijn bevrijder. Maar Erec,

wiens weeke stemming van zooeven weer geheel verdwenen was, weigerde

kortaf dien te noemen en beval Heer Cadroc naar het hof van koning

Arthur te gaan om hem aldaar te vernemen.

Na een hartelijk en dankbaar afscheid van de zijde der gelieven,

keerde hij naar de plaats terug, waar hij Enide had achtergelaten. Wie

zal de gevoelens van dankbare verlichting beschrijven, waarmede

deze haar echtgenoot ongedeerd uit het struikgewas te voorschijn zag

komen? Welke folteringen had zij gedurende zijne afwezigheid doorstaan

en hoe vaak was zij op het punt geweest hem in het gevaar te volgen,

liever dan die martelende onzekerheid langer te dragen! Al waagde

zij het niet, een woord te zeggen, toch gaf iedere trek van haar

gelaat, iedere beweging van hare gestalte uiting aan hare overgroote

vreugde, nu Erec, voor zoover zij zien kon, zonder letsel tot haar was

wedergekeerd. Deze laatste had intusschen onder het rijden bemerkt,

dat hij gekwetst was. Toen hij zijne hand aan zijne zijde bracht,

voelde hij hoe zijne kleeren op die plek kleefden van het bloed,

dat hem uit eene diepe wonde vloeide. Hij besloot echter met geen

woord hiervan te reppen en te wachten, tot zij aan eene geschikte

rustplaats kwamen, waar hij gelegenheid zou hebben, zijne wonde

zelf uit te wasschen en te verbinden. Het denkbeeld van zulk een

dienst onder deze omstandigheden door Enide te laten verrichten,

was hem ondragelijk. Met inspanning van al zijne krachten hield hij

zich dus in het zadel overeind, hoewel hij zich door het aanhoudend

bloedverlies steeds zwakker voelde worden. Enide reed intusschen in

bijna opgewekte stemming voort, zóó groot was de terugslag na haar

angst van zooeven. Daar hoorde zij een doffen slag achter zich en haar

hart stond bijna stil van schrik, toen zij, omziende, Erec naast zijn

paard op den grond zag liggen met gesloten oogen en doodsbleek gelaat.

In een oogwenk lag zij naast hem nedergeknield en terwijl zij

met geweld de snikken onderdrukte die haar in de keel kropten,

beproefde zij met alle middelen, die haar ten dienste stonden, om de

levensgeesten weer bij hem op te wekken. Maar tevergeefs; Erec sloeg

de oogen niet op en toen zij inzag, dat al haar pogen nutteloos was,

liet zij eindelijk haar tranen den vrijen loop en barstte los in een

hartstochtelijk weenen.

_Hoe Enide medegevoerd werd door den graaf van Limors en wat er

met haar in diens slot gebeurde._ Hoe lang zij daar zoo troosteloos

gezeten had met Erec's hoofd in haar schoot, kon zij zich later niet

herinneren; ten slotte geraakte zij in een toestand van verdooving,

waaruit ruwe stemmen haar deden opschrikken. Het was de graaf van

Limors, een roofridder uit een naburig kasteel, die met zijne

manschappen langs de plek kwam rijden, waar Enide bij het als

levenlooze lichaam van haren echtgenoot zat te klagen. De graaf

hield zijn paard in en vroeg Enide nieuwsgierig, wat er gebeurd

was. Zóó zeer werd hij bekoord door haar schoonheid, dat hij zijnen

dienaren beval, Erec op te nemen en hem voorzichtig naar zijn slot te

dragen. Eigenhandig hielp hij daarna Enide om haar paard te bestijgen

en voerde zoo de beiden met zich mede. In zijn slot aangekomen deed hij

het lichaam van Erec nederleggen op eene baar in de groote slotzaal;

Enide ruimde hij eene plaats in aan zijne zijde, waar hij haar met

beleefdheden overlaadde. De onverschilligheid, waarmede zij die in

ontvangst nam, spoorde hem tot steeds grooter voorkomendheid aan en

deed het vuur van zijn hartstocht aanwakkeren tot eene steeds hooger

oplaaiende vlam. Die vrouw moest en zou de zijne worden, en wilde

zij zulks niet goedschiks, dan zou hij haar wel weten te dwingen.

Na eenigen tijd werd het sein tot den maaltijd gegeven, waaraan ook

Enide gedwongen werd deel te nemen. Vol angst, de oogen in bange

vrees op de baar gericht, waar Erec lag, zat zij aan tafel, waar

zij alle spijzen ongebruikt aan zich voorbij liet gaan. Maar dit

was niet de bedoeling van den graaf. Met luider stem gelastte hij

haar om te eten en toen zij ronduit weigerde, dit te doen, zeggend,

dat zij niets wilde gebruiken, alvorens haar echtgenoot hiertoe ook

weer in staat was, liet de woesteling zich zoodanig door zijne woede

overmeesteren, dat hij haar met een ruwen vloek in het gezicht sloeg.

De ridders, die aan tafel waren gezeten, sprongen verontwaardigd

overeind; al waren zij gewend aan de woeste zeden en gebruiken in

het kasteel van hun meester, een dergelijk feit hadden zij toch

nog nooit beleefd! Met eenige heftige verwenschingen beval Limors

hun zich niet met zijne zaken te bemoeien en zóó zeer stonden zij

onder den dwang van zijne ruwe heerschappij, dat zij zwegen. Limors

wendde zich opnieuw tot Enide en gebood haar te eten, maar zijn

heerscherstoon en de aanmatigende wijze, waarop hij tot haar sprak,

deden in het hart der jonge vrouw den moed ontwaken, die eene lange

reeks van dappere voorvaderen haar als erfdeel hadden geschonken. Met

opgeheven hoofd en helder klinkende stem weigerde zij ten éénenmale,

om zijn bevel op te volgen en verweet hem op krachtige wijze zijne

onridderlijke houding tegenover eene zwakke, onbeschermde vrouw.

Limors begroette haar betoog met een schallend hoongelach. Wat kon

het hem schelen, of hij zich in hare oogen onridderlijk gedroeg? Zij

was immers in zijne macht en wanneer hij zulks wilde, kon hij dat

trotsche hoofd in een oogwenk doen buigen. Om haar zijne overmacht

te toonen gaf hij haar opnieuw een slag in het gezicht.

Toen eerst drong bij Enide het besef door, hoe volkomen zij aan hem

was overgeleverd. Indien de graaf nog den minsten twijfel gevoelde,

of Erec wel werkelijk dood was, zou hij zóó niet durven handelen. Het

moest dus inderdaad een feit zijn: haar geliefde was dood en zij--al

het vreeselijke van haar toestand werd haar nu eerst duidelijk! Onder

het slaken van een hartverscheurenden kreet zonk zij ineen.

Die kreet was hare redding. Hij drong door tot in Erec's brein,

de nevelen zijner bezwijming verscheurend en riep hem terug tot

het leven. Met één sprong was onze held overeind en bij den eersten

blik zag hij, wat er geschied was. Zijn zwaard grijpend stortte hij

zich op den graaf, die zich juist tot Enide wilde vooroverbuigen en

spleet hem met een enkelen slag van zijn wapen den schedel. Vol schrik

sprongen de aanwezigen van hunne zetels op; zij meenden niet anders,

of Erec was uit den dood opgestaan en onder angstig geschreeuw namen

allen de vlucht. Allen--behalve Enide, die in verstomming, maar

met een gevoel van onuitsprekelijke verlichting had toegezien. Zij

durfde nauwelijks hare oogen gelooven en vreesde bijna, dat het een

droom was, waaruit zij zoo straks tot de vreeselijke werkelijkheid

zou worden teruggeroepen. Maar neen, hij was het toch, Erec, haar

echtgenoot, haar geliefde, die met uitgestrekte handen op haar toetrad,

een glans van geluk in zijne oogen, haar in zijne armen nam en haar

toefluisterde: "Liefste! van nu af aan verdwijnen alle schaduwen van

vrees en wantrouwen tusschen ons. Als voorheen zullen wij elkander

liefhebben, al zal die liefde in de toekomst rekening hebben te

houden met de plichten, welke wij in de wereld moeten vervullen. Uwe

woorden van toen heb ik u vergeven, vergeef gij mij mijne hardheid

en wreedheid en laat ons te zamen een nieuw leven beginnen, waarin

de liefde ons niet langer omlaag zal trekken, maar integendeel ons

omhoog zal voeren tot meerdere eer en roem".

En Enide?--zij snikte zachtkens aan zijne borst, tranen van

dankbaarheid en geluk, over de herwonnen liefde van haar echtgenoot. In

't vervolg zou zij niet meer zooals vroeger al zijn doen en denken in

beslag nemen, maar zij zou hem steunen en troosten in zijn verdriet,

met hem jubelen over den roem, dien hij zou behalen, en hem in alles

ter zijde staan als eene trouwe, teedere echtgenoote.

Nu gold het voor hen beiden om weg te komen uit deze omgeving, vóór de

ridders, van hunnen eersten schrik bekomen, den dood van hun meester

wilden wreken. Op het voorplein vonden zij Erec's strijdros. In een

oogenblik zat onze held in het zadel en zich bukkend nam hij Enide

vóór zich op het paard. Zoo reden zij spoorslags de brug over, het

donkere bosch in, dat zich om het kasteel uitstrekte.

Onverschillig waar het lot hem heenvoerde, zoo het slechts uit de

nabijheid van het rooversnest Limors was, liet Erec de teugels van zijn

paard los hangen en stond het trouwe dier toe zijn eigen pad te kiezen

door de dichte duisternis van het woud. Enide lag stil en gelukkig

in zijne armen en onder het voortrijden fluisterde hij haar woorden

toe vol hartstocht en teederheid. Het samenzijn in het nachtelijk

bosch, waar alles om hen heen in rust verzonken lag, scheen hen nog

dichter tot elkander te brengen. Het was of de gansche wereld zich

had teruggetrokken, om hen beiden alleen te laten. Als in een droom

luisterde Enide naar de liefkoozende woorden van haren echtgenoot; na

de angst en spanning der laatste dagen scheen het of zij plotseling

van uit de woeste zee in een veilige haven was aangeland. Met een

zucht van welbehagen nestelde zij zich nog dichter in Erec's armen,

uit welke veilige schuilplaats geene macht ter wereld haar ooit meer

zou kunnen verdrijven.

Daar werd de doodsche stilte om hen heen verstoord door naderend

hoefgetrappel. Een ruiter naderde--maar met welke bedoelingen kwam

die in het holst van den nacht door het woud rijden? Ijlings lichtte

Erec zijne geliefde uit het zadel en verzocht haar zich achter de

zware boomen verscholen te houden, tot hij had uitgevorscht, wie

daar naderde. Mogelijk was het een der ridders van Limors, die zijn

meester kwam wreken!

Eene gedaante te paard kwam op Erec af en weldra bemerkte Enide uit het

wapengekletter en het snuiven der paarden, dat het tusschen Erec en den

onbekende tot een treffen was gekomen. Zij moest zich geweld aandoen om

het niet uit te gillen van angst; het was ook te wreed, het nauwelijks

herkregen geluk opnieuw in gevaar gebracht te zien. Bovendien wist

zij, dat Erec door het vele bloedverlies zeer verzwakt moest zijn,

wat haar het ergste deed vreezen. Inderdaad, haar vermoedens werden

slechts al te spoedig bewaarheid. In het onzekere maanlicht zag zij,

hoe haar echtgenoot zich al minder en minder krachtig tegen den regen

van slagen, die op hem neerviel, wist te verdedigen. Daar wankelde

hij in het zadel en daar--O, ontzetting! stortte hij met een doffen

smak op den grond.

Met een kreet sprong Enide van uit hare schuilplaats te voorschijn

en liep met opgeheven handen op den vreemden ridder toe: "Houd op,

houd op!" riep zij uit, "schaamt gij u niet een ridder, die zwaar

gewond en door bloedverlies uitgeput is, aan te vallen? Wilt gij uw

geweten nog verder bezwaren door een moord?"

De vreemdeling hield de teugels van zijn paard in en poogde tevergeefs

in het maanlicht de trekken der spreekster te onderscheiden. "Wie

zijt gij?" vroeg hij verbaasd, "en waar komt gij zoo plotseling

vandaan? Uwe stem heeft een bekenden klank. Spreek, hoe is uw naam

en die van uw begeleider?"

"Hij, dien gij zoo lafhartig hebt neergeveld," antwoordde Enide op

trotschen toon, "is prins Erec, de eenige zoon en erfgenaam van koning

Lac en ik ben Enide, zijne echtgenoote."

De onbekende slaakte een uitroep van ontsteltenis.

"Dan zijt gij het, dien ik zoek!" riep hij uit, "mijn vriend Erec,

die, zoo zeide men mij, door de roofridders van Limors gevankelijk was

medegevoerd en dien ik uit dat hol van verderf wilde bevrijden! God

geve, dat ik in mijne onbesuisdheid geen misdaad heb begaan!"

Dit zeggend, sprong Guivret Le Petit, want hij was het, van zijn

paard en liep naar de plaats, waar Erec ter aarde lag, maar de

trouwe Enide was hem vóórgeweest en lag reeds bij het lichaam van

haar echtgenoot nedergeknield. Met vereende krachten slaagden zij

er in, de levensgeesten bij Erec weder op te wekken. Met behulp van

eenige takken en Erec's mantel wist Guivret eene tent op te slaan,

waarin de gewonde werd neergelegd. Guivret waakte bij den ingang en

Enide bracht den nacht door aan de zijde van haar echtgenoot.

Toen de morgen daagde, stelde Guivret zijnen vrienden voor om hem te

vergezellen naar zijn slot Penevric, dat niet ver van daar gelegen

was. Ginds, zoo hoopte hij, zou Erec onder de goede zorgen van

Enide en Guivret's beide zusters spoedig geheel herstellen van de

doorgestane vermoeienissen.

Zoo gezegd, zoo gedaan.

In Penevric werden zij door de twee genoemde edelvrouwen op de

hartelijkste wijze ontvangen en al wilde Enide den persoonlijken zorg

van haren echtgenoot aan niemand anders overlaten, toch volgde zij

dankbaar de aanwijzingen harer gastvrouwen, die zich in de heelkunst

eene groote bekwaamheid hadden verworven. Spoedig waren Erec's wonden

geheel genezen en op een schoonen morgen namen onze held en heldin

afscheid van de gastvrije slotbewoners om de terugreis naar het hof

van Koning Arthur te ondernemen.

Op het laatste oogenblik vroeg Guivret verlof, hen daarheen te mogen

vergezellen, wat hem door Erec gaarne werd toegestaan.

_Van het avontuur, dat men de vreugde van het hof placht te noemen._

Aanvankelijk kenmerkte hunne gezamenlijke reis zich door geen enkel

avontuur, tot zij op zekeren avond vanaf den top van een heuvel een

ridderslot zagen liggen, aan alle zijden omgeven door water. Getroffen

door den fraaien bouw van het kasteel vroeg Erec aan zijn metgezel,

of deze hem ook zeggen kon, aan wien het slot toebehoorde. Guivret

vertelde hem daarop, dat het de burcht Brandigan was, het eigendom van

Koning Evrain. Terwijl hij dit zeide, scheen hij eenigszins verlegen;

het was bijna, of hij iets voor Erec verborgen hield. Dit prikkelde de

nieuwsgierigheid van onzen held en ten einde de oorzaak van Guivret's

geheimzinnige houding te ontdekken, gaf hij zijn voornemen te kennen

om in het slot een onderkomen voor den nacht te vragen.

Guivret geraakte over dit voorstel in groote opwinding; hij bezwoer

zijn vriend om zijn plan op te geven en liever in de open lucht

te overnachten, dan zich naar den burcht Brandigan te begeven. Op

Erec's dringend vragen, wat de reden mocht zijn van een dergelijk

vooroordeel tegen het kasteel en welke de gevaren konden zijn, die

hem daar wachtten, gaf hij eerst slechts ontwijkende antwoorden. Toen

Erec echter bleef aandringen, vertelde hij hem eindelijk, dat er aan

een bezoek op dit slot een avontuur verbonden was, hetwelk men de

Vreugde van het Hof noemde en waarvan nog geen enkel ridder behouden

was wedergekeerd. Hij smeekte Erec daarom, zich te bezinnen, eer het

te laat was en het slot voorbij te rijden, zonder af te stappen, want,

zoo zeide hij, elkeen, die in Brandigan te gast was, moest zich aan

het avontuur onderwerpen. Ook Enide zag haar echtgenoot smeekend aan,

maar zij weerhield zich een woord te spreken om hem van zijn voornemen

terug te brengen. Nooit moest hij ter wille van haar eene gelegenheid

laten voorbijgaan om zich roem te verwerven.

Erec aarzelde langen tijd; eenerzijds lokte hem het geheimzinnige

avontuur, anderzijds wilde hij zijn leven niet nutteloos in de

waagschaal stellen, vooral niet nu het nieuwe geluk er nieuwe

waarde aan schonk. Ten slotte werd de verleiding zich nog meer roem

te verschaffen hem te sterk en tevens vond hij het eene schoone

gelegenheid, om te bewijzen, dat zijne liefde voor Enide, hoe groot

en teeder die ook zijn mocht, niet langer zijne ridderplichten in

den weg stond. Vastberaden wendde hij zich tot Guivret en zeide hem

eene kans te willen wagen, om het avontuur tot een goed einde te

brengen. Daarna greep hij onder het rijden Enide's hand en sprak haar

moed in door woorden van troost en opbeuring.

In de stad gekomen, die om den burcht Brandigan was gelegen, werden

zij terstond omringd door eene luid klagende menigte. Op Guivret's

vraag, waarom zij zoo jammerden, gaf men hem ten antwoord, dat zulks

geschiedde uit mededoogen voor den schoonen, jongen ridder, wien zulk

een droevig lot te wachten stond.

Op het slot bereidde Koning Evrain hun een gul onthaal. Nadat de

reizigers zich door een stevig maal versterkt hadden, verzocht Erec

den vorst hem zonder omwegen mede te deelen, waarin het avontuur,

dat men de Vreugde van het Hof placht te noemen, bestond.

Alvorens hij aan zijn verzoek voldeed, waarschuwde Evrain zijn jongen

gast, zich nog eens goed te bedenken, waartoe hij zich verbond. Oudere,

meer ervaren ridders dan hij, hadden het avontuur ondernomen en geen

van hen was er heelhuids van teruggekeerd. Wilde hij toch eene kans

wagen, zoo moest hij zich bij het aanbreken van den dag gereed houden

en Evrain zelf zou hem de noodige inlichtingen geven omtrent de wijze,

waarop hij te werk moest gaan.

Erec bleef bij zijn eens genomen besluit en den volgenden morgen begaf

hij zich geheel gewapend op weg, vergezeld van koning Evrain en diens

gevolg. Alle menschen, die zij op hun weg ontmoetten, zagen Erec met

meewarige blikken aan en de vrouwen der hovelingen konden zich niet

weerhouden te weenen, wanneer zij aan het rampzalig einde dachten,

dat de jonge held tegemoet ging.

Even buiten de stad gekomen, stond de koning stil. Hij beduidde

zijn gevolg op hem te wachten en wenkte Erec en Enide om hem te

volgen. Nadat zij eenige minuten voortgegaan waren, werden zij

plotseling omgeven door een dichten nevel, die hun het verdergaan

belette. Toen sprak de koning plechtig: "Het oogenblik is gekomen,

waarop ik u zal mededeelen, waaruit het avontuur bestaat, dat men de

Vreugde van het Hof noemt. Daarom, luistert goed. Op eenige schreden

van hier bevindt zich een boomgaard, welke geheel omgeven is door

een ondoordringbaren muur van mist. Niemand dan ik kan u daarbinnen

toegang verschaffen. In dien boomgaard nu groeien winter en zomer de

schoonste bloemen en vruchten en de vogels zingen er, alsof het altijd

lente was. Toch schuilt te midden van dit bloeiende leven de dood met

al zijne verschrikkingen, hoe, dat zal ik u toonen!" Na deze woorden

gesproken te hebben, voerde de koning Erec en Enide dwars door den

dichten nevel in een waren toovertuin vol kleuren en geuren. Links

en rechts groeiden de fraaiste bloemen; tusschen de takken der

boomen bloosden de kostelijkste vruchten en een koor van jubelende

vogelstemmen scheen de binnenkomenden te begroeten. Plotseling

slaakte Enide een kreet van schrik en greep Erec bij den arm, hem met

ontsteld gelaat opmerkzaam makend op eene reeks palen, elk gekroond

met een afgeslagen menschenhoofd. De laatste van de rij alleen droeg

niet zulk een afgrijselijk versiersel, doch in plaats daarvan een

hoorn. Ook Erec kon eene rilling van afschuw niet onderdrukken en

zich tot den koning wendend, vroeg hij hem naar de beteekenis van dit

vreeselijk schouwspel. Evrain antwoordde: "Zeide ik u niet, dat de dood

u bedreigde temidden van al dit schoons? Deze hoofden hebben toebehoord

aan de ridders, die vóór u beproefd hebben het avontuur tot een goed

einde te brengen; gij ziet wat er van hen geworden is! De hoorn is

bestemd voor hem, die als overwinnaar uit den strijd te voorschijn

treedt; door hem te blazen, zult ge wijd en zijd verkondigen, dat

gij er in geslaagd zijt, de Vreugde van het Hof tot werkelijkheid te

maken. Wanneer gij echter niet gelukkiger zijt dan uwe voorgangers,

zoo zal nog heden uw hoofd prijken, waar thans de hoorn hangt en

voor dezen laatsten zal een nieuwe paal uit den grond verrijzen. Nu

weet gij alles; het verdere moet ge zelf ondervinden. Er blijft

mij slechts over u kracht en sterkte toe te wenschen en u in Gods

heilige hoede aan te bevelen. Neem thans afscheid van uwe geliefde,

ik zal haar bij de kromming van den weg afwachten. Vaarwel!"

Toen de koning heengegaan was, nam Erec zijne vrouw in zijne armen

en omhelsde haar innig. Hij kon daarbij niet beletten, dat de tranen

van aandoening hem over de wangen stroomden. In het aangezicht van

den dood, met die afgrijselijke staken vóór zich, kwam het leven hem

dubbel schoon en begeerenswaard voor en bijna berouwde het hem, niet

naar Guivret's raad geluisterd te hebben. Hij bedwong echter zijne

smart zooveel hij kon om het afscheid voor Enide niet nog moeilijker

te maken en poogde haar met opbeurende woorden moed in te spreken,

hoe zwaar hem dit ook viel.

Eindelijk scheidden zij; Enide liep met wankelende schreden het pad

af, waarlangs zij gekomen waren en Erec ging den boomgaard verder

in. Voorzichtig naar alle kanten spiedend of er ook gevaar dreigde,

het getrokken zwaard in de hand, liep hij verder, tot hij, een hoek

omslaande, plotseling vol verrassing stilstond.

Eenige passen voor hem uit, onder de breede kruin van een wilden

vijgeboom, stond een zilveren bed, dat rustte op vier gouden

voetstukken. Daarin lag eene jonkvrouw, naar het scheen in diepen slaap

verzonken. Nieuwsgierig trad Erec naderbij om het vreemde schouwspel

nader te onderzoeken, toen plotseling uit de struiken een ridder

te voorschijn schoot, gekleed in eene vuurroode wapenrusting. Met

donderende stem beval hij Erec hem genoegdoening te verschaffen over

dit schaamtelooze binnendringen in het heiligdom zijner geliefde.

In den strijd, die weldra tusschen hen ontbrandde, bemerkte Erec al

spoedig, dat hij nog nooit zulk een geweldig tegenstander had gehad

als nu. De vreemdeling was zijn meerdere zoowel in grootte, als ook

in lichaamssterkte, Erec daarentegen won het in vlugheid van beweging.

Lang duurde de strijd; het zweet liep den beiden ridders in stroomen

langs het gelaat, hun adem kwam hijgend en zwoegend, terwijl zij steeds

weer in verblinde woede op elkander indrongen. Eindelijk begon Erec's

tegenstander sporen van vermoeidheid te vertoonen, zijne bewegingen

werden langzamer en zijne slagen verminderden in hevigheid. Dit

bemerkend, verdubbelde Erec zijne inspanning. Zijne laatste krachten

bijeenrapend stormde hij nogmaals op zijn vijand los en wist hem met

eenen handigen stoot van zijn zwaard het evenwicht te doen verliezen.

Toen hij zijn tegenstander voor zich op de knieën zag vallen,

stak Erec met een gevoel van groote dankbaarheid zijn zwaard in

de schede, reikte den overwonnene de hand en beduidde hem op te

staan. De vreemdeling rees verheugd overeind en dankte Erec voor diens

ridderlijk optreden. Tevens verzocht hij hem zijn naam te noemen,

opdat hij weten zou, wie hem overwonnen had. Erec zeide hem dien, maar

verlangde wederkeerig van hem te vernemen, met welk doel hij zich in

den boomgaard bevond en waarom men het avontuur, dat hem derwaarts

had gevoerd, de Vreugde van het Hof noemde. Hierop antwoordde de

vreemdeling hem als volgt: "Mijn naam is Mabonagrain; ik ben afkomstig

uit een naburig hertogdom, en een jongere zoon van den regeerenden

hertog. Van mijne jeugd af, zoolang ik mij herinneren kan, had ik de

jonkvrouw lief, die daar ginds op het rustbed ligt. Zij beminde mij

eveneens en beiden haakten wij naar het oogenblik, waarop onze levens

voorgoed aan elkander verbonden zouden worden. In afwachting van dien

dag eischte zij echter van mij, dat ik alle plichten en genoegens,

die mij van hare zijde wegriepen, om harentwil zou opgeven. Het

onredelijke van haar verzoek en de onmogelijkheid om er mij steeds aan

te houden waren aanleiding tot twisten en oneenigheid tusschen ons,

wat ons geluk verstoorde. Meestal was ik het, die toegaf, want ik

kon het niet over mij verkrijgen om haar, die ik boven alles beminde,

eenig verdriet aan te doen. Zoo naderde onze huwelijksdag. Op den avond

tevoren, toen wij ons in den tuin van het slot haars vaders bevonden,

vroeg ze mij, haar eene gunst te willen bewijzen. Verliefde dwaas,

die ik was, zwoer ik een duren eed, dat ik elk verzoek, hetwelk ze

mij doen mocht, onvoorwaardelijk zou inwilligen. Weinig dacht ik,

dat zij zóó berekenend en listig zou zijn om misbruik te maken van

mijne opgewonden stemming. Toch was dit het geval. De gunst, welke ze

mij verzocht, was niets minder dan eene belofte mijnerzijds om mijn

gansche leven met haar in dezen boomgaard te slijten. Bovendien moest

ik elken ridder, die hier binnendrong, uitdagen tot een tweegevecht

en slechts wanneer ik daarin verslagen werd, stond zij mij toe den

boomgaard te verlaten. Ik had mijn woord verpand en moest dus doen,

wat van mij gevraagd werd; maar meen niet, dat het met mijne instemming

geschiedde! Menigmaal heb ik terugverlangd naar het volle leven aan

gene zijde van den nevelmuur en vaak heeft het mij verdroten, dat om

mijnentwil, of eigenlijk ter voldoening aan de gril eener zelfzuchtige

vrouw, zoovele wakkere mannen het leven moesten laten. Thans echter

is mijne ballingschap voorbij! Ziet, ginds trekken de nevelwolken

tusschen de boomen omhoog! Voortaan zullen de voorbijtrekkende ridders

veilig kunnen vertoeven in het slot van Koning Evrain, de ommuurde

boomgaard met zijne grimmige heg van doodshoofden zal verdwijnen en

de druk van geheimzinnigheid en doodsgevaar zal van het land worden

weggenomen. Wanneer gij dit alles door een stoot op den hoorn aan

de omgeving bekend maakt, zult gij inderdaad de brenger zijn van

"de Vreugde van het Hof!" Daarom verzoek ik u niet langer te dralen

en het teeken te geven tot mijne bevrijding!"

Daarop begaven de beide ridders zich naar de plaats, waar de hoorn aan

den staak hing en weldra verkondigde een lustig geschal den goeden

afloop van het avontuur aan de angstig wachtenden daarbuiten. Toen

de laatste tonen wegstierven, verdwenen ook de laatste nevelsluiers

tusschen de struiken en de boomgaard lag open voor de oogen der

hovelingen. Vol blijdschap stroomde het gansche gezelschap naar binnen,

voorop Enide aan den arm van Koning Evrain met den trouwen Guivret

aan hare zijde.

Wat een vreugde en geluk, toen Erec hen ongedeerd tegemoet trad en

met welk eene belangstelling luisterde men naar het verslag van zijn

wedervaren! Alle aanwezigen drukten hem de hand en gevoelden behoefte

om hem te danken voor wat hij gedaan had; een ieder roemde om strijd

zijne dapperheid. Ook Mabonagrain werd vriendelijk begroet, toen men

zijne geschiedenis van Erec vernomen had; dat hij zelf innig verblijd

was over zijne bevrijding stond duidelijk op zijne gelaatstrekken

te lezen.

Zoo betoonden allen zich verheugd over den uitslag van het gebeurde,

behalve ééne en dat was de geliefde van Mabonagrain. Zij besefte maar

al te goed, dat zij door hetgeen er geschied was, de macht over haren

echtgenoot grootendeels verloren had en tevens vreesde zij met recht,

dat zijne liefde voor haar door hare zelfzuchtige dwingelandij zeer

geleden zou hebben. Somber zat zij in een hoek van het vertrek, waar

de anderen feestvierden, en peinsde over haar toekomstig leven. Daar

vond Enide haar en de jonge vrouw, die zelve zoo innig gelukkig was,

beijverde zich terstond om haar te troosten en op te beuren. Zij

vertelde haar van het leed, dat zij had moeten doorworstelen, alvorens

zij geleerd had, de behoeften aan geluk van haren echtgenoot te stellen

boven de hare. Zij wees er de mismoedige op, dat het leven van een

man niet enkel gevuld kan worden door liefde, dat het ook verlangen

heeft naar roem en eerbetoon, wat voor eene vrouwenziel onbegrijpelijk

is. Waar de bevrediging dier verlangens echter bijdraagt tot zijn

geluk is het de plicht der vrouw om ze in hem aan te wakkeren, ook al

handelt zij daardoor schijnbaar tegen haar eigen belangen in. De eenige

ware manier, zoo besloot Enide, om gelukkig te worden, is te trachten

zichzelf te vergeten en slechts te leven om anderen gelukkig te maken.

Nadat zij was heengegaan, om zich bij het vroolijke gezelschap aan

tafel te voegen, waarheen Erec haar riep, bleef de andere jonge vrouw

nog langen tijd in gemijmer verzonken. Enide's woorden hadden haar

wakker geschud uit hare ijdele zelfzucht en toen zij zich dien avond

te slapen legde, was het met een hart vol goeden wil. Zij nam zich

ernstig voor om goed te maken, wat zij jegens haren echtgenoot had

misdreven en te trachten, door een nieuw leven vol zorg en toewijding

zijne liefde te herwinnen.

Erec en Enide begaven zich den volgenden morgen opnieuw op weg,

vergezeld door Guivret Le Petit. Na eenige dagen reizens kwamen zij

in Cardiff aan, waar zij met groote vreugde door koning Arthur werden

begroet. Aan zijn hof bleven zij vertoeven, totdat eenige jaren later

het bericht van den dood van Erec's vader onzen held naar zijn eigen

land terugriep. Daar aanvaardde hij het bestuur over zijn volk, dat

hij tot in hoogen ouderdom met wijsheid wist te regeeren. Steeds bleef

hij gelukkig in zijn huwelijk met Enide en toen de jaren verliepen,

groeide er een jong en krachtig kroost rondom hen op, dat door zijne

frissche jeugd hun de zorgen des ouderdoms verlichtte.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 22 / 56 题