Toen Isolde in het slot te Tintagel was teruggekeerd, zond zij terstond
Brangwaine met eene boodschap naar Tristan om hem uit te noodigen
tot een laatste samenzijn, alvorens hij het land zou verlaten.--De
tuinen om het paleis lagen te stoven in zomersche hitte, toen de beide
gelieven zich naar de afgesproken plek begaven. Geen windje beroerde
het dichte loof der boomen, de zon schoot hare verzengende stralen
neer op bloemen en struiken; mensch en dier zochten tevergeefs naar
eene koele plek om de brandende hitte voor eene wijle te ontvluchten.
Brangwaine had de wacht betrokken voor den ingang van den boomgaard,
waar Tristan en Isolde hun laatste, bitter-zoete samenzijn
genoten. Alle inwoners van het slot hadden zich in de koele zalen
teruggetrokken, niemand dreigde dus hen te storen. Nog éénmaal hield
Tristan Isolde in zijne armen, nog éénmaal spraken zij over hunne
liefde en de pijn en zaligheid, welke deze hun gebracht had, daarop
stak de koningin Tristan eenen ring aan den vinger, waarmede hij
haar, waar hij zich ook bevond, tot zich kon roepen, indien hij hare
tegenwoordigheid om de een of andere reden dringend vereischte. In
ruil voor dit geschenk vroeg zij Tristan, haar zijnen hond Husdan
af te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldeed. Zoo spraken zij
over het naderend afscheid en zwoeren elkander onwankelbare trouw,
tot zij eindelijk, uitgeput door de groote hitte en de aandoeningen,
welke zij doorstaan hadden, in elkanders armen in slaap vielen.
Eenigen tijd nadien begaf koning Mark, die ongerust begon te worden
over het lang uitblijven der koningin, zich in den tuin om Isolde te
zoeken. Een dienaar, dien hij daar ontmoette, verwees hem naar den
boomgaard, waar hij meende de koningin te hebben zien binnengaan. De
koning wendde zijne schreden daarheen, ging de doodelijk verschrikte
Brangwaine met een vriendelijken groet voorbij en trad den boomgaard
binnen, weinig vermoedend, welk een vreeselijke aanblik hem daar
wachtte.
Zoo gebeurde het, dat, juist toen koning Mark volle zekerheid
meende te hebben verkregen omtrent de onschuld zijner gemalin,
juist toen Tristan en Isolde elkander voor eeuwig vaarwel hadden
gezegd, de beide gelieven werden ontdekt. Bij eene kronkeling in
het pad ontdekte koning Mark hunne gestalten, rustend in het gras
onder de groene vruchtboomen. In enge omarming hielden zij elkander
omstrengeld, hunne hoofden waren dicht te zamen gevlijd en hunne
monden waren vereenigd in een kus. Mark streek zich verward over
het voorhoofd. Droomde of waakte hij? Waren dit inderdaad Isolde,
zijne geliefde gemalin, en Tristan, zijn neef, die hem dierbaarder was
dan zijn eigen zoon? Was het dus toch waar, wat de baronnen over hen
gezegd hadden? Vol afgrijzen, met de handen in wanhoop omhoog geheven,
ijlde de koning terug naar zijn paleis om getuigen te halen bij dit
ontzettend schouwspel. Het geluid zijner wegsnellende voetstappen
deed Tristan ontwaken, nog juist zag hij de gedaante des konings om
den hoek van het pad verdwijnen. In een oogwenk was hij overeind en
wekte Isolde. "Vlug, liefste, wij zijn ontdekt! Uw echtgenoot is hier
geweest en is nu heengegaan om getuigen te halen. Vóór hij terugkomt,
moet ik verdwenen zijn!" Nog ééne omarming, een laatste stamelen van
den geliefden naam en Tristan verdween tusschen de boomen.
Toen de koning spoedig daarop in den boomgaard trad, gevolgd door
eene schaar van edelen en baronnen, lag Isolde in slapende houding
in het gras. Het hoofd met de golvende blonde haren rustte op haren
arm en zij ademde kalm en rustig als een kind. Weinig vermoedden zij,
die haar zoo zagen liggen, dat stormen van hartstocht en verlangen
door haar hart joegen en dat hare ziel tot stervens toe bedroefd was.
Sprakeloos van verbazing zag koning Mark neer op het liefelijk beeld
der slapende. Was het dan slechts een droom geweest, het vreeselijk
visioen, dat in vlammende lijnen in zijn brein gegrift stond? De
baronnen konden een glimlach niet onderdrukken, toen zij den verbaasd
ontstelden blik des konings ontmoetten en Dinas van Lidan riep uit:
"Het is slechts een gevolg van uw overspannen geestestoestand geweest,
Sire, die u schimmen voor den geest toovert en ze u voor werkelijkheid
doet aanzien. Wij allen weten immers, dat Tristan na den terugkeer
der koningin het land heeft verlaten. Wij allen weten ook, dat uwe
gemalin rein en onschuldig is, wilt gij dan nog sterker bewijs dan
dat van de onlangs doorstane vuurproef? Bedwing toch uw wantrouwen,
Sire, het voert u op dwaalwegen en doet uwe wijsheid geen eer aan!"
Beschaamd hoorde de koning deze woorden aan en wendde zich af,
overtuigd, dat Heer Dinas inderdaad waarheid had gesproken.
_Hoe Tristan rondzwierf in vreemde landen en hoe hij tevergeefs
trachtte om zijne geliefde te vergeten._ Tristan reisde over de zee
en kwam in het land van een jongen hertog, Gilain genaamd, wien
hij zijne diensten aanbood. Weldra maakte hij zich beroemd door
zijne daden van dapperheid en hertog Gilain kreeg hem lief als een
broeder. Tevergeefs beproefde Gilain de somberheid, die op het gelaat
van zijn vriend zetelde, door scherts en lach te verdrijven, steeds
bleef Tristan neerslachtig en terneergedrukt. Hij begaf zich temidden
van het volle, woelige leven, om die ééne stem in zijn binnenste
tot zwijgen te brengen, de lokkende stem van Isolde van Ierland,
maar het gelukte hem niet. Nu had hertog Gilain eenigen tijd tevoren
een wonderbaar geschenk ontvangen van eene fee uit het eiland Thule,
die hem reeds lang in stilte beminde. Het was een tooverhondje,
Petitcrû genaamd. Het diertje was vervaardigd uit verschillende
soorten van edelgesteenten en om den hals droeg het een band, waar
zilveren klokjes aan bengelden. Wie nu die klokjes liet luiden,
vergat als door een tooverslag al het leed, dat hem ooit wedervaren
was, en zijne ziel werd licht als die van een kind.
Eens op een dag kwam Gilain tot Tristan en gaf hem het hondje met
de woorden: "Neem gij dit kleinood van mij aan, dat mij liever is
dan iets ter wereld. Ik ben jong en heb geen toovermiddel noodig,
om vroolijk te zijn. Gij echter, die de smarten des levens hebt
leeren kennen, kunt door de toovermacht, die er aan verbonden is,
uwe zorgen vergeten en blij en vroolijk worden als weleer."
Diep getroffen dankte Tristan zijn gastheer voor diens waardevol
geschenk en voegde er aan toe: "Niet voor mij goede vriend, maar voor
eene edele koningin, die onder zwaar leed gebukt gaat, neem ik het
dankbaar van u aan!"
Daarna zond hij Gouvernail met het hondje naar Isolde om het haar uit
zijn naam aan te bieden. Na veel moeite slaagde de trouwe dienaar erin,
het de koningin in handen te geven, en van dit oogenblik af keerden de
glans in Isolde's oogen en de blos op hare wangen terug. Zij liet een
kostbaar kastje van blank ivoor vervaardigen, waarin zij het hondje
steeds met zich droeg. Telkens weer liet zij de zilveren schelletjes
klinken en wanneer zij zich dan zoo vroolijk en opgeruimd gevoelde
als zij in langen tijd niet geweest was, schreef ze dit toe aan het
feit, dat zij bij het hooren ervan aan Tristan dacht, die het haar
gegeven had.
Maar allengs bemerkte zij, dat het beeld van haren geliefde voor haren
geest steeds flauwer en flauwer werd en dat zij zich, bij het luisteren
naar de klokjes, zijne trekken nauwelijks meer voor oogen wist te
halen. Toen begreep zij, dat zij hare terugkeerende opgewektheid aan
eene betoovering dankte, die van het geschenk scheen uit te gaan.
Dadelijk was haar besluit genomen. Nooit zou het hart van Tristan
tevergeefs het hare zoeken; liever wilde zij den lijdensbeker, dien
zij aan de lippen gezet had, tot den bodem ledigen. Zij maakte den
band, die om den hals van het hondje was gebonden los, en wierp de
zilveren klokjes uit het open venster in zee. De bittere droefheid,
die daarna opnieuw haar hart binnensloop, was haar liever dan de
zorgelooze blijheid der laatste weken, die haar van haren geliefde
had pogen te vervreemden.
Tristan zwierf intusschen in den vreemde rond en poogde tevergeefs
in het dichtst van het krijgsgewoel vergetelheid te vinden voor de
liefdesmart, die hem het leven tot een last maakte. Wijde landstreken
en breede stroomen, bergen en dalen plaatste hij tusschen zijne
geliefde en zichzelf, maar alles tevergeefs; zijne ziel bleef
in kluisters gebonden voor de poorten van Tintagel. Wel verwierf
hij zich roem en eer, wel huldigde men hem om zijne dapperheid en
krijgsmansgaven, maar dit alles had geene waarde voor hem en hij
bleef steeds somber en terneergedrukt.
Na maandenlange omzwervingen kwam hij in het rijk van den ouden
graaf van Bretagne, wiens eigendommen bedreigd werden door een
zijner vazallen, Heer Riol. Daar Tristan het zich steeds tot taak
stelde om de verdrukten te helpen en te strijden voor het recht,
besloot hij den hertog te hulp te komen. Deze was door den vijand
teruggedrongen in eene zijner laatste versterkingen, een machtigen
burcht aan de rotsige kust van Bretagne. Door het nachtelijk duister
beschermd slaagden Tristan en Gouvernail erin, zich toegang tot het
slot te verschaffen, na de wachters overtuigd te hebben van hunne
vriendschappelijke bedoelingen. Met luid gejubel werden zij door den
ouden graaf en zijn zoon Kaherdin begroet; de naam van Tristan was hun
goed bekend en waarborgde hun een machtigen steun. De jonge Kaherdin,
die terstond eene groote vereering voor den beroemden gast opvatte,
nam hem met zich mede en leidde hem rond door het gansche kasteel. Zoo
kwamen zij ook in het vrouwenvertrek, waar Kaherdin's moeder en zuster
bezig waren met op een vergulden achtergrond bontgekleurde vogels en
bloemen te borduren.
Vol trots maakte Kaherdin zijn gast op het fijne naaldwerk
opmerkzaam. "Wat dunkt u van dit fraaie stiksel?" sprak hij tot
Tristan, "is het niet fijn en kunstvol? Toch bevallen mij nog beter
de figuren, die mijne zuster met hare slanke vingeren op het doek
weet te tooveren. Zeg mij, edele Heer, heb ik geen gelijk wanneer ik
haar Isolde met de Blanke Handen noem?"
Een hevige schok doortrilde onzen held, toen hij zoo plotseling den
geliefden naam hoorde noemen en met een langen, doordringenden blik
zag hij het jonge meisje aan, die zoo heette. Voorwaar, als iemand het
waard was, dien dierbaren naam te dragen, dan was zij het, die hier
voor hem zat en onder zijn blik bedeesd de oogen neersloeg. Zij was
fijn en tenger van gestalte, de jonge gravin; onder hare donkere haren
zagen hare oogen met eene uitdrukking van rein en kinderlijk vertrouwen
de wereld in en om haar mond speelde een zachte glimlach. Men kon het
haar aanzien, dat zij tot dusverre bewaard was gebleven voor hevige
aandoeningen van smart en vreugde en dat de stormen des levens hare
jeugdige ziel tot heden onberoerd hadden gelaten.
Weldra gevoelde Tristan zich geheel thuis in het gezin van den
graaf. Aan het hoofd der dappere bezetting waagde hij menigen
goedgeslaagden uitval in het kamp van Heer Riol en deed vele van diens
krijgsknechten sneuvelen. Tusschen hem en Kaherdin was eene hechte
vriendschap ontstaan, die door de gezamenlijk volbrachte wapenfeiten
tot een steeds inniger band aangroeide.
Wanneer zijne krijgsmansplichten hem niet opvorderden, bracht Tristan
meerendeels zijn tijd door in het vrouwenvertrek. Uren lang kon hij
peinzend toezien, hoe Isolde's blanke handen over het borduurraam heen
en weer bewogen. Ook nam hij dikwijls zijne harp ter hand om haar een
lied voor te zingen, dan bleven de vingeren der jonge gravin rusten
in haren schoot en hingen hare oogen aan de lippen van den vreemden
ridder, die zulke wonderschoone wijzen wist te zingen. Dikwijls werd
in die liederen de naam Isolde genoemd en dan kwam er een plotselinge
glans in de oogen van den zanger, die zijne toehoordster verlegen
maakte en haar haastig naar de naald deed grijpen, om haar blozend
gelaat aan zijne blikken te onttrekken. Zij, die haar liefhadden,
hare ouders en Kaherdin, verheugden zich over deze teekenen van een
inniger verstandhouding tusschen Isolde en den edelen gast. Wien zouden
zij liever hunne dochter en zuster toevertrouwen dan aan Tristan,
den dappersten en hoffelijksten aller ridders! En onze held zelf?
Wanneer hij in stille achtermiddagen, als het strijdgedruisch om de
muren van den burcht eene wijle verstomd was, aan de zijde van het
jonge meisje zat en zwijgend toezag, hoe hare blanke handen speelden
tusschen de zijden draden van haar werk, beving hem een gevoel van
welbehagen, van innige rust en kalmte, en ging het hem als een zeeman,
die na langen strijd tegen de woelige baren zijn vaartuig eindelijk
in eene veilige haven voelt binnenloopen. Dit jonge meisje, dat zoo
weinig vroeg, dat hem steeds vriendelijk en met zachte toegevendheid
tegemoetkwam, bekoorde hem, zooals de onschuld van een kind den man
bekoort, die het leven met al zijn schijn en leugen heeft leeren
haten. Wanneer Isolde hem dan aanzag met haren reinen, teederen blik,
die zoo duidelijk verried, wat er in hare ziel omging, doemde voor
een oogenblik bij Tristan de gedachte op aan een mogelijk huwelijk met
haar, waarin een kalm en rustig geluk zijn deel zou worden. Maar--dan
werden steeds met volle kracht de oude herinneringen in hem wakker en
met verontwaardiging verwierp hij eene dergelijke gedachte weer. Wat,
zou hij ontrouw worden aan zijne geliefde, die hij gezworen had,
voor eeuwig te zullen beminnen? Voor zijn geestesoog vergeleek hij
de beide Isoldes. Hoe zonk het jonge meisje ondanks al hare slanke
gratie in het niet bij de koninklijke gestalte van Isolde van Ierland,
hoe weinig wist dit schuchtere kind van de liefde tusschen man en
vrouw, van de hoogten van hartstocht en de diepe valleien van zoeten
weemoed, waarlangs zijne geliefde en hij te zamen gegaan waren. Hoe
kon hij, die het geluk eens in de opperste volmaking gekend had, zich
tevreden stellen met wat daarvan slechts een poovere weerschijn kon
zijn? Wanneer dergelijke gedachten zijn brein doorkruisten, placht
hij het gezelschap der jonge gravin te vermijden; uren lang liep hij
dan rond op de wallen en in de tuinen van den burcht en niemand waagde
het in die oogenblikken hem te storen, zóó somber lichtten zijne oogen!
Toch keerde hij dan na eenige dagen weer bij Isolde terug, die hem
steeds met onverholen blijdschap placht te begroeten. Als balsem
vielen hare vriendelijke woorden in zijne gewonde ziel en spraken
tot hem van berusting in het onvermijdelijke en van hoop op eene
nieuwe toekomst. In die stemming placht hij zijne gedachten aan
een mogelijk geluk te verontschuldigen door zich wijs te maken, dat
Isolde van Ierland hem misschien reeds lang vergeten had, dat zij in
zijne afwezigheid zich had laten troosten door haren echtgenoot en
dat de zilveren klokjes van Petitcrû hare smart in blijdschap hadden
doen verkeeren.
De strijd om het kasteel werd met wisselend succes gevoerd, tot
eindelijk Heer Riol, wien het langdurig beleg begon te mishagen, eene
laatste kans besloot te wagen om den burcht te veroveren. In alle
stilte beraamde hij een nachtelijken aanval, die van alle zijden
tegelijk moest worden uitgevoerd, maar de belegerden ontdekten
nog tijdig zijnen toeleg en besloten hem vóór te zijn. In twee
afdeelingen, onder aanvoering van Tristan en Kaherdin, stormde de
wakkere bezetting de poorten van het slot uit, terwijl zij door luid
krijgsgeschreeuw bij den vijand den indruk trachtten te vestigen,
dat zij in aantal aanmerkelijk sterker waren, dan inderdaad het
geval was. In eene niet te stremmen vaart leidden de beide vrienden
hunne volgelingen tot midden in de vijandelijke legerplaats. Wel
werden zij van alle kanten met pijlen en lansen bestookt, maar als
dooreen wonder bleven de beide aanvoerders gespaard. Met den kreet
van "Tristan! Kaherdin!" volgden de getrouwen van den graaf en bij
het hooren van Tristan's naam verspreidden zich schrik en ontzetting
onder de vijandelijke gelederen. Toen onze held kort daarop met zijn
zwaard Heer Riol doodde, was het gedaan met het uithoudingsvermogen
van de huurtroepen des hertogen. In wilde wanorde sloegen zij op de
vlucht, het geheele kamp en het lijk van hun meester in de handen
hunner vijanden latend.
Groot was de vreugde in het slot over de wonderbaarlijke bevrijding en
in rumoerige feestgelagen huldigde men Tristan als den redder uit den
nood. Dien avond nam Kaherdin zijn vader ter zijde en sprak tot hem:
"Vader, wat zou, dunkt u, eene passende belooning zijn voor al wat
Tristan voor ons gedaan heeft? Zonder hem zouden wij zeker in handen
onzer vijanden zijn gevallen. Is het dan niet zaak, hem door eene
kostbare gift aan ons huis en ons land te binden, zoodat wij ook in
de toekomst op zijn sterken arm zullen mogen rekenen? Gij weet, welke
de kostbare gift is, die ik bedoel, ook gij hebt u verheugd in de
groeiende genegenheid tusschen Isolde en onzen gast. Aan wien zouden
wij haar beter kunnen afstaan dan aan Tristan?" "Gij hebt gelijk,
mijn zoon!" antwoordde de grijze graaf, "nog hedenavond zal ik met
Tristan spreken en indien onze vermoedens waar blijken te zijn, zal
niets mij gelukkiger maken dan mijne dochter aan de zijde van dien
edelen man te zien."
Hij hield woord. Nog dienzelfden avond bood hij Tristan in
tegenwoordigheid van zijn geheele gevolg in plechtige bewoordingen
de hand zijner dochter aan.
Schuchter en blozend zat Isolde aan de zijde harer moeder; toen haar
vader opgehouden had met spreken en alle aanwezigen in gespannen
verwachting het antwoord van Tristan verbeidden, hield zij hare oogen
neergeslagen en drukte de hand tegen haar hart om het angstig kloppen
tegen te gaan. Tristan zag onwillekeurig hare richting uit en terstond,
als voelde zij zijn blik op zich rusten, sloeg zij de oogen op en zag
hem aan. In dien blik las Tristan zóóveel liefde en aanhankelijkheid,
zóóveel hoop op de toekomst en bovenal zóóveel roerend vertrouwen
in het antwoord, dat hij geven zou, dat hij daaraan geen weerstand
kon bieden. Hij trad op Isolde toe, nam haar bij de hand en voerde
haar naar haren vader, wien hij met ontroerde stem om zijnen zegen
smeekte. Terwijl hij dit deed, scheen het of eene weldadige kalmte
zich over zijn gansche wezen verspreidde, die de stormen in zijn
gemoed deed bedaren en hem vertrouwen schonk op de toekomst.
In wijdsche praal en luister werden de bruiloftsfeesten gevierd en ten
slotte was het oogenblik gekomen, waarop men de jonggehuwden in het
bruidsvertrek alleen liet. Toen Tristan zich ontdeed van zijn zijden
overkleed, bleef de ring, dien Isolde van Ierland hem tot afscheid
geboden had, toevallig haken en gleed van zijn vinger. Rinkelend viel
het sieraad op den vloer van het vertrek.
Haastig bukkend raapte hij den ring op en stak hem weer aan zijne
hand. Peinzend bleef zijn oog hangen aan den fonkelenden steen,
die een blauw-groenen glans afwierp. Blauw de kleur der trouw,
die ondanks scheiding en gemis het hart warm doet kloppen voor de
afwezige geliefde; groen de tint der hope, die de ziel doet uitzien
naar een wederzien in de toekomst, waarin het leed om de gedwongen
scheiding vergoeding zal vinden. Hoe had hij, Tristan, die gevoelens
van trouw en hoop verzaakt! Daar stond hij nu naast zijne schoone,
jonge vrouw, gereed een nieuw leven te beginnen en daar ginds in het
slot van Tintagel, waakte zijne geliefde en bad tot God, dat Hij hem
zou behoeden voor gevaren en hem tot steun zou zijn op zijn eenzamen
levensweg. Weinig vermoedde zij, dat die weg niet langer eenzaam
was en dat eene andere haar plaats in zijn hart had ingenomen. Een
stroom van herinneringen brak zich baan in Tristan's hart en vóór
alles verrees in scherpe lijnen voor zijn geestesoog het beeld van
zijn laatste samenzijn met Isolde van Ierland in den paleistuin te
Tintagel, toen zij hem den ring had geschonken. Hij doorleefde weer
die oogenblikken van hoogste zaligheid; hij zag weer het dierbare
gelaat zijner geliefde, bleek van sidderenden hartstocht, hij hoorde
hare stem die hem eeuwige trouw beloofde.
Daar riep eene stem aan zijn oor hem tot de werkelijkheid
terug. "Tristan, geliefde, wat deert u?" zoo klonk het zacht en vóór
hem stond zijne jonge vrouw. Als vertwijfeld zag Tristan om zich heen
in het rijk versierde vertrek. Hoe kon hij haar tot de zijne maken,
terwijl zijn hart en ziel vervuld waren van het beeld eener andere:
Isolde met de Blonde Haren, Isolde van Ierland! Was het geen verraad,
dat hij pleegde, verraad aan zijne bruid, aan zijne geliefde en aan
zichzelf? Hij kon, hij mocht niet verder gaan met dit afschuwelijk
spel.
Met zachte hand voerde hij Isolde naar eene rustbank, deed haar plaats
nemen en knielde voor haar neer; daarop sprak hij: "Isolde, mij drukt
een zwaar gevoel van schuld, nu mij eene bekentenis van 't hart moet,
die ik reeds vroeger had moeten afleggen. Jaren lang werd ik gekweld
door eene vreeselijke kwaal, waarvoor een wijs heelmeester mij ten
slotte genezing beloofde. Onder de voorschriften, welke hij mij
oplegde, behoorde ook de verplichting, om, indien ik trouwde, eerst
een jaar na mijn huwelijk mijne bruid tot mijne vrouw te maken. Zeg
mij, kunt ge mij mijn stilzwijgen vergeven en wilt gij mij helpen om
den raad, welke mij gegeven werd, op te volgen?"
Isolde boog het donkere hoofd; het licht in hare oogen en de blos
op hare wangen waren verdwenen, maar zij zeide zacht: "Heer! het
geschiede alles volgens uwen wensch."
Den volgenden morgen kwamen hare moeder en hare dienaressen en
tooiden haar met de kleederen en sieraden, die pasten aan hare nieuwe
waardigheid. Toen zij geheel gereed was, voerden zij haar voor den
spiegel, om haar te toonen hoe schoon zij was, maar niemand harer
begreep, waarom er, bij het aanschouwen van haar spiegelbeeld, zulk
eene droeve glimlach gleed over het gelaat der jonge vrouw.
De maanden verliepen en Tristan's verlangen naar Isolde van Ierland
werd sterker en sterker. Ten slotte besloot hij eene laatste kans
te wagen, om zekerheid te verkrijgen omtrent het welzijn zijner
geliefde. Tot zijne vrouw zeide hij, een pelgrimstocht te willen
ondernemen, die voor eenigen tijd zijne afwezigheid noodzakelijk zou
maken. Na het noodige geregeld te hebben, scheepte hij zich in en
na eene voorspoedige reis zag hij weldra de rotsen van Tintagel uit
de zee omhoog rijzen. Hoe klopte zijn hart bij de gedachte, dat daar
ginds, in het oude slot, dat zich hoog boven de huizen der stad op de
rotsen verhief, zijne geliefde woonde en misschien op dit oogenblik
op hem neerzag! Maar hoe haar nu te bereiken?
Tristan dwaalde langs de kust tot hij bij de woning van een armen
visscher kwam, van wien hij een oud stel kleederen kocht. Daarop
schoor hij zijne haren af, bestreek zijn gelaat met een bijtend sap,
schilderde zijne wenkbrauwen zwart en zijne lippen rood en toen
hij zich ten slotte met rood krijt een kruis op den kalen schedel
geteekend had, zou niemand in dien haveloozen nar den schoonen ridder
van voorheen herkend hebben.
Met een knuppel in de hand ging Tristan met dansende schreden den weg
op, die naar den ingang van het kasteel voerde en verzocht onder een
stortvloed van grappen en dwaze spotternijen toegang tot het slot.
Dienzelfden morgen zat koningin Isolde in haar vertrek en staarde
droevig naar buiten. Hare gedachten waren als altijd bij haren
afwezigen geliefde en terwijl zij zich treurig afvroeg, wat er toch
van hem geworden zou zijn en waar hij zou vertoeven, grepen hare
handen naar de snaren der harp en ontlokten daaraan een weemoedig
lied. Daar ging de deur open en binnen trad, Heer Kariol, een graaf
in dienst van koning Mark, die sedert lang de koningin met begeerige
oogen aanzag en alle middelen in het werk stelde, om zich in hare
gunst te dringen. Met vleiende stem vroeg hij: "Waarom zingt gij
zulk een droevig lied, edele vorstin? Het schijnt wel, alsof gij
den dood van een geliefden vriend beweent, is het soms de mijne? Dit
zou zeer wel mogelijk zijn, want gij moet immers sinds lang bemerkt
hebben, dat ik sterf van liefde voor u!" Smalend antwoordde Isolde:
"Indien dit zoo is, zoo zou ik wenschen, u reeds begraven te zien,
daar ik nog na uw dood uw ijdel gepraat moet aanhooren."
Hare woorden deden Kariol in woede ontsteken, maar hij bedwong zich,
wetend dat hij een wapen had, waarmede hij Isolde eene diepere wonde
kon slaan, dan zij hem ooit kon toebrengen. Langzaam, haar vast in de
oogen ziende, zeide hij: "Vóór het zoover is, schoone vorstin, zij het
mij vergund, u eene blijde mare mede te deelen, die u zeker genoegen
zal doen. Zij betreft uwen neef, Tristan van Ermonie. Hij heeft in
den vreemde eene schoone, jonge vrouw gehuwd, met wie hij gelukkig te
zamen leeft aan het hof van haren vader, den graaf van Bretagne. Is
dit nu geene blijde tijding voor hen, die Tristan liefhebben?"
Sidderend over haar geheele lichaam had Isolde naar de booze woorden
van Heer Kariol geluisterd. Het scheen, of hemel en aarde, het gansche
heelal om haar ineenstortten en of zij medegetrokken werd, om onder
te gaan in een afgrond van smart en schaamte.
Zoodra zij alleen was, liet zij Brangwaine tot zich komen en aan de
borst dezer trouwe vriendin snikte zij al haar droefheid uit. Aan
tafel zat zij bleek en zwijgend, doch toen koning Mark haar bezorgd
vroeg, wat haar toch scheelde, antwoordde zij hem met geveinsde
vroolijkheid, dat zij zich nooit beter en opgewekter had gevoeld dan
op dien dag. Even daarna kwam het bericht, dat een nar, uit vreemde
streken afkomstig, toegang verlangde tot het slot en de vorst, die
hoopte dat zijne komst de koningin eenige verstrooiing zou bezorgen,
gaf bevel hem binnen te laten.
Met opgeheven hoofd kwam Tristan de zaal binnen en bijna ontzonk hem de
kracht tot spreken, toen zijne oogen Isolde's gestalte ontwaarden. Hij
hield zich echter goed en toen de koning hem schertsend vroeg, wat
het doel zijner komst was, had hij zich voldoende hersteld om zijne
rol te kunnen volhouden.
"Heer koning!" zoo riep hij met schallende stem, "gij vraagt mij,
waarom ik hier gekomen ben? Welnu dan, mijn verlangen gaat uit
naar Isolde van Ierland, Isolde met de Blonde Haren, zij, die mijne
meesteresse is en de uwe. Om u de waarheid te zeggen, was zij eerst
de mijne, gij hebt haar mij ontstolen. Daarom, o koning, geef ze mij
terug en zoek u eene andere vrouw uit de vele schoonen van het land. U
zal dit niet moeilijk vallen, maar welke andere vrouw zal in mij,
armen, dwazen nar, behagen vinden?"
De koningin fronste de wenkbrauwen, maar koning Mark en zijne edelen
lachten luid en de vorst sprak: "Gij zijt een bescheiden dwaas,
maar hoe weet gij, dat gij de koningin bevallen zult?"
"Dat heeft zij mij zelve verzekerd", antwoordde Tristan, "niet eens,
maar vele malen. Veel heb ik voor haar gedaan en om harentwille ben
ik nar geworden."
"En waar wilt gij haar heenvoeren," vroeg de koning verder "wanneer
zij de uwe is? Moet zij mede gaan bedelen door het land?"
Toen sprak Tristan: "O neen, Sire, wees verzekerd, dat ik Isolde naar
waarde zou weten te schatten! Ik zou haar medenemen naar een fraai
kasteel, gelegen tusschen hemel en aarde, waar het altijd zomer is,
waar de bloemen geuren en de vogels zingen, waar geene plaats is voor
tranen of zuchten, maar waar een ieder gelukkig is. Daar zouden wij te
zamen wonen: Isolde met de Blonde Haren en de arme, dwaze nar." Steeds
luider lachten de baronnen, maar de koningin verhief zich toornig
van haren zetel en wilde het vertrek verlaten. Haar echtgenoot hield
haar echter bij eene slip van haar kleed terug en zeide: "Liefste, wat
bekommert gij u over de woorden van een dwaas? Lach liever zooals wij,
dat zal u goed doen en de wolken van uw voorhoofd verdrijven." Daarop
wendde hij zich opnieuw tot Tristan en zeide schertsend: "Eén ding
hebt gij ons nog verzwegen en dat is uw naam. Wie zijt gij en waar
komt gij vandaan?"
Daarop antwoordde Tristan: "Sire en gij allen, edele heeren, die hier
te zamen zijt, het verbaast mij, dat gij mij eene dergelijke vraag
stelt. Herkent gij mij dan niet? Ik ben Tristan van Ermonie, uw neef
en dienaar, hij, die aan uw hof placht te vertoeven en die sindsdien
naar verre landen is getrokken." Hierop barstten alle aanwezigen in
een onbedaarlijk lachen uit; het was ook al te dwaas, de vergelijking
tusschen Tristan's fiere, mannelijke gestalte, zooals zij allen die
zich zoo goed herinnerden, en deze onnoozele narrenfiguur! Isolde
echter was bij het hooren van Tristan's naam omhoog gerezen en, in
't diepst van hare ziel gegriefd over de krenkende wijze, waarop er
met haren geliefde de spot gedreven werd, verliet zij het vertrek,
terwijl zij met fonkelende oogen uitriep: "Nu is het genoeg! Ik
verkies niet langer het onderwerp te zijn van den dronkemanspraat
van een ellendigen nar!" Tristan hield met eene diepe buiging de
deur voor haar open, daarbij zag hij haar diep in de oogen en zeide:
"Dronken, ja, dat ben ik, schoone vorstin! Hebben wij niet te zamen,
daarginds op de wiegende golven, den wijn gedronken, die ons dronken
maakte van liefde en geluk en waarvan de nawerking het gansche leven
voortduurt?" Als door een slag getroffen, deinsde Isolde terug bij
het hooren dezer woorden, maar zij herstelde zich terstond en met een:
"Zwijg! dwaas, die gij zijt!" ijlde zij de kamer uit.
Als gewoonlijk, wanneer zij in nood verkeerde, begaf zij zich naar
Brangwaine en viel haar snikkend om den hals. "Nu zou ik 't liefste
sterven", klaagde zij, "nu Tristan mij niet alleen vergeten heeft,
maar ook onze dierbaarste herinneringen toevertrouwt aan dwazen, als
dezen nar, die ze tot een voorwerp van spot voor de geheele wereld
maakt! Hoe anders weet hij van wat er op zee is gebeurd, indien Tristan
het hem niet heeft verteld?" Brangwaine poogde haar te troosten. "Het
is mogelijk, dat deze nar een bode is van Heer Tristan", sprak zij,
"en dat hij door deze woorden, waarvan gij alleen de beteekenis
kondt doorgronden, uwe aandacht heeft willen trekken. Laat ons hem
hierheen ontbieden en zien of mijne veronderstelling juist is." Maar
de koningin wilde hiervan niets weten; nooit meer wenschte zij dien
gehaten nar te zien, zoo zwoer zij! Den ganschen nacht zat zij aan
haar venster en treurde over haar verloren geluk; terwijl Tristan op
zijn strooleger in een hoek van den stal lag en zon op middelen, om
zich aan Isolde bekend te maken. Plotseling schoot hem iets te binnen,
waardoor hij de koningin bewijzen kon, dat hij inderdaad Tristan was.
Toen Isolde zich den volgenden morgen vroeg met Brangwaine in
den slottuin begaf, om hare oogen, die brandden van het weenen,
door de frissche morgenlucht te laten verkoelen, zagen de beide
vrouwen plotseling hoe Husdan, Tristan's hond, dien hij Isolde als
afscheidsgeschenk had gelaten, onder luid geblaf naar eene plek sprong,
waar aan den kant van het pad een mannengestalte lag uitgestrekt. Deze
was in volle wapenrusting gekleed, maar toen de beide vrouwen
naderden, nam hij den helm, dien hij diep in de oogen gedrukt had,
van het hoofd en vertoonde het kaalgeschoren hoofd van den nar.
Bevend klemde Isolde zich vast aan Brangwaine, maar Husdan, die den
drang van zijn onfeilbaar instinct volgde, rende in groote sprongen om
Tristan heen, blafte van vreugde en trachtte zijn gelaat en handen te
likken. Nu drong ook het begrip van wat zij vóór zich zag tot Isolde
door. Tristan was opgestaan en kwam met uitgestoken handen op zijne
geliefde toe, zacht haar naam noemend. Het volgend oogenblik rustte
zij aan zijne borst.
Gedurende eenige weken bleef de nar aan het hof van koning Mark en
vermaakte een ieder met zijne potsierlijke grappen en kunsten, maar
's avonds, als de schemering viel, sloop Tristan naar de vertrekken
der koningin en vierde met haar het feest der liefde.
Lang kon deze toestand niet duren, dat voelden zij beiden en daarom
sprak Tristan eens op een dag: "Geliefde! wij moeten scheiden. Reeds
werpen de hovelingen steelsche blikken op mij en vragen, wat ik toch
voor gewichtigs te bespreken heb in de vertrekken der koningin. Hoe
gaarne zou ik bij u blijven of met u samen vluchten, maar wij zijn
niet vrij. Uwe plaats is aan de zijde des konings, op mij rust de
taak om tot mijne vrouw terug te keeren, die reeds lang over mij in
ongerustheid zal zijn. Daarom moet ik u vaarwel zeggen, echter slechts
voor korten tijd, dat voel ik. Het is of eene stem in mijn binnenste
mij toeroept, dat mijn einde nadert; welnu dan, als dit zoo is, zal
ik u roepen vóór ik sterven ga en gij zult komen, niet waar? Dan zal
God ons misschien vergunnen om samen dit leven te verlaten en dan,
liefste, neem ik u mede naar het wonderschoone slot onzer droomen,
waar men scheiding noch harteleed kent en waar wij rust zullen vinden
na al ons lijden."
Den volgenden morgen vroeg verliet de nar het paleis des konings en
daalde zingend den weg af, die naar zee voerde. Toen de hovelingen
hem vroegen, waar hij heen ging en waarom hij niet wat langer aan
het hof bleef vertoeven, antwoordde hij: "Houdt mij niet op met uw
dom gepraat. Wat weet gij van de heimelijke oogmerken van mijn gaan
en komen? Maar daar gij zoo nieuwsgierig zijt, wil ik u zeggen, dat
ik heenga om mijne woning in gereedheid te brengen voor het bezoek
der koningin. Mijne dienaren zullen de kamers sieren met slingers van
groen en bloemen, mijne koks zullen de fijnste gerechten opdisschen
en den edelsten wijn schenken, alle lichten zullen worden ontstoken
en ikzelve zal op den drempel staan, om Isolde met de Blonde Haren te
verwelkomen, die het huis van den armen nar met hare tegenwoordigheid
wil eeren. Daarom laat mij gaan! Eer de zon ter kimme neigt, moet
ik thuis zijn om alles voor Hare komst klaar te maken. Lang zal ik
niet op Haar behoeven te wachten, Zij zal spoedig komen!" Onder luid
gelach van de hovelingen vervolgde Tristan zijn weg. Aan de haven
gekomen zag hij nog eenmaal omhoog naar den burcht, die zijne liefste
herinneringen binnen zijne muren besloten hield en dien hij nooit
weer zou zien, daarna begaf hij zich aan boord van een vaartuig,
dat hem weldra naar Bretagne terugvoerde.
Daar begon weer het oude leven. Om zijn steeds weer aangroeiend
verlangen te bedwingen, zocht Tristan afleiding in de jacht en
in avontuurlijke tochten, waarbij Kaherdin zijn trouwe metgezel
was. Zoo waren zij eens uitgetrokken tegen een edelman uit een
naburig graafschap, die met behulp van zijne zeven broeders er in
geslaagd was, om een jong meisje, de bruid van één der Bretonsche
ridders, te ontvoeren. Tristan en zijne vrienden trokken op naar
zijn burcht. Langen tijd duurde het beleg, tot eindelijk de sterke
muren bezweken en het slot genomen werd. In den strijd op de wallen,
welke daaraan voorafging, werd Gouvernail, Tristan's trouwe dienaar,
gedood en even daarna werd zijn meester door een vergiftigden pijl
in de zijde getroffen.
Met groote moeite slaagde Kaherdin erin, zijn vriend naar diens slot
terug te voeren. Isolde met de Blanke Handen was hevig ontsteld over
het gebeurde en omringde haren echtgenoot met de liefderijkste zorgen,
maar ondanks al hare toewijding en de hulp van kundige artsen uit
alle streken van het land, voelde Tristan zijn einde naderen. Hij was
gaarne bereid te sterven, want het leven kon hem niets meer schenken
dan lijden en smart, maar toch wilde hij niet heengaan zonder zijne
geliefde nog éénmaal te hebben weergezien. Daarom riep hij Kaherdin
tot zich en sprak tot hem: "Waarde vriend! ik heb een verzoek aan u,
het laatste, waarmede ik u lastig zal vallen, want ik voel, dat ik
sterven ga. Luister dus goed! Vele jaren geleden, toen ik tegen Morholt
heb gestreden om Cornwallis van de Iersche schatting te bevrijden,
heeft Isolde van Ierland mij van mijne wonden genezen; ook later,
toen ik in het gevecht met den draak door het vergif bedwelmd was,
heeft zij mij van den dood in het leven teruggeroepen. Indien er
dus één is, die mij redden kan, dan is zij het. Daarom smeek ik u,
ga naar Cornwallis en vraag de koningin tot mij te komen en mij te
helpen. Tegen de menschen kunt gij zeggen, dat gij eene wijze vrouw
gaat halen, die de heelkunst verstaat en die mij wellicht redding kan
brengen." In angstige onzekerheid zag Kaherdin zijn vriend aan. "Hoe
gaarne zou ik u helpen", sprak hij, "maar ik vrees, dat mijne reis
tevergeefsch zal zijn. Nooit zal de koningin mij volgen!" "Twijfel
daaraan niet", hervatte Tristan dringend, "zij zal u volgen,
waarheen gij haar voeren wilt, wanneer gij haar dezen ring toont en
haar zegt, dat Tristan haar roept. Ach, lieve vriend! waarom zou ik
het u verzwijgen, ik, die reeds met één voet in het graf sta? Welnu
dan, ik bemin Isolde van Ierland met mijn gansche hart en ziel en
ik heb nooit eene andere vrouw liefgehad. Zij was de mijne, vóór
zij de gemalin van koning Mark werd, voor haar heb ik geleefd en
in hare armen wil ik sterven. Ik weet, dat ik uwe zuster misleid en
bedrogen heb, maar wees daarover niet te zeer vertoornd, slechts hij,
die waarachtig liefheeft, kan oordeelen over wat ik gedaan heb."
Diep getroffen had Kaherdin toegeluisterd; één blik op het zwakke,
uitgeteerde gelaat van zijn geliefden vriend had den toorn over de
beleediging, zijne zuster aangedaan, doen bedaren en toen Tristan
ophield met spreken, zeide hij zacht: "Ik zal gaan en met Gods hulp
zal ik de koningin mede terug brengen!" "Dank! dank! edele vriend,"
stamelde Tristan, "hoe zal ik smachten naar uwe terugkomst! Vóór gij
heengaat nog dit ééne: elken dag zal ik mij naar het strand laten
brengen, om naar uw schip uit te zien. Wanneer gij nu mijne geliefde
met u medebrengt, hijsch dan witte zeilen, mocht uw tocht echter
tevergeefsch zijn geweest, laten de zeilen dan zwart, de kleur des
doods, zijn. Zoodoende zal ik terstond weten, welke de uitslag van
uwe reis geweest is." Na dit gezegd te hebben zonk Tristan uitgeput
in de kussens terug.
Nu wilde het toeval, dat Tristan's echtgenoote, Isolde met de Blanke
Handen, zich gedurende dit gesprek in de aangrenzende zaal bevond. Toen
Tristan begon te spreken over een laatst verzoek, dat hij Kaherdin
wenschte te doen, had zij haar oor tegen den muur gedrukt, om beter
te kunnen hooren. Een laatst verzoek van Tristan, zoo meende zij,
moest ook haar betreffen en wellicht kon zij haren broeder in de
uitvoering daarvan behulpzaam zijn. Zoo kwam het, dat zij alles hoorde,
wat daarnaast werd besproken; in klimmenden angst luisterde zij toe,
tot zij eindelijk, bij het vernemen der vreeselijke waarheid, half
bewusteloos tegen den wand van het vertrek ineenzonk.
Terwijl haar lichaam in eene roerlooze verstijving terneerlag,
werkte haar geest met eene wonderlijke snelheid. Alles werd haar
nu duidelijk. Wat tot nu toe slechts vermoedens waren geweest, vage
schimmen harer angstige verbeelding, werd thans alles zekerheid. Eén
voor één toetste zij de feiten uit haar huwelijksleven en den tijd
daarvóór aan de thans verkregen wetenschap. En ziet, voor alles vond
zij eene verklaring. Tristan's somberheid, zoo onbegrijpelijk in een
jong en gevierd man, zijne voorkeur voor haar naam, dien hij zoo vaak
in zijne liederen bezongen had, en waaruit zij, dwaze, het bewijs had
gezien zijner groeiende genegenheid, zijn aarzelen om hare hand aan
te nemen, toen haar vader hem die aanbood, zijne woorden op den avond
van hun huwelijk, zijne lange afwezigheid en thans zijne berusting
in den naderenden dood--dit alles vond eene oorzaak in zijne liefde
voor die andere Isolde, daarginds in Cornwallis.
Wee den haat eener vrouw, wanneer zij zich aldus in hare innigste
gevoelens gekrenkt en beleedigd ziet! Toen Isolde met de Blanke Handen
zich eindelijk van den grond verhief, was zij eene gansch andere
vrouw geworden. Liefde, zachtheid en toewijding hadden als angstige
schimmen de vlucht genomen uit haar hart om plaats te ruimen voor de
booze geesten van toorn en bitterheid. Eén gedachte bezielde haar en
hield haar staande: zij wilde zich wreken op den man, die haar zoo
smadelijk bedrogen had.
Na het onderhoud met Tristan had Kaherdin zich in aller ijl gereed
gemaakt om de reis naar Cornwallis te ondernemen. Zijn schip had
hij bevracht met kostbare waren en zichzelf vermomd als een reizend
koopman. Zoo kwam hij te Tintagel aan, waar hij verlof vroeg, om
den koning zijne waren voor te leggen. Toen hem dit werd toegestaan,
koos hij uit het vele schoons, dat hij had medegebracht, eene vaas
met kostbaar reukwerk, die hij met eenige welgekozen woorden den vorst
ten geschenke bood, uit dankbaarheid voor de welwillendheid, waarmede
hij aan het hof was ontvangen. Toen wendde hij zich tot de koningin,
die lusteloos aan het venster zat, en toonde haar een gouden gesp,
terwijl hij sprak: "Hoe bevalt u dit sieraad, hooge Vrouwe? Het is
vervaardigd uit zuiver goud, zonder bijvoeging van ander metaal. Dat
ik waarheid spreek, kunt ge zien, wanneer gij den gesp vergelijkt
met dezen ring, die overal geprezen wordt om zijne schoonheid. Ziet,
wanneer gij de beide naast elkander houdt, kunt gij duidelijk zien,
dat het goud van den gesp het wint in schoonheid van glans en kleur."
Dit zeggend, hield hij Isolde den ring van Tristan voor. Deze stond
haastig op, een gloeiende blos verspreidde zich over haar gelaat en
terwijl zij Kaherdin's arm krampachtig omknelde, fluisterde zij hem
toe: "Gij komt van Tristan. Spreek, welke boodschap zendt hij mij?" Met
een haastigen wenk in de richting van het overige gezelschap maande
Kaherdin haar aan tot voorzichtigheid; Isolde herwon hare kalmte door
schier bovenmenschelijke inspanning en sprak op halfluiden toon,
zoodat zij, die in hare onmiddellijke nabijheid waren, het hooren
konden: "Deze gesp bevalt mij, koopman. Kom daarom even ter zijde,
opdat wij het eens worden over den prijs. Mijn echtgenoot behoeft
niet te weten hoeveel geld hij mij waard is." In een hoek van de
zaal ging de koningin zitten, nu was het met hare kalmte gedaan en
op angstigen, dringenden toon smeekte zij Kaherdin haar te melden,
hoe het met Tristan ging en waarom hij een bode naar Tintagel had
gezonden. Daarop vertelde Kaherdin haar, hoe Tristan verwond was
door een vergiftigden pijl en hoe hij nu lag te sterven in zijn slot
aan de kust van Bretagne. Hij zeide haar, dat zijn vriend gaarne
afstand deed van het leven, maar dat hij de eeuwige rust niet kon
ingaan, zonder afscheid te hebben genomen van zijne geliefde. Isolde
was stil en bleek geworden; slechts een krampachtig trekken om
haren mond verried hare innerlijke ontroering, maar Kaherdin werd
getroffen door de vastheid van stem, waarmede zij hem antwoordde:
"Heb dank voor uwe mededeeling. Morgen vroeg zal ik aan boord zijn,
om de reis naar Bretagne te aanvaarden."
_Hoe Isolde zich op reis begaf naar Bretagne en hoe de beide gelieven
daar den dood vonden._ Den volgenden morgen in de vroegte begaven de
koningin en Brangwaine zich naar de haven, alsof zij op het vaartuig
van den vreemden koopman diens waren in oogenschouw wilden nemen. Geen
mensch bewoog zich nog in de straten van Tintagel en niemand zag
dus, hoe de zeelieden, toen de koningin zich aan boord had begeven,
in aller haast het anker lichtten en koers zetten naar zee.
Middelerwijl lag Tristan op zijn ziekbed te smachten van verlangen
naar de terugkomst van Kaherdin en het wederzien met Isolde. Zijne
krachten werden gesloopt door de koorts, die hem als vuur in de aderen
brandde, elken dag werd hij zwakker en soms scheen het den omstanders
of zijn lichaam reeds gestorven was en slechts zijn geest zich nog
staande hield in eene uiterste wilsinspanning. Hij kon, hij wilde niet
sterven, vóór hij zekerheid had omtrent den uitslag van Kaherdin's
onderneming en dus voerde zijn uitgeteerde lichaam, dat zoozeer naar
rust verlangde, een strijd met zijne ontembare wilskracht, die hem deed
vasthouden aan het leven, zoolang zijn laatste wensch onvervuld bleef.
Zijne vrouw verpleegde hem met dezelfde toewijding als voorheen,
maar wanneer zij, bij het vuur gezeten, den zieke hoorde ijlen en hem
den naam van Isolde hoorde prevelen, kwam er een glans van haat in
hare oogen, die haar gelaat geheel deed veranderen. De eerste dagen
na Kaherdin's vertrek liet Tristan zich 's morgens op de wallen van
het slot dragen, vanwaar hij de zee tot aan den verren gezichteinder
kon overzien, maar reeds spoedig bemerkte hij, dat deze tochten hem
te veel inspanden; hij bleef dus in zijn eigen vertrek en moest zich
vergenoegen met wat anderen hem meedeelden. Telkens weer vroeg hij
Isolde, om uit te zien of Kaherdin's schip nog niet in 't zicht was,
maar steeds luidde het antwoord ontkennend. Dan troostte zij hem met
zachte woorden, en zeide hem, dat het nu niet lang meer duren kon,
eer het schip met de wijze vrouw kwam, die hem zou genezen en hem
tot het leven terug zou brengen. Maar de zieke zag niet, hoe hard de
uitdrukking harer oogen was en hoe een bittere trek zich om haar mond
groefde, zoodra zij hem den rug toekeerde.
Zoo kropen de dagen voorbij in angstige spanning en martelende
onzekerheid voor den zieke en zijne verzorgster, tot eens op een
morgen Isolde op zee eene donkere stip ontdekte, welke langzamerhand
grooter werd en de omtrekken van een schip aannam. De jonge vrouw
kon eene beweging van schrik niet onderdrukken, eene koude rilling
ging haar door de leden en met wijd opengesperde oogen staarde zij
naar buiten. Daar naderde dus haar noodlot in de gestalte dier gehate
vrouw, want dat Isolde van Ierland komen zou, daaraan twijfelde zij
geen oogenblik. Toch bleef zij in spanning naar het vaartuig turen,
nog was het te ver af om de kleuren der zeilen te kunnen onderscheiden,
maar het naderde snel, gedreven door een gunstigen wind. Daar klonk
eene klagende stem van uit het vertrek: "Waarheen tuurt gij zoo
lang? Is er nog geen schip in 't zicht? Ziet gij geen enkel teeken
van een naderend vaartuig op zee? Spreek, wat ziet gij daarbuiten?" En
Isolde antwoordde: "Heel in de verte zie ik een vaartuig, dat met volle
zeilen nadert. Vergis ik mij niet, dan is het dat van mijn broeder,
nog een weinig geduld, liefste en gij zijt gered!"
Hijgend verhief de zieke zich van zijne legerstede: "De zeilen, de
zeilen!" riep hij uit; "welke kleur hebben zij, spreek vrouw, martel
mij niet langer, hoe zijn zij, wit of zwart?" Isolde keerde zich
langzaam naar hem toe en zag hem aan. In de oogen van den stervende
straalde een hoopvolle glans, die het uitgeteerde gelaat in gloed
scheen te zetten. Hij strekte zijne bevende handen smeekend naar haar
uit. Welk eene verandering met de doffe, lijdzame houding der vorige
dagen, toen elke beweging hem te veel was en zij op haar belangstellend
vragen nauwelijks een woord ten antwoord kreeg. Eene doffe woede maakte
zich van de jonge vrouw meester, één ding stond vast, zij moest de vonk
van geluk in zijne oogen dooven, eer die uitsloeg tot eene laaiende
vlam, want die te zien zou haar dood zijn. Zij balde hare handen tot
vuisten, zij bedwong zich om het niet uit te gillen van wilden triomf,
maar met zekere stem sprak zij: "Het schip nadert snel, liefste en
reeds kan ik de kleur der zeilen onderscheiden. Zij zijn zwart."
"Zwart! O, Isolde, geliefde!" met een snijdenden kreet was Tristan
in de kussens teruggevallen en nog eer de verschrikte vrouw zijne
zijde kon bereiken, had hij den geest gegeven.
Korten tijd daarna bereikte het schip van Kaherdin de haven. Isolde
met de Blonde Haren stond op de voorplecht van het vaartuig en
tuurde met oogen, die brandden van onvergoten tranen, omhoog naar
het kasteel, waar haar geliefde woonde. Zoodra het schip aan de kade
lag vastgemeerd, trad zij aan wal en liet zich door Kaherdin den
kortsten weg naar het slot wijzen. Doch wat beduidden die opgehoopte
menschenscharen in de straten? Waarom gingen er kreten van droefheid en
smart op uit de menigte? Waarom hoorde zij Tristan's naam roepen? Het
scheen Isolde of een verlammende angst zich over haar gansche lichaam
verspreidde en haar het voortgaan belette, maar zij vocht er tegen
met al de kracht van haar wezen en vervolgde moedig haar weg. Bij de
poort van het kasteel gekomen, leunde zij een oogenblik hijgend tegen
den zwaren steenen muur en toen eerst vroeg ze een ouden bedelaar,
die haar zijne muts toestak voor eene aalmoes: "Zeg mij eens, vriend,
waarom het volk in de straten samenschoolt en klaagt?" "Vanwaar komt
gij, schoone vrouwe, dat gij dit vraagt?" antwoordde de grijsaard
verwonderd. "Weet gij dan niet, dat Heer Tristan gestorven is?"
Een oogenblik was het of Isolde ineen zou zinken, doch zij hield
zich staande en snelde het slot binnen. Als door eene geheime
ingeving gedreven vond zij den weg naar Tristan's vertrek; door lange
gangen moest zij gaan, waar de knechten en vrouwen in groepen bijeen
stonden. Wanneer zij voorbijsnelde, staakten de dienaren een oogenblik
hun klagen en zagen met verwondering de hooge vrouwengestalte na. Nog
nooit hadden zij zooveel wanhoop en tegelijk zóóveel vastberadenheid
op een menschelijk gelaat gelezen.
Daar trad Isolde de zaal binnen, waar Tristan lag. Een oogenblik stond
zij stil op den drempel en overzag het ruime vertrek. Door de hooge
vensters drong de morgenzon binnen en wierp haar helder schijnsel
over wanden en vloer. Zacht klonk het ruischen der zee tot haar door;
de zee, die hen te zamen had gebracht in hoogste zaligheid en die hen
daarna van elkander gescheiden had gehouden, en hen zoodoende beroofd
had van hunne laatste samenkomst. Haar blik gleed langs de voorwerpen
en meubels in het vertrek en bleef toen rusten op de legerstede in den
hoek, waar eene tengere vrouwengestalte jammerend overheen lag gebogen.
Een wonderzacht licht kwam in Isolde's oogen, toen zij langzaam op het
bed toetrad; haar gang was rustig en zeker en haar gelaat glansde van
oneindige liefde. In schuchteren eerbied weken de vrouwen, die aan den
voet der legerstede zaten terneergehurkt, terug. Aan het bed gekomen
bukte zij zich en raakte met den vinger de jammerende vrouwenfiguur
aan. Isolde met de Blanke Handen hief het hoofd op en zag haar met
verwilderde oogen aan. De koningin echter schoof haar met zachten
drang weg van het doode lichaam.
"Ga heen, vrouwe! ik heb hem meer liefgehad dan gij," was het eenige
wat zij zeide. Toen strekte zij zich naast den doode op het rustbed
uit; zij omvatte hem met hare armen en drukte hem vast tegen zich
aan. Hare blonde haren spreidde zij als een sluier over hen beiden
uit, toen drukte zij haren mond op den zijne en in dien kus gaf zij
den geest.
_Hoe koning Mark van Brangwaine de waarheid omtrent den liefdesdrank
vernam en hoe hij de lijken der beide gelieven naar Engeland liet
brengen._ Koning Mark vernam weldra het vertrek der koningin. Toen
hij hoorde, waarheen zij gegaan was, liet hij een schip uitrusten om
de voortvluchtige te achterhalen en zoo landde hij weinige uren later
in Bretagne. Vervuld van gedachten van wraak en haat betrad hij het
slot en met diezelfde gevoelens bezield kwam hij het doodsvertrek
binnen. Daar viel eene weenende vrouwengestalte hem te voet, het
was Brangwaine. Met door tranen verstikte stem smeekte zij hem,
om haar te straffen voor het gebeurde, aangezien zij de schuld was
van alles en toen de koning haar in verbazing vroeg, zich nader te
verklaren, vertelde zij hem van den aanvang af, hoe alles zich had
toegedragen. Zij verhaalde hem van den liefdesdrank, die de harten der
beiden met een onverbreekbaren band had samengebonden, zij beschreef
hem hunnen strijd tegen den hartstocht, welke hen doof maakte voor de
stemmen van eer en plicht, zij teekende hem hun rusteloos verlangen,
wanneer zij gescheiden waren en de innige zaligheid van de daarop
volgende oogenblikken van vereeniging. Van hun samenzijn in het woud
van Morois vertelde zij hem, waar de liefde hun de armelijke loofhut
tot een tooverpaleis maakte, maar ook sprak zij van den strijd in
hunne harten, die hen ten slotte, ter wille van elkander, in de
samenleving had teruggedreven.
Toen zij ophield met spreken, was het een oogenblik stil in het groote
vertrek. Daarop beval koning Mark met diep ontroerde stem om de lijken
aan boord van zijn schip te brengen en nog dienzelfden dag zette het
vaartuig met zijne droeve lading koers naar Tintagel.
Daar werden de lichamen der beide gelieven gebalsemd en met veel
eerbetoon bijgezet in de slotkapel, aan weerszijden van het altaar.
In den nacht na de begrafenis echter, zoo verhalen de oude dichters,
ontsproot er een rozenstruik aan het graf van Tristan, welks takken
zich slingerden langs het kerkgewelf en weer afdaalden in het graf van
Isolde. Zoo werden de lichamen der beide gelieven in den dood verbonden
door een slinger van rozen, welke de kerk vervulden met haren zoeten
geur, hunne zielen echter namen te zamen de vlucht naar het schoone
paleis hunner droomen, waar zij de rust en het geluk vonden, die zij
op aarde tevergeefs hadden gezocht.