duurde niet lang, of hij ontmoette hem, dien hij zocht. Het monster was
inderdaad vreeselijk om aan te zien en een minder stoutmoedig man dan
Tristan zou bij zijn aanblik de moed in de schoenen zijn gezonken;
onze held echter reed onversaagd op den draak toe en het gevecht
begon. Het was een zware strijd, waarin Tristan al zijne kracht en
behendigheid noodig had, om niet het onderspit te moeten delven. Het
bloed stroomde hem uit de gapende wonden, welke het ondier hem met
zijne klauwen geslagen had, en bovendien kon hij nauwelijks ademhalen
door den heeten, verstikkenden adem, dien de draak hem in het gelaat
blies. Zijn paard zonk doodelijk gewond ter aarde, waarop hij te voet,
gedekt door zijn schild, den ongelijken strijd voortzette. Eindelijk
gelukte het hem met eene behendige zwenking van zijn arm, zijne lange
speer zóó diep in den muil van het monster te stooten, dat de punt tot
bijna in het hart doordrong. Onder een vreeselijk gebrul rende de draak
in de richting van zijn hol, de grond besproeiend met een verzengenden
vuurregen en een spoor van donker bloed achterlatend. Tristan
vervolgde hem zoover zijne uitgeputte krachten hem dit toelieten en
bracht hem steeds nieuwe wonden toe. Vóór zijn hol gekomen, wendde
het monster zich om tot een laatsten, wanhopigen kamp, maar uitgeput
door bloedverlies kon hij niet lang meer weerstand bieden en weldra
bracht Tristan hem den doodsteek toe. Vreeselijk was het gerochel,
waarmede de draak ineenzonk; het vuur, dat uit zijn opengesperden
muil kwam, spatte uiteen tot een regen van vonken en de lucht werd
verpest door den vreeselijken stank van het gif, dat hem uit de keel
vloeide. Tristan echter greep met vaste hand de tong van het monster,
die hem uit den bek hing en sneed die af om haar als bewijsstuk mede
te nemen. Daarna verzamelde hij zijne laatste krachten en begaf zich
met wankelende schreden in de richting van een beekje, dat hij niet
ver van de plaats des gevechts hoorde klateren, om zijn brandenden
dorst te lesschen. Toen hij echter, daar aangekomen, zich voorover
wilde buigen om te drinken, werd hij zoodanig bedwelmd door de giftige
dampen, die door de tong, welke hij in zijn zak geborgen had, werden
uitgewasemd, dat hij zijn bewustzijn verloor en als levenloos in het
struikgewas ter zijde van de beek, neerviel.
Terwijl hij daar zoo lag, had zich een ander ridder in de nabijheid
van den draak gewaagd. Dit was Agavin met de Roode Haren, de drost van
koning Gumurun, een dwaas en ijdel man. Sinds langen tijd beminde hij
prinses Isolde in stilte en poogde door het dragen van fraaie kleederen
en glinsterende edelsteenen hare aandacht te trekken. Wanneer zij
hem dan spottend vroeg, om medelijden te hebben met de arme vrouwen
en meisjes, wien hij door zijne schoonheid het hart ontstal, meende
hij, dat zij in ernst sprak en verheugde zich over den indruk, dien
hij op haar gemaakt had. Toch waagde hij het niet, haar zijne liefde
te bekennen en wachtte, tot er zich eene gunstige gelegenheid zou
voordoen, om te spreken. Toen nu koning Gumurun wijd en zijd liet
bekend maken, dat hij den ridder, die den draak om het leven zou
brengen, de hand zijner dochter Isolde tot belooning zou geven, besloot
Agavin terstond, eene kans te wagen, om dien hoogen prijs te veroveren.
Verscheidene malen had hij zich reeds buiten de stad gewaagd, maar
wanneer hij dan in de verte het monster hoorde brullen, ontzonk hem
telkenmale alle moed en haastte hij zich, binnen de veilige muren
der stad terug te keeren.
Ook dezen morgen had hij na eene nieuwe poging het hazenpad gekozen
en bevond zich onder de drie vluchtende ridders, die Tristan op
zijn weg was tegengekomen. Toen hij zag, dat de vreemde ridder hunne
raadgevingen om met hen terug te keeren, in den wind sloeg en zich toch
in het gevaar waagde, besloot hij, door nieuwsgierigheid gedreven,
op veiligen afstand den uitslag van het gevecht af te wachten. Hij
twijfelde er geen oogenblik aan, of Tristan zou in den strijd tegen het
monster den dood vinden en wie weet, welk voordeel er dan nog voor hem
uit deze onderneming te behalen zou zijn. Zoo sloop hij, bevend van
angst, langs den zoom van het woud, waaruit de afschuwelijke kreten
van het monster tot hem doordrongen en hem met vrees en ontsteltenis
vervulden. Na eenigen tijd verstomde het gebrul en Agavin besloot
zich, van de juiste oorzaak hiervan te overtuigen. Al zijn moed
bijeenzamelend, besteeg hij zijn paard en reed het bosch in, naar
alle kanten spiedend, of soms gevaar dreigde. Plotseling hield hij
met heftigen ruk de teugels in. Daar vóór hem op den grond lag het
monster, dat hij zocht, met zijne vreeselijke klauwen uitgestrekt
op den woudbodem en zijne vurige oogen wijd opengesperd. Zonder zich
te overtuigen, of de draak levend of dood was, sprong Agavin ijlings
uit het zadel en rende de struiken in, waar hij sidderend over lijf
en leden den verderen loop der gebeurtenissen afwachtte. Maar tegen
zijne verwachting in, bleef alles rustig: geen monster baande zich
een weg door het struikgewas, om hem te zoeken en de stilte van het
woud bleef onverstoord. Met kloppend hart waagde Agavin zich opnieuw
in de nabijheid van het gevreesde ondier en eerst toen hij zag,
dat zijn paard ongedeerd was gebleven en kalm aan het grazen was,
begreep hij, dat de draak werkelijk dood was. Voorzichtig boog hij
zich over hem heen en beschouwde hem vol afschuw; daar ontdekte
hij het half verkoolde lichaam van Tristan's paard en diens schild,
dat hij na afloop van den strijd ter zijde geworpen had. Een glans
van boosaardig genoegen gleed over Agavin's gelaat, toen zijn zoeken
naar het lichaam van den dapperen vreemdeling tevergeefsch bleek te
zijn. Het leed geen twijfel, of het monster had hem met huid en haar
verslonden, zooals het zoo velen vóór hem had gedaan en de belooning
voor zijne wakkere daad zou hij nooit deelachtig worden. Plotseling
schoot hem iets te binnen. Waarom kon hij zich niet de verdienste
toeëigenen den draak gedood te hebben en daardoor zijn hartewensch
in vervulling zien gaan? Wie zou ooit kunnen bewijzen, dat niet hij,
maar de onbekende, die zich zoo roekeloos in het gevaar begeven had,
het stoute feit had volbracht? Nogmaals keek hij behoedzaam om zich
heen, om zich te overtuigen, dat geen ander getuige was geweest van
zijne ontdekking, maar nergens kon hij een spoor van menschelijk
leven ontdekken; toen bezag hij vol vreugde het monster aan zijne
voeten, dat hem de verwezenlijking zijner stoutste droomen brengen
zou. Daarop overlegde hij snel, hoe hij zijn plan het best ten uitvoer
kon brengen. Met een enkelen zwaardslag sloeg hij den draak den kop
af; toen besteeg hij zijn paard en reed terug naar de stad, iedereen,
dien hij op zijn weg ontmoette, toeroepend: "Gaat heen naar het bosch
en ziet, wat daar is geschied! Met het zwaard, dat ik hier in de
hand draag, heb ik het land bevrijd van het monster, dat de omgeving
onveilig maakte. Voortaan kunnen de burgers van Dublin zich veilig
buiten de stad begeven, want de draak, die hunne levens bedreigde,
is dood, gevallen door mijne hand! Daarvoor wacht mij de schoonste
belooning, die men zich denken kan: de hand van prinses Isolde!"
Als een loopend vuur verbreidde zich de mare, dat Agavin met de Roode
Haren den draak had gedood en weldra drong het bericht ook door binnen
de muren van het vorstelijk paleis. Toen Isolde vernam, wie het stoute
stuk had volbracht, lachte zij eerst luide, en verklaarde, dat dit
de beste grap was, die zij in langen tijd gehoord had! Toen men haar
echter vertelde, dat er eenige burgers met eene kar uit de stad waren
gereden om den kop van den draak te halen en dat Agavin een onderhoud
met den koning had verzocht, betrok haar gezicht en toornig riep zij
uit: "Wil men mij dan werkelijk wijs maken, dat een man als Agavin,
die bekend staat als de grootste lafaard van het land, een dergelijk
feit zou hebben bedreven? Nooit zal ik gelooven, dat hij inderdaad den
draak overwonnen heeft, het is een valstrik, dien hij ons spant om mij
tot zijne vrouw te maken. Dit zal hem echter nooit gelukken; liever dan
zijne echtgenoote te worden, zou ik mij zelve van het leven berooven!"
Daarop begaf zij zich naar hare moeder, koningin Isolde en smeekte haar
om mede te gaan naar de plaats des gevechts, ten einde te trachten de
oplossing van het raadsel te vinden. De koningin stemde hierin toe en
den volgenden morgen begaven de beiden zich in alle vroegte op weg,
slechts vergezeld door Brangwaine, Isolde's vertrouwde dienares. Toen
zij bij de plaats van den strijd gekomen waren, vonden zij daar het
lijk van Tristan's paard en zijn schild, dat, hoewel deerlijk gehavend,
toch nog sporen vertoonde van zijne vroegere pracht. Verheugd nam
Isolde het op van den grond en riep uit: "Ziet gij nu wel, dat mijne
vermoedens juist waren? Niemand anders dan de ridder, wien dit schild
toebehoort, heeft het ondier gedood. Laat ons trachten, hem te vinden,
hij kan niet ver van hier zijn."
De drie vrouwen doorzochten nu ijverig den ganschen omtrek en na
eenigen tijd ontdekte Isolde het lichaam van Tristan, half verborgen
tusschen het struikgewas aan den oever van het beekje. Met een
kreet van vreugde, die hare gezellinnen naar de plaats deed snellen,
waar zij zich bevond, bukte zij zich over hem heen en nauwelijks had
zij zijn gelaat gezien, of zij riep verwonderd uit: "Dit is niemand
anders dan Tantris, de speelman, die mij eenige jaren geleden in het
harpspelen onderwees. Hoe komt hij plotseling hier en dan in zoo'n
toestand?" Behoedzaam tilden de vrouwen hem op en droegen hem naar den
waterkant, daargekomen, maakten zij zijne wapenrusting en kleederen
los en wieschen zijne wonden met het heldere bronwater. Spoedig
werd hunne moeite beloond en sloeg Tristan de oogen op. Toen hij
het schoone gelaat van Isolde over zich heen gebogen zag, scheen het
hem toe als een droom, waaruit hij spoedig zou ontwaken. Maar neen,
daar hoorde hij hare stem, die hem Tantris noemde en hem vroeg,
hoe hij hier gekomen was en of inderdaad hij het was, die den
draak gedood had. Opnieuw moest hij een leugen verzinnen, die zijne
aanwezigheid in Ierland verklaarbaar zou maken en zoo sprak hij. "Ja,
schoone prinses, ik ben het, de speelman Tantris, dien uwe moeder
jaren geleden uit het doodsgevaar redde. Sinds ik u vaarwel zegde,
heb ik verre reizen gedaan en vreemde landen bezocht. Overal roemde
men mijne kunst, maar toch voelde ik, hoe men mij beschouwde als een
dwaas, die de vreugden en smarten des levens bezingt zonder dat hij
ze zelf doorleefd heeft, wiens liederen den trots om eene volbrachte
krijgsmansdaad beschrijven, zonder dat hij dien ooit zijn lichaam
heeft voelen doorgloeien en wiens roemrijkste wapenfeit bestaat
in eene schermutseling met een landlooper of struikroover, die het
hem op zijne tochten lastig maakt. Daarom besloot ik om mijzelven
roem en naam te verwerven en toen ik dus hoorde van den draak, die
de omgeving hier onveilig maakte, en vernam, welken hoogen prijs
koning Gumurun op zijn hoofd had gesteld, was mijn besluit genomen
en reisde ik hierheen om mijne kans te wagen. Hoe ik hierin slaagde,
is u reeds bekend en ook, hoe ik zonder uwe hulp, wellicht den dood
gevonden zou hebben. Ten tweeden male hebt ge mij het leven gered!"
Toen hij deze woorden gesproken had, viel Tristan uitgeput achterover
en verloor opnieuw zijn bewustzijn. Koningin Isolde echter, zond
ijlings Brangwaine terug naar Dublin om hulp te halen en nog vóór het
dagelijksche leven in de stad begonnen was, had men Tristan in alle
stilte het koninklijk paleis binnengedragen en hem in de vertrekken der
koningin op eene zachte legerstede neergevlijd. Daar genoot hij eene
uitmuntende verpleging onder de persoonlijke zorgen van de koningin en
de jonge prinses, die zich beijverden, om hem van dienst te zijn. Door
hare toewijding en de heilzame middelen, welke zij hem toedienden,
herstelde hij spoedig van zijne wonden en werd weldra weer geheel de
oude. Intusschen had Agavin bij den koning aanzoek gedaan om Isolde's
hand en daarbij den kop van den draak overgelegd als bewijsstuk,
dat hij inderdaad het recht had, de schoone prinses te huwen. De
koning gevoelde weinig lust om zijne dochter af te staan aan een man,
die steeds het mikpunt was van aller hoon en spotternij; ook twijfelde
hij in zijn hart aan de waarheid van Agavin's woorden. Daar hij echter
geen bewijzen tegen hem had, moest hij wel in zijn verzoek toestemmen,
wilde hij zijn gegeven woord gestand doen. Hij besloot daarom een dag
vast te stellen, waarop Agavin zijn aanzoek in alle plechtigheid en in
tegenwoordigheid van het geheele hof zou herhalen. Had de koning vóór
dien tijd niets naders omtrent de ware toedracht der zaak vernomen,
dan moest men aannemen, dat Agavin werkelijk den draak had gedood
en dan zou ook Isolde's vader zijne belofte getrouw blijven en hem
zijne dochter tot vrouw geven.
Toen Isolde hoorde, wat er geschieden zou, liep zij vol schrik naar
Tristan om zijn raad in te winnen; deze echter glimlachte fijntjes
en sprak: "Wees niet bezorgd, schoone prinses! Ik beloof u hierbij
plechtig, dat een edeler man dan deze ijdele dwaas, uw echtgenoot
zal worden. Vertrouw slechts op mij!"
Isolde zag hem peinzend aan. Vanwaar toch dat fiere zelfbewustzijn
in dien eenvoudigen speelman? Zou men niet denken, dat hij van
edele geboorte was, wanneer men hem hoorde spreken en zingen? Zijne
beschaafde, zachte stem, zijn edele bouw en fiere gelaatsuitdrukking,
alles scheen er op te wijzen, dat hij slechts voorgaf een eenvoudig
muzikant te zijn. Wie weet, was hij niet een koningszoon, die,
gedreven door een luim of gril, met zijne harp door het land trok
uit zucht naar avontuur! De romantische verbeelding van het jonge
meisje werd geprikkeld door de schoonheid en hoffelijkheid van den
jongen vreemdeling en vaak onderzocht zij zijne wapenen en kleederen,
of zij niet een kenteeken kon ontdekken, dat haar eenig licht omtrent
zijne afkomst kon verschaffen.
Wanneer Tristan haar aldus bezig zag, kon hij een glimlach niet
onderdrukken en deze versterkte Isolde in hare overtuiging, dat
hij iets voor haar verborgen hield. Eens op een dag, dat zij bij
Tristan's legerstede was gezeten en hij haar opnieuw verteld had,
hoe hij den draak had gedood, nam zij spelend het zwaard op, dat
naast zijn bed hing, trok het uit de scheede en liet de zonnestralen
in het glinsterend staal weerkaatsen. Haar oog werd getroffen door
den edelen vorm van het wapen en langzaam gleed haar blik langs het
blinkend lemmer, tot hij rusten bleef op eene kerf onderaan bij het
gevest. Hoe vreemd, dat een prachtig zwaard als dit zóó geschonden was,
waar had zij dien vorm van keep toch meer gezien? Plotseling schoot
haar iets te binnen en snel opspringend liep zij naar een hoek van
het vertrek, waar zij in een fraai houten kistje den metaalsplinter
bewaarde, welken men in Morholt's schedel gevonden had. In een oogwenk
had zij dien in het zwaard gevoegd en ziet, hij paste volkomen! Een
oogenblik scheen het, of haar hart stilstond, toen begon het te
bonzen en te kloppen van woede en schrik. Hare moeder en zij hadden
dus Tristan, den moordenaar van haar dierbaren oom, met zoo veel zorg
verpleegd. Tantris, de speelman, was Tristan--Tantris--Tristan! zoo
flitste het door haar brein, klonk dat niet als een raadsel, een
eenvoudig spelletje, waarmede men kinderen zoet houdt en waardoor zij
beiden om den tuin waren geleid? Stikkend bijna van woede en schaamte
liep zij met het zwaard in de opgeheven hand op Tristan toe, terwijl
zij uitriep: "Laffe moordenaar, die ons door listig woordenspel wildet
misleiden! Thans weet ik, wie gij zijt en dit zweer ik u, gij zult uwe
gerechte straf niet ontgaan! Hetzelfde zwaard, waarmede gij Morholt
den doodslag toebracht, zal ook uw dood zijn!" Dreigend zwaaide zij
het wapen boven zijn hoofd. Tristan echter zag haar onverschrokken in
de oogen en antwoordde kalm: "Sla toe, schoone Isolde, maar bedenk,
dat hij, dien gij doodt, uw gast is, die zich vol vertrouwen in uw
huis gewaagd heeft en dat hij geene andere zonde bedreven heeft, dan
dat hij in een eerlijken strijd, waartoe hij bovendien door Morholt
was uitgedaagd, zijn tegenstander heeft verslagen! Wilt gij nochtans
uw wraakzuchtig voornemen ten uitvoer brengen, zoo ben ik bereid te
sterven. Mocht ge ooit wroeging over deze daad gevoelen, zoo zult gij
in de armen van Agavin al ras het onrecht vergeten, dat gij uw gast
hebt aangedaan!" Deze laatste woorden misten hun doel niet! Weenend
sloeg de jonge prinses de handen voor het gelaat en verliet haastig
het vertrek.
Tristan echter begaf zich naar koning Gumurun en bekende hem openlijk
zijn naam en afkomst. Daarbij deelde hij den vorst het doel zijner
komst mede en verzocht hem eerbiedig om de hand zijner dochter voor
zijn oom, koning Mark van Cornwallis. In levendige termen schilderde
hij hem af, welke voordeelige gevolgen deze verbintenis voor het
gansche rijk zou medebrengen en welke hulde en eerbetoon prinses Isolde
in het rijk van haren toekomstigen gemaal te wachten stonden. Zijne
woorden hadden de gewenschte uitwerking; weldra stemde Gumurun toe in
het vereerend aanzoek, dat vrede en vriendschap zou brengen tusschen
Ierland en Cornwallis. In aller ijl begaf Tristan zich nu aan boord
van zijn schip, waar men zich reeds hevig ongerust begon te maken
over zijne afwezigheid en gebood den baronnen zich in hunne fraaiste
kleederen aan land te begeven en de koffers met bruidsgeschenken,
welke voor Isolde bestemd waren, met zich mede te brengen.
Inmiddels was de dag aangebroken, waarop Agavin met de Roode Haren
in tegenwoordigheid der gansche hofhouding zijne aanspraken op de
hand van prinses Isolde zou bewijzen en haar openlijk als zijne bruid
zou opeischen.
De groote troonzaal van het paleis was gevuld met eene dichte menigte,
die in druk gepraat de kansen van den drost besprak. Plotseling viel
eene diepe stilte onder de verzamelden en aller oogen richtten zich
naar de deur, door welke de honderd ridders en de twintig edelen uit
Cornwallis in plechtigen optocht de zaal binnentraden.
Vol bewondering staarden de aanwezigen naar de schitterende uitrusting
en de fiere houding der vreemdelingen en verbaasd vroeg men elkander
af, vanwaar deze ridders gekomen waren. Tristan's volgelingen namen
zwijgend plaats ter rechterzijde van den troon. Weldra verschenen ook
koning Gumurun met zijne gemalin en de jonge prinses, die bleek en
angstig om zich heen zag. Nadat de herauten tot stilte hadden gemaand,
stond Agavin met de Roode Haren, die ter linkerzijde van den troon was
gezeten, op van zijn zetel en begon in snoevende bewoordingen verslag
uit te brengen van de wijze, waarop hij den draak had omgebracht. Met
druk stemgeluid en heftig handgebaar poogde hij zijne hoorders van de
waarheid zijner woorden te overtuigen en toen hij ophield met spreken
en als laatste bewijsstuk den kop van den draak aan de voeten des
konings neerlegde, zag hij triomfantelijk rond als om de aanwezigen
te tarten, het verhaalde te logenstraffen.
In de diepe stilte, die op zijne woorden volgde, viel met donderend
geluid Tristan's stem, die uitriep: "Sire, ik beschuldig dezen man
voor God en u allen van leugen en bedrog! Niet hij heeft den draak
gedood, maar ik! Niet hij heeft daarom recht op de hand der prinses,
maar ik! Wanneer gij zulks eischt, wil ik mijne bewering met kracht
van wapenen staven!"
De drost was onwillekeurig achteruitgedeinsd bij het vernemen dezer
beschuldiging, en toen Tristan zweeg en hem verwachtend aanzag, poogde
hij tevergeefs eenig zelfvertrouwen uit zijne stem te doen klinken,
toen hij antwoordde: "Wat behoeft men door wapenen te bewijzen, wat
door de feiten reeds zonneklaar is aangetoond? Heb ik niet den kop
van den draak meegebracht als getuigenis voor wat ik deed en blijkt
hieruit niet reeds voldoende, dat ik inderdaad het monster gedood heb?"
Maar Tristan lachte spottend en sprak luide:
"Den kop hebt ge het doode monster afgeslagen en dien hierheengebracht,
maar zeg mij, waarde drost, waar hebt gij de tong gelaten? Vergis ik
mij niet, dan hebt gij die in de haast vergeten!" Fluks snelden de
dienaren van den vorst toe en braken den bek van het ondier open en
inderdaad, de tong was afgesneden! Tristan haalde haar zegevierend uit
zijn zak te voorschijn en riep: "Ziehier, edele heeren! Is het u nu
voldoende gebleken, hoe deze leugenaar u trachtte te misleiden? Zoo
niet, dan zal ik hem op andere wijze dwingen zijne valschheid te
bekennen!" Met deze woorden greep hij naar zijn zwaard en snelde op
Agavin toe, deze echter week verschrikt terug en onder het daverend
hoongelach van alle aanwezigen verliet hij ijlings door eene zijdeur
het vertrek.
Van alle kanten verdrong men zich nu om Tristan, om hem met zijne
heldendaad geluk te wenschen en met luider stem verzochten de ridders
hem om zich aan hen bekend te maken.
Tristan trad eenige schreden terug, om zich ruimte te verschaffen,
hief het hoofd fier omhoog en sprak, zóó luid dat allen het hooren
konden: "Mijn naam is Tristan van Ermonie!"
Een oogenblik was het doodstil in de groote zaal, toen scheen het
of er eene trilling door de menigte ging en een verward geroep van
stemmen brak los. "Weg met den moordenaar! Slaat hem dood! Gedenk
Morholt!" Zoo klonk het van alle kanten en dreigend drongen de Ieren
op Tristan toe. De ridders en baronnen uit diens gevolg schaarden zich
beschermend om hem heen, maar Tristan zelf verloor geen oogenblik zijne
kalmte. Rustig trad hij voor den koning en herhaalde zijne woorden.
Toen zagen de Iersche ridders tot hunne groote verbazing, hoe koning
Gumurun zich vooroverboog en Tristan den vredeskus gaf. Het roepen
bedaarde om plaats te maken voor een toornig gemompel, maar koning
Gumurun verhief zich van zijn zetel en riep uit: "Van nu af aan zij
er vrede tusschen de rijken van Cornwallis en Ierland. De oude veeten
en grieven worden begraven en tot teeken der algeheele verzoening
vertrouw ik mijne eenige dochter toe aan dezen ridder, opdat hij haar
met zich voere naar zijn land, waar zij de bruid zal worden van zijn
heer en meester, koning Mark."
Deze oplossing scheen allen te bevallen, luide toejuichingen barstten
los en onder de jubelkreten der aanwezigen legde koning Gumurun de
hand van prinses Isolde in die van Tristan als plechtig teeken harer
verloving met koning Mark.
_Hoe Tristan en Isolde aan boord van het vaartuig, dat hen naar
Cornwallis zou brengen, den liefdesdrank dronken._ Toen nu de dag
naderde, waarop Isolde zich aan boord van het schip zou begeven, dat
haar naar Cornwallis moest brengen, begaf de koningin, hare moeder,
zich naar buiten op de heuvelen rondom de stad en verzamelde daar
kruiden tot het bereiden van een liefdesdrank. In haar hart twijfelde
zij eraan, of de bejaarde koning er in zou slagen de liefde zijner
jonge bruid voor zich te winnen en daarom nam zij al hare kunde en
wijsheid in het zoeken van kruiden te baat om de harten dier beiden tot
elkander te brengen. Onder het prevelen van tooverspreuken en innige
gebeden voor het welzijn en het geluk harer dochter, kookte zij die
kruiden tot een drank, welke de kracht bezat, om de harten van hen, die
hem dronken, in liefdegloed te doen ontvlammen en door onverbreekbare
banden levenslang aan elkaar te snoeren. Toen de drank gereed was,
goot zij het kostbare vocht in eene aarden kruik en beval Brangwaine,
die hare jonge meesteres naar haar nieuwe vaderland zou vergezellen,
den inhoud daarvan over twee bekers te verdeelen en die Isolde en haar
echtgenoot op hunnen huwelijksavond ten dronk te reiken. Zij droeg
Brangwaine op, de uiterste voorzichtigheid er mede te betrachten,
opdat de drank niet in verkeerde handen zou geraken en wees haar op
de noodlottige gevolgen, die ontstaan konden, wanneer dit onverhoopt
gebeurde.
Het afscheid was genomen en het vaartuig met prinses Isolde aan boord
stevende langzaam de haven uit, de open zee tegemoet. Vroolijk klonk
het gezang der zeelieden en in opgewekte stemming zaten de ridders
van koning Mark bijeen. Het doel hunner reis was bereikt! Wat geen
hunner had durven droomen was geschied: de schoone prinses met de
blonde haren zou de gemalin van koning Mark worden en daarmede was
niet alleen de toekomst van hun rijk verzekerd, maar waren tegelijk
ook de aanspraken van Tristan op den troon nietig verklaard. Deze
laatste stond zwijgend tegen den mast geleund en tuurde in het
blauwe verschiet. In zijne gedachten doorleefde hij opnieuw het
afscheidstooneel tusschen Isolde en hare ouders en vrienden. Hij zag,
hoe de jonge prinses zich onder bittere tranen vastklemde aan hare
moeder en haar smeekte, om in Ierland te mogen blijven, bij allen,
die ze liefhad, in plaats van te moeten gaan naar het vreemde land,
waar zij niemand kende en waar zij de vrouw zou moeten worden van
dien vreemden koning, dien zij nooit te voren gezien had. Maar hare
smeekbeden waren vergeefsch geweest. Met zachten drang had de koningin
zich los gemaakt uit hare armen en had tot haar gesproken van de hooge
plichten, welke haar in haar nieuwe vaderland wachtten. Zij had hare
dochter erop gewezen, hoe zij daar het leven van haren toekomstigen
gemaal met haar zonnigen lach zou weten op te vroolijken, hoe zij
gehuldigd zou worden als vorstin over een machtig en groot land en
hoe door haar toedoen een hechte band zou ontstaan tusschen Ierland
en Cornwallis, die beide rijken ten goede zou komen.
Nog zag Tristan in zijne verbeelding, hoe de jonge prinses op het
oogenblik, dat de ankers gelicht werden en de boot zich langzaam van
de kade verwijderde, zich over de verschansing had heengebogen en met
uitgestrekte armen om hare moeder had geroepen, hoe zij eindelijk,
half bezwijmd in de armen harer trouwe dienares was gevallen en hoe
deze haar weggedragen had naar de rijkversierde tent, die te haren
behoeve op het dek van het vaartuig was opgeslagen. Sindsdien had
Tristan haar niet meer gezien, maar het hartroerend afscheid had
de vreugde over het welslagen van zijn tocht vergald en steeds weer
vroeg hij zich af, of hij geen onrecht beging door dit jonge meisje
in de armen van koning Mark te voeren.
De eerste uren na het vertrek was de reis voorspoedig, maar allengs
ging de wind liggen en moesten de zeelieden de riemen ter hand nemen,
wilde men het schip in beweging houden. De hitte was drukkend; fel
brandden de zonnestralen op het dek en boven Isolde's tent hing de
koninklijke standaard slap terneer. Op het middaguur werd de warmte
zóó ondragelijk, dat er bevel werd gegeven, het roeien te staken
en de uitgeputte zeelieden strekten zich op het dek uit, om te
rusten. Onbeweeglijk lag het schip op de blauwe zee; de edellieden
en ridders waren meerendeels ingeslapen, alleen Tristan waakte. De
gordijnen voor Isolde's tent waren teruggeslagen en door de opening
was de gestalte der jonge prinses zichtbaar, uitgestrekt op eene
lage rustbank.
Tristan naderde de tent en boog zich eerbiedig voor haar
neder. Belangstellend vroeg hij, hoe zij het maakte en trachtte met
haar in gesprek te raken; na eenige moeite gelukte hem dit en wist hij
haar zelfs zoover te krijgen, dat zij hem eenige vragen stelde over
het leven en de gebruiken in haar nieuwe vaderland. Zoo spraken zij
eenigen tijd met elkander, tot Isolde, dorstig geworden door de hitte,
hem vroeg, haar een teug wijn te brengen. Tristan begaf zich naar de
plek, waar de wijn bewaard werd, maar ziet, deze was tot den laatsten
droppel door de dorstige zeelieden opgedronken. Wat nu te doen? Hij
kon de prinses toch geen beker water aanbieden? Aarzelend zag hij
om zich heen, daar ontdekte zijn oog in een hoek eene kleine aarden
kruik hij nam haar op, goot den inhoud in een zilveren drinkbeker en
tot zijne verbazing was het wijn, diep donkerroode wijn, waaruit een
zoete geur omhoogsteeg.
Vol vreugde bood hij den beker aan Isolde, deze nam hem gretig aan,
zette hem aan den mond en dronk eruit met lange teugen, daarop bood
zij hem op hoffelijke wijze aan Tristan en beduidde hem, den beker
te ledigen. Deze voldeed aan haar verlangen, maar nauwelijks was het
vocht hem door de keel gevloeid of eene vreemde, zoete bedwelming
scheen over hem te komen. Langzaam dronk hij verder en terwijl hij dit
deed scheen het of zijne oogen met onweerstaanbare kracht naar Isolde
werden getrokken. Of--was dit inderdaad Isolde? dit jonge meisje
met de vochtig glanzende oogen, die hem aanzagen, zóó vreemd--zóó
innig, als nog nooit eene vrouw hem aangezien had? Haar mond was half
geopend, haar adem kwam snel en hijgend. Waarom zag ze hem zoo aan,
waarom strekte zij hare handen uit, als om steun te zoeken? Zou zij,
evenals hij, dien onweerstaanbaren drang in zich gevoelen, die hem
naar haar toe dreef, die hem woorden en klanken deed stamelen van
liefde en innigheid, die hem deed hunkeren om haar in zijne armen te
nemen en haar te kussen: hare oogen, hare blonde haren en hare roode
lippen? Een oogenblik zagen de beiden elkander aan: toen klonk het
zacht "Isolde!" en daarna "Tristan!" en Tristan hield de bruid van
koning Mark in zijne armen.
Een luide kreet wekte hen uit hun zoeten droom. Met opgeheven handen
stond Brangwaine voor hen: "Meesteresse, wat hebt gij gedaan!" riep
zij in vertwijfeling; "gij hebt van den tooverdrank gedronken, die
u en uwen gemaal door eeuwige liefde te zamen moest binden en ziet,
wat nu geschied is!" Van nu af aan klopt uw hart slechts voor dezen
vreemdeling en nooit zal koning Mark erin slagen, uwe liefde te
winnen! Mijne arme meesteres, het is de dood, dien gij beiden uit
dezen beker gedronken hebt!
Tristan en Isolde zagen elkander aan, toen sprak de eerste plechtig:
"Indien het waar is, wat ge zegt, zoo zou ik liever duizend dooden
sterven, dan voort te leven zonder den troost dezer liefde!" en
opnieuw drukte hij Isolde aan zijn hart.
Jammerend en de handen wringend van wroeging en smart verliet
Brangwaine de tent. Tevergeefs zon zij op middelen, om de dreigende
ramp te voorkomen, de liefdesdrank had zijne uitwerking niet gemist.
Toen de avond viel en de schemering daalde over het breede watervlak,
toen alle geluid aan boord verstomd was en slechts het kabbelen
der golfjes tegen de kiel van het schip de stilte verbrak, waren de
gordijnen van Isolde's tent gesloten. De standaard van koning Mark
hing slap en mistroostig omlaag en voor de tent hurkte eene eenzame
gedaante: Brangwaine, die met angst en wanhoop in het hart waakte
over het eerste samenzijn der twee gelieven.
Na eene voorspoedige reis naderde het schip de rotsen van
Cornwallis. Groote vreugde heerschte onder de baronnen, die van den
koning eene vorstelijke belooning verwachtten voor het welslagen
hunner onderneming en de gevaren, waaraan zij zich om zijnentwille
hadden blootgesteld. Onder opgewekten kout bracht men den tijd door,
die nog verloopen moest, eer men voet aan wal kon zetten, lach en
scherts weerklonken aan alle kanten.
In hare tent zat Isolde en liet zich door hare dienaressen tooien en
sieren voor de eerste ontmoeting met haren bruidegom. Zij kleedden
haar in een ruim, loshangend gewaad van glinsterende zijde, zij
vlochten haar paarlen en robijnen door het blonde haar en voortdurend
spraken zij haar van den luister en pracht van Mark's hofhouding en de
schitterende feesten, waarmede hij zijn huwelijk dacht te vieren. Nooit
nog waren er zulke toebereidselen gemaakt als voor deze gelegenheid,
nooit nog waren er zulke festijnen aan het hof gehouden als die,
waarmede koning Mark zijne jonge bruid zou huldigen.
Maar zij, die de hoofdpersoon moest wezen op deze feesten, zag er bleek
en bedrukt uit; op de opgewonden verhalen harer vrouwen antwoordde
zij met een matten glimlach en eerst toen Tristan liet vragen of zij
gereed was, daar men de kust naderde, scheen zij uit hare verdooving
te ontwaken. Met een gebiedend gebaar zond zij hare dienaressen heen,
met uitzondering van Brangwaine, die zij verzocht te blijven. Toen
zij beiden alleen waren, stond zij haastig op, greep hare trouwe
vriendin bij den arm en fluisterde haar toe: "Brangwaine, ik moet
u om een dienst verzoeken, die moeilijker en zwaarder te volbrengen
is, dan eenige dienst, dien ge mij ooit bewezen hebt. Nochtans moet
ik er u om vragen. Zult ge mij dien dienst weigeren?" "Vrouwe",
antwoordde Brangwaine, "indien het in mijn vermogen is, u te helpen,
dan zal ik het doen, meer kan ik niet beloven!" "Nu, luister dan",
sprak Isolde; "gij en gij alleen weet, wat er is geschied, gij weet
dat mijn lichaam en ziel Tristan toebehooren en dat de gedachte aan een
anderen echtgenoot mij doet rillen van vrees en afkeer. Niettemin zal
koning Mark mij tot zijne vrouw maken. Om die afschuwelijke gebeurtenis
te verhinderen moet gij mij helpen. Wanneer de gasten den koning
en mij naar het bruidsvertrek hebben geleid en de lichten gedoofd
zijn, moet gij mijne plaats aan de zijde des konings innemen, in het
duister zal hij uw gelaat niet herkennen en eer de dag aanbreekt,
zal ik u aflossen. Spreek, wilt gij dit voor mij doen?"
Langen tijd hield Brangwaine het hoofd gebogen; zij voerde een
vreeselijken strijd in haar binnenste, maar eindelijk hief zij het
gelaat omhoog, haar oogen stonden vol tranen en een trek van pijn
groefde zich om haar mond, toch klonk hare stem vast en kalm, toen
zij zeide: "Ik zal doen, wat gij mij vraagt." Daarop vlood zij heen
uit vrees, zich niet langer te kunnen beheerschen.
Aan den steiger, die met groen en bloemen was versierd, wachtte een
uitgelezen gezelschap de aankomst der boot af. Vooraan stond koning
Mark, den gouden kroon op het hoofd en tuurde in onrustige spanning
naar het schip. Toen Isolde den voet aan land zette ging er een
gemompel van bewondering door de verzamelde menigte, want de jonge
prinses was schoon als de morgenstond. De zon verlichtte haar gouden
haren en speelde om hare lieflijke gestalte en toen zij op den koning
toetrad was het, of er iets van het warme licht, dat haar omstraalde,
in zijn eenzaam hart drong.
Tristan zelf voerde Isolde aan zijne hand en bracht haar naar zijn oom;
toen zij voor den koning genaderd waren, sprak hij met luider stem:
"Sire, ingevolge uwe bevelen breng ik u prinses Isolde van Ierland,
die gij als uwe bruid hebt uitverkoren." Daarna liet hij de hand der
prinses los, boog en verdween onder de menigte.
Met grooten luister en praal werd het bruiloftsfeest gevierd en alle
gasten waren het er over eens, dat men nooit schooner en bevalliger
bruid gezien had dan Isolde met de Gouden Haren. Wel vond men haar
wat bleek en stil, maar men schreef dit toe aan de vermoeienissen der
reis en den indruk, dien haar nieuwe staat en de vreemde omgeving op
haar maakten.
Toen de nacht zijne donkere sluiers over de aarde spreidde, werden de
lichten in het paleis gedoofd en geleidde men, volgens aloud gebruik,
de jonggehuwden naar het rijk versierde slaapvertrek. Spoedig daarna
had de verwisseling plaats. In het korte oogenblik, dat Mark zijne
jonge vrouw alleen liet, sloop deze heen, om plaats te maken voor
Brangwaine en zij, die bevend in zijne armen lag, was niet Isolde
met de Gouden Haren, maar hare trouwe dienares.
Vreugde en zonneschijn hadden aan het hof van koning Mark hunne
intrede gedaan met de komst van diens jonge gemalin. Een nieuw,
jong leven vulde de groote zalen van het paleis met blij geluid;
zang en snarenspel weerklonken in den stillen slottuin.
Koning Mark was innig gelukkig met zijne schoone vrouw; zijne oogen
straalden blij, zijn gang was veerkrachtig en fier en telkens weer
zegende hij de ingeving, die hem had doen toestemmen in den eisch
der baronnen, om zich eene bruid te zoeken. Ook Isolde was gelukkig;
haar echtgenoot liet haar uit kiesche bescheidenheid volle vrijheid
en zoo wist zij elken dag eenige oogenblikken te vinden om met
haren geliefde samen te zijn. Die oogenblikken waren haar eigenlijk
leven; den overigen tijd leefde zij als in een droom, doorproevend de
zaligheid van het doorleefde en reikhalzend uitziend naar eene volgende
samenkomst. De menschen om haar heen hoorde en zag zij slechts vaag,
zóó zeer waren hare gedachten vervuld van wat zij daar binnen in haar
hart voor schoons en heerlijks verborgen hield, maar zij had voor
elk een vriendelijk woord en een droomerige, lieve glimlach speelde
steeds om haar mond.
En Tristan?--voor hem, den man, die zich niet geheel kon overgeven
aan de bedwelmende bekoring van den hartstocht, was het leven eene
foltering. Gedreven door een gevoel van schuld tegenover zijn koning,
die hem steeds met liefde had omringd, streed hij in zijn binnenste
een voortdurenden strijd tegen de alles overheerschende macht der
liefde. Slechts in de uren van samenzijn met Isolde kon hij voor een
oogenblik de kwellingen van schaamte en wroeging vergeten, die hem
het bestaan ondragelijk maakten.
Zoo ging het leven aan het hof eenigen tijd voort en allengs werden
de beide gelieven stoutmoediger in het beramen hunner plannen. Niet
slechts in de bosschen en tuinen om het paleis, maar ook in het slot
zelf kwamen zij samen en overmoedig geworden door het welslagen van
hun pogen, begonnen zij langzamerhand de noodige voorzichtigheid uit
het oog te verliezen. Het spreekt dus van zelf, dat hunne verhouding
niet langer een geheim kon blijven voor hunne omgeving. Hier en daar
geraakten de booze lastertongen in beweging en naijverige hovelingen
bespiedden hunne gangen en zonnen op verraad. Tot dezen behoorde
Meriadoc, een der ridders van koning Mark.
Sinds langen tijd was hij jaloersch op Tristan, wien hij diens
hooge plaats aan het hof misgunde en nu hij vermoedde, dat er
eene schuldige verhouding tusschen hem en de koningin bestond, was
al zijn denken en doen er op gericht, om bewijzen te verkrijgen,
waarmede hij den nietsvermoedenden koning zou kunnen overtuigen. Het
duurde niet lang, of hij verkreeg de zoo zeer gewenschte zekerheid. Om
Tristan's handelingen nauwkeuriger te kunnen bespieden had hij, onder
voorwendsel van groote vriendschap voor hem te gevoelen, hem verzocht
om zijn slaapvertrek met hem te mogen deelen en zoo sliepen de beide
ridders thans te zamen in een der zijgebouwen van het paleis. Eens op
een nacht ontwaakte Meriadoc door een kouden tocht, die hem langs het
gelaat streek en vond tot zijne verbazing de buitendeur van het vertrek
openstaan. Onmiddellijk tastte hij naar het bed van Tristan en wat hij
vermoedde, bleek juist te zijn: het was onbeslapen. Haastig schoot
Meriadoc eenige kleedingstukken aan en begaf zich naar buiten. Het
was October en dien nacht was de eerste sneeuw gevallen. Bij het
schijnsel der maan bespeurde hij een spoor van versche voetstappen,
dat in de richting van het slot leidde. Voorzichtig voegde Meriadoc
zijne schreden naar die van zijn voorganger en ziet, bij de omheining
gekomen, welke de vertrekken des konings omringde, bemerkte hij, hoe
iemand zich door het wegnemen van eene plank toegang had verschaft
tot het afgesloten gedeelte. Door de opening heen zag hij, dat de
voetsporen rechtstreeks voerden tot de vensters der koninklijke
vertrekken. Nu was geen twijfel meer mogelijk; met eene boosaardige
grijns op het gelaat zocht Meriadoc zijne legerstede weer op en besloot
den volgenden morgen den koning over het gebeurde in te lichten.
Door listige toespelingen en sluwe aanduidingen wist hij den argwaan
van koning Mark op te wekken en deelde hem ten slotte zijne vreeselijke
vermoedens omtrent de koningin en Tristan mede.
In hevige verontwaardiging wees de vorst de aantijging van de hand en
het scheelde niet veel, of hij had den valschen lasteraar in zijne
blinde woede terneergeveld. Maar deze gaf den strijd niet op. In
geveinsden ootmoed boog hij zich voor zijn vorst en smeekte hem om
vergiffenis; hij zwoer hem, slechts de eer van zijn meester voor oogen
te hebben bij het indienen zijner aanklacht en wendde voor alleen
gedreven te worden door heilige verontwaardiging over het schandelijk
bedrog en de grievende beleediging, zijn heer aangedaan. Zijne woorden
bleven niet zonder uitwerking op het gemoed van den koning en al
wierp hij elke verdenking van zijne jonge vrouw verre van zich af,
toch begon hij haar onwillekeurig nauwer gade te slaan in haar doen en
laten. Wanneer zij met hare vrouwen bij het haardvuur zat te spinnen en
zij Tristan riep, om haar een lied voor te zingen, zwierven de blikken
van den vorst onrustig heen en weer tusschen de beide jonge menschen,
die zoo vroolijk met elkander praatten en schertsten. Onwilllekeurig
trachtte hij in hunne woorden en gebaren eene geheime beteekenis te
zoeken en luisterde hij scherper toe, wanneer zij hunne stemmen tot
een zacht gefluister lieten dalen. Wanneer hij hen dan bijeen zag,
beiden zoo jong en schoon en zijn blik viel toevallig op een der lange
wandspiegels, waarin hij zijn eigen beeld weerkaatst zag, gleed er
soms een bittere glimlach over 's konings gelaat en eene stem in zijn
binnenste zeide hem, dat het geen wonder zou zijn, indien Isolde het
gezelschap van een jong en schoon ridder als Tristan verkoos boven
het zijne.
Zoo werd het gemoed van koning Mark gepijnigd door vrees en twijfel
en weldra kende hij nog slechts één wensch: zekerheid te hebben,
ook al ontnam die hem zijne laatste hoop op geluk. Om die zekerheid
te verkrijgen verzon hij eene list. Eens op een avond zeide hij tot
Isolde: "Liefste, sedert langen tijd rust op mij de verplichting
om een pelgrimstocht te ondernemen naar verre streken. Ik wil dien
tocht niet langer uitstellen, maar er is één ding, dat mij ervan
terughoudt: in wiens zorg zal ik u hier achterlaten? Spreek, aan
welken van mijne ridders zou ik u het best kunnen toevertrouwen?" Een
glans van vreugde kwam in Isolde's oogen en zij antwoordde zonder
aarzelen: "Aan wien beter dan aan Tristan, Heer? Onder zijne hoede
zal mij geen kwaad geschieden!" De koning wendde zich zwijgend af,
het was hem of eene ijskoude hand zich op zijn hart legde en er
alle warmte uit verdreef, nu had hij immers zekerheid aangaande
de gevoelens zijner vrouw? Deze echter snelde naar Brangwaine en
deelde haar vol blijdschap mede, dat de koning voor langeren tijd op
reis dacht te gaan en haar verzocht had, een beschermer te kiezen,
die zijne plaats gedurende zijne afwezigheid zou innemen. "Wien hebt
gij gekozen?" vroeg Brangwaine en hare meesteres antwoordde lachend"
Wien anders dan Tristan!" Maar Brangwaine schudde het hoofd en wees
haar op het onvoorzichtige harer woorden, die den koning, zoo hij
wellicht eenigen argwaan koesterde, op het spoor harer gevoelens
zouden kunnen brengen. Op haar aanraden zeide Isolde den volgenden
morgen tot haren gemaal: "Heer, den ganschen nacht hebben mij uwe
woorden van gisterenavond in de ooren geklonken en ik begin te
gelooven, dat het u ernst was, met hetgeen ge zeidet. Aanvankelijk
meende ik, dat ge slechts schertsen wildet en daarom heb ik u ook in
scherts geantwoord." Een straal van hoop verlichtte het gelaat van
koning Mark. "Wat wilt ge dan?" vroeg hij. "Hebt ge niet Tristan,
mijn neef, uitgekozen, om hier te blijven en u te behoeden tegen
mogelijk gevaar?" "Zwijg over dien man!" riep Isolde met fonkelende
oogen, "meent ge werkelijk, dat ik hem, den moordenaar van mijn oom,
tot mijn beschermer zou kiezen? Ik weet, weliswaar, dat hij mij met
smeekende oogen en vleiende woorden achtervolgt, maar dat is slechts
uit angst voor mijne wraak. Neen, indien hij niet uw neef was, zou
ik niet rusten, vóór hij zijne gerechte straf had ondergaan."
Het hart van koning Mark was gerust; zou eene vrouw zóó spreken over
hem, dien zij liefhad? Hij schold Meriadoc uit voor verrader en dreigde
hem met de vreeselijkste straffen, indien hij zijne beschuldiging
durfde herhalen.
Deze liet wijselijk eenigen tijd voorbijgaan, alvorens hij opnieuw
met zijne verdachtmakingen bij den koning aankwam en ditmaal ging hij
nog omzichtiger te werk, zoodat hij den vorst als 't ware zelf op het
denkbeeld deed komen, om zijne gemalin nogmaals op de proef te stellen.
"Vrouwe", zoo sprak hij tot Isolde, "eenigen tijd geleden hebt ge mij
gezegd, welk een haat gij mijn neef Tristan toedraagt. Nu ben ik tot
het besluit gekomen, dat ik hem liever naar zijn land wil terugzenden,
dan dat zijn aanblik u hier eene dagelijksche kwelling is. Daarom wil
ik hem vóór mijn vertrek van hier sturen, zoodat hij u gedurende mijne
afwezigheid geen overlast kan aandoen". Isolde ontstelde hevig, toen
zij deze woorden hoorde en riep terstond: "Neen, edele Heer! dat moogt
gij niet doen. Tristan is uw zusters zoon en heeft nooit eenig kwaad
jegens u misdreven, integendeel, hij heeft u altijd trouw en eerlijk
gediend. Wat deert het u, of ik hem niet lijden mag? Om mijnentwil
moogt gij geene onrechtvaardige daad begaan en bovendien zal ik mij
wellicht in den loop der jaren met hem verzoenen, daar ik wel inzie,
dat hij een dapper ridder is!"
Opnieuw zaaiden hare woorden wantrouwen in het hart des konings en
treurig verliet hij het vertrek. Toen Isolde Brangwaine deelgenoote
maakte van wat haar bedreigde, wees deze laatste haar ten tweede
male op het gevaar van zich aldus bloot te geven en haren raad
volgend, sprak Isolde dienzelfden avond tot haren gemaal: "Heer,
indien gij werkelijk meent, dat gij, zonder Tristan onrecht aan
te doen, hem naar zijn land kunt doen terugkeeren, zoo zou mij
niets aangenamer zijn. Zoolang gij hier blijft, is het mij mogelijk
zijne tegenwoordigheid te dulden, maar wanneer gij vertrekt, zal de
ergernis van hem dagelijks te moeten zien, mij het leven ondragelijk
maken. Het beste zou zijn, wanneer gij hier zoudt kunnen blijven of
mij met u medenemen."
Ook ditmaal wist zij de stem van twijfel in het hart van haren
echtgenoot tot zwijgen te brengen; vol verrukking klemde koning Mark
haar aan zijne borst en zwoer, haar nimmer te zullen verlaten.
Zoo waren dus rust en kalmte wedergekeerd in 's konings gemoed, maar
de verraders rustten niet en waren er steeds op bedacht, om nieuwe
bewijzen van de schuld der koningin te ontdekken. Ter bereiking van
dit doel had Meriadoc een dwerg, Melot genaamd, in zijn dienst genomen,
die bekend stond om zijne groote geslepenheid. Hij had hem opgedragen,
scherp toe te zien op de gangen van de koningin en Tristan. Weldra
was ook Melot zeker van hun beider schuld, al was het hem tot nu
toe onmogelijk gebleken, hen op heeterdaad te betrappen. In zijne
verdenking versterkt door Melot's aanwijzingen begaf Meriadoc zich
met eenigen zijner vrienden naar den vorst en eischte op hoogen
toon, dat de koning, ter wille van zijn goeden naam en dien van
het gansche rijk, Tristan van het hof zou verbannen. Aanvankelijk
weigerde Mark om aan hun verzoek te voldoen, maar ten slotte moest
hij wel toegeven. Hij begaf zich dus naar Tristan en zeide tot hem:
"Booze tongen spreken kwaad van uwe verhouding tot de koningin. Al
geloof ik zelf, dat het slechts vuige laster is, wat zij zeggen,
toch moet men ook den schijn van het kwade vermijden. Daarom verzoek
ik u niet langer de vorstin in hare vertrekken te bezoeken en u voor
eenigen tijd van het hof te verwijderen."
Tristan boog het hoofd en ging heen, maar toen hij de ophaalbrug over
reed om het kasteel te verlaten, scheen eene plotselinge loomheid in
armen en beenen hem het voortgaan te beletten. Hij kwam niet verder
dan het marktplein der stad Tintagel, daar huurde hij een woonvertrek
en bracht zijn tijd door in droef gepeins over het lot der geliefde.
_Hoe Tristan en Isolde door middel van een beekje met elkaar spraken._
De weken gingen voorbij, Tristan en Isolde kwijnden weg van verlangen
en smart. De koningin zat uren lang aan haar venster en staarde
zwijgend naar buiten, mijmerend over haar droevig lot. Tristan zat in
een hoek van zijn eenzaam vertrek met gebalde vuisten en verwenschte
zijn koning en zichzelf. Eindelijk begon Brangwaine, die wist waar
Tristan zich schuil hield, zich zóó ongerust te maken over het lijdend
uitzien harer meesteres, dat zij peinsde en zon, tot zij ten laatste
een middel gevonden had, om de beide gelieven te helpen.
Door de tuinen van het paleis stroomde een helder beekje, dat zijn
oorsprong dankte aan eene bron in het naburig bosch. Dit beekje vloeide
ook door de vertrekken der koningin, waar het in de warme zomerdagen
koelte en verkwikking bracht en den vrouwen eene gelegenheid bood
om zich door een bad in het heldere bronwater te verfrisschen. Dit
beekje nu moest als liefdesbode dienen. Wanneer Tristan de kans schoon
zag om de koningin tot een onderhoud in den slottuin uit te noodigen,
wierp hij, op aanraden van Brangwaine, eenige berkentakjes, waarop hij
met een scherp voorwerp inkervingen had gemaakt, in het water, om de
plaats van samenkomst aan te geven. Het beekje droeg die takjes op den
stroom mede en onder de marmeren overkapping door het paleis binnen,
tot in de kamer van Isolde. Zoo konden dus de beiden met elkander
spreken, zonder dat iemand vermoedde, wie daarbij hun tolk was.
Wie beschrijft de vreugde van het eerste ontmoeten na zoo lange
scheiding? Als een donkere vlinder zweefde Isolde in het nachtelijk
uur den slottuin in, waar Tristan haar met uitgespreide armen en
een onderdrukten kreet van verlangen ontving. Hij voerde haar mede
naar een donkeren hoek van het park, waar de sterren door het dichte
gebladerte gluurden en het klateren van het beekje het eenig geluid
was, dat de stilte verbrak. Den ganschen nacht bleven zij te zamen in
de hoogste zaligheid en eerst in de grijze ochtendschemering, toen de
omtrekken van het paleis zich vaag begonnen af te teekenen tegen den
roodgekleurden morgenhemel, sloop Isolde terug naar hare vertrekken.
Eenigen tijd lang gelukte het hun, deze nachtelijke bijeenkomsten
voor hunne bespieders verborgen te houden, maar weldra ontdekte het
waakzaam oog van Melot hun zoet geheim. Vol trots ging hij tot den
koning en zeide hem, dat, indien hij slechts zijn voornemen te kennen
gaf om voor eenige dagen op de jacht te gaan, hij, Melot, hem weldra
het overtuigend bewijs van de schuld der koningin zou kunnen leveren.
Het hart vol bittere schaamte over deze slinksche handelwijze
voldeed koning Mark aan het verzoek. Hij zeide tot Isolde, dat hij
een verren jachtrit ging ondernemen en dus voor eenige dagen van
huis zou zijn. Wat de dwerg vermoed had, gebeurde. Dienzelfden avond
nog sloop Tristan den tuin van het kasteel binnen, begaf zich naar
de bron en wierp eenige takjes in het beekje, die op den vluggen
stroom heendreven in de richting van het paleis. Peinzend stond hij
daarna aan den rand van het water en volgde in gedachten de boden
zijner liefde, die Isolde tot hem zouden roepen. Maar--wat zag hij
daar in het door de maan beschenen water--In de takken van den boom,
welke in het beekje weerspiegeld werden, bewogen twee gestalten: het
waren de koning en Melot, die zich daar verborgen hadden, ten einde
hun samenzijn te bespieden. Bliksemsnel kruisten de gedachten door
Tristan's brein, vóór alles vreesde hij, dat Isolde, die zoo dadelijk,
nietsvermoedend, daarheen zou komen, door hare woorden, haar groet,
al dadelijk hun geheim zou verraden. Wat te doen? Ongetwijfeld hadden
de takjes Isolde nu reeds bereikt en wellicht maakte zijne liefste
zich op dit zelfde oogenblik gereed om vol vreugde naar hem toe te
snellen. Angstig tuurde hij in de richting van het paleis en ziet,
daar naderde reeds eene donkere gedaante. Het was Isolde, die ook
hem reeds bemerkt had. Haar hart klopte onstuimig van vreugde en
verlangen, zoo dadelijk zou hij op haar toesnellen en haar omvatten
met zijne sterke armen. Maar waarom bleef hij zoo onbeweeglijk staan,
waarom kwam hij haar niet als gewoonlijk tegemoet om haar te omarmen,
nog eer zij de plaats van samenkomst had bereikt? Hare denkvermogens
waren door de liefde en de geheimhouding zoozeer gescherpt, dat
zij terstond onraad vermoedde en nauwkeurig speurde zij dus rond
om te ontdekken, vanwaar het gevaar kon komen. Daar ontdekte zij
in den boom de twee gedaanten en onmiddellijk wist zij, wat haar
te doen stond. Met kalmen tred naderde zij de plek, waar Tristan
haar stond op te wachten en sprak op koelen, hooghartigen toon:
"Heer ridder! aan uw dringend verzoek om een onderhoud heb ik gehoor
gegeven. Het moet inderdaad wel een zeer gewichtige reden zijn,
waarom ge mij op dit nachtelijk uur naar buiten roept. Zeg mij vlug,
wat gij op het hart hebt, want weet, dat door hier te komen, ik mijn
goeden naam in gevaar breng. Wat zou de koning ervan denken, indien
hij wist, dat ik aldus bij nacht en ontij in het park ronddool, om
u te ontmoeten? Spreek dus en wees een volgend maal verstandiger in
de keuze van uw tijd!" Tristan begreep terstond, waarom Isolde zoo
sprak en hij antwoordde haar dus ootmoedig: "Edele Vrouwe! ik liet
u om een onderhoud verzoeken, omdat ik u smeeken wilde, de goede
verstandhouding tusschen mijn koning en mij te herstellen. Mijn
geheele leven heb ik hem trouw gediend; de heerschappij over mijn
land heb ik om zijnentwil afgestaan; Morholt heb ik met gevaar van
mijn leven verslagen en ik heb door mijne worsteling met den draak
eene schoone vrouw voor mijn vorst veroverd. Wat is mijn dank voor
dit alles? Als een lastigen bedelaar zendt hij mij weg van het hof,
zoodra hem zulks belieft!" "Inderdaad", antwoordde Isolde, "ik heb
medelijden met uw droevig lot, maar hoe kan ik u helpen? Wanneer ik
uwe zaak bij den koning bepleit, zullen mijne woorden slechts strekken
om zijn wantrouwen aan te wakkeren en uw lot zal daardoor eer slechter
dan beter worden. Zijn trouw en edel hart is vergiftigd door de valsche
leugens, welke men hem inblaast en ik sta machteloos daar tegen".
"Welnu dan", hernam Tristan, "het zij zoo! Leugen en bedrog zijn
machtiger vijanden dan ijzer en staal. Van dit oogenblik af geef ik
den strijd daartegen op en zal morgen van hier trekken, om nimmer
terug te keeren! Vaarwel Vorstin! gij hebt mij twee maal het leven
gered, geen wonder dus, dat ik u aanhang in onderdanige liefde en
trouw. Moge het u wel gaan en moge uw gemaal spoedig het onrecht
inzien, dat hij u aandoet."
Met deze woorden scheidden de twee gelieven, koning Mark echter,
die tot in het diepst van zijn hart geroerd was door hetgeen hij
gehoord had, keerde zich vol woede tegen den dwerg, slingerde hem
uit den boom tegen den grond en zou hem zeker gedood hebben, als niet
Melot zich met een behendigen sprong uit de voeten gemaakt had. Hij
vluchtte uit het rijk en besloot niet terug te keeren, vóór de koning
hem gunstiger gezind zou zijn dan thans.
Den volgenden morgen reeds keerde de vorst terug naar zijn
paleis. Zóózeer verlangde hij naar zijne jonge vrouw, van wier
onschuld hij thans ten volle overtuigd was, dat hij eene reden
verzon om zijne voorgewende reis te onderbreken en in aller ijl
naar Tintagel terugkeerde. Toen hij Isolde vroeg, hoe zij gedurende
zijne afwezigheid den tijd had doorgebracht, antwoordde zij hem:
"Heer, wij vrouwen zijn vreemde wezens. Wie op ons medelijden werkt,
kan met ons doen, wat hij wil en kan onze hulp en steun inroepen voor
zijne zaak, ook al heeft die zelve niet onze volle instemming." "Wat
bedoelt gij, liefste?" vroeg de koning. "Heer", antwoordde Isolde,
"bij het spreken dezer woorden dacht ik aan Tristan. Hij heeft zich bij
mij beklaagd over de hardvochtige wijze, waarop hij door u behandeld
is geworden. Hij ziet zich gedwongen, van hier te gaan, al doet het
hem leed u te verlaten. Hoewel gij weet, dat ik hem niet mag lijden,
werd ik toch door zijne woorden geroerd en besloot om nog éénmaal
een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Daarom verzoek ik u,
zijne trouw en zijne verdiensten te gedenken, alvorens gij hem naar
zijn land laat terugkeeren."
"Dat zal ik", riep de vorst vol vreugde uit. "Nog heden zend ik een
boodschapper om Tristan op te sporen en van nu af aan zal hij weer
zijne oude plaats innemen aan mijn hof en in mijn hart, vanwaar
naijver en boosheid hem verjaagd hadden."
Zoo geschiedde het. Tristan keerde terug naar het hof en ten aanzien
der geheele hofhouding verzoende de vorst zich met zijn neef. Wel
morden en klaagden de baronnen, maar de koning was voor het oogenblik
geheel doof voor hunne aantijgingen en genoot met volle teugen van
zijn herkregen geluk.
Maar ook ditmaal was zijne rust niet van langen duur. Meer en meer
verspreidde zich onder de leden der hofhouding het gerucht van de
zondige verhouding, die bestond tusschen koningin Isolde en Tristan,
den neef des konings. Zelfs het volk in de straten van Tintagel
lachte meesmuilend, wanneer de grijze vorst met zijne jonge gemalin
voorbij reed en bespotte hun koning over zijne verblindheid. Toen
kwamen op een dag de baronnen in grooten getale bijeen, begaven zich
naar koning Mark en eischten, dat hij in deze zaak recht zou doen en
zijne eer en die van zijn hof voor verderen smaad zou behoeden.
Het duurde lang, eer zij Mark konden overtuigen, dat hij handelend
moest optreden, indien hij wilde voorkomen, dat zijn huwelijk
tot een onderwerp van spot werd voor het gansche volk. Eindelijk
dreigden zijne ridders hem dat, indien hij niet aan hunnen wensch
wilde voldoen, zij zich in hunne burchten zouden terugtrekken en hem
allen gezamenlijk den oorlog zouden aandoen. Voor deze bedreiging
moest de vorst zwichten en hij stemde erin toe, om Melot uit zijne
ballingschap terug te roepen en hem nogmaals eene kans te geven,
zijne beschuldiging door overtuigende bewijzen waar te maken.
De gelegenheid daartoe liet niet lang op zich wachten. Eens op een
avond nam de dwerg den koning ter zijde en sprak tot hem: "Sire,
het oogenblik is gekomen, waarop ik u door feiten kan aantoonen, dat,
wat ik zeide omtrent de koningin en Heer Tristan, waarheid was. Let
nu goed op, wat ik u zeg. Heden avond, wanneer Tristan reeds te bed
ligt, moet gij hem opdragen, om vóór het aanbreken van den dag eene
dringende boodschap naar het hof van koning Arthur te brengen. Gij
zelve moet uw voornemen te kennen geven om te middernacht de mis bij
te wonen. Daardoor zult gij uwe gemalin alleen achterlaten. Voor wat
verder dient te geschieden zal ik zorg dragen."
De koning deed, wat hem verzocht was. Eenigen tijd nadat Tristan zich
ter ruste had begeven in een hoek van de groote zaal, waar ook de
koning en koningin sliepen, trad Mark aan zijne legerstede en beval
hem, om bij het eerste ochtendgloren zijn paard te zadelen en zich
op weg te begeven naar het paleis van koning Arthur te Winchester,
om hem een dringenden brief te overhandigen.
De eerste gedachte van Tristan was, dat hij niet heen kon gaan zonder
afscheid te hebben genomen van Isolde en zoodra hoorde hij niet,
dat Mark zich gereed maakte om de nachtelijke mis in de slotkapel te
gaan bijwonen, of hij besloot van die afwezigheid gebruik te maken,
om zijn plan te volvoeren.
Stilte heerschte in de groote zaal, waaruit de koning met zijn gevolg
zooeven ter kerke was getogen.
In een hoek van het vertrek stonden eenige wachten half slapend
op hunne wapenen geleund, in vage omtrekken teekende zich de rijk
gebeeldhouwde legerstede der koningin, welke tegen één der muren was
geplaatst, in het zwakke maanlicht af. Tristan richtte zich overeind
in zijn bed, dat meer dan eene speerlengte van dat der koningin
verwijderd was en speurde voorzichtig in het rond. Geen geluid verbrak
de stilte, toen plotseling van uit een hoek der zaal eene kromme,
wanstallige gedaante naar voren sloop en zich met geruischloozen
tred door het vertrek bewoog. Bij het onzekere schijnsel der maan
ontwaarde Tristan, hoe Melot, want het was niemand anders dan deze,
den grond tusschen de beide bedden met meel bestrooide, dat hij in een
korfje bij zich droeg. Terstond begreep onze held, welken valstrik
men hem daar gespannen had en glimlachend over de verijdeling van
dien boozen toeleg, legde hij zich weer neder om te overleggen, wat
hem te doen stond. Weldra was zijn besluit genomen. Met de oogen mat
hij den afstand, die hem van Isolde's legerstede scheidde en toen
alles weer stil was in het vertrek, waagde hij den sprong, die hem,
zonder den vloer te raken, in het bed der geliefde bracht. Eene korte,
innige omhelzing, eenige haastige woorden tot afscheid en Tristan
keerde op dezelfde wijze naar zijne slaapplaats terug. Hij was geen
oogenblik te vroeg, want reeds klonk het geluid van stemmen aan de
deur en kort daarop verlichtte het roodachtig schijnsel van fakkels
het gansche vertrek. De wachten schrokken op uit hunne sluimering en
grepen haastig naar hunne wapens, daar trad reeds koning Mark, van de
mis teruggekeerd, de zaal binnen. Zijn eerste blik gold de koningin,
die zich slapend hield, evenals Tristan, daarna keek hij naar den
vloer tusschen de beide bedden. Geen sporen van voetstappen waren
in het fijngestrooide meel te bekennen, maar wacht, wat beduidde die
donkere streep? Bij het licht der haastig bijgehouden fakkels bukte
de koning zich diep voorover en tot zijne verbazing bespeurde hij,
dat eene reeks bloeddruppels zich op den vloer afteekende, die als
een onweerlegbaar bewijsstuk de legersteden der beide schuldigen
verbond. Met een vreeselijken kreet was koning Mark in één sprong
bij het bed der koningin; hij sloeg het dek terug en ziet, op het
blanke linnen kleurden helderroode bloedvlekken. Steunend van felle
smart sloeg de vorst de handen voor het gelaat. Hij zonk bijna ineen
van schaamte en verdriet, maar toen men hem berichtte, dat ook in
Tristan's bed dezelfde roode sporen waren opgemerkt, en dat het
bloed scheen voort te komen uit eene pas genezen beenwond, die door
de een of andere buitengewone krachtsinspanning was opengesprongen,
drong al het vernederende en pijnlijke van het tooneel eerst recht
tot hem door. Hij ontstak in hevige woede en beval, dat men de beide
schuldigen zou binden en hen zou opsluiten in den donkersten kerker
van het paleis. Den volgenden dag, zoo zwoer hij, zouden zij naast
elkander den vuurdood sterven en ten aanzien van het gansche volk
zouden de lekkende vlammen van den brandstapel den naam des konings
reinigen van de smet, die eraan kleefde.
Den volgenden morgen verspreidde zich alras de mare der komende dingen
onder de inwoners der stad. Bij alle rangen en standen heerschte
diep medelijden met het lot der arme koningin. Al veroordeelde men
haar om wat zij gedaan had, toch achtte men de straf te zwaar en met
angst en ontsteltenis zag men toe bij het maken der toebereidselen
voor de vreeselijke gebeurtenis. Tristan werd het eerst naar den
brandstapel geleid.
De weg, dien de gevangenen moesten nemen om het marktplein te bereiken,
waar hun vonnis zou voltrokken worden, voerde gedeeltelijk langs de
kust en zoo kwamen zij ook langs een punt, waar op een vooruitspringend
rotsblok eene kleine kapel gebouwd was. Deze kapel, die als 't ware in
de ruimte hing boven het zandige strand, dat langs den voet der rotsen
liep, werd veel bezocht door hen, die vrienden en bloedverwanten op
zee hadden en aldaar voor hunne veiligheid kwamen bidden.
Toen nu Tristan langs de kapel kwam, verzocht hij zijne bewakers
hem toe te staan om zich een oogenblik naar binnen te begeven
voor een laatst gebed tot God, Dien hij daar zoo dikwijls had
aangeroepen. Begaan met het lot van den jongen ridder, stonden zijne
begeleiders hem dit toe; Tristan trad binnen en zij, die bij hem waren,
vatten post voor den ingang der kapel. Toen onze held zijne ziel had
uitgestort in een vurig gebed, stond hij nog eene wijle te peinzen
aan een der hooge vensters die uitzicht gaven op zee en terwijl hij
zijn blik liet gaan over het oneindige watervlak, bedacht hij, hoe
veel zoeter het moest zijn te rusten in de koele, blauwe golven dan
ten aanzien van eene nieuwsgierige menigte een langzamen folterdood
in de vlammen te sterven. Één sprong naar beneden en het zou gedaan
zijn met allen angst en strijd en wie weet of koning Mark, wanneer
hij hoorde, dat Tristan voorgoed uit den weg was, zijne jonge vrouw
niet op nieuw in genade zou aannemen. Zoo zou hij misschien Isolde
het leven kunnen redden, mocht hij dan aarzelen? Met een enkelen
vuistslag verbrijzelde hij één der glasruiten, het volgend oogenblik
stond hij in de vensteropening en met uitgespreide armen waagde hij den
sprong. Men zegt wel eens, dat er eene afzonderlijke voorzienigheid
bestaat voor kinderen en gelieven--zeker is het, dat Tristan's leven
als door een wonder gespaard bleef. De wind blies zijn wijden mantel
omhoog en maakte er een valscherm van, dat de kracht van zijn val
brak en hem ongedeerd deed neerkomen op het zachte zand.
_Hoe Tristan zijne geliefde uit de handen der melaatschen redde._
Toen de krijgsknechten een oogenblik later in de kapel traden om
Tristan tot meerderen spoed aan te manen, vonden zij haar ledig. Bij
onderzoek verrieden de scherven op den grond en de zeewind, die door
het open venstergat blies, langs welken weg hun gevangene ontsnapt
was. Zij twijfelden niet, of Tristan had bij den sprong in dien diepen
afgrond het leven verloren, dus keerden zij terug naar het paleis om
onder angst en beven dit den koning mede te deelen. Alleen Gouvernail,
de trouwe dienaar, die zijn meester op diens laatsten tocht gevolgd
was, besloot de zaak nader te onderzoeken. Hij begaf zich naar het
strand, Tristan's wapenen en strijdros met zich mede nemend en wat
hij nauwelijks had durven hopen, bleek waarheid te zijn, hij trof
zijn geliefden heer ongedeerd en in goeden welstand aan. Terstond
spoorde hij hem aan te vluchten, maar Tristan weigerde te vertrekken,
alvorens hij zekerheid had omtrent het lot van Isolde.
Wat was er intusschen met de koningin geschied?
Toen koning Mark vernam, dat Tristan aan zijne straf ontkomen was,
ontstak hij in blinde woede. Het baatte niet, of men hem trachtte te
overtuigen, dat hij den gevaarlijken sprong onmogelijk levend kon
volbracht hebben, Mark hield vol, dat de gevangene ontsnapt moest
zijn. Eene uitdrukking van duivelschen haat vertrok zijn gelaat en
zijne trekken waren verwrongen van woede en wraaklust, toen hij daarop
beval, dat men Isolde naar den brandstapel zou geleiden. "Ik zal dien
verrader dat ontnemen, wat hem meer waard is dan zijn eigen leven," zoo
sprak hij; "laat hij zelf dan maar ontsnappen, zonder zijne minnares
is hem het bestaan toch tot eene kwelling, die erger is dan de pijnen
van den brandstapel." Isolde echter hief hare geboeide handen omhoog
en dankte God, dat Hij Tristan uit de klauwen des doods gered had.
Reeds knetterden en laaiden de vlammen, reeds had men de touwen
losgebonden, waarmede men de koningin geboeid had en bereidde de
ademloos wachtende menigte zich voor, om het vreeselijk schouwspel
te zien beginnen, toen de menschendrom naar beide kanten uiteenweek
om een troep melaatschen door te laten, die zich door de menigte
heendrong. Hij, die aan het hoofd van deze afzichtelijke bende liep,
riep met drieste stem tot den vorst: "Sire, ons is ter oore gekomen,
dat gij heden eene schoone vrouw op den brandstapel dooden wilt. Ziet,
wij zijn melaatschen en hebben geene vrouwen, daarom vragen wij u,
geef ons deze, gij zult daardoor beter gewroken zijn, dan wanneer
gij haar den vuurdood laat sterven."
Een gemompel van afgrijzen ging door de menigte, maar koning Mark,
die door haat en hartstocht geheel verblind was, riep uit: "Zoo neem
haar dan en doet met haar, wat gij wilt!" Daarbij dacht hij, dat hij
inderdaad niet beter gewroken kon worden dan op deze wijze. Wanneer
Tristan nog leefde en hij hoorde, wat er met Isolde was geschied,
zou die gedachte hem meer folteren dan het bericht van haren dood en
tot krankzinnig makens toe zou hem het denkbeeld van zijne geliefde
in de armen der melaatschen vervolgen.
Met schelle kreten van vreugde omringden de uitgestootenen de koningin,
Isolde strekte smeekend de armen uit naar haren echtgenoot en bad
hem, haar toch duizendmaal liever den vuurdood te laten sterven dan
een dergelijk lot te doen ondergaan. Maar Mark was onverbiddelijk en
zegevierend voerden de melaatschen haar mede naar het woud, waar zij
hunne holen en schuilplaatsen hadden.
Zoo kwamen zij voorbij de plek, waar Tristan en Gouvernail, in het
struikgewas verborgen, den loop der gebeurtenissen afwachtten. Hunne
aandacht werd getrokken door het geschreeuw der bende, die luid
joelend naderde en voorzichtig tuurden zij naar den weg om te zien
wat er gaande was. Daar naderde de troep van afgrijselijke gestalten,
in hun midden trokken en sleepten zij iets voort, wat, dat konden de
beide wachtenden niet zoo spoedig ontdekken. Plotseling richtte de
gebogen gestalte, die te midden der melaatschen werd voortgesleurd,
zich wat hooger op en tot Tristan's onbeschrijfelijke ontzetting
herkende hij het bleeke, schoone gelaat zijner geliefde. Met één sprong
was hij uit het kreupelhout op den weg, met woeste sabelhouwen dreef
hij Isolde's belagers uiteen en het volgend oogenblik hield hij haar
in zijne armen en bedekte haar gelaat met wilde kussen.
Daarop steeg hij te paard, nam Isolde vóór zich op het zadel en joeg
met Gouvernail in pijlsnelle vaart het bosch in, ver, ver weg naar
het woud van Morois, dat aan de grens van Cornwallis was gelegen.
Zoodra koning Mark hoorde, wat er gebeurd was, liet hij een ban
uitvaardigen, waarin hij honderd gouden kronen uitloofde aan dengene,
die Tristan of Isolde levend of dood zou weten te vangen.
De gelieven vluchtten ver weg tot in 't diepst van het woud, daar
eerst voelden zij zich veilig voor de dienaren des konings. Zij bouwden
zich eene hut van takken en bladeren en toen hunne woning gereed was,
zond Tristan zijn trouwen dienaar terug naar het hof, om na te speuren,
wat de koning tegen hen zou ondernemen.
Tristan en Isolde bleven dus alleen in het groote bosch en toen in
hunne harten de schrik over het gebeurde allengs vervaagde, begon
er voor hen een leven van geluk en vrede, zooals zij het nog nooit
gekend hadden. Weliswaar was hun bestaan vol ontberingen, maar het
genot elkander geheel te mogen toebehooren, deed hen deze gemakkelijk
over het hoofd zien. Wat deerde het, of zij zich moesten voeden met
het vleesch der dieren uit het woud en de wilde vruchten, die zij
tusschen de struiken vonden? Zij smaakten hun beter dan de fijnste
schotels in het paleis van koning Mark, omdat zij ze in elkanders
gezelschap mochten verorberen. Wat gaf het, of de wind soms blies door
de reten der loofhut, zij drongen zich wat dichter tegen elkander en
wisten van geen koude.
En hoe schoon was het bosch! Als de hemel blauw en helder was en de
zonnestralen grillige figuren trokken op den bemosten woudbodem,
maar ook als de regen op het bladerendak ruischte en witte nevels
tusschen de boomstammen zweefden. Altijd ontdekten Tristan en
Isolde weer nieuwe schoonheden in het landschap, dat hen omringde,
's Morgens liepen zij op bloote voeten over het bedauwde gras, waar
hunne voetstappen blauwige sporen nalieten; tegen den middag zochten
zij de schaduw en vlijden zich neder onder de breede kruin van een
beuk, of, als de hitte al te drukkend werd, namen zij een bad in het
koele water van een beekje en lieten zich door zon en wind drogen.
Als het avond werd, zaten zij langen tijd zwijgend bijeen en
luisterden naar den wind, die door de hooge boomen suisde, of naar
het lied van den nachtegaal, die in de takken boven hun hoofd zijne
zoetste liefdeszangen uitkweelde. Tristan bezat de gave om het zingen
der vogels zóó getrouw te kunnen nabootsen, dat hij hen lokken kon,
waarheen hij maar wilde. Meermalen kwamen dan de glinsterende goudvink,
de schrandere lijster, de kleine, sierlijke meesjes, het lustige
winterkoninkje en de nachtegaal, hun aller koning, op zijn lokkend
gefluit aanvliegen. Zij streken neer op het dak der loofhut en dan
werd het een roepen en zingen, een kweelen en tjilpen, als nooit te
voren in het bosch gehoord was. Tristan en Isolde zaten dicht bijeen
en luisterden naar het koor van stemmen. Dan voelden zij hoe al die
trillende, hijgende vogelkeeltjes een zelfde lied zongen, waarvan
zij den weerklank hoorden in hunne eigen ziel--een lied van liefde
en geluk, van lente en zonneschijn, dat zoo oud is als de wereld en
dat toch steeds nieuw blijft voor hen, die het hooren.
De lente ging voorbij en werd gevolgd door den zomer. Alles bloeide
en geurde in het woud en ook het geluk van Tristan en Isolde bereikte
zijn hoogtepunt in de rustige kalmte om hen heen. Maar reeds al te
spoedig werd het killer in het bosch, de dagen werden koeler en de
nachten kouder. Toen zagen de twee gelieven uit naar een passend
winterverblijf, dat zij vonden in eene donkere rotsspelonk. Tristan
behing de wanden met dierenvellen, afkomstig van het wild, dat hij
in de afgeloopen maanden gedood had. Hij maakte eene opening in de
rots om den rook te laten ontsnappen en toen de eerste sneeuw begon te
vallen, betrokken zij hunne nieuwe woning. De winter kwam met stormen,
die gierden om de tochtige spelonk, met vorst, die de beekjes in het
bosch deed stollen en de sneeuw deed kraken onder den voet.
Tristan en Isolde zaten te zamen bij het rookende vuur en vertelden
elkander verhalen over gelieven uit vroegere tijden, over Phyllis,
die zoo lang op haar minnaar wachtte, tot zij veranderd werd in
een moerbeiboom, uit welks bladerengeruisch men tot op heden nog
duidelijk het zuchten en steunen der arme verlatene vernemen kan. Of
van Griseldis, de lijdzame, die door haar gemaal gehoond en versmaad
werd en die, toen hij haar op den brandstapel wilde ter dood brengen,
met haar kind naar het woud vluchtte, waar zij onder Gods bescherming
veilig voortleefde, tot hare onschuld aan het licht werd gebracht. Ook
van Dido en Aeneas spraken zij, van Byblis, de koningsdochter, die haar
eigen broeder lief kreeg en hem vervolgde over de gansche wereld, tot
zij veranderd werd in een vogel, die immer rusteloos over de wateren
der aarde drijft. Over al deze gelieven spraken zij met elkander, maar
steeds was hunne slotsom deze, dat geen hunner de liefde gekend had,
zooals zij die kenden, en dat hunne eigen wederzijdsche genegenheid
schooner en inniger was dan twee menschen ooit voor elkander gevoeld
hadden. Dan scheen het hun, of de donkere rotsspelonk zich uitbreidde
tot eene zaal vol glanzend licht, waar de wanden behangen waren met
fonkelende edelgesteenten, waar geen geluid van buiten doordrong,
maar waar slechts de zoete stem der liefde gehoord werd; waar de
fontein van den hartstocht hare parelende wateren omhoog zond en waar
koude en ontbering plaats moesten maken voor koesterende warmte en
verzadigenden overvloed.
Wie kent niet het tooverslot der liefde? De een bouwt het in de
stad, de ander op het land, want het is aan geen plaats gebonden. Te
beklagen zijn zij, die het niet kennen, zij hebben het schoonste in
het leven gemist!
Maar van liefde alleen kan men helaas niet leven. Terwijl de harten van
Tristan en Isolde zich koesterden in warmen gloed, verstijfden hunne
lichamen in de barre koude en allengs zag onze held, hoe zijne geliefde
er bleek en lijdend begon uit te zien, terwijl Isolde hetzelfde bij
Tristan ontwaarde.
Somtijds, wanneer Isolde vermoeid tegen hem aanleunde en hij zag,
hoe haar schoon gelaat mager en ingevallen was, ontwaakte voor een
oogenblik bij Tristan de gedachte, of hij zijne geliefde geen onrecht
aandeed, door haar aldus bloot te stellen aan een leven vol armoede en
ontbering, haar, die geboren en getogen was in weelde en overvloed. En
Isolde op hare beurt kon soms een gevoel van smart niet onderdrukken,
wanneer zij bedacht hoe Tristan om harentwil afstand had gedaan van
al den roem, die hem anders zoo rijkelijk ten deel zou zijn gevallen,
hoe hij door haar toedoen rondzwierf als een verstootene, hij, die
een der meest gevierde ridders van het land placht te zijn.
Het voorjaar naderde, de beekjes ruischten met onstuimige vaart van
de heuvels omlaag, en in het bosch zongen de vogels in de groenende
takken der boomen.
Toen gebeurde het, dat koning Mark zich gereed maakte om een grooten
tocht, die verscheidene dagen duren zou, te ondernemen naar het
woud van Morois. Weldra werd de stilte van het bosch verstoord door
vroolijke stemmen, onder de hooge boomen werden de tenten der ridders
opgeslagen en groote vuren zonden hunne rookwolken omhoog, tusschen
de groene struiken.
Onze gelieven bemerkten niets van dit alles, want het woud van Morois
was verscheidene dagreizen diep en tot nog toe was hunne eenzaamheid
niet verstoord geworden. Eens op een dag was Tristan reeds vroeg op de
jacht getogen en kwam tegen den middag doodelijk vermoeid terug; hij
strekte zich uit in de schaduw der loofhut, legde zijn zwaard naast
zich neder en viel weldra in een diepen slaap. Isolde zag hem daar
liggen. Langen tijd beschouwde zij aandachtig zijn dierbaar gelaat
en als eene felle pijn doorschokte haar de gedachte, hoe men in hem,
zooals hij daar voor haar lag, nauwelijks meer den fieren edelman
zou herkennen, die aan het hof haars vaders was gekomen om hare hand
te vragen. Eene wijle bleef zij zoo in droef gepeins verzonken, toen
werd ook zij door de loome voorjaarslucht bevangen en weldra sliep
zij aan Tristan's zijde.
Nu gebeurde het juist op dien dag, dat koning Mark bij de vervolging
van een hert zich verder dan gewoonlijk in het bosch gewaagd had en
zoo in de nabijheid der loofhut was gekomen. Uitgeput van vermoeienis
had hij eindelijk de jacht opgegeven en zich in de schaduw nedergezet,
daarbij had hij zijn jagermeester opgedragen, om hem een frisschen
dronk te halen uit het beekje, dat hij in de verte hoorde kabbelen. Dit
beekje nu was hetzelfde, waaraan Tristan en Isolde hunnen dorst
plachten te lesschen; toen de jachtmeester dus aan den oever van het
stroompje genaderd was, ontwaarde hij op eenigen afstand de loofhut
en daarvóór, slapend op den grond, de gestalten der beiden. Omzichtig
sloop hij door het struikgewas terug naar de plek, waar zijn meester
hem wachtte en deelde hem mede, wat hij gezien had. Toen ontwaakten
in het hart van den vorst opnieuw de oude wrok en haat tegen de beide
wezens, die hem het dierbaarst geweest waren op aarde en die hem zoo
jammerlijk bedrogen hadden. Al had hij in het afgeloopen jaar dikwijls
berouw gehad over zijne onverzoenlijke houding jegens hen en al had
hem meermalen de gedachte gekweld, hoe hij Isolde aan de melaatschen
had kunnen overleveren--thans kregen wraaklust en bitterheid opnieuw
de overhand in zijne ziel en met het ontbloot zwaard in de hand
begaf hij zich naar de hem aangewezen plaats. Inderdaad, daar lagen
zij, de beiden, die hem zooveel grievend leed hadden berokkend,
maar niet zooals hij ze zich had voorgesteld, dicht aaneengevlijd,
in elkanders armen--neen, zij sliepen als twee kinderen zij aan zij
met Tristan's zwaard tusschen hen in. Koning Mark werd onwillekeurig
getroffen door de verandering, die hij bij hen opmerkte; beiden waren
sterk vermagerd, hunne kleederen hingen hun als lompen aan het lijf,
maar om hunne lippen speelde een gelukkige glimlach en zij bleven
schoon door hunne jeugd en natuurlijke bevalligheid. De stormen in
's konings hart bedaarden; een straal van hoop verlichtte opnieuw
zijn binnenste--zouden zij toch onschuldig zijn?
Langzaam bukte hij zich voorover, nam behoedzaam Tristan's zwaard
van den grond en legde er het zijne voor in de plaats. Daarna ging
hij peinzend heen.
Na eenigen tijd ontwaakte Tristan uit zijne sluimering en zijn zwaard
opnemend, bemerkte hij de verwisseling. Snel wekte hij Isolde. "Voort,
geliefde!" riep hij uit. "Terwijl wij sliepen is uw echtgenoot hier
geweest, zeker is hij heengegaan, om zijne dienaren te halen en ons
dan door hen te laten dooden. Laat ons vluchten, eer het te laat is!"
Opnieuw begon toen voor hen het zwerversleven; verder en verder trokken
zij het bosch in, bij elk geritsel in de struiken schrikten zij op,
achter elken boom speurden zij verraad. Eindelijk meenden zij eene
veilige schuilplaats te hebben gevonden. Daar bouwde Tristan opnieuw
eene hut en terwijl Isolde zich, uitgeput van vermoeienis, terstond ter
ruste begaf, zat hij langen tijd voor den ingang, tuurde omhoog naar
den hemel, waar donkere wolken langs het luchtruim joegen en dacht na,
wat hem te doen stond. Gedurende de reis had hij met stijgenden angst
bemerkt, hoe Isolde ondanks inspanning van al hare krachten, niet meer
opgewassen bleek tegen de vermoeienissen van hun zwerversbestaan. Wel
had zij dit steeds voor hem verborgen trachten te houden, maar hij,
wiens blik door de liefde verscherpt was, had maar al te goed gezien,
hoe hare krachten gesloopt werden door de lange dagreizen en hoe zij
zich soms nauwelijks staande kon houden.
Opnieuw scheen eene stem hem toe te fluisteren, dat hij verkeerd
deed met Isolde langer bloot te stellen aan een leven vol kommer en
ontbering. Hoe kon hij het aanzien dat zij, de koningin van een machtig
rijk, die gekleed placht te gaan in zijde en fluweel, op wier wenken
eene gansche hofhouding vloog, dat die vrouw thans een moeilijker en
zorgvoller bestaan voerde dan de minste harer hovelingen, dat zij
slapen moest op een bed van bladeren en hare voeten wondde aan de
scherpe steenen der boschpaden. Maar ook Isolde kon den slaap niet
vatten; zij zag, hoe Tristan in sombere houding zat te peinzen en
zij vergeleek hem opnieuw bij den Tristan van vroeger, den fieren
jongeling, wiens naam door alle ridders met eerbied werd genoemd,
die blijde liederen tokkelde op zijne harp en door zijne hoofsche
bevalligheid de harten der vrouwen voor zich wist te winnen. Mocht
zij langer van hem vergen, dat hij om harentwil afstand deed van alles
wat het hart van een man dierbaar was: roem en aanzien, krijgsmanseer
en vertrouwen? Daar trad Tristan de hut binnen, hij nam haar in zijne
armen en zeide met diep ontroerde stem: "Isolde! ik heb langen tijd
nagedacht over wat koning Mark gedaan heeft en ben tot de overtuiging
gekomen, dat hij geen kwade bedoelingen met ons had, toen hij zijn
zwaard tusschen ons neerlegde. Immers, wanneer hij zich had willen
wreken had hij ons gemakkelijk in den slaap kunnen dooden. Hij heeft
dit niet gedaan, dus is hij ons blijkbaar goed gezind. Moeten wij de
hand der verzoening, die hij ons reikt, niet aannemen? Wanneer ik u
weder veilig in uwe vroegere rechten hersteld weet, verlaat ik het
land, maar waar ik ook gaan moog', waarheen het lot mij ook zende,
mijn hart blijft steeds bij u en in gedachten zullen wij bij elkander
zijn." "Tristan's verlangen gaat uit naar daden van roem en eer",
zoo dacht Isolde, maar zij sprak slechts: "Het zij zoo, Heer! Zonder
u is mijn leven leeg en waardeloos, maar mijne gedachten zullen u
volgen op uwe reizen en wanneer de roem van uwe daden wijd en zijd
weerklinkt, zal mijn hart sneller kloppen van trots en vreugde." Zoo
verborgen deze beiden hunne innigste gevoelens en poogden slechts
elkander moed in te spreken voor de naderende scheiding.
Den volgenden morgen begaven zij zich op weg naar de woning van een
vromen kluizenaar, die daar in de eenzaamheid van het woud leefde. Hem
vertrouwde Tristan de zorg over zijne geliefde toe, hij zelf begaf
zich naar Tintagel, waar hij een pijl, omwikkeld met een brief van
den volgenden inhoud, in de kamer van koning Mark schoot: "Sire! nog
éénmaal waag ik het een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Zonder
eenig vertoon van rechtspraak hebt gij uwe gemalin, eene prinses van
den bloede, veroordeeld tot den brandstapel. Alsof dit niet genoeg
was, hebt gij haar op het laatste oogenblik overgeleverd aan een lot,
waarvan de gedachte alleen het menschelijk gemoed van ontzetting doet
rillen. Van dit lot heb ik met Gods hulp haar kunnen redden. Elke
poging om haar tot u terug te brengen hebt gij door uw ban en den
prijs, dien gij op onze hoofden zettet, verijdeld. Thans is een
jaar verstreken. Het teere gestel der koningin heeft zeer geleden
door de ontberingen, welke ik haar niet heb kunnen besparen. Zijn
er nog onder uw gevolg, die den lasterpraat over den goeden naam der
vorstin volhouden, zoo ben ik bereid, hun met het zwaard in de vuist
daarover te woord te staan. Ik bied u hierbij aan, koningin Isolde tot
u terug te brengen, mits gij uw koninklijk woord geeft, haar eene haar
passende ontvangst te bereiden. Ik zelve zal dan het land verlaten,
om mogelijke nieuwe beschuldigingen te voorkomen. Wanneer gij mijn
voorstel aanneemt, laat dan uw antwoord toekomen aan den kluizenaar in
het woud van Morois, weigert gij om Isolde als uwe wettige echtgenoote
te erkennen, dan blijft ons geen andere uitweg dan de dood, maar
wacht u in dat geval voor de wraak van koning Gumurun en de zijnen;
wanneer zij vernemen zullen, wat er is geschied!"
Nog dienzelfden dag riep koning Mark zijne edelen bijeen, om hunnen
raad in te roepen. Hij las hun Tristan's boodschap voor en vroeg met
luider stem wie van hen bereid was, met Tristan te strijden over het
goed recht zijner beschuldiging, maar allen zwegen, ook Meriadoc,
die, de kracht van Tristan's arm kennend, zich niet met hem in het
gevecht wenschte te begeven.
Met minachtenden blik zag koning Mark om zich heen. Waar bleven
nu de hooghartige woorden, waarmede de edelen hunne vorstin hadden
aangeklaagd? Verbitterd over zooveel lafhartigheid wendde hij zich
tot zijn kanselier, een eerwaardigen grijsaard en sprak tot hem:
"Vader, mijn hart is vervuld van onrust en twijfel, ik weet niet,
wat te doen. Wilt gij mij helpen en mij een uitweg toonen uit deze
bange onzekerheid?" Daarop antwoordde de grijze kanselier: "Mijn zoon,
ik ben een geestelijke en als zoodanig gehoorzaam aan de wetten en
voorschriften der Heilige Kerk. Wat God heeft samengebracht, zal de
mensch niet scheiden. Koningin Isolde is uwe wettige echtgenoote;
als zoodanig zult gij haar eeren en beschermen, hoe kondt gij haar
dan al dien tijd aan de zorg van een anderen man overlaten? Bovendien
ben ik overtuigd, dat zij onschuldig is. Wij beiden zijn oud en grijs,
maar Tristan en Isolde zijn kinderen, jong, dartel en onervaren. Het is
mijns inziens uw plicht om de koningin opnieuw de plaats toe te kennen,
die haar toekomt. Tristan echter zou ik, zooals hij zelf voorstelt,
voor eenigen tijd van het hof verwijderd houden, om allen argwaan
tegen te gaan."
Dankbaar luisterde koning Mark naar de woorden van zijn trouwen dienaar
en ijlings zond hij naar de woning van den kluizenaar een boodschapper,
die Tristan verzoeken moest om de koningin op eene vastgestelde plaats
te brengen, waar haar gemaal haar op eervolle wijze zou ontvangen.
De plek, die Mark voor de samenkomst had bestemd, was eene doorwaadbare
plaats in de rivier, die langs den zoom van het woud van Morois
vloeide. Daarheen begaven zich de beide gelieven op den aangewezen
tijd. Alvorens afscheid te nemen van zijne hooge gasten, was de
kluizenaar naar de naastbijgelegen stad gereden en had daar van zijne
moeizaam vergaarde spaarpenningen een stel kleederen voor de koningin
gekocht, waarin zij op passende wijze voor haren gemaal zou kunnen
verschijnen. Op een wit muildier gezeten, eveneens een geschenk van
den vromen vader, reed Isolde langzaam naar den oever der rivier, aan
hare zijde ging Tristan, nog steeds in lompen gekleed. Beiden zwegen,
het scheen of hunne kelen dichtgesnoerd waren van smart, hun harten
waren beklemd en als gedrukt door een zwaren last, zóó vreesden zij
de naderende scheiding. Ten laatste verbrak Isolde de stilte en sprak:
"Tristan, dierbare vriend, vóór wij scheiden heb ik eene laatste bede
aan u, die ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Wanneer ge mij straks
tot mijn echtgenoot voert, en gij verlaat dit land, blijf ik hier
geheel alleen achter. Wie zal zeggen, of de koning mij werkelijk goed
gezind is; of het hem ernst was, toen hij beloofde, mij opnieuw als
zijne gemalin te zullen eeren en beschermen? Wie zal mij helpen, indien
hij gedurende uwe afwezigheid booze plannen tegen mij smeedt? Daarom
smeek ik u, om u voorloopig schuil te houden in de nabijheid der stad,
mocht ik uwe hulp noodig hebben, dan behoef ik slechts Brangwaine
naar u toe te zenden en ge zijt bij mij. Indien de koning echter woord
houdt en mijne vrees dus ongegrond blijkt te zijn, zoo zou ik u willen
verzoeken, om nog éénmaal in den tuin van het paleis te komen voor
een laatst vaarwel, eer ik u voor altijd moet verliezen. Dit zal dan
de laatste verboden daad zijn, waartoe ons de liefde brengt." Tot in
het diepst van zijne ziel bedroefd beloofde Tristan de koningin aan
haar verzoek te voldoen en zwijgend vervolgden zij hun zwaren tocht.
Aan den oever der rivier wachtte het volk van Tintagel met wuivende
banieren en wapperende vaandels zijne koningin op; in schitterende
kleedij stonden de hovelingen om hun koning geschaard. Daar naderden
de beide gestalten aan den anderen oever. Een luid gejuich steeg op
uit de menigte, toen het rijdier der koningin voet aan wal zette en zij
hunne geliefde meesteres opnieuw in hun midden zagen. Koning Mark trad
naar voren en nam de teugels van het muildier uit Tristan's handen
over, de laatste sprak daarop met luidklinkende stem, zoodat alle
aanwezigen het hooren konden: "Heer koning! ik breng u hier Isolde,
uwe echtgenoote, weder. Zij is de uwe, zooals zij dit altijd geweest
is. Vóór ik heenga, wend ik mij hier tot mijne vijanden onder uwe
baronnen en daag hen uit tot een eerlijken kamp, waarin zal worden
beslist, aan welke zijde meer onrecht is geschied."
Niemand antwoordde hem. Toen vatte Dinas van Lidan, een trouw en
eerlijk ridder en een waar vriend van Tristan, moed; hij nam den
koning ter zijde en vermaande hem, om Tristan niet aldus te laten
vertrekken en daardoor een der beste en edelste ridders van zijn hof
te verliezen. Maar de overige ridders, die Tristan vijandig gezind
waren, spoorden den koning aan, om in zijn heengaan te berusten,
waar dit hem den vrede aan zijn hof zou verzekeren.
Met een enkelen handdruk scheidden de gelieven, Tristan wendde zich
om en wilde heengaan; toen eerst sprak koning Mark tot hem: "Ik kan u
niet aldus in lompen zien vertrekken. Zoo ge wilt, ga dan naar mijne
schatkamer en neem daaruit, zooveel gij voor uwen tocht denkt noodig
te hebben!" Tristan echter wierp het hoofd in den nek en antwoordde
trotsch: "Geen penning, Heer, zou ik van u willen aannemen. Ik hoop
mij in den vreemde loon genoeg te kunnen verwerven!" Daarop ging hij
heen en Isolde volgde hem met hare blikken.
Eenigen tijd scheen het of de rust en vrede aan het hof waren
teruggekeerd. De koning was opgewekter dan hij in lang geweest was en
de verraders: Meriadoc, Melot en hunne handlangers verheugden zich
over de wijze, waarop zij Tristan uit den weg hadden geruimd. Toen
gebeurde het, dat Meriadoc zelve liefde opvatte voor zijne schoone
vorstin en hoopte wederkeerig door haar bemind te zullen worden. Isolde
echter behandelde hem met koele minachting en zag hem nauwelijks aan,
wanneer hij het woord tot haar richtte. Al hare gedachten, al hare
verlangens waren bij Tristan, hoe zou zij dan een blik over hebben
voor dezen lafaard, die, zooals zij heel goed wist, haar en haren
geliefde verraden had.
_Hoe Meriadoc den koning trachtte over te halen om Isolde de vuurproef
te doen ondergaan._ Langzamerhand begon het in de ziel van Meriadoc
te koken van woede en hartstocht, hij zon op een middel om zich te
wreken en toen hij meende dit gevonden te hebben, sprak hij gedurende
een jachtrit tot koning Mark: "Sire, wij allen weten thans, dat de
koningin rein en onschuldig is, het volk echter mort en klaagt en
roept om bewijzen. Zooals gij vroeger Tristan en Isolde zonder eenige
rechtspraak tot den vuurdood hebt veroordeeld, zoo hebt gij uwe gemalin
eveneens zonder rechtspraak wederom in uwe gunsten aangenomen. Het volk
meent, dat gij de wetten des lands door zoo te handelen met voeten
treedt. Wat doet nu een man, wiens vrouw ten onrechte van trouwbreuk
beschuldigd wordt? Hij laat haar door de vuurproef in het aangezicht
van alle menschen hare onschuld bewijzen. Handel gij eveneens zoo en
het volk zal tevreden zijn."
Koning Mark barstte bij het hooren van deze woorden uit in
een stortvloed van verwenschingen tegen den spreker, die hem
zijne rust niet gunde en hem steeds weer met nieuwe verwijten
overstelpte. Meriadoc en zijne vrienden lieten echter niet af en
dreigden het hof te zullen verlaten, indien hij bleef weigeren aan
hun verzoek te voldoen.
In toornige stemming keerde de vorst huiswaarts. Isolde, die terstond
vreesde, dat zijne ontstemming in verband stond met Tristan, wiens
schuilplaats wellicht ontdekt was, rustte niet, vóór zij den waren
grond van zijn toorn ontdekt had. Verruimd haalde zij adem, toen zij
den eisch der baronnen hoorde; nog was Tristan dus veilig en wellicht
bood zich hier eene gelegenheid om alle verdenking voorgoed uit den
weg te ruimen.
Daarom sprak zij: "Heer! ditmaal beschuldigt gij uwe edelen ten
onrechte. Zij hebben gelijk; dit is de eenige wijze, waarop ik mij
in de oogen van het volk van alle blaam zal kunnen zuiveren. Daarom
ben ik bereid, de vuurproef te ondergaan, echter niet alleen in
tegenwoordigheid uwer baronnen, die toch niet zouden ophouden mij
te belasteren! Neen, ik verzoek u dringend, een bode te zenden naar
koning Arthur van Engeland en hem uit te noodigen met zijn geheele
gevolg bij het komende godsgericht tegenwoordig te zijn. Hij zelve
zal dan mijn getuige zijn!"
Aanvankelijk wilde de koning niets van haar plan hooren, maar Isolde
bleef aandringen en eindelijk besloot hij aan haren wensch gehoor
te geven. Aan den oever der rivier die de rijken van Cornwallis en
Engeland scheidde, zou men samenkomen om van het plechtig Godsgericht
getuige te zijn. Toen men tijd en plaats bepaald had, zond de koningin
hare dienares naar Tristan en verzocht hem, zich, als pelgrim vermomd,
daarheen te begeven en hare komst af te wachten, daar zij meende
zijne hulp noodig te zullen hebben.
Op den dag, die voor de vuurproef was vastgesteld, kwamen koning Mark
en koningin Isolde met hunne gansche hofhouding naar den oever der
grensrivier. Aan de overzijde wachtte koning Arthur hen reeds op,
omgeven door zijne ridderschap. Aan beide zijden was aan de oevers
eene dichte menigte samengestroomd, die in spanning de komende
gebeurtenissen afwachtte. Aan den rand van het water zat Tristan,
gekleed in een wijden pelgrimsmantel; hij hield den voorbijgangers
zijn houten geldbakje voor en smeekte hun op klagelijken toon om
eene aalmoes. Daar naderde de boot, die de koningin over den stroom
moest brengen. Langs den oever was het water zeer ondiep, waardoor het
vaartuig niet geheel aan land kon komen en de inzittenden moesten over
den modderigen rivieroever den vasten bodem bereiken. Isolde stond
op de voorplecht van het schip en zag hoe men toebereidselen begon
te maken om te landen. Daarop riep zij uit: "Zeg mij, edele heeren,
hoe ik den oever zal bereiken zonder mijne kleederen te bevuilen op
den modderigen waterkant. Ik wil niet, dat een man van ridderlijken
stam mij aanraakt alvorens ik de vuurproef heb doorstaan, maar ziet,
ginds zit een vrome pelgrim aan den rand van het water, die kan mij
veilig aan wal dragen."
Met gebiedende stem riepen de ridders den pelgrim naderbij, deze nam
Isolde vast in zijne armen en waadde met haar door den stroom. Terwijl
hij haar zoo voortdroeg, fluisterde zij: "Liefste, wanneer wij op
den oever zijn gekomen, laat u dan met mij in uwe armen in het zand
vallen." Tristan deed, wat hem geboden was: zoodra hij voet aan wal
gezet had, struikelde hij en viel op den grond, de koningin steeds
omvat houdend.
Met stokken en speren snelden de ridders en dienaren naderbij, om
den onhandige te straffen, maar vóór zij Tristan konden bereiken, was
de koningin overeind gesprongen en sprak vriendelijk: "Laat hem met
vrede. Hij is moede en uitgeput van zijn langen pelgrimstocht." Daarop
reikte zij den pelgrim een gouden gesp, dien zij loshaakte van haar
kleed en begaf zich naar de plek, waar koning Arthur hen wachtte.
Vóór de vorstelijke tent stonden op eene houten tafel de heilige
reliquieën uitgestald, die door de ridders eerbiedig werden
bewaakt. Op eenigen afstand was een groot vuur aangelegd, waarin enkele
roodgloeiende bouten staken. Daar omheen hadden zich de geestelijken
geschaard, die geheel verdiept waren in het prevelen hunner gebeden.
Isolde begaf zich naar de voor haar ingerichte tent en ontdeed zich
van hare kostbare bovenkleederen. Zij nam zich de gouden kroon van
het hoofd, legde hare sieraden af en hulde zich in een wijd boetekleed.
Zoo trad zij voor hare rechters. In ademlooze stilte zag het volk
toe, hoe zij zich naar de plek begaf, waar de beide vorsten naast
elkander hadden plaats genomen, waarop zij de volgende woorden
sprak: "Sire, mijn echtgenoot, en gij, Sire, die heer zijt over het
machtige Engeland, ik verschijn hier voor u beiden, in het kleed eener
boetelinge, om mijne onschuld te bewijzen, ten aanzien van allen, die
hier tegenwoordig zijn. Daarbij zweer ik, dat geen man ter wereld ooit
aan mijne zijde gelegen heeft, noch mij in zijne armen heeft gehouden
dan gij, mijn echtgenoot, en"--hier gleed een schalksche glimlach
over haar gelaat--"de vrome pelgrim, die mij zooeven aan land gedragen
heeft. Deze woorden ben ik bereid om door de vuurproef waar te maken."
Daarop ging Isolde met vaste schreden, doch met angstig kloppend
hart, naar het vuur, greep den gloeienden ijzeren bout, die er in
stak, met beide handen vast en droeg dien tot vóór den zetel des
konings. Daar gekomen liet zij hem op den grond vallen, en stak hare
beide handen omhoog, de palmen naar de beide vorsten gericht. Een
kreet van verlichting steeg op uit de menigte, Isolde's handen waren
blank en ongedeerd.
Plechtig daalde koning Mark van zijn hoogen zetel af en kuste zijne
gemalin op beide wangen. Het bewijs harer onschuld was nu geleverd
en niemand zou het meer wagen, een vinger tegen haar op te heffen.
Onder luid vreugdebetoon trok het volk huiswaarts en ook de beide
vorsten namen afscheid van elkander, waarbij koning Arthur Isolde
verzekerde van zijn steun, indien zij dien ooit noodig mocht hebben.
In gelukkige stemming reisde koning Mark terug naar zijn paleis, de
laatste schaduw van twijfel was uit zijn hart verdwenen en hij bouwde
zich de schoonste luchtkasteelen van zijn toekomstig samenleven met
zijne jonge vrouw.