"Iseult ma drue, Iseult m'amie,
En vus ma mort, en vus ma vie."
(Thomas: "Roman de Tristan").
_Hoe graaf Rivalin van Ermonie naar het hof van koning Mark kwam,
om zich de hoofsche gebruiken eigen te maken._ Lange jaren geleden
leefde er in Ermonie, eene landstreek van het hertogdom Bretagne,
een jong en dapper edelman, Rivalin genaamd. Ondanks zijn jeugdigen
leeftijd werd hij alom geprezen als een toonbeeld van ridderlijke
deugden en vele ridders trokken op naar zijn burcht, om onder zijne
leiding zich te bekwamen in de kundigheden, die het een ridder past,
zich eigen te maken. Behalve over het erfdeel zijner vaderen, voerde
de jonge graaf het bestuur over een aanzienlijk grondgebied, dat
behoorde aan zijn leenheer, hertog Morgan. Deze laatste nu werd door
het gansche volk gehaat en gevreesd om zijne hardheid en wreedheid,
geen wonder dus dat Rivalin steeds op middelen zon, om zich van
den drukkenden last van zijn leenmanschap te bevrijden. Toen hij
daarom den volwassen leeftijd had bereikt en zag, hoe zijne ridders
en dienaren hem aanhingen in trouw en genegenheid, besloot hij eene
kans te wagen om dien gehaten druk van zijne schouders te werpen. In
alle stilte maakte hij zich op ten strijde en toen hij de kans schoon
zag, deed hij geheel onverwachts een inval in het land van hertog
Morgan. Zoozeer waren zijne volgelingen bezield met moed en bewondering
voor hunnen jongen heer en zóózeer haatten zij den boozen hertog,
dat de in aantal veel sterkere strijdkrachten van dezen laatste in
verwarring op de vlucht sloegen voor hun onstuimigen aanval. Weldra
was Rivalin met zijn leger genaderd tot voor de poorten der hoofdstad
en hertog Morgan, wilde hij eene smadelijke overgave voorkomen,
moest wel toestemmen in de voorwaarden, die zijne belegeraars hem
oplegden. Uiterlijk kalm, maar inwendig kokend van woede en wraaklust,
teekende hij het gezegeld document, dat Rivalin's onafhankelijkheid
bekrachtigde. Daarop trok deze met zijn leger terug naar Ermonie,
waar hij met gejuich en eerbetoon door het volk begroet werd.
Na eenige jaren rustig over zijn land geregeerd te hebben, voelde
Rivalin een drang in zich ontwaken, om de wereld in te trekken en
vreemde landen en volkeren te leeren kennen. Hij gevoelde zich beklemd
door de enge grenzen van zijn graafschap en eene kwellende onrust
maakte zich meester van zijn gemoed, waar tot heden slechts geluk en
tevredenheid hadden gezeteld. De hulde en eerbied van zijne onderdanen
voldeden hem niet langer; het verdroot hem om steeds de eerste te
zijn, voor wien alles zich boog in nederige onderworpenheid, ook hij
wilde op zijne beurt dienen, maar dan één, die hooger, machtiger en
sterker was dan hij.
Daarom besloot hij het bestuur over zijn land voor eenigen tijd toe
te vertrouwen aan Rohand, zijn trouwsten dienaar en zich met eenige
volgelingen op reis te begeven naar het rijk van koning Mark van
Cornwallis, aan wiens hof, zoo zeide men, de dapperste ridders ter
wereld te vinden waren.
Hij koos dus een twaalftal zijner meest geliefde ridders uit en beval
hen, zich reisvaardig te maken, tevens liet hij een schip uitrusten
en bevrachtte het met eene lading van kostbare geschenken. Op een
mooien lentemorgen ging het gezelschap aan boord en stevende met een
gunstigen wind de haven uit. Na eene voorspoedige zeereis kondigden
de wachters tegen het vallen van den avond aan, dat er land in 't
zicht was, men liet het anker vallen, daar het onmogelijk was om
in de vallende duisternis eene veilige landingsplaats te vinden,
en eerst den volgenden morgen vroeg werd de reis voortgezet.
Steil en ongenaakbaar rezen de hooge rotsen van Cornwallis omhoog uit
de zee, die zich als een onmetelijk blauw vlak tot aan den horizon
uitstrekte. Geen windje beroerde den waterspiegel, slechts aan den
voet der grijze rotswanden krulde een witte rand schuim. Hoog boven
de zee op een der hoogste klippen, wier wanden schier loodrecht uit
het water oprezen, lag het kasteel van Tintagel, waar koning Mark
den langsten tijd van het jaar verblijf placht te houden. Trotsch en
ontoegankelijk als de rots, waarop het rustte, bood het slot inderdaad
eene geschikte woning aan voor een machtig vorst. De hooge muren waren
opgetrokken uit den grijzen rotssteen, waarmede zij één geheel schenen
uit te maken, de smalle vensters waren verscholen in diepe nissen en
reeds bij den eersten aanblik zag men, dat noch de woede der elementen,
noch de stormrammen van vijandelijke aanvallen in staat zouden zijn,
om deze muren te doen bezwijken.
Eerbiedig staarden de schepelingen omhoog naar het fiere slot,
van welks hoogsten toren de koninklijke standaard uithing. Nadat
zij eenigen tijd heen en weer gekruist hadden, bemerkten zij, hoe
op één punt, waar de rotsen een natuurlijken inham vormden, eene
breede trap was uitgehouwen, welke toegang tot het kasteel scheen
te verleenen. Weldra lag het schip voor anker en zond Rivalin
twee boodschappers omhoog, die koning Mark zijn bezoek moesten
aankondigen. Na verloop van eenigen tijd keerden zij terug, gevolgd
door een aantal ridders, die den jongen graaf op de meest hoffelijke
wijze verzochten, hen naar den koning te volgen.
Gaarne gaf Rivalin gehoor aan dat vriendelijke verzoek en steeg met
zijne begeleiders langs de breede trappen omhoog. Hoe klopte daarbij
zijn hart van vreugdevolle verwachting, nu hij op het punt stond zijne
droomen en verlangens der laatste jaren in vervulling te zien gaan!
Op het ruime voorplein van het koninklijk slot stond een uitgelezen
gezelschap van hovelingen en ridders geschaard om den jongen koning,
wiens tengere gestalte gehuld was in een ruim kleed van purperen
zijde. Zijne gelaatstrekken waren scherp en onregelmatig, onder de
zware, donkere wenkbrauwen lichtten de oogen met een onrustigen glans
en om de smalle lippen speelde een weemoedige glimlach. Eerbiedig
naderde Rivalin zijn koninklijken gastheer, wiens roem ook tot zijn
afgelegen graafschap was doorgedrongen. Dit was dus koning Mark,
hij, van wiens dapperheid en moed de rondreizende zangers plachten
te gewagen en wiens hoffeesten zij in hunne gedichten in gloeiende
kleuren bezongen.
In leeftijd verschilde hij niet veel van Rivalin, maar toch groefden
zich reeds diepe lijnen om den mond van den jongen vorst, die schenen
aan te duiden, dat eene kroon soms zwaarder drukken kan, dan men
wel zou gelooven en dat de strijd en de zorgen van het leven ook
een koning niet bespaard blijven. Thans echter, nu hij naar voren
trad om zijn gast te begroeten, verdreef een vriendelijke glimlach
den bitteren trek van Mark's gelaat en zijne stem klonk opgewekt,
toen hij Rivalin welkom heette in zijn kasteel.
Half beschroomd, half vrijmoedig, verhaalde deze toen, wat de reden was
van zijne komst. Hij zeide, dat hij niet langer tevreden was geweest
met de trouwe onderdanigheid zijner landgenooten, omdat zijne ziel
wegkwijnde van verlangen naar ruimer landstreken, waar hij zich het
gezelschap van dapperder, wijzer en hoffelijker mannen dan hij was,
ten nutte zou kunnen maken.
Toen hij ophield met spreken, voerde Mark hem aan de hand naar binnen
in het slot en verzocht hem aan zijne zijde plaats te nemen. Op een
wenk van Rivalin droegen toen zijne dienaren de koffers met geschenken
naderbij, die hij van zijn land had medegebracht. Gehoor gevend aan
zijn bevel, stalden zij een schat van kostbare voorwerpen aan de
voeten des konings uit: rijk geborduurde mantels en zijden stoffen;
kannen en drinkbekers van het zuiverste goud; zwaardscheeden,
bezet met fonkelende edelsteenen, alles hoopte zich op tot eene
glinsterende massa. Nadat de vorst zijne keuze gedaan en den gever
zijn minzamen dank betuigd had, deelde Rivalin met kwistige hand
de overigen geschenken uit onder de aanwezige vrouwen en ridders en
deze mildheid, gevoegd aan het vriendelijk bescheiden optreden van
den jongen graaf deden hem terstond een gunstigen indruk maken bij
de volgelingen des konings. Met algemeene instemming begroetten zij
dan ook Mark's uitnoodiging aan Rivalin, om voor onbepaalden tijd op
het slot te gast te zijn.
De weken vlogen om en allengs begon men toebereidselen te maken voor
het Meifeest, dat steeds met grooten luister aan het hof gevierd
werd. Naar alle zijden waren uitnoodigingen verzonden om de ridders
op te wekken tot deelname aan het steekspel, dat de hoofdgebeurtenis
der feestelijkheden was. Ten einde hierin uit te blinken oefenden de
hovelingen zich iederen dag op het voorplein van het kasteel, waar
zij door proeven in het schijfschieten en speerwerpen hun oog vast en
hunne spieren krachtig en los poogden te maken. Rivalin was met hart
en ziel betrokken bij de voorbereidselen tot dit groote feest; zijn
vurigste wensch was om zich in het komende steekspel te onderscheiden
en onvermoeid begaf hij zich elken dag opnieuw naar het terrein,
waar de oefeningen gehouden werden. Wanneer hij dan des avonds met
de andere ridders tezamen zat in de ruime slotzaal, schitterden zijne
oogen van kracht en levenslust, een blos van gezondheid kleurde zijne
wangen en zijn scherts en vroolijkheid sleepten het gansche gezelschap
mede. Menige verstolen blik werd hem toegezonden vanuit den hoek der
zaal, waar de edelvrouwen bijeen zaten, maar geene, die zóó vaak en
zóó lang naar hem keek als Blanchefleur, de zuster des konings.
Fijngebouwd en slank was zij, de jonge prinses, en donker van
haar, gelijk haar broeder, maar hare gelaatstrekken waren zacht
en vriendelijk en hare oogen spiegelden in hunne kalme onschuld de
reinheid harer ziel. Na den vroegtijdigen dood harer ouders, die zij
nauwelijks gekend had, leefde zij aan het hof van haren broeder, waar
zij in onbezorgde tevredenheid hare kinderjaren gesleten had onder
de trouwe zorg harer voedster. Steeds was zij gelukkig en tevreden
geweest en had zij voldoening gevonden in de kalme genoegens van haar
afgezonderd bestaan: de lange ritten te paard aan de zijde van haar
broeder, die meestal zwijgend voor zich uitstaarde en haar vroolijk
gepraat maar half scheen te hooren; het balspel in de tuinen van het
kasteel met hare vrienden en vriendinnen, die de koning zorgvuldig
voor haar uitkoos onder de jongere leden der hofhouding en--waar
zij misschien nog 't meest van genoot--de lange winteravonden,
als zij in haar torenkamertje zat en luisterde naar de verhalen
uit lang vervlogen tijd, die hare trouwe verzorgster haar placht te
vertellen. Dan, terwijl de wind gierde en raasde om de muren van den
ouden toren, terwijl de meeuwen krijschten en de golven tegen de rotsen
van Tintagel beukten, zat Blanchefleur aan de voeten der oude vrouw
en luisterde in gespannen aandacht naar de wonderverhalen over lang
gestorven ridders en hunne geliefden. Wanneer de vertelster zich dan
uitputte in wijdloopige beschouwingen over de ongehoorde dapperheid en
volmaaktheid harer helden, gebeurde het wel eens, dat de gedachten van
het jonge meisje afdwaalden naar de toekomst, waarin ook zij woorden
van liefde zou hooren uit den mond van een schoon en edel ridder, die
om harentwil zou wenschen uit te blinken door daden van grooten moed.
Zoo waren hare kinderjaren verloopen en nu was zij volwassen en sinds
eenigen tijd had haar broeder haar toegestaan, om deel te nemen aan
het hofleven met zijne feesten en partijen. Van het oogenblik af,
dat zij voor de eerste maal, schuchter en blozend, aan de hand des
konings in het openbaar was verschenen, had men haar gehuldigd zooals
men dat aan haren rang verschuldigd was, maar het duurde niet lang,
of zij had bovendien aller harten gewonnen door hare eenvoudige
lieftalligheid. Spoedig waren van wijd en zijd mededingers naar hare
hand komen opdagen, maar tot nu toe had zij ze allen vriendelijk,
maar beslist afgewezen. Zij voelde zich volmaakt gelukkig in het slot
te Tintagel, waar iedereen zich vriendelijk en welwillend jegens haar
betoonde en waar zij in kalme tevredenheid voortleefde, bewaakt en
verzorgd door de vrienden harer kindsheid.
Maar vreemd, sinds eenigen tijd scheen het, of die rust en kalmte haar
niet langer bevredigden. Wanneer zij met haar borduurraam was gezeten
onder de groote boomen van het slotpark, dat aan de achterzijde van
het kasteel langs de berghelling omlaag glooide, en luisterde naar
de eentonige stem harer voedster, die de levensgeschiedenis van den
een of anderen heilige voorlas, gebeurde het soms, dat zij, gedreven
door een plotselingen tegenzin, het werk van haar schoot wierp, in
eene bui van uitgelatenheid de arme vrouw om het middel greep en een
wilden rondedans met haar uitvoerde. Dan weer kon zij urenlang met
de handen in den schoot zitten peinzen, zij, die anders de ziel van
het gezelschap was. Hare vrienden en bloedverwanten verbaasden zich
weliswaar over de verandering, die in Blanchefleur had plaatsgegrepen,
maar schreven die toe aan uiterlijke omstandigheden, zonder de ware
oorzaak te vermoeden. Ook het jonge meisje zelve verkeerde daaromtrent
geheel in 't duister, zij gaf zich geen rekenschap van wat er in haar
omging en liet zich slechts gaan op de stemming van het oogenblik.
Zoo brak de morgen van den eersten Meidag aan, den dag, waarop
het groote steekspel zou beginnen. De rotsen van Tintagel baadden
zich in het heldere morgenlicht, de zon goot hare stralen over den
helderblauwen zeespiegel en over de groene weiden, die tusschen
de rotsen waren gelegen, boven de glinsterende golfjes en tegen
de kale rotswanden zwenkten de zeevogels en in de omgeving van het
koninklijk slot heerschten leven en bedrijvigheid. Het middelpunt van
al die ongewone drukte op dit vroege morgenuur was een groot veld,
dat op eenigen afstand van het kasteel op de hoogvlakte lag. Daar
draafden en zwoegden de knechten en werklieden, om het terrein voor
het steekspel in gereedheid te brengen; daarheen begaven zich ook de
poorters van de naburige kasteelen, die met hunne gezinnen naar het
schouwspel kwamen kijken. In het midden van het veld was een vierkant
stuk land opengehouden, dat als strijdperk dienst zou doen, terwijl
aan alle klanten eene flinke ruimte voor de toeschouwers beschikbaar
bleef. In die ruimte, langs één der zijden van het strijdperk, werden
de tenten opgeslagen voor de leden der hofhouding. In het midden
prijkte die van den vorst, waar het purperen tentdoek het koninklijk
wapen, in goud geborduurd, te zien gaf, aan weerszijden stonden de
tenten der ridders en hovelingen. Toen te twaalf ure de herauten het
sein gaven, dat de strijd zou beginnen, had zich eene dichte haag van
toeschouwers rondom het strijdperk opgesteld en ook bij de tenten der
hofhouding was het een gekrioel van belang. De edelvrouwen hadden zich
op het gras buiten hare tenten neergezet en geleken in hare kleurige
kleederen op bontgetinte bloemen. De ridders, die niet aan het tournooi
deelnamen, of die eerst later op den middag in het perk zouden treden,
hadden zich aan hare voeten uitgestrekt en poogden door onderhoudende
scherts hare gunsten te winnen. Hier en daar schoolden eenige jonge
knapen bijeen en bespraken ijverig de kansen der strijdenden, of
betastten de wapenrusting der ridders met een gevoel van naijver en
bewondering. Dichtbij de koninklijke tent troonde Blanchefleur temidden
harer vrouwen. Nooit had de jonge prinses er schooner en lieftalliger
uitgezien dan op dezen dag, nu de opwinding over den komenden strijd
hare wangen zachtrood kleurde en hare oogen heller deed glanzen. Hare
donkere lokken werden bijeengehouden door een krans van witte rozen
en een tuiltje van dezelfde bloemen stak tusschen de plooien van haar
lichtgroen kleed. Vroolijk praatte en lachte zij met hare vriendinnen;
alle onrust en neerslachtigheid schenen uit hare ziel verdwenen te
zijn. Indien hare oogen ook gedurig afdwaalden naar het strijdperk,
vanwaar het gekletter der wapenen en het gestamp der paardehoeven tot
haar doordrong, welnu, dan was dit toch slechts eene zeer verklaarbare
belangstelling in den strijd, die aller aandacht vroeg en gold die
belangstelling ook niet alle dappere helden, die eraan deel namen? Zoo
sprak en redeneerde het jonge meisje met zich zelve en wilde het
zich niet bekennen, dat hare oogen onder de strijdenden slechts
één ruiter zochten, dat hare ooren onder de uitroepen, waarmede de
omstanders de vechtende ridders poogden aan te moedigen, slechts één
naam onderscheidden, dien van Rivalin van Ermonie. Zij wilde zich
verzetten tegen dien onweerstaanbaren drang van haar hart, die haar
dwong om bij een jachtrit haar paard te sturen in de richting van het
zijne, om zijne meening te stellen boven die der andere ridders en die
haar elk feest, elk samenzijn doodsch en vervelend deden voorkomen,
wanneer hij daarbij niet aanwezig was. En toch, naarmate de strijd in
hevigheid toenam en ook het gevaar voor de deelnemers grooter werd,
kon zij hare aandacht al minder en minder bepalen bij de luchtige
gesprekken der toeschouwers. In angstige spanning hingen hare oogen aan
die ééne ridderfiguur, wier wuivende vederbos hoog boven de verwarde
kluwen van vechtende edellieden uitstak. Wanneer hij een oogenblik
door de opjagende stofwolken aan het oog onttrokken werd, kromp haar
hart ineen van angstige pijn en ademde zij eerst weer verruimd op,
wanneer zij hem nog ongedeerd te paard bespeurde. Wat zij de laatste
weken als eene kwellende onrust gevoeld en bestreden had, werd haar
met het verstrijken der uren allengs duidelijker. Als eene heldere
zekerheid drong zich de wetenschap aan haar op, dat zij dezen man lief
had, zóó lief, dat, wanneer hij in den strijd den dood mocht vinden,
het leven voor haar alle waarde verloren zou hebben.
Ten slotte was het gevecht beslist en onder de luide juichkreten der
omstanders verliet Rivalin als overwinnaar het strijdperk. Minzaam
buigend nam hij de huldebewijzen in ontvangst, en hoewel zijn hart
onstuimig klopte van trots en voldoening, bleef zijn optreden kalm en
bescheiden. Toen hij uit de handen des konings den kostbaren gouden
beker in ontvangst had genomen, die als prijs voor den overwinnaar
was uitgeloofd, moest hij op weg naar zijne tent voorbij de plek
komen, waar Blanchefleur gezeten was. Een regen van bloemen begroette
hem, toen hij langs de groep van edelvrouwen ging en Blanchefleur,
die hem in spanning had zien naderen, riep hem toe, half ernstig,
half schertsend: "Heil u! overwinnaar, die den sterksten onder
onze ridders te sterk is geweest! Vóór gij echter verder gaat,
zeg mij één ding, waarom gij mij, arme, zwakke vrouw hebt willen
kwetsen?" "Ik u kwetsen!" herhaalde Rivalin op verbijsterden toon,
"wanneer en hoe zou ik dat gedaan hebben? Spreek, zoo bid ik u en zeg
mij, hoe ik dit kwaad, zoo ik het wellicht onbewust bedreven heb,
ongedaan kan maken!" "Het kwaad is geschied", hernam Blanchefleur,
"en geene macht ter wereld kan het ongedaan maken, maar let niet op
mijne woorden, en ga kalm uws weegs. God zegene en behoede u!" Deze
laatste woorden sprak zij op zachten, innigen toon, daarop boog zij
het hoofd en Rivalin reed verder. Het was den jongen graaf, alsof hij
droomde. Wat kon wel de beteekenis zijn van deze geheimzinnige woorden,
waarin kon hij de prinses, zij die in zijne oogen boven alle vrouwen
uitstak in liefelijke bekoorlijkheid, gekwetst hebben? En dan die
zegewensch, op zoo teederen toon uitgesproken, die bijna klonk als
een afscheid! Peinzend ontdeed Rivalin zich van zijne wapenrusting,
en zijne vrienden, die naar de tent waren gekomen om hem met zijne
overwinning geluk te wenschen, vonden hem verstrooid en afgetrokken.
Van dien dag af zocht Rivalin bij alle voorkomende gelegenheden het
gezelschap van Blanchefleur en het duurde niet lang, of de eerbiedige
bewondering, welke hij voor de schoone prinses koesterde, groeide aan
tot liefde. Nog werd er tusschen hen met geen woord gesproken over
den aard hunner gevoelens, maar nochtans wisten beiden met stellige
zekerheid, dat hunne harten elkaar toebehoorden. Elke blik, elk woord,
dat zij wisselden, kreeg eene nieuwe, diepere beteekenis en zoo
leefden zij voort in een schoonen droom, zonder er zich rekenschap
van te geven, dat op elken droom, hoe schoon hij ook zijn moge,
een ontwaken volgt.
Ook bij hen bleef dit niet uit.
Eens op een dag werd koning Mark ontsteld door het bericht, dat een
zijner machtigste vijanden een verraderlijken inval in zijn land had
gedaan, waar hij alles verwoestte, wat hem in den weg kwam. Indien de
koning niet spoedig ingreep, zouden een groot aantal zijner onderdanen
gedood en het grootste deel zijner bloeiende steden en dorpen in de
asch gelegd worden. Met bekwamen spoed liet de vorst alles voor den
veldtocht in gereedheid brengen en begaf zich in allerijl op weg om
den indringer te weerstaan. Onder de ridders, die zich vol geestdrift
hadden aangemeld om aan den komenden strijd deel te nemen, bevond zich
ook Rivalin. Hij was het, die door zijne onweerstaanbare geestdrift
de anderen wist te bezielen, en die zich, toen het tusschen de beide
legers tot een treffen kwam, zonder aarzelen in het dichtst van het
strijdgewoel waagde. Na een heet gevecht, hetwelk den ganschen dag
duurde, slaagde het leger van koning Mark er in, om den vijand tot de
vlucht te nopen. Een tijdlang zetten de ridders de vervolging voort,
aangevoerd door Rivalin, en ziet, juist op het oogenblik, dat zij terug
wilden keeren, trof een der door de vluchtenden achterwaarts geschoten
pijlen, den jongen graaf in de borst. Doodelijk gewond stortte hij
van zijn paard op den grond, hij, wiens leven den ganschen dag als
door een wonder gespaard was gebleven.
In een oogwenk werd hij omringd door zijne vrienden, die hem
voorzichtig opbeurden en hem, in zijn mantel gewikkeld, naar het
slot van Tintagel terugdroegen. Daar heerschte inmiddels reeds eene
feestelijke stemming over den goeden uitslag van den veldslag. In
klinkende feestredenen en schallende krijgsliederen werd de
overwinning gevierd, en de stemming werd steeds uitgelatener. In hun
overwinningsroes vergaten de feestvierenden allengs hen, die in den
strijd het leven hadden gelaten en ook over het lot der gewonden en
stervenden bekommerden zij zich weinig. In een klein vertrek, in een
afgelegen vleugel van het groote kasteel, lag Rivalin, verpleegd door
een trouwen dienaar, te strijden met den dood. Zijn lichaam brandde van
den koortsgloed, zijn hoofd bonsde en klopte en zijn adem kwam hijgend
en moeilijk. Dof staarden zijne oogen voor zich uit en tevergeefs
beproefde hij zich in de herinnering te roepen, wat er met hem geschied
was en wat de oorzaak was van deze duldelooze pijnen. Maar hij was het
niet alleen, die uren van foltering doorleefde. In haar hooggelegen
torenvertrek zat Blanchefleur en wrong hare handen in wanhoop. Toen zij
Rivalin niet zag terugkeeren in den stoet van zegevierende ridders,
was haar hart samengekrompen van angst en vrees, maar zij had zich
staande weten te houden en eerst toen zij volkomen zekerheid had
over het lot van haren geliefde, was zij heengevlucht naar hare eigen
vertrekken om daar, waar zij hare schoonste toekomstdroomen gedroomd
had, nu hare bitterste droefheid uit te weenen.
In den dollen feestroes had men hare afwezigheid niet opgemerkt en
zoo kon zij dus ongestoord hare smart den teugel vieren en peinzen,
wat haar te doen stond. Dat er voor Rivalin geene hoop op herstel
was, had zij maar al te goed begrepen uit de berichten, die zij van
de terugkeerende strijders vernomen had, en dus zou zij hem voortaan
moeten missen, hem, die het geluk in haar leven had gebracht. Wat haar
het meeste kwelde, was de gedachte, dat zij het hem nooit had gezegd
en het hem nu ook nooit meer zou kunnen zeggen, hoeveel hij voor haar
geweest was en dat hij aldus heen zou gaan met slechts eene vage hoop
in 't hart, dat hare liefde hem toebehoorde. Maar neen, dat was niet
noodig! Nog leefde hij en daarom, vóór hij stierf en haar achterliet
in eene wereld, waaruit alle zon en glans voorgoed verdwenen zouden
zijn, kon zij hem nog zeggen, hoezeer zij hem liefhad en hoe haar
gansche wezen hem voor altijd, ook na zijn dood, zou toebehooren. De
grootste spoed was echter vereischt, elk oogenblik kon de dood hem
aan haar ontnemen; daarom was er geen oogenblik te verliezen. In
koortsachtige haast sloeg het jonge meisje zich een wijden, donkeren
mantel om de schouders, die hare lichte feestkleederen geheel bedekte,
daarop riep zij eene trouwe dienares en beval deze met haar mede te
gaan en haar te brengen naar de plaats, waar men den gewonden graaf had
nedergelegd. Als twee donkere schimmen gleden de beide vrouwen door de
gangen van het kasteel en kwamen weldra aan de deur van het vertrek,
vanwaar het kreunen van den stervende tot haar doordrong. Blanchefleur
gebood toen hare dienares om naar binnen te gaan en alle aanwezigen
uit de kamer te verwijderen, onder voorwendsel, dat de prinses den
held van dien dag alleen wenschte te spreken, om hem vóór zijn dood
dank te zeggen voor wat hij gedaan had. Tegen den deurpost geleund,
met kloppend hart en bevend over al hare leden wachtte Blanchefleur
tot de deur opnieuw openging en hare dienares haar wenkte om binnen
te treden. Even daarna was zij met den gewonde alleen. Een oogenblik
staarde Blanchefleur in bange onzekerheid naar den hoek van het
vertrek, vanwaar het zwakke gekreun tot haar doordrong en waar zij
in het bleeke maanlicht, dat door de hooge vensters in het vertrek
binnendrong, de gestalte van Rivalin ontdekte, uitgestrekt op eene
smalle legerstede.
Het volgend oogenblik lag zij naast hem op de knieën, hare handen in de
zijne en poogde door woorden van innige teederheid hem als het ware in
het leven terug te roepen. En ziet, het was of hare stem inderdaad eene
toovermacht bezat, die den held belette de grenzen te overschrijden
van die duistere vallei, waaruit niemand terug kan keeren. Reeds bij
de eerste woorden, die zij sprak, kwam er een glimp van bewustzijn
in de oogen van den lijder, zijn adem werd rustiger en zelfs voelde
Blanchefleur, hoe hij, schoon zacht, den druk van hare handen poogde
te beantwoorden. Haast buiten zich zelve van vreugde, wist het jonge
meisje zich toch in zooverre te beheerschen, dat zij alle middelen
aanwendde, om dit vonkje van opflikkerende levenskracht aan te
wakkeren. Zij goot den zieke een teug versterkenden wijn tusschen de
tanden, zij wreef zijne slapen en handen om het langzaam stroomende
bloed in snellere beweging te brengen en zij wiesch zijne wonden met
een pijnstillend middel, van wonderbaarlijke genezingskracht, waarvan
het geheim slechts aan weinigen bekend was. Spoedig reeds werd hare
moeite beloond, Rivalin's blik werd helderder en na eenige oogenblikken
drong het licht van blijde herkenning de laatste nevelen van zijne
oogen terug. Met een kreet van: "Liefste, gij hier!" strekte hij de
armen uit naar het jonge meisje, dat eenige schreden van het bed was
teruggetreden en toen zij zich, half schuchter, half toegevend aan een
innerlijken drang over hem heenboog, trok hij haar tot zich omlaag in
eene hartstochtelijke omarming. Zoo vierden zij in den nacht, die zijn
stervensnacht had dreigen te worden, het feest hunner liefde. Eerst
tegen den morgen sloop Blanchefleur door het slapende slot naar hare
eigen vertrekken terug.
De bezielende kracht der liefde had Rivalin in het leven gehouden;
rust en eene goede verpleging deden het overige, zoodat hij na eenige
weken weer geheel hersteld was. Toen volgden vele maanden van stil
genieten voor de beide jonge menschen. In alle heimelijkheid--want
niemand was er, die hun zoet geheim vermoedde--kwamen zij samen
en steeds weer vonden zij nieuwe bekoring in elkanders gezelschap,
telkens weer ontdekten zij nieuwe woorden om elkander hunne liefde toe
te fluisteren. Zij leefden slechts in het heden; aan de toekomst, aan
Rivalin's plichten tegenover zijn land en volk en aan de gevoelens van
koning Mark, wanneer hij het geheim hunner verhouding zou ontdekken,
dachten zij niet, tot eindelijk de werkelijkheid hen met harde hand
uit hun zoeten droom deed ontwaken.
_Hoe Rivalin naar zijn land wordt teruggeroepen en van de geboorte
van Tristan._ Op een schoonen morgen landde een schip uit Frankrijk
aan de rotsen van Tintagel, waarop zich eenige boodschappers uit
Ermonie bevonden. Zij zeiden gewichtige mededeelingen te brengen
aan graaf Rivalin en in het hun toegestane onderhoud meldden zij
hem dan ook de onrustbarende tijding, dat hertog Morgan met een
groot leger zijn graafschap was binnengedrongen, om zich over de hem
aangedane beleediging te wreken. Er stond onzen held niets anders
te doen dan zich in aller ijl voor de thuisreis gereed te maken en
afscheid te nemen van zijn koninklijken gastheer en al degenen, die
hem in de maanden van zijn verblijf aan het hof tot trouwe vrienden
waren geworden. Viel hem dit afscheid al niet licht, wie zal zijne
gevoelens beschrijven, toen hij zich ten slotte naar het vertrek der
prinses begaf, om ook haar vaarwel te zeggen. Blanchefleur wachtte
hem geheel alleen in hare kamer; hare oogen waren rood van de tranen,
die zij geschreid had, sinds zij het bericht van Rivalin's vertrek
had vernomen. Nu weende zij echter niet meer; in stomme wanhoop lag
zij in zijne armen en kon geen woord spreken, zoo werd haar de keel
dichtgesnoerd van angst en smart. Rivalin poogde haar te troosten
door bezweringen van onwankelbare liefde en trouw; hij beloofde tot
haar terug te zullen keeren, wanneer hij in de naderende gevaren het
leven mocht behouden en spoorde haar aan, zich dapper te houden, opdat
nòch haar broeder, nòch één der hovelingen iets van hare smart zouden
bespeuren. Blanchefleur echter bleef als versteend van droefheid onder
zijne vurige kussen en teedere woorden en eerst toen hij haar eindelijk
bad en smeekte om hem ook eenige woorden van afscheid mede te geven,
hief zij het hoofd op en sprak: "Geliefde! meen niet, dat ik als eene
zwakke vrouw toegeef aan mijn verdriet, zonder daartegen te strijden;
het is niet enkel de smart om uw heengaan, die mij het hart verstijft
en het spreken belet, maar wat ik sinds eenigen tijd vreesde, is nu
zekerheid geworden. Onze verhouding kan niet langer geheim blijven en
de gedachte aan het kind, dat ik in smart en schande ter wereld zal
brengen, doet mijne ziel ineenkrimpen van schaamte en wroeging. Wanneer
mijn broeder ons geheim ontdekt, wacht u een smadelijke dood en ook
mij en ons kind kan de toekomst slechts grondelooze verachting en
groote ellende brengen. Daarom, hoeveel het mij ook kost, om u te
laten gaan, toch verblijdt mij de gedachte, dat gij althans voor dit
vreeselijk lot gespaard zult blijven en in eer en veiligheid naar uw
land zult terugkeeren, waar een lang en roemrijk leven uw deel moge
zijn. Ik zelve kan slechts afwachten, wat er met mij geschiedt". Na
deze woorden gesproken te hebben, viel zij half bewusteloos in
Rivalin's armen. Deze had in klimmende ontroering toegeluisterd, nu
echter overdekte hij haar gelaat en hare gesloten oogen met kussen
en riep uit: "Geen gedachte werp ik verder van mij af, dan u hier
alleen in het gevaar achter te laten! Wat ge mij verteld hebt, maakt
u nog dierbaarder in mijne oogen, dan ge mij reeds waart. Kies! wat
wenscht gij? óf wij blijven hier en ik zelve zal naar uw broeder gaan,
om hem ons geheim te openbaren en den eersten storm van zijn toorn te
trotseeren, of ik neem u mee naar mijn land, waar ik u voor de oogen
van geheel mijn volk tot mijne wettige gemalin zal maken en met mijn
leven voor uwe veiligheid zal waken! Wat is hierop uwe beslissing?"
Onmogelijk ware het, den indruk te beschrijven, dien Rivalin's woorden
maakten op het hart van Blanchefleur. Het was haar, of wat hij zeide
een zwaren steen van haar gemoed wegnam. Weg angst en vrees! in plaats
van smaad en verachting, wachtte haar nu een leven vol blijdschap en
geluk, aan de zijde van den geliefden man. Zóó groot was de overgang
tusschen den stijgenden angst der laatste weken en het geluk van dit
oogenblik, dat zij zich moest vastklemmen aan Rivalin, om niet te
vallen. Op fluisterenden toon spraken zij nu af, dat Blanchefleur,
die heengaan verkoos boven blijven, den avond van Rivalin's vertrek,
hem heimelijk aan boord van zijn schip zou volgen en zoo geschiedde
het. Zoodra het duister was gevallen slopen twee gesluierde gedaanten
het kronkelend rotspad af, dat langs de klippen omlaag voerde en
een oogenblik later werden de zeilen geheschen en verdween het schip
in het nachtelijk donker. Groot was de vreugde in Ermonie, toen de
tijding van Rivalin's thuiskomst bekend werd en nog grooter werd zij,
toen men vernam, dat de graaf van zijne reis eene schoone jonge vrouw,
een prinses van vorstelijken bloede nog wel, had medegebracht.
Alvorens hij uittrok met zijn leger tegen hertog Morgan, liet de
graaf in de groote slotkerk op plechtige wijze zijn huwelijk inzegenen
en toen hij aldus Blanchefleur voor de oogen der gansche wereld tot
zijne vrouw had gemaakt, vertrouwde hij haar toe aan de zorgen van
Rohand met de woorden: "Waak over haar, alsof zij uwe eigen vrouw was
en mocht mij iets overkomen, wees gij dan haar trooster en beschermer."
Na een hartroerend afscheid reed Rivalin heen aan het hoofd van
zijn leger en nog geen drie dagen later kwam het tusschen hem en
hertog Morgan tot een treffen, waarin de laatste de overwinning
behaalde. De mannen van Rivalin's leger vluchtten in wanorde terug
naar hunne hoofdstad en helaas! met zich droegen zij het lijk van
hun jongen meester.
Wie zal de smart beschrijven van Blanchefleur, toen haar de
vreeselijke tijding bereikte? Waar bleven nu al hare droomen
van toekomstig geluk? leeg en koud lag het leven voor haar, haar
bestaan had allen inhoud verloren, nu Rivalin er niet meer was,
om het te vullen. Kreunend van wanhoop lag zij op hare legerstede,
half bezwijmd van verdriet. Deze toestand duurde eenige dagen en op
den derden dag na Rivalin's dood, bracht zij onder hevig lijden een
zoon ter wereld. Toen was het echter met hare krachten gedaan en daar
zij voelde, dat zij sterven ging, liet zij den trouwen Rohand tot zich
roepen en sprak tot hem: "U, die de vriend en vertrouwde zijt geweest
van mijn dierbaren echtgenoot, u vertrouw ik zijn zoon toe. Terwille
van de liefde, die gij voor zijn vader koesterdet, smeek ik u, wees
goed voor hem en neem hem aan als uw eigen kind. Ten slotte geef ik
u dezen ring, mijn vader gaf hem aan koning Mark en deze schonk hem
mij. Mocht er ooit een oogenblik komen, waarop gij mijns broeders hulp
voor mijn zoon noodig mocht hebben, toon hem dan dezen ringen hij zal
den jongen dadelijk herkennen als het kind zijner zuster." Na deze
woorden gesproken te hebben viel Blanchefleur uitgeput achterover en
nog dienzelfden avond gaf zij den geest.
Getrouw aan zijne opdracht nam Rohand het kind van zijn heer als het
zijne aan en hield zelfs zijne geboorte een diep geheim, vreezend,
dat hertog Morgan booze plannen jegens den zoon van zijn vijand
zou kunnen smeden. Tegenover de menschen liet hij het voorkomen,
als ware hem zelf een zoon geboren en hij omringde het kind met
liefderijke zorgen. Toen de priester kwam om hem te doopen en Rohand
den jonggeborene een naam moest geven, zag hij langen tijd zwijgend
op hem neer en sprak toen ernstig: "Voor allen rouw en droefheid,
waaronder hij geboren is, voor de smarten en beproevingen, die zijne
komst op deze wereld voorafgingen, geef ik hem den naam van Tristan:
dat is een mensch, die in droefheid leeft."
Niemand, die het kind zag, wist, hoe toepasselijk die naam was en hoe
hij reeds het grootste verlies had geleden, dat een kind treffen kan,
dat zijner ouders. En zelfs hij, die hem zijn naam geschonken had,
vermoedde niet, dat zijn gansche leven dien waar zou maken; dat hij,
die onder lijden en smart ontvangen en geboren was, ook in lijden
en smart de dagen zijns levens zou moeten slijten, tot de dood hem
verloste. Slechts zij, die deze geschiedenis teneinde lezen, zullen
ten volle beseffen, hoezeer deze naam voor hem geëigend was.
Jaren verliepen en Tristan groeide onder de liefderijke hoede van
Rohand en zijne vrouw op tot een aanvalligen, schoonen knaap. Toen
hij zes jaren oud was, koos zijn pleegvader met zorg een leermeester
voor hem uit, die hem moest onderrichten in alles, wat de zoon van
een edelman behoort te weten. Deze leermeester was Gouvernail, een
braaf en edel mensch, die zijne taak met liefde en plichtsbetrachting
vervulde. Hij onderwees Tristan in alle kunsten, die een ridder uit
die dagen placht te beoefenen: hij onderrichtte hem in het schieten
met pijl en boog, in het speerwerpen en zwaard vechten en leerde
hem rijden, tot zelfs de meest wilde en ongetemde paarden tam en
volgzaam werden onder zijne hand. Ook ging hij met hem op jacht, met
valken of honden en wees hem, hoe hij volgens jagersgebruik den buit
moest ontleden en behandelen. Maar niet alleen in vechten, rijden
en jagen onderwees Gouvernail zijn leerling, ook in de zangkunst
en het harpspelen gaf hij hem onderricht en weldra was er in gansch
Ermonie geen, die zóó schoon kon spelen en zingen als Tristan, de zoon
van Rohand. Deze zag met genoegen hoe zijn pleegzoon alle deugden
zijner ouders in ruime mate scheen te bezitten; hij was eerlijk en
bescheiden, dapper en hoffelijk en door zijn minzaam optreden en zijn
innemend uiterlijk nam hij allen, die hem zagen, terstond voor zich
in. Elken dag ontdekte zijn trouwe verzorger nieuwe eigenschappen
van geest en hart in den jongen Tristan, die hem herinnerden aan
zijne overleden ouders en zoo kon het niet anders, of uit de houding,
die hij tegenover zijn jeugdigen pleegzoon aannam, sprak zoowel eene
vaderlijke genegenheid als een zekere eerbied jegens den zoon zijns
meesters. Dat de andere zonen van Rohand zich somtijds beklaagden over
de onderscheiding, waarmede hun jongere broeder door hem behandeld
werd, spreekt van zelf, maar geen hunner vermoedde ook maar in 't
minst, dat deze uit iets anders voortsproot dan uit eene onbewuste
voorliefde, welke men wel meer bij ouders aantreft. Wanneer zij dan
ook den een of anderen wensch door hun vader wenschten ingewilligd te
zien, waren zij gewoon om Tristan te verzoeken hunne zaak bij Rohand te
bepleiten en meestal deed de jongeling, vriendelijk en welwillend als
hij was, wat zij van hem verlangden, vaak met het gewenschte gevolg.
Op zekeren dag werd de stad in beroering gebracht door het bericht,
dat een Noorsch schip, beladen met rijke en veelsoortige koopwaar in
de haven was binnengeloopen en dat de vreemde handelaars reeds bezig
waren, hunne waren ter bezichtiging uit te stallen. Daaronder behoorde
ook, zoo zeide men, naast vele schoone en kostbare zaken, eene partij
fraaie valken en haviken, welke voor de jacht waren afgericht.
Toen Rohand's zonen, die hartstochtelijke jagers waren, deze tijding
vernamen, begaven zij zich naar Tristan en smeekten hem hun vader
vergunning te vragen, om een bezoek aan het schip te mogen brengen
en daar eenige vogels te koopen. Rohand gaf gaarne zijne toestemming
en de jongelingen begaven zich in gezelschap van Gouvernail naar de
haven, waar het vreemde vaartuig lag vastgemeerd. Aan boord vergaten
zij weldra uur en tijd, zóó veel was er te zien en te bewonderen. De
Noorsche kooplieden hadden hunne waren met smaak en overleg ten toon
gespreid en menige koop werd er dan ook in den loop van den middag
gesloten. Daarbij maakte Tristan zich steeds zeer verdienstelijk,
daar hij tot de weinigen behoorde, die de Noorsche taal meester
waren, en dus als tolk kon dienen tusschen de vreemdelingen en zijne
landgenooten. Plotseling werd zijn oog getroffen door een schaakbord,
waarvan de stukken uit blank ivoor gesneden waren. Verrast zag hij om
zich heen en vroeg of wellicht een der vreemdelingen het spel verstond
en eene partij met hem wilde spelen. Een der Noren verklaarde zich
gaarne bereid en weldra zaten beiden onder een scherm van tentdoek,
dat hen tegen de zonnestralen moest beschutten, in hun spel verdiept,
omringd door een kring van nieuwsgierige toeschouwers.
De middag was nu allengs verstreken en het werd tijd om huiswaarts te
keeren. Een der pleegbroeders van Tristan, ziende dat deze nog met
alle aandacht bij het spel was, tikte hem op den schouder en zeide:
"Broeder Tristan, het wordt tijd voor ons, om naar huis te gaan en wij
hebben bovendien alles bezichtigd, wat wij wenschten te zien. Daarom
gaan wij reeds vooruit, gij zult ons dan wel volgen, zoodra uw spel
is afgeloopen." Daarop namen zij afscheid van hem en verlieten het
schip, slechts de trouwe Gouvernail bleef aan boord achter.
Toen nu alle koopers verdwenen waren, begonnen sommigen onder de
kooplieden hunne hoofden bijeen te steken en te spreken over de
buitengewone kundigheden van den jongen edelman, die daar in het
schaakspel verdiept was. Zij prezen zijn aangenaam voorkomen,
zijn vrijmoedig optreden en zijne hoofsche manieren en uitten
hunne verwondering over het feit dat hij, ondanks zijn jeugdigen
leeftijd, toch reeds hunne taal machtig was en met kennis van zaken
de verschillende koopwaren wist te schatten. Zulk een begaafde knaap,
zoo meenden zij, zou beter op zijne plaats zijn aan het hof van een
machtig vorst, die zijne diensten zou weten te gebruiken. Waarom
zouden zij niet trachten, hem die plaats te verschaffen door hem weg
te voeren uit zijne omgeving en hem tegen een hoogen losprijs aan
den een of anderen rijken koning af te staan?
Dit plan vond algemeene instemming en toen zij zagen, dat Tristan
slechts oog en oor had voor zijn spel, beval de kapitein, in
alle stilte het anker te lichten en zee te kiezen. Zoo gezegd,
zoo gedaan. De zeilen werden geheschen, de roeiriemen in het water
nedergelaten en het schip zette zich langzaam in beweging. Nog bemerkte
Tristan niets, maar toen zij reeds op eenigen afstand van de kust
waren, deed eene plotselinge windvlaag het doek boven zijn hoofd
klapperen en opziende van zijn spel werd hij tot zijne ontzetting
gewaar, dat het schip zich in volle zee bevond en eene vage lijn aan
den horizon het eenige was, wat er van zijn vaderland te bespeuren
viel. Met een luiden kreet sprong hij overeind van zijn zetel en op
de knieën vallend voor den kapitein, smeekte hij dien om hem terug
te brengen naar zijne ouders en broeders. Maar deze bracht hem aan
het verstand, dat zulks onmogelijk was en maande hem aan, zich kalm
en rustig te gedragen, daar hem dan geen leed zou geschieden. Tristan
echter hield niet op met klagen en weenen en ook Gouvernail stemde met
zijne smeekbeden in. Toen hun geklaag den kapitein begon te vervelen,
gaf hij bevel om Gouvernail in eene kleine boot, voorzien van eenige
levensmiddelen, te plaatsen en hem aldus eene kans te geven, de kust
te bereiken; den jongen Tristan echter beval hij aan boord te houden,
zulk een kostbaren buit mocht men niet laten ontsnappen.
Het baatte niet, of Gouvernail al weigerde, zijn jongen meester
alleen achter te laten, met ruwe handen grepen de matrozen hem vast
en plaatsten hem in eene kleine boot. Daarop gaven zij hem een paar
riemen en stieten hem van het schip af.
Men kan nagaan, onder welke gewaarwordingen Tristan zijn trouwen vriend
zag vertrekken; luid weenend strekte hij de handen naar hem uit en
bad hem om hem niet alleen te laten. Tevergeefs!--Steeds wijder werd
de afstand, die hem van den laatsten zijner landgenooten scheidde en
weldra zag hij nog slechts een donker stipje, dat de plaats aanduidde,
waar Gouvernail met de golven kampte. Ook dezen liepen de tranen
over de wangen, toen hij bedacht, aan welk een onzeker lot hij zijn
beschermeling moest overlaten, maar met alle macht verzette hij zich
tegen zijne aandoeningen en trachtte het land te bereiken, vanwaar
hij tenminste eenige kans had om Tristan te hulp te komen. Inderdaad
gelukte het hem na groote inspanning, nog dienzelfden avond roeiend
de haven binnen te loopen. Hier vond hij reeds Rohand met zijne
zonen en vele andere bekenden in grooten angst heen en weder loopen;
een kreet van vreugde steeg omhoog, toen zij in het vallend duister
Gouvernail uit het ranke bootje zagen stijgen, maar bitter was hunne
teleurstelling, toen zij vernamen, dat hij slechts alleen was. Deze
teleurstelling nam nog toe, toen zij hoorden, welk een droevig lot
hun geliefden Tristan was overkomen. Vooral Rohand was troosteloos van
smart en wroeging; hij herinnerde zich de plechtige belofte, welke hij
aan zijn gestorven meester en aan diens gemalin gedaan had. Hij had
beloofd om steeds over hun zoon te blijven waken en nu was door zijne
nalatigheid, doordat hij dien kostbaren schat aan de hoede van anderen
had overgelaten, dit vreeselijke feit geschied en wachtte den knaap
daarginds in het vreemde land eene bittere ballingschap en wellicht een
gewelddadige dood. Zijn geweten liet hem geen vrede en hij rustte niet,
alvorens hij een schip had uitgerust om Tristan te gaan zoeken. Na
weinige dagen vertrok hij aan boord van dit vaartuig, vergezeld door
de beste wenschen der achterblijvenden en zette koers naar vreemde
streken in de hoop zijn pleegzoon terug te vinden. Eerst na lange
jaren mocht hem dit gelukken. Waar en onder welke omstandigheden hun
wederzien plaats vond, zullen wij later vernemen. Voorloopig keeren wij
terug naar onzen jeugdigen held, zooals hij tegen den mast geleund,
met betraande oogen naar den gezichteinder staart, waar het laatste
stipje van zijn geboorteland allengs achter de golven verdwijnt.
Eenigen tijd zette het vaartuig zijne reis naar het Noorden zonder
verhindering voort, maar toen de duisternis gevallen was, wakkerde
de wind aan tot een stevigen bries, die weldra overging in een
hevigen storm. Den ganschen nacht loeide en kraakte het, als ware
een leger van booze geesten rondom het vaartuig losgelaten; de masten
steunden en bogen onder den druk van den wind, de riemen braken door
de aanzwellende kracht van het water en de zeilen scheurden van de
touwen af. Bij het eerste morgenschemeren dreef het schip als een
ontredderd wrak rond op de baren, de storm woedde met onverflauwde
hevigheid en het scheepsvolk school in angstige groepjes bijeen en
mompelde iets over eene gerechte straf, die God hun oplegde voor
hunne zonden. Dit onderdrukt gemompel werd langzaam aan luider en
verspreidde zich ook onder de roeiers, tot eindelijk eenigen onder
hen zich naar den kapitein begaven en van hem eischten, dat hij hun
gevangene de vrijheid zou weergeven om de woede van het Opperwezen over
dezen wreeden roof te doen bedaren. Hoezeer het den kapitein speet,
zijn kostbaren buit te moeten laten ontsnappen, hij moest wel toegeven
en zoo gaf hij order een der scheepsbooten in gereedheid te brengen
en van proviand te voorzien. Zoodra hij daartoe bevel had gegeven,
bedaarde als door een tooverslag het woeden der elementen. De wolken
verdwenen van den hemel, de zon brak door en de lucht werd helder
blauw; de wind ging liggen en het bruisen der golven bedaarde. Het
scheepsvolk viel op de knieën en dankte God voor de wonderbare redding,
daarna haastte een ieder zich om de geleden schade te herstellen en
weldra sloegen de riemen weer met geregelden slag in het water en
zwollen de nieuwe zeilen in de frissche morgenbries.
Het spreekt van zelf, dat men door den nachtelijken storm een flink
eind uit den koers was geraakt en niemand kon dan ook zeggen op welke
hoogte men zich bevond. Toen men echter aan den horizon land ontdekte,
achtte men het oogenblik gekomen om zich van den onheilbrengenden gast
te ontdoen; men plaatste daarom Tristan in de gereed gemaakte boot, gaf
hem een paar riemen in de hand en beval hem in de richting van het land
te roeien, daarop liet men hem aan zijn lot over en beijverde zich,
om door sneller roeien en het bijzetten van meer zeil den verloren
tijd in te halen. Met angst en vrees in het hart stuurde onze jonge
held intusschen aan op het vreemde land, waar zijne eenige, zij het
ook onzekere, redding was gelegen.
Bij nadering bleek het eene steile, rotsachtige kust te zijn,
waarvan de grijze klippen loodrecht uit zee omhoogrezen. Na eenig
zoeken ontdekte Tristan echter eene kleine baai, waar hij zijn
bootje veilig in kon sturen en zoo duurde het niet lang, of hij
zette voet op den vasten wal. Toen rees echter de vraag: waar ben
ik en waar moet ik heen? Huiverend zag de arme knaap om zich heen
in het doodsche, verlaten landschap, dat door zijne verbeelding
bevolkt werd met verschillende dieren en wilde volksstammen, zooals
hij ze in avontuurlijke jachtverhalen had hooren beschrijven. Maar
na eenigen tijd kregen zijn moed en ondernemingsgeest opnieuw de
bovenhand en besloot hij te gaan onderzoeken, wat achter die hooge
rotsen verborgen lag. Behendig klauterde hij omhoog en op den top
aangekomen kreeg hij een ruimeren blik op het land en ontdekte hij op
eenigen afstand een breeden heirweg, die zich als een lint door het
landschap slingerde. Zonder veel moeite wist hij dien te bereiken en,
zich aan den kant van den weg nederzettend, besloot hij de komst van
voorbijgangers af te wachten, om zich door hen op de hoogte te laten
brengen omtrent de streek, waar hij zich bevond. Hij behoefde niet
lang te wachten. Na enkele oogenblikken verschenen aan de kromming
van den weg twee gedaanten, die langzaam naderden en die Tristan
weldra als pelgrims herkende. Zij droegen breedgerande hoeden,
om zich tegen de hitte der zonnestralen te beschutten, hun lange,
linnen kleederen waren bestikt met zeeschelpen en vreemde teekenen
en op den rug droegen zij een palmtak, om aan te duiden, dat zij naar
het Heilige Land waren geweest. Hunne lange baarden golfden hun over
de borst en onder het voortgaan leunden zij op hun staf en zongen
pelgrimsliederen, die zij afwisselden door het prevelen van gebeden.
Toen Tristan zag, dat het vreedzame lieden waren, ging hij hen
tegemoet, kruiste zijne handen voor de borst en boog eerbiedig voor
hen neer. Daarna zeide hij: "Vrome vaders! Op de jacht zijnde ben ik
van mijne metgezellen afgedwaald, mijn paard is met mij van een rots
gevallen en ligt ginds met een gebroken rug; kunt gij mij zeggen,
waar ik ben en waar deze weg heenleidt?" "Deze weg", antwoordden de
pelgrims, "voert naar Tintagel, het slot van koning Mark. Indien
uw pad ook in die richting voert, kunnen wij een eindweegs samen
gaan." Vol vreugde nam Tristan hun aanbod aan en de drie vervolgden
gezamenlijk hun weg. Nauwelijks hadden zij echter eenige schreden
afgelegd, of vanuit het bosch weerklonk luid hoorngeschal, vermengd
met hondengeblaf. Bij het hooren daarvan begon Tristan's hart luider
te kloppen en haastig sprak hij: "Hoort! daar zijn mijne metgezellen,
die ik verloren had. Ik wil trachten ze zoo spoedig mogelijk in te
halen!" Daarop wendde hij zich om en liep in de richting, vanwaar
het geluid kwam. Toen hij het bosch een eind was binnengedrongen,
ontwaardde zijn oog een bont jachttafereel. Op eene open plek in
het woud streed een edel hert den doodsstrijd met de hem omringende
honden. Onder luid gejubel omringden de jagers den kostbaren buit; met
een behendigen speerstoot brachten zij het dier den doodsteek toe en
reeds wilde de jagermeester met zijn dolk het wild den hals afsnijden,
toen Tristan, die dit vol afschuw bemerkte, tusschenbeide sprong met
den uitroep: "Houdt op, houdt op! een hert is toch geen wild zwijn,
dat men eerst worgt en dan den kop afsnijdt! Hoe kunt gij zulk een edel
wild zóó behandelen!" Vol verbazing zagen de jagers om bij het hooren
van die stem en toen zij Tristan bemerkten, werden zij zóó getroffen
door zijne jeugd en schoonheid, dat zij hunne honden terugriepen en
hunnen arbeid staakten. De jagermeester, een bedaard en vriendelijk
man, trad op Tristan toe en sprak: "Wij behandelen het wild, zooals
ons dat geleerd is; kunt gij ons eene betere wijze aan de hand doen,
zoo spreek en toon ons die!" Tristan liet zich niet lang bidden. Hij
kwam eenige passen naderbij, knielde bij het hert neer en begon met
vaste hand het in stukken te snijden, zooals hij dit in zijn vaderland
geleerd had. Eerst ontdeed hij het dier van de huid, welke hij ter
zijde legde en waarop hij achtereenvolgens de verschillende deelen
stapelde, welke hij van den romp afsneed. Aan de ademloos toeziende
omstanders toonde hij, welke stukken volgens aloud jachtgebruik aan
de honden werden gegeven, welke het eigendom bleven van den heer van
de jacht, welke aan de jagers en welke aan de armen toekwamen. Daarna
rangschikte hij de afgesneden stukken naar hunne waarde en verdeelde
ze onder de dragers. Toen zij allen hun aangewezen deel van den buit
in ontvangst hadden genomen, stelde hij op verzoek van de jagers
den jachtstoet op, zooals men dat in zijn vaderland gewoon was en
wilde toen afscheid van hen nemen. De jagers wilden hem echter niet
laten gaan en verzochten hem, hen naar het hof te vergezellen. Op
weg daarheen vroegen zij Tristan hun te zeggen, waar hij vandaan
kwam en hoe hij heette, maar de knaap was zoo voorzichtig om hun
niet dadelijk te vertellen, wat er met hem was geschied en dus zeide
hij slechts, dat hij, een koopmanszoon uit Ermonie, gevlucht was uit
zijn vaderlijk huis om vreemde streken te bezoeken. Zijne metgezellen
verbaasden er zich over, dat een eenvoudig koopmanszoon zóó bedreven
was in ridderlijke gebruiken en zij prezen het land, waar de zonen
der burgers tot zoo schoone en hoffelijke jongelingen opgroeiden.
Onder het voortrijden--één der ridders had Tristan zijn paard
afgestaan--brak deze de jonge twijgjes af van de lindeboomen langs
den weg en vlocht zich een krans in het blonde haar, zoo naderden
zij onder scherts en lach den trotschen burcht van Tintagel. Toen
zij in het gezicht van het kasteel waren gekomen, vroeg één der
ridders aan den knaap, onder welken naam men hem aan den koning moest
voorstellen. Deze antwoordde: "Mijn vader en mijne broeders noemen
mij Tristan!" Zijne woorden werden met uitroepen van verbazing en
spot begroet. "Hoe dwaas en zinneloos!" riepen allen uit."Jeugd,
vreugde, schoonheid! zoo moest gij heeten, maar niet Tristan--dat
klinkt als rouw en eeuwige smart!" Zoo waren zij tot aan de poorten
van het kasteel genaderd. Plotseling nam Tristan zijn jachthoorn en
blies daarop een jachtlied, zóó lustig en vroolijk, dat alle jagers
met hunne hoorns in het refrein meestemden. De slotbewoners liepen vol
verbazing de poort uit, zóó hadden de jagers nog nooit hunne thuiskomst
aangekondigd en zij zagen met verwondering naar den welgeordenden
stoet, die onder vroolijk hoorngeschal de brug overreed. Koning Mark
was ook naar buiten gekomen; zijne gestalte was nog schraler geworden
dan vroeger en hoewel hij eerst den middelbaren leeftijd had bereikt,
waren zijne haren vergrijsd aan de slapen en liep hij gebogen als een
oud man. Zijn scherpe blik trof dadelijk den blonden knaap, die daar
temidden der jagers kwam aanrijden en terstond wendde hij zich tot
den opperjagermeester en vroeg hem, wie die vreemdeling was. Deze
antwoordde eerbiedig: "Sire, het is een koopmanszoon uit Ermonie,
dien wij in het bosch gevonden hebben en die ons velerlei omtrent de
edele jachtgebruiken geleerd heeft. Ondanks zijne eenvoudige afkomst
is hij even hoffelijk in taal en manieren als de edelste onder ons en
zelfs een koningszoon zou hem daarin niet tot schande brengen!" Daarop
beval de koning Tristan vóór hem te brengen en vol edelen zwier
knielde de knaap voor hem neder. Geen van beiden vermoedde daarbij,
hoe nauw de band was, die hen tezamen bond, maar wel werd het koning
Mark wonderlijk te moede, toen hij in de heldere kinderoogen zag, die
zoo vol vertrouwen naar hem werden opgeslagen. Met zacht gebaar legde
hij zijne hand op Tristan's schouder en deed hem opstaan, terwijl hij
tot hem sprak: "Men heeft ons veel goeds van u verteld, knaap, en wij
hebben jongelingen als gij zijt noodig. Wanneer gij zulks verlangt,
kunt gij in onzen dienst treden." Dankbaar en verheugd nam Tristan's
konings aanbod aan en zoo werd hij opgenomen onder de jagermeesters
van den koning.
Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden
gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was
als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone
heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel
thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar
de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde.
Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren
naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee
gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne
geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en
die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen,
hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen
de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: "Bravo,
meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig,
en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de
tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed
bewaard en ze geen geweld aangedaan".
De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo'n
jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij
Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder
aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk
eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in 't
diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der
menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij
ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij
in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan
om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan
ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen
stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: "Kind, van
nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen
gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart,
dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van
nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen."
De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne
nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende
man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap,
dien hij liefhad als zijn eigen zoon.
Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het
gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had,
gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan
het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde
van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die
Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare
pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst
was genomen.
De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten
op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen
hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou
in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het
kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was
dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden,
hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene
tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene
ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort
en lieten hem binnen.
Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal
van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan
voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand
ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning
zwierf zijn blik door de zaal en ziet--ginds! aan de linkerzijde
van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht: veranderd en
tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid,
die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den
trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte
maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig,
hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich
thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens,
rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van
hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding
en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had
bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in
zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en
bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en
eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed,
heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over
hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen
te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen
Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij
zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van
blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: "Vader!" sprong
hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok
hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme
verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem:
"Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te
zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?"
Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was
zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die
temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud
van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit
oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde,
welke hij om zijnentwil doorstaan had.
Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aan zijn hof;
hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende
hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na
afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend
vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen
over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo
lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring
van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon:
"Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard
ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog
drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het
u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze
moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een
vreemde voor mij is!" Toen hij deze woorden gesproken had, sprong
Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en
riep uit: "Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon
niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder
gezegd?" Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte
hoofd van den opgewonden knaap en sprak: "Dat zal ik u zeggen, mijn
kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn
zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt
in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen." Daarna wendde hij
zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: "Wat ik u nu ga vertellen,
Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en
reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene
pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch
mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door
mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie." Op het hooren van dien
naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel,
zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten
dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen,
ging Rohand haastig voort: "Zwijg, Sire! want de woorden, die ge
wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten
onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke
herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van
Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor
God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer."
Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden
zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken,
dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van
allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag,
dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste
schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan
in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten
aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat,
het was de stem des bloeds, die gesproken had.
Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat
Rohand's woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een
van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld
bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde
voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte
vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om
plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem
zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval,
dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om
de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op
aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen,
die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen
edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem:
"Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om
uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u
voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en
na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer
ik bij al wat mij heilig is!"
De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene
plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan
aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen,
die hem die onderscheiding misgunde.
De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht,
was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog
Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark
hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den
man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster,
zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok
Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al
ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van
alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen
men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld
van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe,
die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan.
Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche
volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan
niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin
Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven
zij zich gewonnen. Rivalin's dood was gewroken en onder het gejuich
der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner
vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven,
zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den
dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het
kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het
bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand's
zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder
ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel
had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren.
_Van Tristan's strijd tegen den Ierschen Morholt._ Toen Tristan in het
kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere
gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der
vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden
in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen
Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men
hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land
gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen,
bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de
nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen
vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende
uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt,
niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens
harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme,
geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van
elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede
uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht
aan goud. Het vierde jaar echter, en dit was wel het vreeselijkst
van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en
meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en
dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden.
Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder
bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien
gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs
machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een
dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag,
waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige
jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting
moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg
geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon
had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie
jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald,
drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig
zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu
was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op
te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een
machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat
dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te
wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een
dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent
de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd
hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der
jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren
aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den
gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd
en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe,
bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander
wist aan te vallen.
Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleis van
koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon,
waarop hij den edelen toeriep: "Indien er één is onder ulieden, die
uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in
het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij
voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen
gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot
knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd
met mij aan te binden!" en luid schalde zijn spotlach door de zaal.
Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt
geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den
edelen toe: "Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het
leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene
te besparen, wat nog erger is dan de dood!" Toen liep hij op Morholt
toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: "Ik zal met
u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden
en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!"
Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: "Wat wil
die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer
ik met hem vecht?" Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting
moest Morholt Tristan's uitdaging wel aannemen en zoo werden dag
en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een
eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust
was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had
zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde
zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het
vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart
ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende
blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje,
dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar
aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aan
wal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af.
Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend
gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas,
dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met
vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne
vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden
met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op
dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij
aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin
hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee
dreef. Op Morholt's vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord:
"Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem,
die terugkeert, is één vaartuig voldoende."
Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf
het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den
loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen
steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had,
waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het
vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en
vlugheid van beweging. Daar trof Morholt's zwaard den jongen held diep
in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou
moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde
hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn
zwaard terughoudend riep hij uit: "Houd op, knaap, eer het te laat
is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en
behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan,
dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand
is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin
Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar
gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen,
u roem en eer te verwerven!"
Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedend sprong
hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: "Mijne eer en de vrijheid van
mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne
hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!" Met vernieuwde
onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige
oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag
Morholt's schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus
op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn
wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in
het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel
bleef steken.
Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot
de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig
en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het
vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide
te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den
strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde
held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen,
want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn
vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op
de kleine groep van Morholt's metgezellen toe en riep, zóó luid, dat
alle omstanders het hooren konden: "Gaat heen naar uw land en breng uw
vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg
hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe
boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen."
Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt's vrienden naar het
eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het
doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar
Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke
tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van
woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar
Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde,
stortten bittere tranen over het ontzielde lichaam; zij wieschen
en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo
ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven
steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en
zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne
straf niet zou ontgaan.
Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg
te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis
van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte
menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle
kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen
hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de
hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank
onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad
en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang
van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte
hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart,
te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen.
Maar nu was het ook met Tristan's krachten gedaan; met een kreet van
pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen.
Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste
omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen
de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne
wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van
hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle
middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed;
zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit
zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders
onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo
gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden
en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning
Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalen
en Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde,
hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde.
Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde
hij de stem van Morholt, die hem toeriep: "Weet dan, dat er niemand
is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin
Isolde." Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij
voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde
geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het
sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou
hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland
zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den
moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou
doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar,
wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had?
Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem
het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of
het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de
zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden,
hoe schoon de wereld daarbuiten was,--hoe het ook zij, zijn heele
wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van
al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in
den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou
doen verkrijgen.
Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk
ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te
nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan
boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan
Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren
bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich
mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder de
zegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne
komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde
hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden
en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno,
om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand
dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging.
Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het
schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens
en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp
de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig
klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en
vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene
kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het
gevaar schuilde.
Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin
bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen
werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen
kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die
stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren
moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand
een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks
roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van
kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne,
edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen
doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne
vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene
roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door
geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den
vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid,
vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje,
door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en
hemzelf eene gevaarlijke wonde hadden toegebracht. Op zijne wedervraag,
waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem,
dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche
rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling
boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod
gretig door hem werd aanvaard.
Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den
jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde,
doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze
hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om
zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht,
waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis
drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte
hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op
te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo
gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die
ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed
wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem
van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige
geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van
hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene
zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken
en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten
goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden
helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af
in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel
genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem
het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak,
om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen
van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij
leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden;
ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend
vertellen van oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe,
dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming
waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in
zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar
den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met
sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder
wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het
vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen
de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich
eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne
dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf
zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld
van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door
het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij
van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide
jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder
aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied
of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin.
Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon
hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange
onzekerheid zijne terugkomst verbeidde.
Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof
gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien,
hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook
zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin
Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. "Mijne
vrienden en bloedverwanten", zoo zeide hij, "verkeeren steeds in
onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer
van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug
te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt
en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij
vrijelijk zult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt."
Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek;
het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was
hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf,
als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had.
Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer
in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel.
De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en
krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan's vrienden en
bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij
konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk
krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond
terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van
tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en
vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op
Tristan's roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was
duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren
geweest, die tot Tristan's genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het
ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en
dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem,
dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst
zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den
Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere
opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist
omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was?
Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs
niet om in Tristan's tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken
op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was
en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had
weten te dringen. Tristan voelde maar al te duidelijk de vijandige
stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en
ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht.
Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere
plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van
de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met
het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze
vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over
het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen
erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder
vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was
weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk
aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon
met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze
overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter
wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid,
die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen
met verbazing aan en sprak: "Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet,
dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal
zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij
zijn zal?" Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden
zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na 's konings dood
den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het
recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan
binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning
een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het
land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen
bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne
inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene
vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan
het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen
wenschten en liever dan voort te leven onder dien druk van haat en
afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom
hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte
hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders
genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij
man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders
overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen
zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben,
zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen
volgens zijne koninklijke belofte toekwam.
Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak:
"Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een
huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik
tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis
met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag,
vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar
binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar,
dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen
waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op
mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en
terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan
steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen
had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen
verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen
als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij,
mijne gemalin moest worden." Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk
rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om
eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het
was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner
dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest
van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts
voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan
inzien en de troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam,
vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander
eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het
bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun
vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen
onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de
beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere
prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch:
Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn
dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig
zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan,
dien men als de oorzaak van 's konings koppigheid beschouwde. Zeker
was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan,
om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra
Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn
besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde
weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: "Lafaards zijt ge,
om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten
daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen,
of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen
mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders
kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen
wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen
van een draak ontrukken!" De baronnen kregen den schrik over deze
overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op
zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden
zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze
te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: "Er is
slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning
Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar
wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!"
In allerijl rustte Tristan nu een schip uit, dat hij belaadde met
allerhande kostbare waren, zooals vreemde kooplieden gewoon zijn, van
hunne reizen mede te brengen. Vergezeld van het vastgestelde aantal
edelen en ridders zette hij koers naar Ierland en weldra dook de hem
bekende kustlijn aan den horizon op. Toen zij de landingsplaats van
Dublin naderden, gaf hij zijnen reisgenooten bevel, zich in het ruim
van het schip te begeven en aldaar verborgen de verdere gebeurtenissen
af te wachten. Hij zelf, zoo zeide hij, was van plan, om in de stad
te gaan en te zien, wat hij doen kon. Wanneer hij na verloop van
drie weken niet terug was gekomen, raadde hij zijne metgezellen aan,
terug te keeren naar hun land en eene andere bruid voor koning Mark te
zoeken. Zij konden dan aannemen, dat hij zijn leven in de onderneming
gelaten had.
Aan het strand van Dublin heerschte intusschen onder de samengestroomde
menigte groote nieuwsgierigheid aangaande het vreemde vaartuig, dat
op eenigen afstand buiten de haven voor anker was gaan liggen. Ook
de maarschalk, in wiens handen het bestuur over de stad berustte,
kwam met zijne dienaren naar den waterkant, om te onderzoeken, wie
wel de eigenaar van het schip kon zijn en met welke bedoelingen hij
gekomen was.
Tristan naderde de aanlegplaats in een klein bootje. Over zijne
wapenrusting droeg hij een langen koopmansmantel en eene ruig
wollen muts bedekte zijne blonde haren. Toen hij den voet aan wal
zette drong het volk naderbij en bij het zien van zijne uitheemsche
kleedij, gingen er scheldwoorden en uitroepen van spot onder de
menigte omhoog. Tristan stoorde zich echter niet aan de vijandige
houding der bevolking; met kalmen tred ging hij op den maarschalk
toe en sprak: "Heer maarschalk, wat beduiden die dreigende uitroepen
en gebaren? Toen ik hierheen voer, waar ik zoo vele jaren achtereen
mijne kostbare koopwaar van de hand heb gedaan, was ik niet op eene
dergelijke ontvangst voorbereid. Wanneer men mij echter liever ziet
vertrekken, zoo zeg mij dit ronduit; ik keer dan terug naar mijn schip
en zal trachten in een gastvrijer oord dan dit eene afzetplaats voor
mijne waren te vinden. Vergun mij echter u dezen beker aan te bieden,
dien ik voor u uit het Frankenland, waar mijne geboorteplaats is,
heb medegebracht". Daarbij bood hij den maarschalk een zwaar gouden
beker aan. Deze nam vol vreugde de kostbare gift in ontvangst en
sprak vriendelijk: "Duid het den menschen niet ten kwade, wat ik u
bidden mag, dat zij u minder vriendelijk bejegenen, dan gij verwacht
hadt. De reden daarvan is, dat ons een groot leed is wedervaren. De
broeder onzer geliefde vorstin, een dapper en edel ridder, is in den
vreemde op sluwe wijze ten val gebracht en sindsdien verdenkt men
iederen vreemdeling van booze plannen te onzen opzichte. Het land,
waar Morholt zijn dood vond, was Cornwallis en zoo gij uit Frankenland
herwaarts zijt gekomen, zal u hier geen leed geschieden; integendeel,
men zal uwe waren koopen als voorheen, indien zij even schoon en
kostbaar zijn als deze beker".
Zoodoende kon Tristan vrijelijk de stad betreden, waar prinses
Isolde woonde, en behoefde hij slechts eene gunstige gelegenheid af
te wachten om haar te naderen.
Deze gelegenheid deed zich spoedig voor. In de bosschen bij Dublin
huisde een vreeselijk monster: een draak, die mensch en dier bedreigde,
die boom en struik verzengde met het vuur, dat hij spuwde, en wiens
wandaden hem tot schrik der gansche bevolking maakten. Steeds dichter
waagde het ondier zich bij de muren der stad, steeds talrijker werden
zijne slachtoffers, tot eens op een dag de koning, die ten einde raad
was, op plechtige wijze liet bekend maken, dat hij hem, die den draak
wist te dooden, zijne dochter Isolde tot vrouw zou geven.
Van heinde en ver kwamen nu de ridders opdagen, die, aangelokt door
den hoogen prijs, het waagstuk wilden beproeven, maar geen hunner
slaagde erin, het ondier te dooden en velen verloren in den strijd
het leven. Ook Tristan was de belofte des konings ter oore gekomen
en hij besloot op zijne beurt eene kans te wagen, om zoodoende de
hand der schoone prinses voor zijn oom te winnen.
Op een vroegen morgen liet hij in alle stilte zijn paard zadelen en
begaf zich op weg in de richting van het woud, waar de draak zich
ophield. Even buiten de stad gekomen, ontmoette hij drie ruiters, die
hem in suizende vaart voorbijjoegen, onder het roepen van: "De draak,
Heer! de draak!" Toen hij hun vroeg: "Waar is de draak?" wezen zij
met den vinger achterwaarts en riepen: "Hij volgt ons op de hielen";
het volgend oogenblik waren zij in eene wolk van stof verdwenen.