INLEIDING TOT DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.

_Wie kent niet de namen van Tristan en Isolde?_ Bij wien roepen zij

niet een min of meer volledig beeld in het geheugen van de droeve

geschiedenis dier beide gelieven? Of men zich hunne lotgevallen

herinnert uit Wagners muzikaal-psychologisch drama, uit het Fransche

prozagedicht van Joseph Bédier of uit de schoone verzen van Swinburne's

"Tristram of Lyonesse", een ieder kent het verhaal van hartstocht en

weemoed, dat door alle eeuwen heen de dichters en schrijvers heeft

weten te bezielen.

Wanneer men de sage in haren oorspronkelijken vorm leest, zooals

zij in de volgende bladzijden is weergegeven, schijnt het, of

het verhaal weinig of niets uitstaande heeft met den kring der

Arthur-legenden. Immers, het tooneel der handeling ligt geheel buiten

het hof van dien vorst, geen der ridders van de Tafelronde wordt ook

zelfs maar genoemd en alleen koning Arthur zelve speelt eene, overigens

zeer bijkomstige, rol in het drama. De reden, waarom de sage ondanks

dit alles, toch gerekend mag worden te behooren tot den Arthur-cyclus,

is hierin gelegen, dat zij de levens- en lijdensgeschiedenis geeft

van een held, wiens naam in de Arthur-verhalen veelvuldig voorkomt en

wiens lotgevallen daarin steeds eng verbonden zijn met die der andere

Arthur-ridders. In de latere werken, die aan de verheerlijking van

Tristan gewijd zijn, zien wij zelfs, dat zijne avontuurlijke tochten

in gezelschap van andere Arthur-ridders en de rivaliteit tusschen

hem en Lanceloet de belangstelling van den schrijver meer hebben

bezig gehouden dan het verhaal van zijn noodlottigen hartstocht

voor koningin Isolde. In het zoogenaamde Fransche tijdperk van den

Arthur-cyclus, toen Chrétien de Troies zijne gedichten schreef en

de groote proza-romans ontstonden, werd Tristan geheel beschouwd als

behoorende tot de ridders der Ronde Tafel en in bovengenoemde werken

wedijvert hij dan ook met Walewein en Lanceloet in daden van moed en

ridderlijkheid. Wel dient opgemerkt, dat Tristan in al deze verhalen

slechts als gast aan het hof van koning Arthur verkeert. Hij is

daar niet thuis, zooals de andere ridders, maar vertoeft er slechts

voor korteren of langeren tijd, om deel te nemen aan een steekspel

of rust te vinden na een zwaren krijgstocht. Toch is hij geen

vreemdeling, wiens naam men eerst op een hoogeren ontwikkelingstrap

van de Arthur-sagen met dien van den beroemden vorst verbonden heeft

om dezen meerderen luister bij te zetten. Zooals wij zien zullen,

wordt hij daarentegen reeds in de oudste overleveringen gerangschikt

onder de volgelingen van koning Arthur.

Uit dit alles blijkt wel, dat er een alleszins gegronde reden bestaat,

om de sage van Tristan en Isolde te rangschikken onder de in dit boek

voorkomende verhalen. Terstond verrijzen nu twee vragen: wat is de

oorsprong van deze beroemde legende en hoe is het te verklaren, dat

zij, meer dan alle andere sagen uit het grijze verleden, de harten

der menschen heeft weten te boeien met eene blijvende bekoring?

Laat ons voorloopig trachten, de eerste dier beide te beantwoorden. De

vraag, waar wij de bakermat moeten zoeken van de Tristan-sage, heeft

vele pennen in beweging gebracht. Verschillende theorieën zijn daarover

opgeworpen, men heeft ze aangenomen, bestreden en na eenigen tijd zijn

ze verworpen om plaats te maken voor nieuwe denkbeelden. Vele zijn

de artikelen, die geschreven zijn, om de waarheid der verschillende

zienswijzen aan te toonen of te weerleggen en eene lijst van de namen

der geleerden, die ze hebben samengesteld, zou eene aanzienlijke

ruimte beslaan. Het is hier niet de plaats, om in bizonderheden op

dit alles in te gaan; een ieder, die belang stelt in het vraagstuk

van den oorsprong der Tristan-sage behoef ik slechts te verwijzen

naar de verschillende jaargangen van de tijdschriften: "Romania",

"Revue de Paris" en "Zeitschrift für Romanische Philologie", om hem

ruimschoots gelegenheid te geven, zich met de verschillende meeningen

daaromtrent vertrouwd te maken. Toch dienen enkele namen hier genoemd

te worden, vóór alles die van Gaston Paris, den beroemden Keltoloog,

die in de April-aflevering van de "Revue de Paris" voor het jaar 1894,

een schitterend geschreven betoog hield voor den Keltischen oorsprong

der Tristan-sage. Volgens hem moeten wij de eerste sporen van het

verhaal zoeken onder de oudste Keltische poëzie, waar ons reeds verteld

wordt van een liefdesdrank met noodlottige gevolgen. Om dit bestaande

gegeven zouden zich dan, volgens Gaston Paris, episodische verhalen

hebben gevormd, die door de rondreizende zangers van Wallis en Bretagne

gezongen werden met begeleiding van de harp. Deze liederen, de bekende

"lais bretons", werden gewijzigd en verspreid door Fransche zangers,

tot ze eindelijk in handen vielen van dichters, die ze omwerkten tot

een samenhangend geheel. Zoodoende ontstonden de eerste Tristan-romans,

waarvan, zooals we zullen zien, fragmenten zijn overgebleven.

Langen tijd hield de theorie van Gaston Paris stand, maar allengs

begonnen zich stemmen daartegen te verheffen, die zelfs voortkwamen uit

den kring van zijne eigen leerlingen. Deze legden hunne denkbeelden

neer in eene reeks artikelen in "Romania" XV en XVI. Vooraan onder

hen staat Joseph Bédier, wiens naam door allen, die de Tristan-sage

kennen en bewonderen, met eerbied dient genoemd te worden. Zijne

theorie omtrent het ontstaan der legende is te vinden in het tweede

deel zijner uitgave van een der eerste Fransche Tristan-gedichten,

n.l. dat van Thomas, een Normandisch dichter uit de 12e eeuw. Bédier

onderscheidt drie tijdperken in den ontwikkelingsgang der sage. Volgens

hem stamt onze held uit het hooge Noorden van Groot-Brittannië, waar

wij zijn naam onder den vorm van "Drostân" [26] aantreffen als dien van

een geliefd held bij de volksstammen der Picten en Schotten. Aan de

Kelten uit het Zuiden van Engeland, uit Wallis, komt de eer toe, den

naam van dien Schotschen held te hebben verbonden met dien van koning

Mark van Cornwallis en daardoor den eersten stoot te hebben gegeven

tot de vorming der later zoo beroemd geworden Tristan-sage. Op welke

wijze nu geraakte deze bekend onder de Fransche dichters, die haar in

de 12e eeuw tot onderwerp hunner verzen maakten? Om Bédier's verklaring

hiervoor begrijpelijker te maken, brengt hij ons eerst in herinnering,

welk eene nauwe gemeenschap in de 10e en 11e eeuw bestond tusschen

Bretagne en Normandië. De regeerende huizen van deze beide landen waren

onderling meerdere malen door huwelijken verbonden en jaar in jaar uit

waren de Bretonsche "jongleurs", zooals zij genoemd werden, naar het

naburige hertogdom getrokken, waar zij eene warme ontvangst vonden

in de kasteelen der Normandische edelen. Wie waren die Bretonsche

jongleurs? Afstammelingen van de Kelten uit Groot-Brittannië, die in

de 6e eeuw de wijk hadden genomen naar Bretagne, om te ontkomen aan

de vervolgingen der Angelen en Saksen. Toen dus die "jongleurs" na den

slag bij Hastings hunne meesters, de Normandische edellieden, die tot

het gevolg van Willem den Veroveraar behoorden, naar Engeland volgden,

sloten zij zich daar spoedig aan bij de volksdichters en zangers,

aan wie zij zich door hunne afkomst nauw verwant voelden. Zij leerden

van hen verscheidene oude legenden en overleveringen, waarmede zij

hunne Bretonsche verhalen aanvulden en uit deze vermenging ontstond de

beroemde "matière de Bretagne", welke zulk eene hooge plaats inneemt

in de middeleeuwsche letterkunde. Zoo ontstond ook volgens Joseph

Bédier, de Tristansage, zooals wij die kennen en bewonderen.

Uit het eerste, het Pictische tijdperk der legende, dagteekent, zooals

reeds vermeld is, de naam van den held: "Drostân". In het tweede,

dat, waarin de Kelten uit Wallis en Cornwallis den grondslag legden

tot de eigenlijke sage, vinden wij dien naam terug als "Drystan". Deze

"Drystan ab Tallwch" wordt in de Triaden van Wallis genoemd als een der

kampioenen van Arthurs hof. [27] Ook wordt hem de twijfelachtige eer

toegekend van een der beste zwijnenhoeders van het land te zijn. In een

der Triaden wordt beschreven hoe Drystan den zwijnenhoeder van koning

March ab Meirchion met een brief naar koningin Essylt zendt. Hijzelve

zal in dien tusschentijd zijne taak overnemen en zóó goed kwijt hij

zich daarvan, dat nòch Arthur, nòch Mark, nòch Key erin slagen kunnen

hem eene zijner zeugen afhandig te maken.

Welke zijn nu de Keltische, welke de Fransche bestanddeelen in de

sage, zooals die door de eeuwen heen tot ons gekomen is? In zijne

meening hieromtrent wijkt Bédier, en met hem andere geleerden, zooals

Golther en Ferdinand Lot, af van de inzichten van Gaston Paris. Één

voor één bestrijdt Bédier de vele voorbeelden, die zijn leermeester

aanvoerde, om den Keltischen oorsprong der sage te bewijzen, tot er

slechts enkele overblijven, welke door hem werkelijk als zoodanig

worden erkend. De wijze, waarop hij dit doet en de houding, die hij

daarbij tegenover de denkbeelden van zijn geliefden meester aanneemt,

spreekt van eerbiedig ontzag voor de fijn gevoelde opvattingen van

diens betoog, welken hij echter meer dichterlijke schoonheid dan

volkomen betrouwbaarheid toekent.

Volgens Bédier betreffen de Keltische bestanddeelen slechts den

uiterlijken vorm der sage. Wat deze aan dichterlijke waarde en

innerlijke schoonheid bezit, ligt echter in den zielestrijd der

beide gelieven, die zich eensdeels gebonden voelen door de wetten

en gebruiken van de samenleving, waarin zij leven, anderdeels, door

hunnen hartstocht gedreven, die wetten steeds met voeten treden. Daar

nu volgens Bédier de huwelijksband onder de Kelten zeer los was,

wat hij bewijst door eene aanhaling uit de wetten van koning Howel

den Goeden, moet datgene, wat de sage hare grootste bekoring gaf,

eraan toegevoegd zijn in Frankrijk, in eene christelijke samenleving

en door iemand met een fijn-besnaard, dichterlijk gemoed. In een

volgend hoofdstuk van zijne studie toont Bédier aan, dat, dank zij

de verschillende critische uitgaven der oude Tristan-gedichten, de

theorie, dat de "lais bretons" de grondstof voor deze gedichten zouden

hebben geleverd, meer en meer op den achtergrond wordt gedrongen. Uit

eene vergelijking der bestaande gedichten blijkt het verband, dat

tusschen deze onderling bestaat en daardoor wordt hunne schijnbare

zelfstandigheid aanmerkelijk verminderd. Ten slotte komt de schrijver

tot de gevolgtrekking, dat aan al die oude gedichten één enkel,

verloren geraakt gedicht ten grondslag moet liggen, dat in het begin

der 12e eeuw door een man van genie vervaardigd werd. Ook hierin,

zien wij, is hij het oneens met Gaston Paris, die de "lais bretons"

als bron voor de Fransche gedichten beschouwde.

Bovenstaande theorie van Bédier, die op heldere wijze door Professor

van Hamel is uiteengezet in zijn Gidsartikel, getiteld: "Middeleeuwsche

Tristan-romans" (Gids, 1905, 477-516), wordt in hoofdtrekken door vele

andere geleerden gedeeld. Zoo pleit ook W. Golther in zijne studie:

"Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelalters und der neueren

Zeit" (Leipzig, Hirzel, 1907) voor de stelling, dat de verschillende

fragmenten der eerste Tristan-romans terug te brengen zijn tot één

oorspronkelijk werk, waar ze alle op berusten.

In de laatste jaren zijn de denkbeelden van Bédier en Golther van

verschillende zijden aangevallen. Onder de velen, die over dit

onderwerp geschreven hebben, noemen wij slechts M. J. Loth, die in

zijne "Contributions à l'étude des Romans de la Table Ronde" (Paris,

Champion 1912) met kracht Bédiers bewering bestrijdt, als zouden de

huwelijkswetten bij de Kelten weinig bindend zijn geweest. Integendeel,

zoo zegt de schrijver, trouwbreuk werd bij hen als een ernstig vergrijp

beschouwd en ook zeer streng gestraft. Bovendien tracht hij aan te

toonen, dat de Tristan-legende stamt uit Cornwallis; hij verwerpt den

Pictischen oorsprong van den naam Tristan, welken hij phonetisch

onverklaarbaar acht. Ook de andere eigennamen, die in de sage

voorkomen, zoomede het feit, dat men in de bestaande gedichten eene

mengeling van Keltische, Angelsaksische en Fransche namen aantreft,

bevestigen volgens hem de waarheid zijner stelling. Ten slotte zij

hier nog vermeld het werk van Miss G. Schoepperle: "Tristan and Isolt,

a Study of the source of the romance", 2 vol., Frankfort en Londen,

1913. In dit lijvige boekdeel komt de schrijfster tot eene slotsom,

die het midden schijnt te houden tusschen de theorieën van Gaston

Paris en die van Bédier.

In tegenstelling met den laatste kent zij groote waarde toe aan de

Keltische elementen in de sage, welke volgens haar veel talrijker

zijn dan Bédier meent. Om te bewijzen, dat zij werkelijk aanspraak

kunnen maken op den naam van Keltisch, toetst zij ze aan de oud-Iersche

handschriften, welke aanmerkelijk ouder en daardoor betrouwbaarder zijn

dan die uit Wallis en Cornwallis, welke bijna alle Franschen invloed

vertoonen. De schrijfster vindt dan vele punten van overeenstemming

tusschen de feiten, vermeld in de Tristan-sage en die, welke zij in

de oud-Iersche handschriften beschreven ziet.

Zij komt dan tot de gevolgtrekking, dat de Tristan-legende ontstaan

is in de Keltische letterkunde, maar dat zij in de gedaante, waarin

zij in de gedichten tot ons is gekomen, beschouwd moet worden als

eene zuiver Fransche schepping.

Welke zijn nu die gedichten?

Het oudste, bestaande gedicht over de Tristan-sage is dat van een

Normandisch schrijver, Béroul genaamd, en dagteekent ongeveer uit het

jaar 1165. Zijn werk bleef onvoltooid, maar werd tegen het einde der

12e eeuw van een slot voorzien door een dichter, wiens naam onbekend

is gebleven. Van Béroul's werk is een fragment van ongeveer 3000

regels bewaard gebleven; dit werd de bron voor de eerste bewerking

der sage in Duitschland. Hiermede wordt bedoeld het werk van Eilhart

von Oberge, een vazal van Hendrik den Leeuw, hertog van Brunswijk,

die zijn gedicht geschreven moet hebben tusschen 1190 en 1213.

Belangrijker dan het werk van Béroul is dat van den dichter Thomas,

langen tijd genoemd Thomas van Brittannië, die omstreeks 1170 in

Engeland zijn beroemd geworden, "poème de Tristan" schreef. [28]

Den inhoud van zijn gedicht kennen wij behalve uit de oorspronkelijke

fragmenten [29], uit vijf navolgingen. Deze zijn:

1e. eene Noorsche proza-vertaling, geschreven in het jaar 1226 door een

zekeren broeder Robert, op verzoek van koning Haakon V van Denemarken

(1217-1263). In tegenstelling met de andere navolgingen van het

Fransche gedicht is deze vertaling een volledig geheel en geeft ons

daardoor het meest getrouwe beeld van den oorspronkelijken tekst.

2e. Het groote romantische dichtwerk van Gottfried von Straszburg,

geschreven in de eerste helft der 13e eeuw. Het beschrijft

de geschiedenis tot het huwelijk van den held met Isolde van

Bretagne. [30] Juist op dit punt beginnen de fragmenten van het

oorspronkelijke gedicht, zoodat eene vergelijking tusschen het werk

van Gottfried en dat van Thomas slechts over een honderdtal regels

gemaakt kan worden.

3e. Als derde groote navolging van het Fransche werk dient genoemd

het Middel-Engelsche gedicht: "Sir Tristrem", dat geschreven werd

in het Noorden van Engeland tegen het einde der 13e eeuw. Het werd

voor de eerste maal uitgegeven in 1804 door niemand minder dan Sir

Walter Scott. Hij gaf het den voormelden naam, verdeelde het in drie

afdeelingen, voegde het ontbrekende slot er aan toe, geschreven

in dezelfde versmaat als het overige gedeelte--en verklaarde ten

slotte, dat de schrijver ervan was: Thomas van Ercildoune, ook wel

genoemd Thomas de Rijmer. Deze verklaring is later meermalen in

twijfel getrokken en thans neemt men algemeen aan, dat de schrijver

onbekend gebleven is en dat de naam Thomas, die tot drie maal toe in

het gedicht voorkomt, betrekking heeft op den Franschen schrijver.

De beide overige navolgingen zijn van minder belang dan de drie

bovengenoemde.

Het zijn: 4e een kort gedicht, getiteld: "La Folie Tristan" (bewaard in

het z.g. Douce H. S.) en eenige hoofdstukken [31] in het Italiaansche

proza-werk "La Tavola Ritonda".

Eene vergelijking tusschen de gedichten van Béroul en Thomas zou buiten

het bestek dezer inleiding gaan, toch dient hier met een enkel woord

vermeld, dat zij een geheel verschillenden geest ademen. Bérouls

opvatting van het gegeven is eenvoudiger, primitiever dan die van

Thomas. De eerste gevoelt eene behoefte om de beide gelieven te

beschermen tegen de beschuldigingen, waaraan hunne zondige liefde

hen blootstelt. Daarom laat hij den noodlottigen invloed van den

liefdesdrank slechts vier jaren duren; nadien, ontslagen van den

bovennatuurlijken dwang, die op hen werd uitgeoefend, krijgen zij

beiden berouw over wat zij gedaan hebben en beginnen een nieuw leven.

In het werk van Thomas daarentegen vinden we geen spoor van eenige

poging tot verontschuldiging der beide hoofdpersonen. Zijn gedicht is

eene verheerlijking der liefde, de liefdesdrank is het zinnebeeld

van haar goddelijk recht. Ook spreekt er uit dit dichtwerk een

geest van beschaving en hoofschen sier, die geheel ontbreekt in

den eenvoudigen verhaaltrant van Béroul. Al wat ruw en onbeholpen

was in de oude sage heeft Thomas zorgvuldig eruit verwijderd en de

dichter verdiept zich met wellust in de spitsvondige woordspelingen

en nauwkeurige gevoelsontledingen, welke zoo kenschetsend zijn voor

den tijd, waarin hij schreef. Dat daardoor het verhaal dikwijls iets

van zijn roerenden eenvoud en innige bekoring inboet, is licht te

begrijpen, al staat daartegenover, dat het wint aan duidelijkheid en

waarschijnlijkheid van gegeven.

Men kan zich voorstellen, dat de sage van Tristan en Isolde,

de ontleding en beoordeeling van hunne gevoelens, spoedig na het

verschijnen van het gedicht van Thomas, een geliefd onderwerp moet

zijn geworden voor eindelooze besprekingen en beschouwingen. Dat

velen aan het verhaalde aanstoot namen blijkt uit het feit, dat

Chrétien de Troies, de beroemde Fransche hofdichter, een gedicht

schreef: "Cligés", waarin hij aantoonde, hoe Tristan en Isolde hadden

behooren te handelen. [32] Zooals reeds elders vermeld staat, [33]

deelde Chrétien, hoewel hij leefde aan het hof van gravin Marie van

Champagne, niet de inzichten zijner meesteres, die meende, dat ware

liefde onvereenigbaar was met het huwelijk. In zijne beste gedichten

verheerlijkt Chrétien dan ook de echtelijke liefde, of die, welke hare

hoogste volmaking in het huwelijk vindt. Wel kunnen zijne bezwaren

tegen het thema der Tristan-sage ook gedeeltelijk zijn voortgekomen

uit eene zekere "jalousie de métier", want ook hij had een gedicht

over dit onderwerp geschreven, dat niet veel opgang schijnt te hebben

gemaakt. Dit gedicht zelf is helaas verloren gegaan, wij vinden er

slechts eenige toespelingen op in "Erec", het eerste bestaande gedicht

van Chrétien's hand.

De werken van Béroul en Thomas vormen de bestaande dichterlijke

vertolkingen van de Tristan-sage in de Fransche letterkunde der

middeleeuwen. [34]

Daarnaast staat de groote Fransche proza-roman: "Tristan". Hier wordt

alle aandacht van den lezer gevraagd voor den wedijver tusschen

Lanceloet en Tristan en voor een verward relaas van de avonturen

dezer beide helden, waarin de meest aandachtige lezer meermalen den

draad van het verhaal dreigt te verliezen.

De karakters der hoofdpersonen, vooral dat van koning Mark, hebben

in den proza-Tristan eene merkbare verandering ondergaan. Isolde's

echtgenoot wordt erin beschreven als een booze tiran, die zich door

lafhartig bedrog en slinksche streken den haat en verachting van

zijne onderdanen op den hals haalt. Ook onze held wordt er eenigszins

anders in voorgesteld, hij is niet zoo standvastig in zijne liefde

voor Isolde als in de andere werken, de vijandschap tusschen hem en

zijn oom ontstaat gedeeltelijk uit hun beider wedijver om de gunsten

van de schoone vrouw van Heer Segwarides. Door deze veranderingen

verliest de liefde tusschen Tristan en Isolde veel van hare noodlottige

schoonheid, maar zij bekleedt ook niet langer eene eerste plaats

in het verhaal, Tristans heldendaden en krijgsavonturen hebben haar

daarvan verdreven. In den proza-roman missen we ook de ontroerende

beschrijving van Tristans dood. Zijn einde vindt hier plaats onder

geheel andere omstandigheden dan in het oude verhaal; hij wordt door

koning Mark in den rug gedood, terwijl hij op de harp zit te spelen

voor koningin Isolde.

Onder de Middel-Engelsche gedichten is "Sir Tristrem" vreemd genoeg

het eenige, dat aan de lotgevallen van onzen held gewijd is, alleen

beslaat het verslag van zijne lotgevallen een belangrijk deel van de

"Morte d'Arthur" van Thomas Malory, die zijne wedergave van de legende

ontleent aan den Franschen prozaroman. Hij verhaalt echter slechts de

helft van het verhaal, dan breekt hij den draad plotseling af om zich

te verdiepen in de geschiedenis van den Graal. Eenige hoofdstukken

verder vinden wij dan terloops het treurig einde van den held in een

paar regels vermeld.

Na de 15e eeuw valt er over geheel Europa eene vermindering van

belangstelling waar te nemen voor de oude ridderverhalen. [35] In

dit lot deelde ook de Tristan-sage; gedurende eenige eeuwen wordt

het oude verhaal door de dichters en schrijvers veronachtzaamd. Toen

echter gedurende de 18e eeuw de belangstelling voor alles wat de

Middeleeuwen betrof, allengs herleefde, werden ook de oude sagen

en legenden opnieuw ter hand genomen. Zoo mogen wij in de 19e eeuw

spreken van eene wedergeboorte der Tristan-sage en de gelieven van

Cornwallis werden op velerlei wijze door dichters van verschillenden

landaard bezongen.

Het zou onmogelijk zijn, eene volledige opsomming te geven van alles,

wat er in de afgeloopen eeuw over deze sage geschreven is, daarom

noemen wij hier slechts een enkele onder de velen, die haar tot het

onderwerp hunner scheppingen hebben gemaakt.

In Duitschland verschenen in de 19e eeuw niet minder dan drie

vertalingen van Gottfried von Straszburg's meesterwerk. De schrijvers

hiervan zijn Karl Simrock, Hermann Kurz en Wilhelm Herz; vooral deze

laatste moet geprezen worden om de meesterlijke wijze, waarop hij

zich van zijne taak heeft gekweten. Ook dient hier melding gemaakt

van eene Engelsche prozavertaling van Gottfrieds werk, van de

hand van Jessie Weston, welke bij David Nutt, Londen, in eene zeer

aantrekkelijke uitgave is verschenen. De groote belangstelling, die

men in de afgeloopen eeuw in Duitschland voor de Tristan-sage voelde,

kwam op edele wijze tot uiting in Richard Wagner's muziekdrama:

"Tristan und Isolde", waarvan de eerste opvoering in 1859 plaats

vond. Met een te bewonderen inzicht heeft de dichter-componist drie

episodes uit het oude verhaal gekozen en is erin geslaagd om ons in

drie akten niet slechts de uiterlijke feiten van eene noodlottige

liefdesgeschiedenis voor oogen te voeren, maar ons tevens een blik te

doen slaan in den strijd en de aandoeningen van eene menschelijke ziel,

die tot in haar diepste wezen geroerd wordt door de macht van eene

allesoverheerschende liefde. Het nauwe verband tusschen die liefde

en den dood kan beschouwd worden als het "Leitmotif" van deze kunst

schepping. Als Isolde stervend neerzinkt op het doode lichaam van haren

geliefde en hare ziel uitstort in een laatste lied van hartstochtelijke

liefde, voelen wij, dat dit het hoogtepunt is van de handeling,

waar al het gebeuren van den aanvang af op gericht is geweest.

In de Engelsche letterkunde vinden wij in de 19e eeuw de geschiedenis

van Tristan en Isolde terug onder Tennyson's Koningsidyllen. De

wijze, waarop hij het schoone gegeven behandelt, doet den smaak en

het letterkundig gevoel van den dichter geen eer aan. Hij gebruikt

de legende om aan te toonen tot welk een toestand van verval en

verdorvenheid het hof van koning Arthur is afgedaald en daarom

beschrijft hij de liefde tusschen Tristan en Isolde als eene van die

zondige verhoudingen, waartoe het slechte voorbeeld van Lanceloet en

Ginevra aanleiding had gegeven. Dat hij het noodig heeft gevonden

om daartoe eene der schoonste en teederste liefdesgeschiedenissen,

die de wereld ooit gekend heeft, te verminken en te bederven, wekt

niet alleen onze verbazing, maar ook onze verontwaardiging op.

Twee andere Engelsche dichters hebben in de afgeloopen eeuw de liefde

van Tristan en Isolde bezongen: Matthew Arnold in zijn gedicht:

"Tristram and Iseult" en Algernon Charles Swinburne in "Tristram of

Lyonnesse". Onder hun bijna overeenstemmende titels vertoonen deze

beide gedichten groote verschilpunten, die te verklaren zijn uit den

verschillenden aanleg der beide dichters. Arnold's gedicht is slechts

een fragment; het beschrijft de laatste levensdagen van den held in

zijn eenzaam slot aan de kust van Bretagne, de komst van Isolde van

Ierland, het sterven der beiden en het eenzaam achterblijven der jonge

weduwe: Isolde van Bretagne. Zijne opvatting van het oude verhaal wijkt

af van die, welke algemeen door de dichters gehuldigd is. Arnold's

strenge opvatting van 's menschen zedelijke plichten maakt het hem

onmogelijk om deelneming te gevoelen voor het lijden en de smart der

beide gelieven, zijne sympathie is geheel aan de zijde der andere

Isolde, die hij beschrijft als eene zachte, teedere vrouw en eene

liefhebbende moeder voor hare twee kinderen. Arnold's pessimistische

levensbeschouwing draagt er toe bij, dat hij ons niet den tijd voor

oogen voert, toen de liefde het leven van Tristan en Isolde ondanks

al hunne moeilijkheden tot iets schoons en heerlijks maakte, maar

veeleer hun treurig einde toont als een bewijs, waartoe de mensch

gedreven wordt, die zijne lusten en begeerten den vrijen teugel laat.

Geheel verschillend van opvatting is Swinburne's "Tristram of

Lyonesse". Het gedicht bestaat uit negen zangen, voorafgegaan door

eene inleiding, eveneens in dichtmaat, welke ons eene verheerlijking

der liefde geeft.

Het gegeven is er een, dat bij uitstek geschikt is om door dezen

dichter bezongen te worden. Met wellust stort hij er al den gloed

en kleurenrijkdom van zijn woordenschat, de verrassende schoonheid

zijner beeldspraak op uit. Het gedicht begint met Tristan's reis van

Ierland naar Cornwallis; van wat er daarvóór is geschied hooren wij

niets, al de belangstelling van den lezer wordt samengetrokken op

de liefdesgeschiedenis van den held. In regels van groote schoonheid

beschrijft hij de gevoelens der verschillende hoofdpersonen en door

alle gebeurtenissen heen voelen wij hoe de invloed van den noodlottigen

liefdesdrank hen voortdrijft door een leven van lijden en smart

naar een ontijdigen dood, uiting van Swinburne's fatalisme. Door het

gansche gedicht klinkt als een achtergrond voor den zielestrijd der

beide gelieven het ruischen der machtige zee, die de dichter boven

alles liefhad. Dat hij dit motief telkens en telkens weer in zijn

werk bezigt, is niet meer dan natuurlijk, want de zee speelt eene

groote rol in het drama van Tristan en Isolde. Daarom is het zeer

goed gezien van Swinburne, dat hij hen ten slotte laat rusten in den

schoot der golven, grootscher en waardiger rustplaats zouden wij ons

moeilijk kunnen voorstellen.

Voor een laatsten blik op het leven van onzen held keeren wij een

oogenblik terug naar Frankrijk, het land, waar zijne lotgevallen

voor het eerst werden bezongen. In 1900 verscheen aldaar een werk

geschreven door denzelfden Joseph Bédier, wiens naam hierboven reeds

meermalen vermeld werd, hetwelk een ieder in staat stelt de schoonheid

der oude legende volop te genieten. De schrijver heeft getracht, en

is er meesterlijk in geslaagd, om uit de verschillende middeleeuwsche

fragmenten een proza-roman samen te stellen, geschreven in hedendaagsch

Fransch, maar in den geest der oude tijden. Wie het werk niet kent,

herstelle dit verzuim zoo spoedig mogelijk, want de schoone taal en

inhoud maken het lezen ervan tot een hoog genot. [36]

Het boek bevat eene voorrede van Gaston Paris, waarin de

belangstellende lezer eene uiteenzetting vindt van de wijze, waarop

het werk tot stand is gekomen. Naar die inleiding verwijzen wij ook

diegenen, die een antwoord verlangen op onze tweede vraag, waarom

deze legende, meer dan alle andere verhalen uit vervlogen tijden,

de bewondering der menschen telkens weder opnieuw voor zich heeft

weten te winnen. Wie zou hare zaak waardiger en schooner weten te

bepleiten dan de man, die zich zoo zeer beijverd heeft om haar aan

de vergetelheid te ontrukken en de belangstelling zijner tijdgenooten

voor haar wakker te maken?

In de volgende bladzijden wordt de Tristan-sage in hoofdzaak

weergegeven, zooals zij in de gedichten van Thomas en diens navolgers

te vinden is.

De beschrijving, hoe Tristan, als nar vermomd, na zijn huwelijk naar

Tintagel terugkeert, om Isolde nog eenmaal te zien, is eene toevoeging

uit andere bron; dit feit wordt slechts vermeld in twee episodische

gedichten, in het werk van Eilhart von Oberge en in den proza-roman.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 15 / 56 题