ARTHURS KOMST. [19]

_Van de geboorte van koning Arthur._ In lang vervlogen tijden werd het

volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en

dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche

taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming

geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop

te dragen.

Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde

zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten

tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te

teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eene beslissende

nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.

Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad

van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken,

stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij

werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere

lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel

der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de

statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat

de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk

voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte

met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.

Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen

bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden

kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die

uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der

oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in

hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de

ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.

Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van

het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige

honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een

luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach

opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied,

dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek,

maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te

wenschen over.

Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met

zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen

tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het

bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden

benevelde, gingen de blikken van den vorst steeds vaker naar de

overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone

hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed

haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak

duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.

Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de

houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen

zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven

alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich

op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij

heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om

hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan

zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij

het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.

Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap

zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning

niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het

den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar

bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde

hij het niet, tusschenbeide te komen.

Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in

het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden

te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg

al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.

De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna

bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden

naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren,

maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne

weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht

voor de schoone hertogin liet hem geen rust; 's nachts kon hij den

slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al

zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar

te bevredigen.

Eindelijk had hij een besluit genomen--hij moest, hij zou Igerna de

zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan

haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit

en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet

zonder Igerna huiswaarts te keeren.

Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan

het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den

vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen,

om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de

veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij

haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op

de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was

deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans

loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts

genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of

drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen

in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die

vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende,

of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte

de zware muren met zijne balken en stormrammen.

Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich

in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren

tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem

te vragen, wat hem thans te doen stond.

Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener

eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam,

met plechtige stem:

"Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn

van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de

uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te

weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, die diepe wonden slaat

in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat

dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u

van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een

andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden,

o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon

schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd

zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en

zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft,

dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste

schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend

verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen."

Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn

van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de

toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den

koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan

van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend

van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens

een volgeling van Gorlois.

Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden

zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer

herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten

de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet

de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren

van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te

bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had,

de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling

ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon,

die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.

Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders

een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den

strijd op de wallen gedood. De burcht werd door de belegeraars geheel

verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen

eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit

de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal

te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers,

toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester

in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de

boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk,

dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden

zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten

hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden

terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij

met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.

Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder

voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te

verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was

en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet

anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige

belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.

Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het

huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.

Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het

vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in

linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het

park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar

wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in

zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig,

rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene

als haar eigen kind opnam en verzorgde.

_Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen._

Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde

zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand

van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de

liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra

duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten

alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het

volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed

en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche

volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen

inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het

laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat

hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep

hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne

onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen,

dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag,

om de orde in het rijk te herstellen.

Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten

dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid

werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten

tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te

spotten viel.

Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid

van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des

konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders

strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den

volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.

Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hun vorst

gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te

laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de

rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in

hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den

aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk

samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden

vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde

hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen,

die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou

weten te beschermen.

Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich

in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom

prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen

door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de

nedergeknielde menigte.

Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie

omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl

hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.

Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw

traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór

de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot,

grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het,

dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest

zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld

en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde

in de morgenzon.

Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen

verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen,

welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen

uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen

en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in.

Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst

van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene

verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere

edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den

maaltijd.

Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open

veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren

samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het

tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze

laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een

knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van

Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd

zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn

zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend,

wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te

halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de

jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen

door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen

waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik

verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien

en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den

zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en

dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning

van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen,

dat hem als 't ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep

hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep

en ziet--zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In

een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze

het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen,

van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. "Van

wien?" herhaalde de jongeling lachend, "wel, van niemand! Toen ik

op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling

op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte

op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen

aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk

uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te

brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep

er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!"

In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder

geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen

en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem

gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk

toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders

raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige

oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde

er iets wonderlijks.

_Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd._ De bejaarde ridder viel

voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde

van aandoening: "Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt,

om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen

van roem en eer!"

Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer,

wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector

hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid

daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs

tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last,

dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller

bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak

ten deel zou vallen.

Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige

ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk,

dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de

wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.

Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het

strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet

zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en

stroomde het veld binnen onder de kreten van: "Den koning heil! Leve

Arthur! Leve de koning!" Het was een grootsch oogenblik in het leven

van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn

volk in ontvangst mocht nemen.

De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel--naar alle zijden

strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van

sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende

menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht,

waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders

glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de

jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle

kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne

oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne

wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand

toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk

zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des

gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.

Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd

zijner troepen en ziet--het scheen of deze met een onweerstaanbaren

moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen

door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den

heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren

Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en

kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren.

Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat

Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap

van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den

volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht

Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek,

waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.

Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij

aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen

vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen,

die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een

enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten

riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze

eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en

het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de

eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen

begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van

het meer.

Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen,

geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere

diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend

zwaard omhoog hief.

Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een

snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje,

dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer

te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering

gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de

blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen

van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet

met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal,

sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den

greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand

stond de naam van het zwaard te lezen: _Excalibur_.

Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard

Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door

den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit

en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog,

duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.

_Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk

zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra._

Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen

de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een

huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in

vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot

Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg,

of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend

van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.

Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning

Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder

de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te

bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid

geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om

te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning

Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene

eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op

zijne veldtochten placht te dragen.

De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten

het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.

Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door een groepje

personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.

Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden

harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra,

de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de

voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning

zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene,

dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en

dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn

verderen tocht.

Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen,

die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle

zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge

prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en

haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met

vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van

het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld

aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.

Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit

het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de

wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten,

en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en

jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de

zegewenschen der gansche bevolking.

Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er

sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug

naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.

Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met

de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne

echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht,

hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn.

De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit,

zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn

geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij

den mond tot spreken en zeide: "Sire, liever, duizendmaal liever had

ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en

bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar

u geen geluk brengen. Integendeel," hier werd zijne stem luider en

nadrukkelijker, "ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon,

ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door

haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten

val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele

schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur

geven boven al hare zusteren?"

Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden

lach. "Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn,"

riep hij uit, "en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan

nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid

is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij

van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven,

zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest

is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn

plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste

mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!"

Merlijn haalde gelaten de schouders op. "Tegen den overmoed der jeugd

en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden," zeide

hij, "de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft." Maar

Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden

gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich

af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht

om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra's hand en

de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde

hij niet te aarzelen, Lanceloet, den dappersten zijner ridders,

zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak

op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze

van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.

Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een

talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij

aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk

en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze

hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending,

vervulde hem met trots en vreugde.

Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis

met zich brengen zou!

Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te

geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich

ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter

koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra

had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd

het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende

toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die

haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik

bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte

gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste

jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het

haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.

Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge

prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis

naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet

bij zich en sprak tot hem: "Heer ridder! morgen zult gij onze

woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen

echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting

en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij

zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een

passend bruidsgeschenk willen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit

hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch

weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden

ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen

de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel

Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden

ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts

honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze

honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk

mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u,

zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?"

Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer

voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis

naar Camelot ondernomen.

In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard

en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht

door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken

aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.

Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde

hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk

was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en

Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet

uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses

uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de

ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra

zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is

ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche

jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld

daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard,

waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.

De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeer eenvoudig

en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet

veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.

En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer

geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend

in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het,

dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene

zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen

de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht

jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was,

of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe

feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied,

maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen

bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de

sombere wouden om haar vaderlijk slot!

Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem,

waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm,

hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak

en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover,

hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!

Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der

jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom

bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die

nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende,

eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich

door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide

van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders

genadiglijk tot den handkus toeliet.

De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den

rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het

fraais, waarmede men haar omringde, haar als 't ware bedwelmden, gelijk

een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar

soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met

"Hooge Vrouwe", voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin

te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten

opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en

verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte

legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en--dit

kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor--die den

ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens

levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te

maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem

meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van

haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man,

met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem

deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare

opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid,

het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom

vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan

zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die

gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof,

zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker

aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd

door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige

kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had

aan de strenge etiquette van het hof.

Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid

haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan

wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet

geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse

verschuldigd was. Maar wanneer hij haar dan had ingehaald en zij

zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen,

die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich

verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door

eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.

Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het

oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring

van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die

bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij

het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich

af kon schudden en jong kon zijn met haar.

_Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten._ Zoo verliepen

de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare

verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra's vroolijk gesnap

werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin

het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. 's Avonds viel ze

niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten,

droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt

ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen

kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij

onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei

vreemde gestalten voor haar verscheen.

Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen

verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk

te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de

toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en

vermeed hij Ginevra's gezelschap zooveel hij maar kon.

Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij

langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden, toen plotseling

als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en

elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo

angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat

zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid

geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden

wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden,

eens en voor altijd.

Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid

bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering

op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels

en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde

de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.

Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom

binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste

oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden

en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van

zijn schoonsten droom had toegestaan.

Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning

Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op,

het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen

omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige

inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.

_Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken._

Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den

heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de

stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele

genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep

bewogen stem smeekte hij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis

dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten,

die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar

ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van

innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van

den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging

hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het

heil van zijn land en zijn volk.

Dankbaar ging zijn oog over de schare in 't wit gekleede ridders,

die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man

zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten

op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te

kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan,

zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij

zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand

de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad,

wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan,

waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.

Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot

man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de

gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor

het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht

in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen,

maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen

handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.

Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden

zich voor 't eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.

Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De

koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner

ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening,

toen hij hen smeekte, hem tot steun te willen zijn bij zijn pogen,

om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de

groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de

boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.

Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield

met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne

woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen

in de oogen kreeg.

Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door

eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking

van zijne idealen. Plechtig klonk het "ja! dat zweren wij" uit hunne

monden en een glans van voldoening gleed over 's konings gelaat.

Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de

zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken,

dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een

langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of

een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet,

toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in

den rug hunner zetels gegrift.

In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister

gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel

der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de

potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders

schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte

Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en

blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden

in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur

scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde

de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen

het geboomte van het slotpark.

Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner

gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijk woord en hij vervulde

zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze.

Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld,

die jong en schoon was als hij.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 8 / 56 题