INLEIDING TOT DE SAGE VAN "HEER WALEWEIN EN DE GROENE RIDDER".

Onder de volgelingen van koning Arthur, die uitmunten door kracht

en behendigheid, is er één, die meer dan alle anderen geprezen

wordt als een voorbeeldig ridder, in wien de ridderlijke deugden van

eerlijkheid, offervaardigheid, zachtheid, nederigheid en hoffelijkheid

hare hoogste volmaking hadden bereikt en wiens moed en dapperheid hem

tot een bijkans onoverwinlijk tegenstander in het gevecht maakten. Dit

is Walewein, de neef van koning Arthur. Wij vinden zijn naam voor

't eerst vermeld in William of Malmesbury's werk, getiteld: "Gesta

Regum Angliae". In deze pseudo-historische kroniek, dagteekenend uit de

eerste helft der 12e eeuw lezen wij eene beschrijving van het graf van

Walewein, dat te vinden moet zijn in Ross in Pembrokeshire. Daarbij

maakt de schrijver melding van het feit, dat onze held de zoon was

van Arthurs zuster Morgawse, gehuwd met Lot, koning der Orcadische

eilanden, en dus een neef van den grooten koning.

In de "Historia Regum Brittanniae" van Geoffrey of Monmouth, die

slechts een tiental jaren jonger is dan bovengenoemd werk, speelt

Walewein eene belangrijke rol. Als afgezant van koning Arthur trekt

hij naar het hof van keizer Lucius om aldaar te onderhandelen over

eene schatting, die door de Romeinen geëischt wordt. Zijn optreden

aan het hof te Rome is van dien aard, dat de oorlogsverklaring

aan koning Arthur niet lang op zich laat wachten en in den daarop

volgenden veldtocht onderscheidt Walewein zich door zijne trouw en

dapperheid. Ook in den strijd tegen Modred treedt hij op den voorgrond

als de kampioen van zijn oom en vorst.

In zijne Anglo-normandische vertaling van de "Historia Regum

Brittanniae" weet Wace niets aan de geschiedenis van Walewein

toe te voegen; toch blijkt uit zijn werk, dat hij zijn held reeds

uit andere verhalen kent en dat de roem van Walewein reeds ver was

doorgedrongen. Terzelfdertijd wordt die roem bevestigd door Béroul,

die in zijn "Tristan" aan Walewein de rol toekent van een intiemen

vriend van den held en hem beschrijft als een voorbeeldig ridder,

toegerust met alle deugden, die deze behoort te bezitten.

In de werken van Chrétien de Troies stijgt Walewein tot het toppunt

van zijne glorie. Hoewel geen enkel gedicht naar hem genoemd is, wordt

hij in alle werken van dien schrijver beschreven als een onoverwinlijk

strijder, een dapper en hoffelijk edelman, wiens gaven van verstand

en hart hem vaak doen uitblinken boven den eigenlijken held van het

gedicht. Walewein is het toonbeeld van wat een ridder moet zijn en

het kan niet anders of deze volmaaktheid zijner deugden doen hem

een weinig te kort schieten in persoonlijkheid. Hij wordt min of

meer het "type" der volmaakte ridderschap, maar verliest daardoor

aan individualiteit. Een gevolg hiervan is, dat hij niet, zooals

andere beroemde Arthurridders--men denke slechts aan Parcival en

Tristan--eene eigen levensbeschrijving heeft; ook is zijn naam niet

steeds verbonden aan dien van eene zelfde geliefde. Walewein is bij

uitstek de held der "romans épisodiques", die in tegenstelling met de

"romans biographiques", slechts eene zekere periode uit het leven

van den held tot onderwerp hebben.

De latere Fransche schrijvers zijn minder hoffelijk geweest in

hunne opvatting van Waleweins karakter. In de prozaromans, die

dagteekenen uit het einde der 12e eeuw, zien wij onzen held eene

gedaanteverwisseling ondergaan, die hem gansch onherkenbaar maakt.

Niet langer wordt hij ons voorgesteld als een dapper ridder, wiens

onkreukbare trouw en groote hoffelijkheid hem tot een steun der zwakken

en een bestrijder der boozen maken--integendeel: wij worden ingelicht

over zijne valschheid en onbetrouwbaarheid en over de lafhartigheid van

zijne gedragingen. De oorzaak van dezen grooten ommekeer in de houding

der romanschrijvers is niet met juistheid vast te stellen. Bijna

zeker is het, dat Walewein oorspronkelijk de held der Graal-sage was,

voordat deze een werktuig werd in de handen der geestelijkheid tot

verspreiding der Christelijke leerstellingen. Ook als minnaar van

koningin Ginevra vinden wij zijn naam genoemd vóór dien van Modred

en Lanceloet; waarschijnlijk moest hij voor dezen de plaats ruimen,

toen eene dergelijke onwettige liefde onvereenigbaar bleek te zijn

met zijn ridderlijk karakter. Of dit laatste ten slotte te gunstig

heeft afgestoken bij dat van Tristan en Lanceloet, wier beider eer

was bevlekt door hunne zondige verhouding tot Isolde en Ginevra,

en men hem daarom van het voetstuk heeft pogen af te lichten, waar

hij praalde als de "chevalier sans peur et sans reproche"--zeker is

het, dat hij in de latere ridderromans geheel en al van karakter is

veranderd. Ook de moderne dichters, die hunne werken op deze romans

gegrond hebben, volharden in de ongunstige opvatting van Waleweins

karakter en Alfred Tennyson begaat in zijne Koningsidyllen eene

groote fout, door zich bij deze onrechtvaardige beschouwing van den

geliefkoosden held der middeleeuwsche ridderromans aan te sluiten.

Dat wij Walewein inderdaad zoo mogen noemen blijkt onder meer uit het

feit, dat hij in de Middel-Engelsche letterkunde de eenige figuur

is, behalve dan koning Arthur zelf--die een kring van ridderromans

om zich heen verzameld heeft, bestaande uit niet minder dan elf

gedichten. Daarbij dient nog vermeld, dat hij bovendien eene rol

speelt in vele andere gedichten, waar aan de beschrijving zijner

lotgevallen dikwijls meer plaats wordt toegekend dan aan die van den

held van het verhaal.

Onderstaande sage mag met recht beschouwd worden als de hoogststaande,

zoowel wat taal als inhoud betreft, der Middel-Engelsche letterkunde

en wij moeten den schrijver er dankbaar voor zijn, dat hij door zijn

werk een verheffend en blijvend eerbetoon heeft bewezen aan een der

schoonste figuren der ridderliteratuur.

Wie de schrijver van het gedicht geweest is, valt niet met zekerheid

te zeggen. Wel kan worden vastgesteld, dat het gedicht geschreven

werd omtrent 1370 in het Noord-Westen van Engeland.

Het handschrift, waarin het tot ons is gekomen, bevat drie andere

gedichten, die vele punten van overeenstemming vertoonen met het

gedicht van Walewein en daarom door vele geleerden worden beschouwd

van dezelfde hand te zijn.

De geschiedenis, zooals zij hieronder vermeld staat, is op geen

andere wijze tot ons gekomen dan in bovengenoemde Middel-Engelsche

vertolking. Toch heeft de schrijver van "Syr Gawayne and the grene

Knyght" geen oorspronkelijk werk geleverd. Zooals hij zelf in zijn werk

zegt, het verhaal bestond al en was reeds sinds langen tijd "locked

in lettered lore" geweest. Men kan dan ook bijna zeker zeggen, dat

hij zijne stof ontleend heeft aan een Franschen of Anglo-Franschen

ridderroman, die voor ons verloren is gegaan. Welke hiervan de

juiste vorm is geweest, wanneer en door wien de oorspronkelijke

roman geschreven is en welke de verhouding was tusschen het Engelsche

gedicht en zijne oorspronkelijke bron--deze vragen wachten tot nu toe

op een stellig antwoord, al hebben vele geleerden zich beijverd om

eene oplossing voor het vraagstuk te vinden. De eerste schreden op

den weg, die tot deze oplossing leidt, werden vergemakkelijkt door

het feit, dat de twee hoofdthema's, waarin het verhaal reeds bij

eene eerste lezing uiteenvalt, ieder afzonderlijk in verscheidene

andere sagen en legenden voorkomen. Die twee hoofdthema's kunnen

wij kortheidshalve "de onthoofdingsproef" en "de getrouwheidsproef"

noemen. De "onthoofdingsproef" vermeldt, hoe een ridder uit eene

betoovering wordt bevrijd, doordat eerst hemzelf het hoofd wordt

afgeslagen en daarna een ander ridder zich goedschiks eveneens aan

eene onthoofding blootstelt. De "getrouwheidsproef" geeft ons de

beschrijving van hetgeen een ridder ondergaat bij het getrouwelijk

nakomen der verplichtingen, die hij jegens zijn gastheer verschuldigd

is.

Over den oorsprong dezer beide thema's en over de wijze waarop zij

tezamen zijn gebracht, bestaan natuurlijk verschillende opvattingen,

waarvan hieronder enkele zijn aangestipt.

Sir Frederick Madden, de eerste uitgever van het Middel-Engelsche

gedicht, Richard Morris, die eene uitgave ervan bewerkt heeft voor

de Early English Text Society, en ten Brink, de schrijver van een

Duitsch boek over Engelsche literatuurgeschiedenis, nemen aan, dat

"Syr Gawayne and the grene Knyght" gegrond is op eene episode uit

de eerste voortzetting van Chrétien de Troies, "Conte del Graal",

waar de held niet Walewein, maar Caradoc, eveneens een neef van

koning Arthur is. Daartegenover dient gesteld de meening van Jessie

Weston, die in haar werk, getiteld "The Legend of Sir Gawain", met

den grootsten nadruk verklaart, dat bovengenoemde episode nooit ten

oorsprong kan hebben gelegen aan het Middel-Engelsche gedicht.

Behalve in de reeds vermelde voortzetting van de "Conte del Graal"

komt het eerste hoofdthema: dat der "onthoofdings-proef", voor in

verscheidene oud-Fransche gedichten. Deze bevatten evenwel niet

de oudste wedergave van de sage, daar deze reeds voorkomt in een

oud-Iersch heldendicht: "Fled Bricrend" of "het Feest van Bricrin",

waarin zelfs twee vermeldingen van de proef worden gevonden. Het

handschrift van dit epos dagteekent uit het einde der 11e eeuw, maar

het werk zelf moet veel ouder zijn, daar het zelfs geen sporen van

Christelijke beginselen vertoont. Bovengenoemde sage moet op een

vroeg tijdstip doorgedrongen zijn tot het vasteland, waar wij in

vijf verschillende ridderromans eene min of meer getrouwe navolging

ervan aantreffen.

Deze zijn: "La Mule sanz Frain", door Paiens de Maisières (begin 13e

eeuw), welk verhaal werd opgenomen door den Duitschen dichter Heinrich

von dem Türlin in zijn onsamenhangend en lang gedicht: "Diu Crône",

hetwelk waarschijnlijk geschreven werd omstreeks 1210. Vervolgens werd

de onthoofdingsperiode opgenomen in het Fransche of Anglo-normandische

gedicht, dat ten grondslag lag aan "Syr Gawayne and the grene Knyght",

in de bovengenoemde voortzetting van de "Conte del Graal" en in de

prozaroman "Perlesvaus".

Volledigheidshalve dient hier nog vermeld de ridderroman getiteld

"Gauvain et Humbaut", waar hetzelfde verhaal, zij het in een zeer

gebrekkigen vorm, wordt verteld.

Wat het tweede hoofdthema: de "getrouwheidsproef" aangaat, ook dit

treffen wij elders aan. Het vindt eveneens zijn oorsprong in oude

volkssagen en overleveringen, waar veelvuldig melding wordt gemaakt

van eene soortgelijke proef, waaraan bovennatuurlijke wezens hunne

menschelijke gasten of bezoekers onderwerpen, alvorens hun toegang

te verleenen tot hun rijk. In den oud-Franschen ridderroman "Ider"

(eerste helft der 13e eeuw) komt eene episode voor, die groote

overeenstemming toont met de episode uit de Walewein-sage, al treft

ons terstond het verschil in toon tusschen den beide verhalen. In den

"Ider" heerscht eene ruwheid in zeden en gewoonten, die bijna aan het

barbaarsche grenst, de Walewein-sage daarentegen ademt een geest van

hoffelijkheid en beschaving.

Twee andere ridderromans: de Middel-Engelsche "Carl of Carlisle"

en de Fransche "Chevalier à l'Epée" vermelden eene soortgelijke

getrouwheidsproef; zij zijn waarschijnlijk gegrond op eenzelfde

Fransch gedicht.

Ten slotte vinden wij eene dergelijke gebeurtenis beschreven in twee

korte Italiaansche gedichten uit de 14e eeuw; het eene, waarvan de

schrijver onbekend is gebleven, is getiteld "Morale", het andere,

waarin de held een Romeinsch edelman is en geenerlei melding wordt

gemaakt van de Ronde Tafel, is getiteld: "Dà un exempli" en werd

geschreven door Antonio Pucci. Waarschijnlijk wijzen ook deze beide

terug naar hetzelfde Fransche gedicht, waar de "Carl of Carlisle"

en de "Chevalier à l'Epée" aan ontleend zijn.

Op welke wijze moeten wij nu aannemen, is uit deze hier en daar

voorkomende episoden de met recht zoo hoog geprezen roman van "Walewein

en de groene Ridder" voortgekomen?

Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de studie over

onze sage, getiteld: "A Study of Gawain and the green Knight", door

George Lyman Kittredge. Harvard University Press, 1916.

De schrijver stelt als zijne meening voorop, dat de beide

hoofdthema's der sage geheel onafhankelijk van elkander zijn in

oorsprong en geschiedenis en slechts in deze sage tot één verhaal

zijn vereenigd. Vervolgens gaat hij nauwkeurig het ontstaan en de

ontwikkeling der beide thema's na en beproeft steeds de ontbrekende

schakels in den ontwikkelingsgang, dien hij aanneemt, aan te

vullen. Deze is ongeveer als volgt: in de 12e eeuw werd, waarschijnlijk

in Engeland, een korte episodische roman over Walewein samengesteld,

die ontleend was aan de onthoofdings-episode uit het oud-Iersche

heldendicht "Fled Bricrend". Deze episodische Walewein-roman,

geschreven in het Anglo-Normandische dialect, is verloren geraakt,

maar de sage van de onthoofdingsproef werd er uit overgenomen in drie

Fransche romans: 1e de "Mule sanz Frain", 2e de proza "Perlesvaus",

waarin het verhaal een anderen held krijgt, n.l. Lanceloet en

3e "Gauvain et Humbaut", waar het zich in een eigenaardigen vorm

vertoont. Om en bij 1200 of een weinig vroeger werd de bovengenoemde

Walewein-roman herzien of geheel opnieuw geschreven door een Fransch

dichter in een dialect van het vastelands-Fransch. Deze bewerking

van het oude verhaal was veel beschaafder en verfijnder dan de

oorspronkelijke en hieraan was het, dat de stof werd ontleend voor de

Caradoc-episode in de eerste voortzetting van Chrétien's Conte del

Grael. Ten slotte was het ook uit deze bewerking, dat de Fransche

dichter putte, die de onthoofdings-episode verbond aan een geheel

verschillende sage omtrent onzen held en uit de samensmelting van

die beide thema's een nieuw en samenhangend geheel deed ontstaan,

dat weliswaar zelf verloren is geraakt, maar waarvan wij de vrije

en oorspronkelijke bewerking in "Syr Gawayne and the grene Knyght"

kunnen bewonderen. Het Fransche gedicht wordt door Kittredge geacht

omstreeks 1250 tot stand te zijn gekomen.

De schrijver toont vervolgens aan, in welke opzichten de Engelsche

dichter van zijne bron is afgeweken. Dit is vooral merkbaar aan het

slot der geschiedenis; het is geheel tegen den geest der oud-Fransche

ridderromans, om Walewein anders dan zegevierend uit eene onderneming

te voorschijn te doen treden en in ons verhaal keert onze held min

of meer schuldbewust en boetvaardig naar het hof van koning Arthur

terug. Waarschijnlijk is de ontknooping eerst geweest als volgt:

doordat Walewein, getrouw aan zijne belofte, den zwaardslag uit de hand

des groenen ridders heeft afgewacht, is de laatste uit een toestand van

betoovering bevrijd en tot zijn menschelijken vorm teruggekeerd. Vol

vreugde over zijne bevrijding besluit hij Walewein te volgen en deze

keert zegevierend naar het hof terug, waar de groene ridder onder de

vazallen des konings wordt opgenomen.

Dat dit inderdaad de ontknooping van het verhaal is geweest, bewijst de

schrijver uit twee andere Engelsche gedichten: "The Turk and Gawain",

hetwelk dateert uit het einde der 14e eeuw [20] en uit eene ballade,

getiteld: "The grene Knyght", welke voorkomt in het Percy H. S. van

1765. Beide gaan volgens den schrijver terug op hetzelfde Fransche

gedicht, waaraan "Syr Gawayne and the grene Knyght" ontleend is en

toonen aan, waar laatstgenoemd gedicht van het oorspronkelijke verhaal

is afgeweken.

Eene andere opvatting omtrent het ontstaan en den groei van de sage

vinden wij in eene studie, door J. R. Hulbert; getiteld: "Syr Gawayne

and the Grene Knyght", die verschenen is in Modern Philology (December

1915, April 1916). De schrijver tracht aan te toonen, in tegenstelling

met de algemeen gehuldigde meening, dat de beide hoofdthema's der sage,

hoewel logisch onafhankelijk, dit toch niet geschiedkundig zijn. Tot

bewijs dezer stelling toont schrijver aan, dat in drie der verhalen,

waarin de onthoofdingsproef voorkomt, deze dienen moet om den held te

helpen in het veroveren zijner geliefde, die geen menschelijk wezen,

maar eene fee is.

Waartoe nu, zoo zegt schrijver, dient die beproeving bij

Walewein? Zeker niet, om den held te vernederen, want--en dit is

inderdaad een onverklaarbaar element in het verhaal--Morgan, de

bekende toovenares, die in vele Arthur-verhalen voorkomt en ook in

deze geschiedenis hare macht doet gelden, moet als toovenares vooruit

hebben geweten, wat het resultaat zou zijn van de wraakneming,

die zij wenschte te volvoeren. Welnu dan, zegt schrijver, indien

het niet was om Walewein en in hem de ridders van de Ronde Tafel te

vernederen, dan was het ook hier, om hem de hand zijner geliefde te

doen winnen. De feiten, die tegen de houdbaarheid eener dergelijke

veronderstelling schijnen te spreken, zijn 1e dat de schoone vrouw

van Heer Bernlak slechts voorwendt haren gast lief te hebben en 2e

dat Walewein de beproeving van den bijlslag eerst ondergaat, nadat

de dame hem hare liefde heeft aangeboden. Deze punten verklaart de

schrijver door aan te nemen, dat het oorspronkelijke verhaal gewijzigd

is, om te kunnen dienen als dichterlijke verklaring voor de stichting

eener orde. Inderdaad hebben vele geleerden verband gezocht tusschen

het dragen van den groenen gordel en de stichting der orde van den

Kouseband door Richard III in 1345.

Dit verband wordt bevestigd door het feit, dat wij aan het einde van

het M. S., als later daaraan toegevoegd, het devies van deze orde

geschreven vinden. Bovendien zien wij hoe in den reeds genoemden 15e

eeuwschen ridderroman "The grene Knyght" hetzelfde verhaal gebruikt

wordt, om den oorsprong van de Bath-orde te verklaren.

Mr. Hulbert is eveneens van meening, dat het Middel-Engelsche gedicht

voor dit doel gebruikt is, d.w.z. als verklaring voor de stichting

van eene orde, echter niet, zooals wij zullen zien van die van den

Kouseband. Om die reden, zoo zegt hij, werden de gebeurtenissen in

het verhaal gewijzigd. Doordat de dichter de orde wilde verbinden aan

het begrip van trouw en eerlijkheid, stelde hij de liefdesbetuigingen

der burchtvrouwe voor als eene zware verleiding, waartegen de held te

strijden had en verplaatste hij de tooneelen tusschen hen naar het

gastvrij slot, waar volgens de oude overleveringen de held verblijf

houdt alvorens zich door de onthoofdingsproef den toegang tot de andere

wereld en de daarin verblijf houdende geliefde te verschaffen. Daardoor

komt nu de onthoofdingsepisode achteraan en kan zij dienen als een

blijk van Waleweins trouw aan zijn gegeven woord. De ballade van "The

grene Knyght", die volgens den schrijver gegrond is op een ouderen

vorm van de sage, bewijst volgens hem, dat er grond bestaat voor de

juistheid zijner opvattingen daaromtrent. Hier koestert de slotvrouwe

inderdaad liefde voor Walewein, hoewel zij hem nooit gezien heeft,

een veelvuldig voorkomend feit in de oude ridderromans. Daarbij

vinden wij hier geenerlei melding van Morgan le Fay, die in het

latere gedicht zulk eene vreemde en bijkomstige rol speelt, dat het

voor de hand ligt om aan te nemen, dat hare figuur eerst later door

den dichter is ingeschoven. Ten slotte wordt in "The grene Knyght"

de uitdaging tot onthoofding gebruikt om Walewein naar het slot te

lokken van de dame, die hem liefheeft.

Deze drie punten nu verklaren volgens J. R. Hulbert, dat de sage

van Walewein en den groenen Ridder oorspronkelijk ten doel had om de

avonturen te beschrijven, die voorafgaan aan het winnen eener geliefde

uit het feeënrijk.

Wat nu de orde betreft, voor welker stichting onze sage de verklaring

moest leveren, zoo is dit volgens Hulbert in geen geval die van den

Kouseband. De groene kleur, waarin de vreemde bezoeker is uitgedost,

terwijl de kleur van de Kouseband-orde blauw is--het feit, dat in het

gedicht steeds sprake is van Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, terwijl de

viering van de orde op den naamdag van St. George valt en ten slotte

de omstandigheid, dat bedoelde viering steeds in Windsor geschiedde,

terwijl het gedicht geschreven is in een Noord-Westelijk dialect--al

deze dingen wijzen er volgens den schrijver op, dat onze sage geen

verband kan houden met de stichting van deze orde. Wel meent hij zulks

te ontdekken in het geval van de Bath-orde. Tot deze veronderstelling

wordt hij gebracht door het feit, dat in oude beschrijvingen van het

tot ridder slaan van deze orde, melding wordt gemaakt van een groen

kleed, waarmede de geridderden werden omhangen. Verder dient vermeld,

dat hoewel de Bath-orde zelf eerst in 1725 werd gesticht, er reeds

in oude tijden melding wordt gemaakt van ridders van dien naam. Is

de schrijver juist in zijne veronderstelling, dan zou deze sage,

evenals die van "The Grene Knyght", reeds van den aanvang af verband

houden met de legende omtrent het ontstaan van de Bath-orde.

De nadruk, die in het gedicht gelegd wordt op de viering der Kerst-

en Nieuwjaarsfeesten, doen den schrijver aan het slot van zijn artikel

de veronderstelling opperen, dat de romance bestemd was om bij een

dier beide feestgelegenheden te worden voorgedragen.

De slotsom van zijne studie is dus volgens den schrijver, dat "Syr

Gawayne and the green Knight" niet eene samensmelting is van twee

afzonderlijke verhalen, maar eene eenigszins gewijzigde bewerking van

één enkele oude sage; verder, dat het gedicht niets uitstaande heeft

met de stichting van de Orde van den Kouseband en dat bij het zoeken

van eenig verband tusschen de sage en het ontstaan eener orde de groene

kleur van den gordel en de tijd, waarin de gebeurtenissen, in het

verhaal vermeld, zich afspelen, in aanmerking moeten worden genomen.

Al blijkt uit het voorgaande, dat de meeningen omtrent het ontstaan en

den groei der sage nogal uiteenloopen, toch zijn alle geleerden het

er over eens, dat de geschiedenis van Walewein en den Groenen Ridder

eene bewerking is van een Fransch gedicht. In hoever de Engelsche

dichter van het oorspronkelijke is afgeweken, laten wij hier buiten

beschouwing, als vaststaand mogen wij aannemen, dat hij ons eene min

of meer getrouwe vertolking hiervan heeft geleverd. Toch moeten wij

zijn werk allerminst beschouwen als eene slaafsche vertaling van een

reeds bestaand gedicht. Immers in het Engelsche gedicht treffen ons

verscheidene nieuwe bestanddeelen, die een voornaam aandeel van onze

bewondering voor het kunstwerk opeischen. De Fransche dichter moge

handig geweest zijn in het samenstellen van zijn gedicht en moge

bovendien de gave hebben bezeten van onderhoudend vertellen, zijn

Engelsche navolger was een dichter in den vollen zin des woords, die

zijne stof wist te doordringen van eene hoogere zedelijke strekking

zonder daardoor het verhaal als zoodanig ook maar in 't minst te

schaden.

Hij maakt zich niet schuldig aan lange betoogen en breedvoerige

beschouwingen zooals zoovelen onder zijne tijdgenooten, de lijn

der onderhandeling wordt niet onderbroken door afdwalingen van het

hoofdthema, de karakters in zijn gedicht tintelen van geest en leven,

terwijl de fijne natuurschilderingen en jachtbeschrijvingen alleen

den schrijver reeds eene eerste plaats onder de dichters van zijn

tijd waardig zouden doen zijn.

Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde · 第 9 / 56 题