Onder de volgelingen van koning Arthur, die uitmunten door kracht
en behendigheid, is er één, die meer dan alle anderen geprezen
wordt als een voorbeeldig ridder, in wien de ridderlijke deugden van
eerlijkheid, offervaardigheid, zachtheid, nederigheid en hoffelijkheid
hare hoogste volmaking hadden bereikt en wiens moed en dapperheid hem
tot een bijkans onoverwinlijk tegenstander in het gevecht maakten. Dit
is Walewein, de neef van koning Arthur. Wij vinden zijn naam voor
't eerst vermeld in William of Malmesbury's werk, getiteld: "Gesta
Regum Angliae". In deze pseudo-historische kroniek, dagteekenend uit de
eerste helft der 12e eeuw lezen wij eene beschrijving van het graf van
Walewein, dat te vinden moet zijn in Ross in Pembrokeshire. Daarbij
maakt de schrijver melding van het feit, dat onze held de zoon was
van Arthurs zuster Morgawse, gehuwd met Lot, koning der Orcadische
eilanden, en dus een neef van den grooten koning.
In de "Historia Regum Brittanniae" van Geoffrey of Monmouth, die
slechts een tiental jaren jonger is dan bovengenoemd werk, speelt
Walewein eene belangrijke rol. Als afgezant van koning Arthur trekt
hij naar het hof van keizer Lucius om aldaar te onderhandelen over
eene schatting, die door de Romeinen geëischt wordt. Zijn optreden
aan het hof te Rome is van dien aard, dat de oorlogsverklaring
aan koning Arthur niet lang op zich laat wachten en in den daarop
volgenden veldtocht onderscheidt Walewein zich door zijne trouw en
dapperheid. Ook in den strijd tegen Modred treedt hij op den voorgrond
als de kampioen van zijn oom en vorst.
In zijne Anglo-normandische vertaling van de "Historia Regum
Brittanniae" weet Wace niets aan de geschiedenis van Walewein
toe te voegen; toch blijkt uit zijn werk, dat hij zijn held reeds
uit andere verhalen kent en dat de roem van Walewein reeds ver was
doorgedrongen. Terzelfdertijd wordt die roem bevestigd door Béroul,
die in zijn "Tristan" aan Walewein de rol toekent van een intiemen
vriend van den held en hem beschrijft als een voorbeeldig ridder,
toegerust met alle deugden, die deze behoort te bezitten.
In de werken van Chrétien de Troies stijgt Walewein tot het toppunt
van zijne glorie. Hoewel geen enkel gedicht naar hem genoemd is, wordt
hij in alle werken van dien schrijver beschreven als een onoverwinlijk
strijder, een dapper en hoffelijk edelman, wiens gaven van verstand
en hart hem vaak doen uitblinken boven den eigenlijken held van het
gedicht. Walewein is het toonbeeld van wat een ridder moet zijn en
het kan niet anders of deze volmaaktheid zijner deugden doen hem
een weinig te kort schieten in persoonlijkheid. Hij wordt min of
meer het "type" der volmaakte ridderschap, maar verliest daardoor
aan individualiteit. Een gevolg hiervan is, dat hij niet, zooals
andere beroemde Arthurridders--men denke slechts aan Parcival en
Tristan--eene eigen levensbeschrijving heeft; ook is zijn naam niet
steeds verbonden aan dien van eene zelfde geliefde. Walewein is bij
uitstek de held der "romans épisodiques", die in tegenstelling met de
"romans biographiques", slechts eene zekere periode uit het leven
van den held tot onderwerp hebben.
De latere Fransche schrijvers zijn minder hoffelijk geweest in
hunne opvatting van Waleweins karakter. In de prozaromans, die
dagteekenen uit het einde der 12e eeuw, zien wij onzen held eene
gedaanteverwisseling ondergaan, die hem gansch onherkenbaar maakt.
Niet langer wordt hij ons voorgesteld als een dapper ridder, wiens
onkreukbare trouw en groote hoffelijkheid hem tot een steun der zwakken
en een bestrijder der boozen maken--integendeel: wij worden ingelicht
over zijne valschheid en onbetrouwbaarheid en over de lafhartigheid van
zijne gedragingen. De oorzaak van dezen grooten ommekeer in de houding
der romanschrijvers is niet met juistheid vast te stellen. Bijna
zeker is het, dat Walewein oorspronkelijk de held der Graal-sage was,
voordat deze een werktuig werd in de handen der geestelijkheid tot
verspreiding der Christelijke leerstellingen. Ook als minnaar van
koningin Ginevra vinden wij zijn naam genoemd vóór dien van Modred
en Lanceloet; waarschijnlijk moest hij voor dezen de plaats ruimen,
toen eene dergelijke onwettige liefde onvereenigbaar bleek te zijn
met zijn ridderlijk karakter. Of dit laatste ten slotte te gunstig
heeft afgestoken bij dat van Tristan en Lanceloet, wier beider eer
was bevlekt door hunne zondige verhouding tot Isolde en Ginevra,
en men hem daarom van het voetstuk heeft pogen af te lichten, waar
hij praalde als de "chevalier sans peur et sans reproche"--zeker is
het, dat hij in de latere ridderromans geheel en al van karakter is
veranderd. Ook de moderne dichters, die hunne werken op deze romans
gegrond hebben, volharden in de ongunstige opvatting van Waleweins
karakter en Alfred Tennyson begaat in zijne Koningsidyllen eene
groote fout, door zich bij deze onrechtvaardige beschouwing van den
geliefkoosden held der middeleeuwsche ridderromans aan te sluiten.
Dat wij Walewein inderdaad zoo mogen noemen blijkt onder meer uit het
feit, dat hij in de Middel-Engelsche letterkunde de eenige figuur
is, behalve dan koning Arthur zelf--die een kring van ridderromans
om zich heen verzameld heeft, bestaande uit niet minder dan elf
gedichten. Daarbij dient nog vermeld, dat hij bovendien eene rol
speelt in vele andere gedichten, waar aan de beschrijving zijner
lotgevallen dikwijls meer plaats wordt toegekend dan aan die van den
held van het verhaal.
Onderstaande sage mag met recht beschouwd worden als de hoogststaande,
zoowel wat taal als inhoud betreft, der Middel-Engelsche letterkunde
en wij moeten den schrijver er dankbaar voor zijn, dat hij door zijn
werk een verheffend en blijvend eerbetoon heeft bewezen aan een der
schoonste figuren der ridderliteratuur.
Wie de schrijver van het gedicht geweest is, valt niet met zekerheid
te zeggen. Wel kan worden vastgesteld, dat het gedicht geschreven
werd omtrent 1370 in het Noord-Westen van Engeland.
Het handschrift, waarin het tot ons is gekomen, bevat drie andere
gedichten, die vele punten van overeenstemming vertoonen met het
gedicht van Walewein en daarom door vele geleerden worden beschouwd
van dezelfde hand te zijn.
De geschiedenis, zooals zij hieronder vermeld staat, is op geen
andere wijze tot ons gekomen dan in bovengenoemde Middel-Engelsche
vertolking. Toch heeft de schrijver van "Syr Gawayne and the grene
Knyght" geen oorspronkelijk werk geleverd. Zooals hij zelf in zijn werk
zegt, het verhaal bestond al en was reeds sinds langen tijd "locked
in lettered lore" geweest. Men kan dan ook bijna zeker zeggen, dat
hij zijne stof ontleend heeft aan een Franschen of Anglo-Franschen
ridderroman, die voor ons verloren is gegaan. Welke hiervan de
juiste vorm is geweest, wanneer en door wien de oorspronkelijke
roman geschreven is en welke de verhouding was tusschen het Engelsche
gedicht en zijne oorspronkelijke bron--deze vragen wachten tot nu toe
op een stellig antwoord, al hebben vele geleerden zich beijverd om
eene oplossing voor het vraagstuk te vinden. De eerste schreden op
den weg, die tot deze oplossing leidt, werden vergemakkelijkt door
het feit, dat de twee hoofdthema's, waarin het verhaal reeds bij
eene eerste lezing uiteenvalt, ieder afzonderlijk in verscheidene
andere sagen en legenden voorkomen. Die twee hoofdthema's kunnen
wij kortheidshalve "de onthoofdingsproef" en "de getrouwheidsproef"
noemen. De "onthoofdingsproef" vermeldt, hoe een ridder uit eene
betoovering wordt bevrijd, doordat eerst hemzelf het hoofd wordt
afgeslagen en daarna een ander ridder zich goedschiks eveneens aan
eene onthoofding blootstelt. De "getrouwheidsproef" geeft ons de
beschrijving van hetgeen een ridder ondergaat bij het getrouwelijk
nakomen der verplichtingen, die hij jegens zijn gastheer verschuldigd
is.
Over den oorsprong dezer beide thema's en over de wijze waarop zij
tezamen zijn gebracht, bestaan natuurlijk verschillende opvattingen,
waarvan hieronder enkele zijn aangestipt.
Sir Frederick Madden, de eerste uitgever van het Middel-Engelsche
gedicht, Richard Morris, die eene uitgave ervan bewerkt heeft voor
de Early English Text Society, en ten Brink, de schrijver van een
Duitsch boek over Engelsche literatuurgeschiedenis, nemen aan, dat
"Syr Gawayne and the grene Knyght" gegrond is op eene episode uit
de eerste voortzetting van Chrétien de Troies, "Conte del Graal",
waar de held niet Walewein, maar Caradoc, eveneens een neef van
koning Arthur is. Daartegenover dient gesteld de meening van Jessie
Weston, die in haar werk, getiteld "The Legend of Sir Gawain", met
den grootsten nadruk verklaart, dat bovengenoemde episode nooit ten
oorsprong kan hebben gelegen aan het Middel-Engelsche gedicht.
Behalve in de reeds vermelde voortzetting van de "Conte del Graal"
komt het eerste hoofdthema: dat der "onthoofdings-proef", voor in
verscheidene oud-Fransche gedichten. Deze bevatten evenwel niet
de oudste wedergave van de sage, daar deze reeds voorkomt in een
oud-Iersch heldendicht: "Fled Bricrend" of "het Feest van Bricrin",
waarin zelfs twee vermeldingen van de proef worden gevonden. Het
handschrift van dit epos dagteekent uit het einde der 11e eeuw, maar
het werk zelf moet veel ouder zijn, daar het zelfs geen sporen van
Christelijke beginselen vertoont. Bovengenoemde sage moet op een
vroeg tijdstip doorgedrongen zijn tot het vasteland, waar wij in
vijf verschillende ridderromans eene min of meer getrouwe navolging
ervan aantreffen.
Deze zijn: "La Mule sanz Frain", door Paiens de Maisières (begin 13e
eeuw), welk verhaal werd opgenomen door den Duitschen dichter Heinrich
von dem Türlin in zijn onsamenhangend en lang gedicht: "Diu Crône",
hetwelk waarschijnlijk geschreven werd omstreeks 1210. Vervolgens werd
de onthoofdingsperiode opgenomen in het Fransche of Anglo-normandische
gedicht, dat ten grondslag lag aan "Syr Gawayne and the grene Knyght",
in de bovengenoemde voortzetting van de "Conte del Graal" en in de
prozaroman "Perlesvaus".
Volledigheidshalve dient hier nog vermeld de ridderroman getiteld
"Gauvain et Humbaut", waar hetzelfde verhaal, zij het in een zeer
gebrekkigen vorm, wordt verteld.
Wat het tweede hoofdthema: de "getrouwheidsproef" aangaat, ook dit
treffen wij elders aan. Het vindt eveneens zijn oorsprong in oude
volkssagen en overleveringen, waar veelvuldig melding wordt gemaakt
van eene soortgelijke proef, waaraan bovennatuurlijke wezens hunne
menschelijke gasten of bezoekers onderwerpen, alvorens hun toegang
te verleenen tot hun rijk. In den oud-Franschen ridderroman "Ider"
(eerste helft der 13e eeuw) komt eene episode voor, die groote
overeenstemming toont met de episode uit de Walewein-sage, al treft
ons terstond het verschil in toon tusschen den beide verhalen. In den
"Ider" heerscht eene ruwheid in zeden en gewoonten, die bijna aan het
barbaarsche grenst, de Walewein-sage daarentegen ademt een geest van
hoffelijkheid en beschaving.
Twee andere ridderromans: de Middel-Engelsche "Carl of Carlisle"
en de Fransche "Chevalier à l'Epée" vermelden eene soortgelijke
getrouwheidsproef; zij zijn waarschijnlijk gegrond op eenzelfde
Fransch gedicht.
Ten slotte vinden wij eene dergelijke gebeurtenis beschreven in twee
korte Italiaansche gedichten uit de 14e eeuw; het eene, waarvan de
schrijver onbekend is gebleven, is getiteld "Morale", het andere,
waarin de held een Romeinsch edelman is en geenerlei melding wordt
gemaakt van de Ronde Tafel, is getiteld: "Dà un exempli" en werd
geschreven door Antonio Pucci. Waarschijnlijk wijzen ook deze beide
terug naar hetzelfde Fransche gedicht, waar de "Carl of Carlisle"
en de "Chevalier à l'Epée" aan ontleend zijn.
Op welke wijze moeten wij nu aannemen, is uit deze hier en daar
voorkomende episoden de met recht zoo hoog geprezen roman van "Walewein
en de groene Ridder" voortgekomen?
Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de studie over
onze sage, getiteld: "A Study of Gawain and the green Knight", door
George Lyman Kittredge. Harvard University Press, 1916.
De schrijver stelt als zijne meening voorop, dat de beide
hoofdthema's der sage geheel onafhankelijk van elkander zijn in
oorsprong en geschiedenis en slechts in deze sage tot één verhaal
zijn vereenigd. Vervolgens gaat hij nauwkeurig het ontstaan en de
ontwikkeling der beide thema's na en beproeft steeds de ontbrekende
schakels in den ontwikkelingsgang, dien hij aanneemt, aan te
vullen. Deze is ongeveer als volgt: in de 12e eeuw werd, waarschijnlijk
in Engeland, een korte episodische roman over Walewein samengesteld,
die ontleend was aan de onthoofdings-episode uit het oud-Iersche
heldendicht "Fled Bricrend". Deze episodische Walewein-roman,
geschreven in het Anglo-Normandische dialect, is verloren geraakt,
maar de sage van de onthoofdingsproef werd er uit overgenomen in drie
Fransche romans: 1e de "Mule sanz Frain", 2e de proza "Perlesvaus",
waarin het verhaal een anderen held krijgt, n.l. Lanceloet en
3e "Gauvain et Humbaut", waar het zich in een eigenaardigen vorm
vertoont. Om en bij 1200 of een weinig vroeger werd de bovengenoemde
Walewein-roman herzien of geheel opnieuw geschreven door een Fransch
dichter in een dialect van het vastelands-Fransch. Deze bewerking
van het oude verhaal was veel beschaafder en verfijnder dan de
oorspronkelijke en hieraan was het, dat de stof werd ontleend voor de
Caradoc-episode in de eerste voortzetting van Chrétien's Conte del
Grael. Ten slotte was het ook uit deze bewerking, dat de Fransche
dichter putte, die de onthoofdings-episode verbond aan een geheel
verschillende sage omtrent onzen held en uit de samensmelting van
die beide thema's een nieuw en samenhangend geheel deed ontstaan,
dat weliswaar zelf verloren is geraakt, maar waarvan wij de vrije
en oorspronkelijke bewerking in "Syr Gawayne and the grene Knyght"
kunnen bewonderen. Het Fransche gedicht wordt door Kittredge geacht
omstreeks 1250 tot stand te zijn gekomen.
De schrijver toont vervolgens aan, in welke opzichten de Engelsche
dichter van zijne bron is afgeweken. Dit is vooral merkbaar aan het
slot der geschiedenis; het is geheel tegen den geest der oud-Fransche
ridderromans, om Walewein anders dan zegevierend uit eene onderneming
te voorschijn te doen treden en in ons verhaal keert onze held min
of meer schuldbewust en boetvaardig naar het hof van koning Arthur
terug. Waarschijnlijk is de ontknooping eerst geweest als volgt:
doordat Walewein, getrouw aan zijne belofte, den zwaardslag uit de hand
des groenen ridders heeft afgewacht, is de laatste uit een toestand van
betoovering bevrijd en tot zijn menschelijken vorm teruggekeerd. Vol
vreugde over zijne bevrijding besluit hij Walewein te volgen en deze
keert zegevierend naar het hof terug, waar de groene ridder onder de
vazallen des konings wordt opgenomen.
Dat dit inderdaad de ontknooping van het verhaal is geweest, bewijst de
schrijver uit twee andere Engelsche gedichten: "The Turk and Gawain",
hetwelk dateert uit het einde der 14e eeuw [20] en uit eene ballade,
getiteld: "The grene Knyght", welke voorkomt in het Percy H. S. van
1765. Beide gaan volgens den schrijver terug op hetzelfde Fransche
gedicht, waaraan "Syr Gawayne and the grene Knyght" ontleend is en
toonen aan, waar laatstgenoemd gedicht van het oorspronkelijke verhaal
is afgeweken.
Eene andere opvatting omtrent het ontstaan en den groei van de sage
vinden wij in eene studie, door J. R. Hulbert; getiteld: "Syr Gawayne
and the Grene Knyght", die verschenen is in Modern Philology (December
1915, April 1916). De schrijver tracht aan te toonen, in tegenstelling
met de algemeen gehuldigde meening, dat de beide hoofdthema's der sage,
hoewel logisch onafhankelijk, dit toch niet geschiedkundig zijn. Tot
bewijs dezer stelling toont schrijver aan, dat in drie der verhalen,
waarin de onthoofdingsproef voorkomt, deze dienen moet om den held te
helpen in het veroveren zijner geliefde, die geen menschelijk wezen,
maar eene fee is.
Waartoe nu, zoo zegt schrijver, dient die beproeving bij
Walewein? Zeker niet, om den held te vernederen, want--en dit is
inderdaad een onverklaarbaar element in het verhaal--Morgan, de
bekende toovenares, die in vele Arthur-verhalen voorkomt en ook in
deze geschiedenis hare macht doet gelden, moet als toovenares vooruit
hebben geweten, wat het resultaat zou zijn van de wraakneming,
die zij wenschte te volvoeren. Welnu dan, zegt schrijver, indien
het niet was om Walewein en in hem de ridders van de Ronde Tafel te
vernederen, dan was het ook hier, om hem de hand zijner geliefde te
doen winnen. De feiten, die tegen de houdbaarheid eener dergelijke
veronderstelling schijnen te spreken, zijn 1e dat de schoone vrouw
van Heer Bernlak slechts voorwendt haren gast lief te hebben en 2e
dat Walewein de beproeving van den bijlslag eerst ondergaat, nadat
de dame hem hare liefde heeft aangeboden. Deze punten verklaart de
schrijver door aan te nemen, dat het oorspronkelijke verhaal gewijzigd
is, om te kunnen dienen als dichterlijke verklaring voor de stichting
eener orde. Inderdaad hebben vele geleerden verband gezocht tusschen
het dragen van den groenen gordel en de stichting der orde van den
Kouseband door Richard III in 1345.
Dit verband wordt bevestigd door het feit, dat wij aan het einde van
het M. S., als later daaraan toegevoegd, het devies van deze orde
geschreven vinden. Bovendien zien wij hoe in den reeds genoemden 15e
eeuwschen ridderroman "The grene Knyght" hetzelfde verhaal gebruikt
wordt, om den oorsprong van de Bath-orde te verklaren.
Mr. Hulbert is eveneens van meening, dat het Middel-Engelsche gedicht
voor dit doel gebruikt is, d.w.z. als verklaring voor de stichting
van eene orde, echter niet, zooals wij zullen zien van die van den
Kouseband. Om die reden, zoo zegt hij, werden de gebeurtenissen in
het verhaal gewijzigd. Doordat de dichter de orde wilde verbinden aan
het begrip van trouw en eerlijkheid, stelde hij de liefdesbetuigingen
der burchtvrouwe voor als eene zware verleiding, waartegen de held te
strijden had en verplaatste hij de tooneelen tusschen hen naar het
gastvrij slot, waar volgens de oude overleveringen de held verblijf
houdt alvorens zich door de onthoofdingsproef den toegang tot de andere
wereld en de daarin verblijf houdende geliefde te verschaffen. Daardoor
komt nu de onthoofdingsepisode achteraan en kan zij dienen als een
blijk van Waleweins trouw aan zijn gegeven woord. De ballade van "The
grene Knyght", die volgens den schrijver gegrond is op een ouderen
vorm van de sage, bewijst volgens hem, dat er grond bestaat voor de
juistheid zijner opvattingen daaromtrent. Hier koestert de slotvrouwe
inderdaad liefde voor Walewein, hoewel zij hem nooit gezien heeft,
een veelvuldig voorkomend feit in de oude ridderromans. Daarbij
vinden wij hier geenerlei melding van Morgan le Fay, die in het
latere gedicht zulk eene vreemde en bijkomstige rol speelt, dat het
voor de hand ligt om aan te nemen, dat hare figuur eerst later door
den dichter is ingeschoven. Ten slotte wordt in "The grene Knyght"
de uitdaging tot onthoofding gebruikt om Walewein naar het slot te
lokken van de dame, die hem liefheeft.
Deze drie punten nu verklaren volgens J. R. Hulbert, dat de sage
van Walewein en den groenen Ridder oorspronkelijk ten doel had om de
avonturen te beschrijven, die voorafgaan aan het winnen eener geliefde
uit het feeënrijk.
Wat nu de orde betreft, voor welker stichting onze sage de verklaring
moest leveren, zoo is dit volgens Hulbert in geen geval die van den
Kouseband. De groene kleur, waarin de vreemde bezoeker is uitgedost,
terwijl de kleur van de Kouseband-orde blauw is--het feit, dat in het
gedicht steeds sprake is van Kerst- en Nieuwjaarsfeesten, terwijl de
viering van de orde op den naamdag van St. George valt en ten slotte
de omstandigheid, dat bedoelde viering steeds in Windsor geschiedde,
terwijl het gedicht geschreven is in een Noord-Westelijk dialect--al
deze dingen wijzen er volgens den schrijver op, dat onze sage geen
verband kan houden met de stichting van deze orde. Wel meent hij zulks
te ontdekken in het geval van de Bath-orde. Tot deze veronderstelling
wordt hij gebracht door het feit, dat in oude beschrijvingen van het
tot ridder slaan van deze orde, melding wordt gemaakt van een groen
kleed, waarmede de geridderden werden omhangen. Verder dient vermeld,
dat hoewel de Bath-orde zelf eerst in 1725 werd gesticht, er reeds
in oude tijden melding wordt gemaakt van ridders van dien naam. Is
de schrijver juist in zijne veronderstelling, dan zou deze sage,
evenals die van "The Grene Knyght", reeds van den aanvang af verband
houden met de legende omtrent het ontstaan van de Bath-orde.
De nadruk, die in het gedicht gelegd wordt op de viering der Kerst-
en Nieuwjaarsfeesten, doen den schrijver aan het slot van zijn artikel
de veronderstelling opperen, dat de romance bestemd was om bij een
dier beide feestgelegenheden te worden voorgedragen.
De slotsom van zijne studie is dus volgens den schrijver, dat "Syr
Gawayne and the green Knight" niet eene samensmelting is van twee
afzonderlijke verhalen, maar eene eenigszins gewijzigde bewerking van
één enkele oude sage; verder, dat het gedicht niets uitstaande heeft
met de stichting van de Orde van den Kouseband en dat bij het zoeken
van eenig verband tusschen de sage en het ontstaan eener orde de groene
kleur van den gordel en de tijd, waarin de gebeurtenissen, in het
verhaal vermeld, zich afspelen, in aanmerking moeten worden genomen.
Al blijkt uit het voorgaande, dat de meeningen omtrent het ontstaan en
den groei der sage nogal uiteenloopen, toch zijn alle geleerden het
er over eens, dat de geschiedenis van Walewein en den Groenen Ridder
eene bewerking is van een Fransch gedicht. In hoever de Engelsche
dichter van het oorspronkelijke is afgeweken, laten wij hier buiten
beschouwing, als vaststaand mogen wij aannemen, dat hij ons eene min
of meer getrouwe vertolking hiervan heeft geleverd. Toch moeten wij
zijn werk allerminst beschouwen als eene slaafsche vertaling van een
reeds bestaand gedicht. Immers in het Engelsche gedicht treffen ons
verscheidene nieuwe bestanddeelen, die een voornaam aandeel van onze
bewondering voor het kunstwerk opeischen. De Fransche dichter moge
handig geweest zijn in het samenstellen van zijn gedicht en moge
bovendien de gave hebben bezeten van onderhoudend vertellen, zijn
Engelsche navolger was een dichter in den vollen zin des woords, die
zijne stof wist te doordringen van eene hoogere zedelijke strekking
zonder daardoor het verhaal als zoodanig ook maar in 't minst te
schaden.
Hij maakt zich niet schuldig aan lange betoogen en breedvoerige
beschouwingen zooals zoovelen onder zijne tijdgenooten, de lijn
der onderhandeling wordt niet onderbroken door afdwalingen van het
hoofdthema, de karakters in zijn gedicht tintelen van geest en leven,
terwijl de fijne natuurschilderingen en jachtbeschrijvingen alleen
den schrijver reeds eene eerste plaats onder de dichters van zijn
tijd waardig zouden doen zijn.