„Groote haast. Heb je vanmiddag iets te doen?”
„Niets, wat ik niet gemakkelijk ter wille van mijn moeder kan
uitstellen,” zeide Dougall op hartelijken toon.
„Dan wacht ik je in mijn boudoir over een kwartier.”
En reeds was de gravin opgestaan en had met haastige schreden het
vertrek verlaten.
Dougall keek haar vragend na en zag toen Grace vragend aan.
„Wat is er met mama,” vroeg hij toen, „wat doet zij vreemd.”
„Dat is niet zoo erg te verwonderen, Dougall. Jij zoudt waarschijnlijk
ook niet normaal zijn, als men je een diamanten halssnoer ter waarde
van veertig duizend pond ontstal.”
Maar Dougall haalde de schouders op en zeide met de lichtzinnigheid der
jeugd:
„Wat zou mij dat raken, als ik zoo schatrijk was als mama, die een
notaris en een zaakwaarnemer noodig heeft om den omvang van haar
vermogen te laten vaststellen. Ik ben benieuwd wat ze mij te zeggen
heeft.”
„Misschien heeft tante wel een passende vrouw voor je uitgezocht,
Dougall,” antwoordde Grace met een ondeugend glimlachje. „Passender
voor je dan ik ben, want ik ben maar arm, dat weet je.”
„Dat is nog niet zoo zeker.” kwam Dougall. „Ik heb den notaris van mama
wel eens hooren zeggen, dat je bij je meerderjarigheid recht hebt op
een groot kapitaal van een verren bloedverwant. Ik zeg je dat in
vertrouwen, en omdat je naderhand niet zult kunnen zeggen, dat ik dit,
ofschoon ik het wist, verzwegen heb.”
„Ik wist er niets van Dougall, maar in ieder geval zul je altijd zeer
veel rijker blijven.”
„Dat doet er immers niets toe, kleintje,” hernam Dougall, terwijl hij
liefkoozend over haar hand streek, die zij hem over het tafellaken had
toegestoken. „Wat heeft geld er nu mee te maken. Al kon ik beschikken
over alle schatten der aarde, en al was jij maar een klein arm
geitenhoedstertje, ik zou jou en niemand anders tot vrouw willen
hebben.”
Dougall stond op, liep om de tafel heen, trok Grace van haar stoel en
aan zijn borst en de volgende tien minuten waren gewijd aan het
spelletje, dat reeds eeuwen oud is, zoo oud als de wereld zelf en dat
toch nog steeds dezelfde aantrekkelijkheid schijnt te behouden voor
degenen, die er zich mede vermaken.
Er werd echter een plotseling einde gemaakt door het binnen treden van
Hundsley.
De geliefden stoven snel uit elkander, maar de oude buttler had ze alle
vijf goed bij mekaar, zooals hij steeds met trots van zichzelf placht
te verzekeren en hij had ook goede oogen in het hoofd.
Maar hij was even bescheiden als vlug van begrip en daarom kuchte hij
maar eens zachtjes voor zich heen, deed alsof hij volstrekt niets
bemerkte van de verwarring van de beide jongelieden, die het eensklaps
zeer druk hadden met het pellen van een paar amandelen, welke zij van
een vruchtenschaal hadden genomen.
Maar toen de oude getrouwe weder in het bediendenvertrek terug was,
keek hij de keukenmeid, die zeker ook al sedert twintig jaar in dienst
van de familie was, met een slimme uitdrukking in zijn oogen aan en
zeide op geheimzinnigen toon:
„Ik geloof, dat de jongeheer voorloopig wel niet meer op reis zal gaan,
tenminste niet meer alleen.”
„Wat, zou hij mevrouw de gravin meenemen?”
„Neen, uilskuiken, een jonge man neemt nooit zijn moeder mee om op zijn
huwelijksreis te gaan.”
En voor de bedaagde keukenprinses van haar verwondering was bekomen,
had Hundsley het vertrek al weer verlaten.
Dougall had zich intusschen naar het vertrek van zijn moeder begeven,
die hem daar reeds wachtte, gekleed in een costuum, die haar een
jeugdig uiterlijk moest geven.
Zij begroette haar zoon met een zenuwachtig lachje, liet hem naast zich
op de breede rustbank neerzitten en begon:
„Luister eens, Dougall. Ik moet ernstig met je praten.”
Dougall lachte, met een blik op de witzijden blouse en den korten rok,
die de fijne zijden ajour-bewerkte kousen vrij liet en de lage
goudlederen schoentjes.
„Neen, Dougall, spot niet, het is werkelijk ernstig,” hernam gravin
Eleonora. „Je weet dat ik niet gewend ben, lang ergens omheen te
draaien, en daarom val ik met de deur in huis. Ik wil je mededeelen,
Dougall, dat er in onze familie wellicht binnenkort groote
gebeurtenissen op komst zullen zijn. Ik moet aan de toekomst denken. Ik
ben volstrekt niet oud, al heb ik een zoon van vier en twintig
jaar....”
„Vijf en twintig, mamaatje.”
„Nu ja, dat ben je pas een maand. En je hoeft het niet zoo voortdurend
aan de groote klok te hangen. In ieder geval gevoel ik mij nog zeer
jong, en.... kortom.... ik moet rekening houden met de mogelijkheid dat
er een pretendent zal komen opdagen naar de hand van Grace, en wanneer
jij dan weer veel gaat reizen, dan blijf ik alleen, heelemaal alleen,
in dit groote huis, en dat zal ik niet kunnen verdragen.”
Dougall had verbaasd toegeluisterd, nog steeds niet begrijpend, waar
zijn moeder heen wilde. Maar zij maakte aan alle onzekerheid plotseling
een einde, door op vasten toon te zeggen:
„Ik wil hertrouwen, Dougall.”
De uitroep van verbazing, welke haar zoon slaakte was niet zeer vleiend
voor de gravin, maar zij sloeg er geen acht op en vervolgde:
„Ik ben heel gelukkig geweest met je vader. Ik zal hem altijd met
liefde herdenken, maar hij is nu reeds bijna zeven jaren dood en ook
het leven stelt zijn eischen.”
„Het is dus ernst, mama?” stotterde Dougall.
„Waarom zou het mij geen ernst zijn?” riep gravin Eleonora geprikkeld
uit. „Acht je me soms al te oud?”
„Maar moeder, dat moogt gij niet zeggen. Ik dacht alleen maar, ik
meende.... in ieder geval is het een zaak, waarover gij wel eens lang
en ernstig moogt nadenken. Ik zou er natuurlijk niet aan denken, u het
recht te ontzeggen, te doen wat gij noodzakelijk acht voor uw
levensgeluk, maar ik zou het vreeselijk vinden, als het later misschien
zou blijken, dat gij.... u vergiste.”
„In welk opzicht zou ik mij kunnen vergissen,” vroeg de gravin
koeltjes. „Ik weet, dat er een man is, een man van adel, die naar mijn
hand dingt, op wie volstrekt geen aanmerking te maken is, en die mij
tot Lady zou maken.”
„Een Lord dus,” riep Dougall uit, thans met verbazing in zijn stem.
„Ja, een Lord.”
„Zijn naam?”
„Lord Cecil Binning.”
Dougall liet zich achterover tegen den muur vallen, waartegen de
rustbank geplaatst stond, in de eerste oogenblikken te verbaasd om te
spreken.
Toen kwam het langzaam over zijn lippen:
„Lord Binning, Lord Cecil, is lid van de Windsorclub.”
„Dezelfde. Ken je hem intiem?”
„Dat niet. Ik ken hem echter genoeg om te durven zeggen, dat er
inderdaad weinig op hem valt aan te merken, en dat ik hem voor de rest
als een sukkel en als niet overmatig verstandig beschouw.”
„Ik dank je voor je meening over je aanstaanden stiefvader,” zeide de
gravin op scherpen toon.
„Moeder, het is immers beter, dat u precies weet hoe ik over Binning
denk,” zeide Dougall hoofdschuddend. „Maar is het u bekend, dat Lord
Cecil nog geen vijf en veertig jaar is.”
„Dat is mij onverschillig. Ik ben maar een jaar ouder.”
Dougall hield te veel van zijn dwaze moeder, om te zeggen dat hij zeer
goed wist hoe oud ze werkelijk was en hij vergenoegde er zich mede, de
vraag te stellen:
„Hij heeft dus uw hand gevraagd?”
„Dat niet, maar ik ken zijn plannen.”
„Mag ik dan vragen, moeder, op welke wijze gij die plannen hebt
ontdekt,” vroeg Dougall, die maar al te goed de zelfingenomenheid en de
ijdelheid van zijn moeder kende.
„Denk je dat een vrouw dat niet spoedig merkt? Hij kwam in den laatsten
tijd opvallend veel aan huis. Hij bracht dikwijls bloemen mee. Hij kwam
vaak in mijn loge als ik daar met Grace was. Hij kon mij vaak op zulk
een eigenaardige wijze aanzien en er dan over klagen, dat hij nog
altijd jonggezel was. En nog vandaag heeft hij mij uitgenoodigd een
autoritje met hem te maken.”
Plotseling doorflitste Dougall een gedachte.
„In een splinternieuwe auto?” vroeg hij ademloos, terwijl hij zich
voorover boog, om zijn moeder met gespannen aandacht aan te zien.
„Ja, in zijn pas gekochte renauto.”
Een oogenblik dacht Dougall er over, zijn ontspanning lucht te geven
door een lachbui, maar toen bedacht hij zich. In ieder geval kon deze
noodlottige vergissing voor zijn moeder een bittere teleurstelling
blijken.
Dat zij Lord Cecil lief had achtte hij weliswaar volkomen
buitengesloten, maar voor een vrouw, die klaarblijkelijk zoo vurig
terugverlangde naar den huwelijksstaat moest het een ontgoocheling
zijn, als zij haar plannen op die wijze in duigen zag vallen.
Het was Dougall een oogenblik duidelijk, dat zijn moeder zich vergist
moest hebben in het ware doel van de herhaaldelijke bezoeken van Cecil,
die blijkbaar Grace golden.
Hij wachtte zich er echter voor zijn meening kenbaar te maken en zeide
alleen op ernstigen toon:
„Lieve moeder, ik zal de laatste zijn, om mij te verzetten tegen uw
trouwplannen, wanneer gij daardoor werkelijk gelukkig kunt worden, maar
ik smeek u, u goed te overtuigen, of Lord Cecil werkelijk de aangewezen
man is, om aan uw zijde te leven. Het zou noodlottig zijn, als deze
verbintenis naderhand een vergissing zou blijken.”
„Daarvoor behoef je niet te vreezen. Ik wil niet zeggen, dat ik als een
bakvisch verliefd ben op Lord Cecil, maar ik acht hem hoog, al is hij
dan volgens jou een sukkel. En hij is in ieder geval van den oudsten en
besten adel.”
„Maar totaal berooid, moeder.”
„Dat doet er volstrekt niets toe. Ik ben rijk genoeg en ik weet zeker,
dat het hem niet om mijn geld te doen is.”
„Dat hoop ik,” zeide Dougall droogjes. „Hebt gij mij nog iets te
zeggen, moeder?”
„Alleen nog dit. Ik heb Lord Cecil hedenmorgen de toezegging gedaan,
dat ik hem mijn hand zou schenken, wanneer hij er in zou slagen, mij
mijn diamanten collier terug te bezorgen. Ik weet zeker, dat hem dat
zal aansporen, zijn uiterste best te doen, om mijn steenen terug te
vinden.”
„Dus wanneer hij er niet in slaagt de diamanten terug te vinden....”
riep Dougall opgewonden uit.
Eigenlijk gezegd, had de gravin zich nimmer bezig gehouden met deze
mogelijkheid en daarom klemde zij de lippen op elkaar, speelde
zenuwachtig met haar horlogeketting en antwoordde eindelijk ongeduldig:
„Hij zal ze wel weten op te sporen en als hij er niet in slaagt, dan,
wel dan zal ik er toch nog eens over denken, of ik den goeden wil voor
de daad zal nemen.”
Dougall was opgestaan en vatte de hand van zijn moeder.
Zijn stem had een warmen klank, toen hij zeide:
„Ik hoop van ganscher harte, moeder, dat dit alles tot iets goeds moge
leiden. Meer kan ik niet zeggen.”
HOOFDSTUK VI.
DE MEDEMINNAARS.
Ongeveer een uur nadat dit gesprek had plaats gehad, begaf Dougall zich
naar de Windsorclub teneinde eenige vrienden te ontmoeten.
In de groote conversatiezaal trof hij onder anderen den vice-precident,
Lord William Aberdeen, diens secretaris, Charly Brand, een jonge man,
met een blozend gelaat en groote glanzende blauwe oogen en ook Lord
Cecil.
Op het oogenblik maakte Dougall bij zichzelf de opmerking, dat zijne
Lordschap er in het geheel niet uitzag als een gelukkige aanstaande
bruigom, en zich ook volstrekt niet overmatig scheen in te spannen, de
diamanten en daarmede hart en hand van gravin Eleonora in zijn bezit te
krijgen.
Mylord hing als een zoutzak in een stoel, dicht bij een der breede
ramen, welke uitzicht gaven op de Oxfordstreet en keek tamelijk somber
voor zich uit, maar klaarblijkelijk zonder iets te zien.
Hij nam er zelfs zoo goed als geen notitie van toen Dougall binnen
trad, knikte hem slechts even toe, en staarde toen weder naar het
drukke gewoel in de Oxfordstreet.
Maar langzaam scheen er wat beweging in zijn trekken te komen.
Hij wendde zijn blikken naar Dougall en wenkte hem toe, toen de jonge
man in zijn richting keek, met een hoofdbeweging bij zich te komen.
Met gemengde gevoelens bezield, trad Dougall op hem toe, en toch moest
hij bij zichzelf zeggen, dat Lord Cecil in dit geval volstrekt geen
schuld kon treffen en dat deze uitsluitend bij zijn moeder berustte.
Hoewel hij hartelijk veel van gravin Eleonora hield, begreep Dougall
toch aanstonds, dat Lord Cecil, die zeker vijf jaar jonger was dan zij,
hoogstwaarschijnlijk nooit de minste aanleiding zou hebben gegeven tot
het vermoeden, dat hij naar de hand van de gravin dong.
Toch begroette hij hem tamelijk koeltjes, als zijn medeminnaar, al was
het er dan een, die niet het minste succes zou hebben.
Het was daar een eenzaam plekje bij het groote raam en de twee mannen
konden dus ongestoord praten.
Lord Cecil noodigde Dougall met een gebaar uit, tegenover hem plaats te
nemen, zocht een oogenblik naar zijn woorden en begon toen met een
kinderachtig stemgeluid:
„Dougall, het verheugt mij, dat ik je even onder vier oogen kan
spreken. Ik bevind mij in een zeer moeilijk parket. In een hoogst
delicaten toestand. Het valt me zeer moeilijk er juist met jou over te
spreken, maar ik kan onmogelijk een anderen uitweg zien. Er bestaat een
misverstand, mijn waarde Dougall, waarvan ik het slachtoffer ben, en
dat, ik bezweer het je, niet door mij in het leven is geroepen, maar
laat ik van te voren af beginnen. Je moet de zaak goed kennen, alvorens
mij raad te kunnen geven. Ik herhaal je nogmaals, dat het een zeer
kiesche aangelegenheid is. Maar wij zijn reeds jarenlang vrienden en ik
kan niet inzien, hoe ik aan dezen toestand op een andere wijze een
einde kan maken.”
„Draai er niet zoo lang omheen, amice en steek van wal,” zeide Dougall
eenigszins ongeduldig.
Zijn Lordschap draaide ongedurig in zijn ruimen gemakkelijken stoel
heen en weder en begon, zijn nagels bestudeerend:
„Je moet weten, dat ik sedert eenige maanden een vrij trouwe gast ben
geweest in het huis van je mama, gravin Eleonora. Aanstonds zul je wel
te hooren krijgen, waarom ik daar zoo gaarne verscheen. Daarop heb jij
recht op als zoon des huizes. Ongelukkigerwijze en op een voor mij
volkomen raadselachtige wijze heeft mevrouw de gravin uit deze
herhaaldelijke bezoeken conclusies getrokken, conclusies, die voor mij
zeer vleiend zijn, maar die, ja hoe zal ik het moeten zeggen, van een
verkeerd principe uitgaan, van een onjuiste grondstelling, als ik het
zoo noemen mag.”
Dougall had met eenig leedwezen de wanhopige pogingen van zijne
Lordschap gade geslagen, hem zoo voorzichtig mogelijk een zaak mede te
deelen, welke hem reeds bekend was.
Maar thans ontfermde hij zich over den ongelukkigen Lord en zeide
glimlachend, terwijl hij hem op de magere knie klopte: „Stil maar
Cecil, ik weet er alles van. Het is niet zoo heel erg en je moogt er
rond voor uitkomen. Je opinie is, dat moeder in de veronderstelling
verkeert, dat je haar gaarne tot vrouw zoudt hebben, is het niet zoo?”
Lord Cecil knikte eenige malen snel achter elkander, heftig bewegend
met het hoofd en zeide toen:
„Zoo is het, zoo is het. Heeft zij het je gezegd?”
„Een uur geleden.”
„Maar Dougall, ik kan werkelijk, ik ben niet.... het was mijn voornemen
niet,” stamelde Lord Cecil, die zich niet te wenden of te keeren wist
van verlegenheid.
„Ook dat weet ik, mijn waarde. Je bent heelemaal niet van plan de hand
van mama te vragen, zooals zij verkeerdelijk meent. Je plannen liggen
waarschijnlijk in een geheel andere richting.”
„Je hebt het alweer geraden. Zoo is het inderdaad,” zeide Lord Cecil
verheugd. „Luister eens, Dougall, dan zal ik je het groote geheim mede
deelen. Je bent in langen tijd niet thuis geweest en je hebt dus niet
kunnen waarnemen tot welk een bevallige bloem Grace is opgegroeid, die
nog haast een kind was, toen je den laatsten keer op reis ging. Welnu,
haar golden mijn bezoeken. Hoe mevrouw de gravin heeft kunnen denken,
dat.... het anders was, is mij volkomen onbegrijpelijk.”
„Wel, wel, je hebt dus trouwplannen ten aanzien van de bevallige
Grace?” vroeg Dougall spottend. „Weet je wel dat ze verre van rijk is?”
„Nu nog, maar wanneer ze meerderjarig is, of trouwt, wat natuurlijk
daarmede gelijk staat, ontvangt ze een zeer groot vermogen. Zooiets als
zes maal honderd duizend pond sterling!”
„Hoe weet je dat?” vroeg Dougall verbaasd.
„Het is tamelijk algemeen bekend in een kleinen kring van mijn
familieleden, die verre bloedverwanten zijn van de oude Lady, welke het
vermogen aan het meisje naliet!”
„Dat vermogen vormt natuurlijk een groote attractie van de lieve
Grace?” vroeg Dougall op denzelfden spottenden toon.
„Dat wil ik volstrekt niet beweren! Ik sta er miserabel voor. Ik heb
heel wat geld verspeeld, zwaar bij de wedrennen verloren den laatsten
tijd. En ik kan dus werkelijk alleen een zeer rijke vrouw trouwen.”
„Voortreffelijk geredeneerd. Weet Grace dat het je bekend is, wat zij
te wachten heeft bij haar meerderjarigheid, of als zij trouwt?”
„Neen, maar waartoe zou ik haar dat hebben gezegd?”
„Zeer juist. Dat had volstrekt geen doel.”
„Dat meen ik ook.”
„En geloof je dat Grace gevoelig is voor de avances?”
„Volkomen zeker ben ik er niet van, maar eh.... zij plaagt me vaak en
dat is geloof ik een goed teeken.”
„Een bedriegelijk teeken.”
„Maar wat raadt je me nu te doen, Dougall? Als man van eer kan ik toch
onmogelijk zeggen aan mevrouw de gravin, dat ze zich vergist?”
„Als de nood aan den man mocht komen, dan zal ik dat wel voor je doen,
Cecil,” zeide Dougall.
„Zou je dat werkelijk?” riep Lord Cecil verheugd uit. „Daarvoor zou ik
je zeer dankbaar zijn.”
„Dat is volstrekt niet noodig,” hernam Dougall met een eigenaardig
glimlachje. „Ik geloof niet dat je bijzonder veel redenen hebt om
dankbaar te zijn.”
„Hoe zoo?” vroeg zijne Lordschap met een onnoozele uitdrukking op zijn
gelaat.
„Wel, je wilt toch immers met Grace Keating trouwen?”
„Ja zeker, dat is mijn vast plan.”
„Maar je zult aan dat plan geen gevolg kunnen geven, waarde Lord.”
„Waarom niet?”
„Omdat ik met haar trouw.”
Lord Cecil viel weder in zijn vorige houding in zijn stoel terug en
staarde den glimlachenden Dougall met open mond aan.
Toen hakkelde hij, terwijl alle kleur uit zijn gelaat geweken was:
„Je maakt er toch zeker een grapje mee?”
„Met dergelijke ernstige zaken spot ik als beginsel nooit.”
„Maar dan zal ik genoodzaakt zijn met je te duelleeren,” riep Lord
Cecil op tragischen toon.
„Dat zou ik je om verschillende redenen afraden, mijn waarde,” hernam
Dougall lachend. „Ten eerste mag je me in den grond van je hart graag
lijden, ten tweede is het tweegevecht in Engeland verboden en ten derde
zou men je, indien het niet verboden was, zeer waarschijnlijk in een
betreurenswaardigen toestand van die plek der ontmoeting vervoeren,
want ik wil het niet onder stoelen of banken steken, dat ik meester ben
op alle wapens en op zestig pas afstand vijf malen van de zes een aas
uit de kaart schiet en met meer dan vijftien pas zou ik zeker geen
genoegen nemen, als ik met de pistool in de vuist tegenover een
medeminnaar kwam te staan.”
Deze mededeeling scheen zijne Lordschap tot nadenken te stemmen.
Hij liet een verlegen zenuwachtig lachje hooren en toen scheen hij de
zaak van den practischen kant te willen opvatten.
„Er is dus niets aan te doen. Je wilt me in de wielen rijden?” vroeg
hij.
„Die uitdrukking is niet op haar plaats, mijn goede vriend Binning.
Daarvan kan geen sprake zijn. Want Grace en ik waren het reeds vroeger
met elkander eens dan vandaag.”
„Maar ik heb den indruk gekregen, dat ze mij nog al graag mag lijden,”
hernam Lord Binning wanhopig.
„Dan was die indruk een verkeerde,” hernam Dougall droogjes, „zij geeft
volstrekt niets om je.”
„Ben je daar zeker van?”
„Volmaakt zeker.”
„Heeft ze jou het jawoord reeds gegeven.”
„Als er niets in den weg komt, trouwen wij over twee maanden.”
„Goede hemel, wat een ervaring op een dag,” kwam het jammerend over de
lippen van zijne Lordschap.
„Ik erken dat het niet zeer aangenaam voor u is, mijn waarde,” kwam
Dougall en nogmaals daalde zijn krachtige hand met een harden klap op
de schrale dij van Lord Binning neder, zoodat deze met een pijnlijk
gezicht zijn been terug trok. „Je moet je er echter maar in schikken,
ongetwijfeld zwemmen er in de Londensche High Life nog wel meer
goudvischjes rond.”
„Maar het was niet het geld alleen, dat verzeker ik je, Dougall. Het
uiterlijk van het jonge meisje had een grooten indruk op mij gemaakt.”
„Dat wil ik graag aannemen, dat deed het ook op mij,” hernam Dougall
kalm. „Ik heb haar al lief gehad, zoover ik kan terug denken en ik heb
het alleen niet goed durven zeggen. Tijdens mijn laatste reis ben ik
tot de overtuiging gekomen, dat ik zonder haar onmogelijk zou kunnen
leven en dat heb ik haar zooeven gezegd, en omdat Grace een medelijdend
hartje heeft en niet kon toezien, hoe ik om harentwege verkwijnde,
daarom heeft zij er in toegestemd, mijn vrouwtje te worden.”
Zijn Lordschap slaakte een zucht, die men op straat wel had kunnen
hooren en die verscheidene leden van de club verschrikt zijn richting
deden uitzien, en daarmede was de zaak voor hem beëindigd—hij schikte
zich in het onvermijdelijke.
Na eenige oogenblikken zeide hij:
„Dan zal ik het veld voor je moeten ruimen, Dougall. Ik ben niet
zelfingenomen genoeg om te gelooven, dat ik tegen jou den strijd zou
kunnen volhouden. Maar doe mij dan tenminste den dienst, en maak aan je
mama, mevrouw de gravin duidelijk, dat er werkelijk van een
echtverbintenis tusschen ons niets kan komen. Deel het haar voorzichtig
mede—ik zou voor al het geld van de wereld niet willen, dat zij zich
door mij beleedigd zou achten.”
„Ik beloof het je, Cecil,” zeide Dougall, terwijl hij opstond, en den
ander gulhartig de hand reikte.
Een oogenblik scheen Lord Binning te aarzelen, of hij die hand wel kon
aannemen, maar toen nam hij een kloek besluit en sloeg toe.
Lord Aberdeen had de beide heeren geen oogenblik uit het oog verloren,
en toen zij vertrokken waren, wendde hij zich tot zijn secretaris en
zeide op zachten toon:
„De zaak is gelukkig onbloedig verloopen. Aan de eer schijnt voldaan te
zijn.”
„Heb je dan alles kunnen hooren wat zij zeiden?” vroeg Charly Brand op
verbaasden toon.
„Er is mij maar heel weinig ontgaan, mijn jongen. Ja het is een groot
gemak, wanneer men zich de kunst van lippen lezen heeft eigen gemaakt.”
„Hiermede is de zaak van de diamanten voor jou waarschijnlijk
geëindigd?”
„Nog niet geheel en al, mijn waarde,” antwoordde Lord Aberdeen, achter
wien zich reeds vele jaren de persoon van den Gentleman-Inbreker
verborg. „Ik geloof, dat ik nog niet alle mogelijkheden heb uitgeput—en
het zal spoedig genoeg blijken, of ik mij vergist heb.”
HOOFDSTUK VII.
DE KLAP OP DEN VUURPIJL.
Het was omstreeks half vier in den middag en reeds begon de duisternis
te vallen, toen voor het prachtige heerenhuis van gravin Mac Dougall
een eenvoudige huurauto stil hield, waaruit een niet minder eenvoudig
gekleed man stapte, die een oogenblik het huis in oogenschouw nam,
eenige woorden met den chauffeur wisselde, en daarop den voortuin door
ging, en de zware huisbel overhaalde.
Hundsley, de buttler, opende de deur voor hem.
„Wat wenscht gij, mijnheer?” vroeg hij, terwijl hij tamelijk wantrouwig
naar de eenvoudige kleeren van den bezoeker keek.
„Ik wensch je meesteres te spreken. Ik kom in de bekende zaak van de
juweelen. Ik ben particulier detective, hier is mijn kaartje. Maak wat
voort als ik je verzoeken mag.”
De buttler raakte zeer onder den indruk van deze bevelende woorden,
want hij haastte zich spoedig weg met het kaartje, en keerde reeds een
paar minuten later terug, met het verzoek hem te willen volgen. Mevrouw
de gravin zou hem ontvangen.
Gravin Eleonora ontving den detective in haar boudoir.
Zij zag er tamelijk opgewonden uit, en dat was waarlijk geen wonder,
want nog geen half uur geleden had haar zoon haar zoo voorzichtig
mogelijk medegedeeld, dat Lord Binning hem verklaard had, geen kans te
zien, de diamanten in zijn bezit te krijgen, en dus maar liever afstand
had gedaan van de eer, de gravin naar het altaar te mogen leiden.
De gravin wierp een blik op het kaartje, dat zij nog steeds in de hand
hield en vroeg, na den bezoeker met een enkelen blik te hebben
opgenomen:
„U is mijnheer Lijne?”
„Die ben ik, gravin.”
„De bekende detective?”
„Ik vlei mij inderdaad, gravin, dat mijn naam niet geheel en al
onbekend is, zoowel in Engeland als op het vasteland.”
„Zijt gij op de hoogte van de zaak der diamanten?”
„Volkomen, gravin.”
„Wat denkt gij er van?”
„Gravin, ik wil van mijn hart geen moordkuil maken—ik moet beginnen met
te verklaren, dat ik wel eenige bewondering koester voor de wijze,
waarop John Raffles u van die kostbare steenen heeft beroofd.”