De gravin scheen nu uit haar bezwijming wakker te worden, richtte zich

eensklaps op, alsof zij door een veer bewogen werd en schreeuwde bijna:

„Als gij dan gisteren niet op mijn soiree zijt geweest wie was dan uw

dubbelganger, dien ik voor u heb aangezien en die door alle andere

gasten voor u werd gehouden.”

Orlow trok zijn schouders hoog op en antwoordde:

„Dat is meer dan ik u zeggen kan, gravin, maar het spreekt vanzelf dat

het een bedrieger geweest moet zijn, die met een bepaald doel mijn

uiterlijk heeft aangenomen.”

Deze opmerking scheen de gravin eensklaps op een gedachte te brengen,

die haar zeer verontrustte. Zij zette de beide etuis met de colliers op

tafel, opende ze met bevende vingers en zeide toen op heeschen toon:

„Wees zoo goed mij te zeggen, Orlow, welke van deze beide halssnoeren

het echte is. Gij hebt het geschenk van mijn echtgenoot herhaaldelijk

in handen gehad. Gij kent het. Wat ik u zeggen wil, hebt gij vlugzout

bij de hand, azijn, eau de cologne. Ik geloof, dat ik er van noodig zal

hebben.”

„Mevrouw de gravin....”, stamelde Lord Binning. „Ik smeek u om bedaard

te blijven. Het zal niets te beteekenen hebben, zooals gij zult zien”.

Gravin Eleonora legde hem met een ongeduldig gebaar het zwijgen op en

hield haar blikken gevestigd op het gelaat van den juwelier, die de

beide colliers uit de etuis had genomen en voor zich had neergelegd.

Hij stond op om een loupe te krijgen, benevens een zeer harden diamant,

in een korte steel gevat en bestemd, om andere edele steenen te

onderzoeken en nam toen weder zwijgend voor de tafel plaats.

Hij onderzocht de diamanten met groote zorgvuldigheid, evenals het

fijne gouddraad, dat ze aan elkander verbond, leunde toen achterover in

zijn stoel, legde de loupe neder, keek de gravin strak aan en toen kwam

het langzaam over zijn lippen:

„Het doet mij leed om het u te moeten zeggen, gravin, maar de diamanten

van beide snoeren zijn valsch.”

HOOFDSTUK IV.

DE JACHT OP DEN DIEF.

Het was goed, dat de juwelier inderdaad eenige opwekkende middelen bij

de hand had, want op het vernemen van deze jobstijding had de gravin

een dramatischen gil geslaakt, en was volgens alle regelen der kunst in

zwijm gevallen.

De huishoudster van Paul Orlow kwam spoedig toesnellen, gewapend met

verschillende fleschjes en poedertjes, men draafde met doeken en

koudwatercompressen. Lord Binning klopte de bewustelooze in de

handpalm, met een ijver alsof zijn leven er van af hing. Kortom de

consternatie vierde eenige oogenblikken hoogtij in de deftige

ontvangkamer van den juwelier.

Na verloop van een kwartier ongeveer sloeg de gravin de oogen even op

en vroeg zwakjes:

„Waar ben ik. Wat is er toch met me gebeurd?”

Eensklaps scheen ze tot bezinning te komen en het volgende oogenblik

was het alsof er een woedende tijger was los gebroken, die in de

rustige weelderige kamer een inval had gedaan.

De gravin vloog op, begon het vertrek met groote stappen op en neder te

loopen en gilde: „Scotland Yard, bel Scotland Yard op. Laten zij een

detective sturen, vijf detectives, twintig als het noodig is. Ik wil

mijn diamanten terug, ik moet mijn diamanten halssnoer terug hebben. O,

die bedrieger, die schavuit, die bandiet. Mijn halssnoer is weg en

twintig duizend pond sterling. Bel Scotland Yard op. Is het nog niet

gebeurd. Waar wacht gij op. Zit ik hier dan tusschen kleine kinderen.

Is het hier dan een bewaarschool. Is hier geen telefoon in huis. Ik

loof honderd pond sterling, neen twee honderd pond sterling uit, als

het moet zelfs drie honderd aan dengene, die den dief weet aan te

wijzen, en mij het echte collier terug bezorgt, die krijgt.... die

krijgt....”

Zij maakte den zin niet af maar greep den onthutsten Lord plotseling

bij zijn arm, sleepte hem met zich mee, zonder van Orlow verder notitie

te nemen en trok hem de straat op.

Bijna was zij met haar slachtoffer aangebotst tegen een leeglooper, die

blijkbaar niet veel om handen had en die met de handen in de zakken op

den rand van het trottoir stond.

De man scheen haar deze bejeegening echter volstrekt niet kwalijk te

nemen, maar keek haar met een eigenaardigen glimlach op het gelaat na,

toen zij verder ijlde, steeds den Lord stevig in haar greep

vasthoudend, en met hem in de kleine auto plaats nam....

Maar Lord Binning had de auto nog nauwelijks in beweging gebracht, in

de verste verte niet wetend, wat eigenlijk het doel van den tocht was,

of de gravin riep uit:

„Is er nu getelefoneerd?”

„Ik geloof, dat ik toen wij heen gingen Orlow aan de telefoon heb zien

staan, gravin.”

„Overtuig er u dan van en rijd dan aanstonds naar huis terug wat ik u

verzoeken mag.”

En zij duwde den onthutsten Lord half en half van zijn zetel en keek

toe, hoe hij weder den juwelierswinkel binnen ging en eenige minuten

later weder terugkwam.

„Welnu?” vroeg de gravin, toen hij in het bereik van haar stem kwam.

„Orlow heeft getelefoneerd. Scotland Yard zal onmiddellijk James

Sullivan, een van haar knapste detectives, naar uw huis zenden.”

„Stap dan in Mylord en rijd me spoedig naar huis. Wat treuzelt gij

daar.”

„Neem me niet kwalijk, gravin,” kwam Lord Cecil haastig en verlegen.

„We zullen snel rijden.”

Zijn Lordschap hield woord en ongeveer een half uur later stond de

fraaie sportauto weder stil voor het prachtige huis in Cleveland

Square.

Weer greep de gravin Mylord vast, juist alsof hij zelf de dief van de

diamanten was geweest en trok hem met zich mede, over het oprijpad van

den voortuin.

„Mijn auto, gravin,” riep Lord Binning verschrikt.

„Ik zal een van de bedienden zenden om er op te passen. Wat bekommert

gij u om een armzalige auto als ik een diamanten halssnoer door

diefstal verloren heb.”

Reeds werd de deur voor de gravin geopend en snel gaf zij de noodige

bevelen.

Een der bedienden snelde naar buiten om bij de auto post te vatten,

maar toen de gravin Mylord met zich mede wilde trekken, de trap op,

viel haar oog op eenige groote reiskoffers en zware lederen

handvaliezen, die in een hoek van de groote vestibule waren

opgestapeld.

„Wat is dat?” zoo wendde zij zich tot den buttler die eerbiedig

terzijde was blijven staan.

„De jongeheer is zooeven teruggekomen van zijn reis, gravin,”

antwoordde Hundsley.

„Wat is dat? Is Dougall terug?” riep de gravin uit. „Dat is weer juist

iets voor hem om ons zoo te verrassen. Waar is hij nu, Hundsley?”

„Op zijn kamer, gravin, om zich een weinig te verfrisschen.”

„Ga naar hem toe en zeg dat ik zooeven ben thuis gekomen en dat hij me

kan begroeten in de kleine blauwe kamer. Ik moet hem iets zeer

belangrijks mededeelen.”

En als een wervelwind trok de gravin zijne Lordschap mee en hield niet

op voor zij de kleine blauwe kamer had bereikt, met welke naam haar

boudoir op de tweede verdieping werd aangeduid.

Daar gekomen, wees zij den Lord een stoel, nam zelf plaats en begon:

„Luister, Mylord. Gij kent me nu lang genoeg om te weten, dat ik niet

gewoon ben ergens lang om heen te draaien. Wij zullen spijkers met

koppen slaan. Ik stel veel vertrouwen in Scotland Yard, maar minstens

evenveel in uw schranderheid. Het is niet onopgemerkt voor mij

gebleven, dat ge mij het hof hebt gemaakt, en ik wil u niet verzwijgen,

dat ge mij niet onverschillig zijt. Welnu, u bezorgt mij het diamanten

halssnoer terug en ik zal uw liefste wenschen vervullen.”

Mylord was half van zijn stoel opgestaan, en keek de gravin aan met een

uitdrukking op zijn gelaat, die haar waarschijnlijk spoedig genoeg

ondanks haar zelfgenoegzaamheid en ijdelheid, haar schromelijke

vergissing zou hebben doen inzien, maar die thans ongemerkt aan haar

voorbij ging, daar al haar gedachten door haar verlies in beslag waren

genomen.

„Mevrouw de gravin....,” begon hij stamelend.

Maar weer sneed gravin Eleonora hem met een ongeduldig gebaar het woord

af en zeide:

„Ja, ik weet wel, wat gij zeggen wilt. Een groote eer voor u. Het treft

u buitengewoon en gij weet niet hoe mij te danken. Gij zijt er

heelemaal confuus van en meer van dat moois. Laten wij liever ter zake

te komen. Ziet gij kans, mij te helpen bij het opsporen van mijn

diamanten.”

„Geen kans hoegenaamd, gravin,” antwoordde zijne Lordschap op

jammerenden toon.

„Wat?” riep de gravin met fonkelenden blik. „Gij zoudt dus dat niet

eens voor mij over hebben? Kunt gij uw vernuft dan niet scherpen, als

het een vrouw betreft, welke gij zoo ondubbelzinnig hebt doen blijken

van uw genegenheid?”

„Gravin, ik verzeker u....,” begon de beklagenswaardige Lord opnieuw.

„Verzeker mij alleen maar of gij genoeg voor mij over hebt, om pogingen

te doen, mijn juweelen te hervinden.”

„Natuurlijk wil ik dat zeer gaarne, gravin. Maar ik twijfel of mijn

zwakke krachten....”

„Met geld doet men veel, Mylord. Loof een hooge premie uit, mijnentwege

duizend pond.”

„Duizend pond?” riep Lord Binning verschrikt. „Dat is een buitengewoon

groot bedrag, gravin.”

„Maar dat ge toch zeker wel voor mij zoudt over hebben,” viel Eleonora

hem in de rede. „Wilt gij helpen, ja, of neen?”

„Ja, natuurlijk, gravin, van ganscher harte. Maar er is een andere

kwestie. Een vergissing.... Hoe moet ik het noemen....”

„Dat boezemt mij geen belang in, Mylord,” kwam de gravin kortaf. „De

hoofdzaak is, dat gij mij wilt helpen. Gij kent nu den prijs voor uw

ijver en schranderheid. Het staat aan u dien te verdienen.”

Op dat oogenblik ging de deur open en er verscheen een krachtig

gebouwde jonge man van omstreeks vijf en twintig jaar met een vroolijk

gebruind gelaat en lachende bruine oogen op den drempel.

„Daar ben ik weer eens, mama,” riep hij uit. terwijl hij op zijn moeder

toetrad en hartelijk op de beide wangen kuste.

De gravin scheen maar half gesteld te zijn op deze onverhoedsche

terugkomst van haar volwassen telg en zeide eenigszins baloorig:

„Mij dunkt, dat je wel eens had kunnen waarschuwen, Dougall. Het is

hier toch geen hotel?”

„Kom, kom, mama, u moet me nu toch wel kennen,” riep Dougall lachend

uit. „Ik weet den eenen dag immers nooit wat ik den volgenden dag zal

doen. Hallo Lord Cecil, hoe gaat het er mee?”

Hij had Lord Binning de hand toegestoken en schudde die zoo krachtig

dat de ander een pijnlijk gezicht trok.

„Het gaat goed, Dougall, merci. Je weet zeker nog niet welk een ongeluk

er hier in huis gebeurd is?”

Dougall deed een stap achteruit en riep uit:

„Een ongeluk? Er is toch hoop ik niets met Grace gebeurd?”

„Met Grace?” kwam de gravin, terwijl ze met ongeduld de schouders

ophaalde. „Wat zou er nu met Grace gebeurd kunnen zijn! Men heeft de

juweelen van je moeder gestolen, haar diamanten halssnoer!”

„Wat?” riep Dougall verschrikt uit. „Het geschenk dat papa u gaf? Het

beroemde halssnoer?”

„Ja.”

„Wanneer is dat gebeurd?”

„Gisteravond en vanmorgen.”

„Wat is dat nu? Is er tweemaal gestolen?” riep Dougall verwonderd.

„Ga zitten, mijn jongen, dan zal ik je vertellen. Je bent zoo akelig

lang geworden. Ik kan zoo niet met je praten.”

„Dat is geen wonder, mama. Als men vijf en twintig jaar is,” riep

Dougall uit.

De gravin beet zich op de lippen en zeide:

„Verleden maand ben je pas vijf en twintig geworden en ga nu zitten en

luister!”

En nu deed de gravin het omstandige verhaal van de berooving, waarbij

Lord Binning een kleine opmerking plaatste.

Dougall had toegeluisterd, zonder zijn moeder een enkele maal in de

rede te vallen en toen ze gereed was merkte hij op:

„Dat is een zeer brutaal stukje. Als het een ander betrof dan juist

mijn mama, dan zou ik bijna zeggen dat het een geniale zet is.”

„Jij mag dat zoo vinden, Dougall, maar ik denk er anders over,” hernam

de gravin op scherpen toon.

„U hebt natuurlijk dadelijk de politie gewaarschuwd.”

„Dat spreekt vanzelf. Ik verwacht ieder oogenblik een detective van

Scotland Yard.”

Maar Dougall schudde het hoofd en hernam op een toon van twijfel:

„Als het werkelijk John Raffles is geweest die den diefstal pleegde, en

daaraan behoeven we niet te twijfelen, dan vrees ik, mama, dat Scotland

Yard er zeer weinig aan doen kan. Ik heb heel veel over Raffles hooren

spreken, tot zelfs in het buitenland, in Zuid-Amerika, en uit al die

gesprekken ben ik tot de overtuiging gekomen, dat hij een te sterke

partij is voor de officieele politie. Hij schijnt over middelen te

beschikken van welken omvang wij ons slechts een klein denkbeeld kunnen

vormen en er is geen sprake van dat Scotland Yard hem met

gelijksoortige middelen zou kunnen bestrijden.”

„Als de officieele detectives ons niet kunnen helpen, dan zullen we

particulieren in de arm nemen,” hernam de gravin met een zijdelingschen

blik op Lord Binning, die er uit zag alsof hij niets liever zou willen

dan afscheid nemen.

„Gij kunt het natuurlijk probeeren en het spreekt ook vanzelf, dat er

iets gedaan moet worden,” hernam Dougall, „maar ik acht het beter u

maar dadelijk te waarschuwen, dat uw kansen om het halssnoer weder in

bezit te krijgen al zeer laag staan. Raffles is niet de eerste de

beste, hij heeft nooit haast en hij zal zeker de fout niet begaan van

bijna alle andere inbrekers en dieven, die zich altijd haasten hun buit

aan den man te brengen en juist daardoor de politie op hun spoor

brengen en in de val loopen.”

„Wij zullen wel zien,” hernam de gravin kortaf, terwijl ze opstond.

Juist werd er op de deur geklopt en trad er een bediende binnen om het

bezoek van James Sullivan aan te kondigen.

Een oogenblik later trad er een krachtig gebouwd man met een schrander

uiterlijk en grijsgroene doordringende oogen onder zwarte borstelige

wenkbrauwen het vertrek binnen.

Die man was James Sullivan, een der beste detectives van Scotland Yard,

en een langjarig tegenstander van den Gentleman-Inbreker.

Lord Binning was opgestaan en wilde van de gelegenheid gebruik maken om

afscheid te nemen, maar de gravin hield hem met een gebaar tegen en

zeide:

„Blijf nog een oogenblik, Lord Cecil, gij hebt mij beloofd, dat ook gij

een onderzoek zoudt instellen en het kan u wellicht van nut zijn te

hooren, wat deze heer te zeggen heeft.”

Gedwee ging zijne Lordschap weder zitten, en nadat de gravin Sullivan

had uitgenoodigd plaats te nemen, deed zij voor de tweede maal op dien

dag het verhaal van de diefstal.

De beroemde detective had haar rustig laten uitspreken, zonder haar een

enkele maal in de rede te vallen en bleef eenigen tijd in gedachten

zitten, nadat zij haar verklaring had afgelegd.

Toen hief hij het hoofd op en zeide:

„Wij behoeven er natuurlijk niet aan te twijfelen, of Raffles is op de

hoogte geweest van de omstandigheid dat de juwelier Orlow voor zaken op

reis moest en dat is niet zoo verwonderlijk, want hij doet zich in

talrijke gedaanten voor en heeft overal zijn connecties. Hij moest er

natuurlijk wel rekening mede houden dat Orlow u wellicht zou schrijven,

dat hij de uitnoodiging niet kon aannemen, maar niets zou hem hebben

belet te zeggen, dat zijn zakenreis eensklaps was afgesprongen, als gij

hem uw verbazing zoudt hebben te kennen gegeven, dat hij toch gekomen

was. Eigenlijk is de zaak zeer eenvoudig, gravin. Wij behoeven niet

meer naar den persoon van den dader te zoeken. Wij weten wie hij is,

want hijzelf heeft dat gezegd. De geheele zaak komt dus hierop neer,

dat wij John Raffles moeten grijpen, maar ik wil u niet verheelen,

gravin, dat dit juist in de hoogste mate bezwaarlijk en misschien wel

onmogelijk zal blijken te zijn. En zie hier, waarom. Niemand onzer

weet, wie of John Raffles eigenlijk is. Alles wat wij weten is, dat hij

zich in honderden gestalten te Londen beweegt, dat hij zich op

ongelooflijk snelle wijze weet te verplaatsen, en dat het reeds eenige

malen is voorgekomen, dat men hem des Zondags te Londen en den Maandag

daarop te New York bevond. Wij weten, dat hij zich de sympathie heeft

weten te veroveren van duizenden armen en gebreklijdenden, die hij

helpt, en die niet zouden aarzelen hem voor ons te verbergen, wanneer

wij hem mochten achtervolgen. John Raffles beschikt over een

schranderheid en een stoutmoedigheid, zooals men het slechts weinig

aantreft en tenslotte over rijkdommen, die inderdaad fabelachtig groot

moeten zijn. Liever dan u met een valsche hoop te vleien, gravin,

verklaar ik u reeds nu openhartig, al is het dan ook met groot

leedwezen, dat het ons zeer moeilijk zal vallen, eenig spoor van

Raffles te ontdekken.”

De gravin had met alle teekenen van ongeduld naar deze toespraak

geluisterd en barstte nu uit: „Maar waar bestaat dan eigenlijk de

Londensche politie voor?”

„Zij bestaat, gravin, om misdadigers te vangen, die men „normaal” zou

kunnen noemen en ik geloof te mogen zeggen, dat zij die zaak niet al te

slecht verricht, maar met tegenstanders als John Raffles is de zaak

anders. Dien kan men met den besten wil van de wereld onmogelijk

normaal noemen. Het is ons bekend, dat hij hier te Londen op zijn minst

een vijftal verschillende huizen moet hebben, die hem als toevlucht

dienen, en waar hij zich snel kan vermommen. Een paar maal zijn we er

in geslaagd, zulk een huis uit te vinden, maar het bracht ons niet veel

verder. Het bleek dan in het bezit te zijn van een geheimzinnig

personage, dat men zeer zelden zag en die natuurlijk steeds een

valschen naam droeg. Wij hielden dan zoo’n huis weken lang, soms zelfs

maanden in het oog, in de flauwe hoop, dat Raffles er zich wel eens zou

vertoonen en dat wij hem dan zouden kunnen arresteeren, maar hij was

steeds slimmer dan wij, hij schijnt wel met een zesde zintuig begiftigd

te zijn, dat hem waarschuwde en bovendien staat het vast, dat hij bijna

alle detectives en rechercheurs in dienst van Scotland Yard van aanzien

kent en hij heeft een zeldzaam geheugen voor gezichten. Wij probeerden

het ook met gewone politieagenten in burgerkleeding gestoken. Raffles

scheen ze op een mijl afstand te ruiken, en bleef buiten hun bereik.

Het is ons zelfs wel eens gebeurd, dat hij naderhand aanwezig bleek te

zijn geweest in een van zijn huizen, dat wij zorgvuldig bewaakten. Hij

was er eenvoudig door een kelder en een geheimzinnige onderaardsche

gang binnen gegaan.”

„Kort en goed, mijnheer Sullivan, gij meent me alle hoop te moeten

ontnemen, dat ik mijn diamanten halssnoer ooit zal terug zien?” riep

gravin Eleonora toornig uit.

„Het is beter dat ge dit doet, gravin, wanneer Raffles het halssnoer

inderdaad in zijn bezit heeft,” antwoordde Sullivan. „Natuurlijk zullen

we alles doen om zijn spoor te ontdekken, maar ik zeide u reeds, dat we

een kostbaar richtsnoer zullen missen, omdat Raffles de diamanten

eenvoudig in zijn brandkast zal weg sluiten en ze daar jaren lang zal

laten om ze later desnoods stukgewijze te verkoopen. Misschien nadat

hij er door slijpen den vorm een weinig van heeft veranderd.”

„Het is goed, mijnheer,” zeide de gravin kortaf. „Ik apprecieer het

tenminste dat gij zoo oprecht tegen mij hebt gesproken. Op mijn beurt

wil ik thans eerlijk zijn en u mededeelen, dat ik thans niet zal

aarzelen, een particulier detective in mijn dienst te nemen, tien als

het moet.”

Sullivan haalde opmerkzaam de schouders op en hernam glimlachend:

„Waar het John Raffles betreft, gravin, kunnen wij ons van Scotland

Yard door zulke maatregelen niet beleedigd achten. Ik wil overigens

volstrekt niets afdoen aan de bekwaamheid van vele amateur-detectives,

maar ik geef u de verzekering, dat zij onmogelijk meer kunnen

verrichten dan de officieele politie. Wees nu zoo goed, mij het snoer

nauwkeurig te beschrijven, men kan nooit weten.”

HOOFDSTUK V.

AMOR EN DE MAMMON.

Het uur van de lunch was aangebroken, en Dougall verliet zijn kamer en

daalde op het hooren van de groote gong, die in de vestibule hing,

haastig de trappen af om zich naar de eetzaal te begeven.

Maar toen hij een hoek van de gang omsloeg, had hij bijna Grace Keating

ondersteboven geloopen, die zich met hetzelfde doel naar beneden wilde

begeven.

Het meisje slaakte een lichten kreet van schrik en vreugde, werd

vuurrood, en stak toen den jongen schuchter de hand toe, terwijl zij

stamelde:

„Je bent dus werkelijk terug, Dougall. Ik dacht dat Hundsley mij voor

het lapje wilde houden. Wat zie je er bruin uit. Is het nu voor lang,

of ga je er over een week al weer uit?”

De jonge man had de beide handen van Grace gegrepen, keek haar diep in

de oogen en zei op fluisterenden toon:

„Zou je liever hebben, dat ik nu maar wat thuis bleef, Grace?”

Het jonge meisje boog het hoofd en antwoordde niet, maar op haar gelaat

scheen Dougall iets te zien, dat hem groot genoegen deed, want hij

zeide opgewekt:

„Ik denk er niet aan, er weer uit te trekken, meisje. Ik geloof, dat ik

hier iets beters te doen krijg. Ik kom nu regelrecht uit Cairo, en ik

weet niet hoe het komt, maar de reis duurde mij ditmaal buitengewoon

lang. Voordat ik weg ging, hadden we een tamelijk ernstig gesprek met

elkander, weet je dat wel, en aan dat gesprek moest ik herhaaldelijk

denken, waar ik ook rond zwierf, in Brazilië, in China, of in het

hartje van Afrika. Er is nu een jaar sinds dien verloopen en nu vraag

ik je nog eens, Grace, houdt je nog een beetje van me?”

In plaats van te antwoorden, verborg het jonge meisje haar hoofdje aan

zijn borst en knikte eenige malen snel achter elkaar zonder op te zien.

Maar met een onderdrukten juichkreet tilde Dougall haar lief gezichtje

bij de kin op, keek haar diep in de oogen en drukte toen het zachtjes

tegenstribbelende meisje een kus op de lippen.

Toen echter rukte Grace zich los en zeide op bestraffenden toon:

„Je moet je schamen, Dougall. Hier op de gang. Als er eens een bediende

aankwam.”

„Welnu, die zullen het toch gauw genoeg te hooren krijgen,” riep

Dougall overmoedig uit. „Ik denk er nu geen gras over te laten groeien.

Wij trouwen heel gauw, kleintje.”

Grace werd nog rooder en zeide toen op guitigen toon:

„Misschien is het goed, dat je je wat haast. Er zijn kapers op de

kust.”

„Wat zeg je daar?” riep Dougall verontwaardigd. „Heeft iemand het

durven wagen, je van liefde te spreken?”

„Wel niet direct, Dougall, maar een vrouw ziet scherp in dergelijke

dingen. Er is iemand, die mij ook heel graag tot vrouw zou willen

maken.”

„Noem den naam van dien aterling en ik zal hem met eigen handen

vermoorden,” riep Dougall op theatralen toon.

„Neen, ik zeg je niet wie het is, dat moet je zelf maar uitvinden,”

riep Grace plagend. „Ik wil je schranderheid eens op de proef stellen,

maar vergis je vooral niet hoor, daar zouden groote ongelukken van

kunnen komen.”

„Nu, ik geloof dat het goed is, dat ik hier ben en dat ik juist

bijtijds ben terug gekeerd,” riep Dougall glimlachend.

„Je had geen week moeten weg blijven, of het ongeluk was gebeurd,” riep

Grace op plagenden toon. „Kom, ik zal je een klein eindje op weg

helpen. Die heer in kwestie is van adel en vanmorgen wilde hij me komen

afhalen in zijn splinternieuwe auto.”

„En? Je bent niet meegegaan?” riep Dougall verheugd uit, terwijl hij

opnieuw de hand van het jonge meisje drukte. „Je hebt dus een groote

hekel aan hem?”

„O, neen, heelemaal niet. De zaak is, tante was me voor, en ging met

hem mee uit rijden.”

„Wat is dat nu? Is mama uit rijden gegaan met een pretendent naar jouw

hand?”

„Zoo is het.”

„En vond die adellijke heer dat goed? Nam hij genoegen met dien ruil?”

„Dat is meer dan ik je zeggen kan, Dougall, en al kon ik het zeggen dan

zou ik het nog niet doen.”

„Nu, ik denk wel, dat ik aan jouw aanwijzingen genoeg heb om spoedig

uit te vinden, welke schelm jou aan mij heeft willen ontfutselen.”

Op dat oogenblik werden er naderende voetstappen gehoord en haastig

namen de geliefden met een kushand afscheid van elkaar, om elkander

spoedig daarna in de eetzaal terug te vinden.

Gravin Eleonora was daar reeds aanwezig, en Dougall had nu spoedig

ontdekt, dat zijn moeder zich in een zeer zenuwachtigen toestand

bevond.

Toch sprak zij gedurenden den lunch weinig meer over den diefstal.

Wel deelde zij terloops mede, dat zij dien middag een conferentie zou

hebben met haar zaakwaarnemer en haar notaris. Zij stond er op, den

omvang van haar vermogen, zooals het nu was, nauwkeurig te laten

vaststellen.

Terwijl de gravin dat zei, had zij haar zoon een schuwen blik

toegeworpen, maar Dougall vond de zaak blijkbaar van weinig belang en

sloeg er in het geheel geen acht op.

Zoodra de buttler, die het kleine gezin met een der knechts had

bediend, en deze het vertrek verlaten had, zeide de gravin Eleonora

haastig en op gedempten loon, zonder de oogen te durven opslaan tot

haar zoon:

„Dougall, ik moet je vanmiddag noodzakelijk spreken. Liefst zoo spoedig

mogelijk. Het is een zaak van belang. Een hoogst ernstige

aangelegenheid.”

Lord Lister No. 0384: Het Diamanten Halssnoer · 第 2 / 4 段