gravin verontwaardigd.
„Dat is waar ook—die had ik bijna vergeten,” riep Lijne uit.
„Denkt gij, mijnheer, dat er eenige kans bestaat, mijn juweelen terug
te krijgen?”
„Gravin—ik herhaal, wat ik u zooeven zeide: Ik ga recht op den man af,
en daarom moet ik u zeggen, reeds bij voorbaat, dat de kans, om uw
halssnoer terug te krijgen, niet alleen niet zeer groot is, maar
daarentegen bijzonder klein.”
„En toch komt gij u bij mij aanmelden?” riep de gravin ongeduldig.
„Gravin, een van mijn beginselen is, dat men zelfs de geringste kans
niet moet veronachtzamen! Wie weet doen er zich wel omstandigheden
voor, waarop wij van te voren niet gerekend hadden, en die ons ondanks
alles toch nog op het spoor van den brutalen Gentleman-Inbreker
brengen. Het is echter volstrekt noodig, dat ik verschillende
bijzonderheden uit uw mond verneem, en dat ik hier in huis een grondig
onderzoek kan instellen.”
„Denkt gij dan dat dat u iets zou baten, mijnheer?” hernam de gravin op
ongeloovigen toon. „Ik kan niet inzien, wat er in mijn huis nog te
onderzoeken valt. Gij denkt toch zeker niet, dat Raffles de juweelen
hier ergens verborgen heeft?”
„Als ik dat dacht, gravin, dan zou ik tevens moeten denken, dat zijn
loopbaan teneinde liep,” riep de detective uit. „Een onderzoek kan
echter in een of ander opzicht van groot nut zijn. Wat ik zeggen wil,
is uw brandkast op dit oogenblik gevuld?”
„Ik heb inderdaad veel geld in huis, mijnheer, want over een kwartier
verwacht ik mijn notaris en zaakwaarnemer, die met mij den stand van
mijn vermogen moeten vaststellen. Maar waarom doet gij mij die vraag?
Dat heeft toch niets met de diamanten te maken?”
„Misschien meer dan gij denkt, gravin,” hernam Lijne. „Vergeet niet,
dat Raffles misschien op de een of andere wijze tot de ontdekking komt,
dat uw brandkast op dit oogenblik goed gevuld is, en dat hij het
misschien op dit oogenblik reeds weet, en dat dus de kans niet is
uitgesloten, dat hij nogmaals terug keert, teneinde een aanval op uw
geldkast te doen.”
„Zou hij dat werkelijk wagen?” riep de gravin op ongeloovigen toon.
„Ik geloof dat er niet veel is, gravin, dat Raffles niet waagt te
ondernemen,” antwoordde Lijne, terwijl hij zijn lichte wenkbrauwen hoog
optrok. „Welnu, wij moeten deze kans aangrijpen—misschien zouden wij
hem kunnen vangen, door, zonder dat hij het merkt, wel te verstaan, een
half dozijn desnoods een dozijn politieagenten op wacht te zetten.”
De detective bleef nog geruimen tijd over dit onderwerp doorpraten,
terwijl de gravin nu en dan een opmerking maakte, totdat Hundsley de
komst aankondigde van de heeren Playford, notaris en Darley,
zaakwaarnemer van mevrouw de gravin, die volgens haar verlangen gekomen
waren, om eenige zaken met haar te regelen.
Lijne was opgestaan en de gravin zeide:
„Het spijt me, mijnheer Lijne,—thans roepen mij de gewichtige
bezigheden, waarover ik u zooeven reeds sprak. Het spreekt vanzelf, dat
ik u volkomen volmacht geef, om alles te doen, wat gij in deze zaak
noodig acht, en dat ik niet op een paar honderd pond sterling zal zien,
wanneer ik er slechts in slaag, mijn juweelen te herkrijgen. Hoor ik
spoedig iets van u?”
„Zeer spoedig, denk ik, gravin,” antwoordde Lijne.
Hij maakte een diepe buiging, en had het volgende oogenblik het vertrek
verlaten.
Intusschen had Hundsley zich reeds weder naar de vestibule begeven,
teneinde de beide heeren te begeleiden naar het vertrek, naast het
boudoir van de gravin gelegen, en waar de brandkast stond opgesteld.
Daar werden zij ontvangen door de gravin, die hen beiden met een paar
woorden verwelkomde, en daarop begon:
„Mijne heeren—ik heb u eenmaal verzocht bij mij te komen, en nu gij er
zijt, kunnen wij gevolg geven aan mijn plan, dat gij kent, ofschoon de
redenen welke er mij toe brachten den juisten staat van mijn vermogen
te leeren kennen op dit oogenblik niet meer bestaan. Dit is echter een
zaak van particulieren aard, welke u waarschijnlijk weinig belang zal
inboezemen. Neem plaats, wat ik u verzoeken mag, dan kunnen wij
dadelijk ter zake komen.”
De notaris en de zaakwaarnemer gingen, na hun overgoed te hebben
afgelegd, aan de groote tafel zitten, die in het midden van het vertrek
stond en begonnen bedachtzaam de dikke portefeuilles te openen en van
hun inhoud te ontdoen, die zij zorgvuldig onder hun arm gekneld
hielden, toen zij binnen kwamen.
Deze bleken een groot aantal paperassen te bevatten, die allen in een
of ander opzicht in verband stonden met het vermogen van de gravin.
Bovendien had Darley een paar dikke registers bij zich, die hij geopend
voor zich legde.
De notaris had een hoornen lorgnet op zijn geweldig grooten neus
geklemd, en begon met kelderstem:
„Met uw welnemen, gravin, zullen wij het eerst een aanvang maken met
den staat van uw onroerend vermogen. Wij hebben dan achtereenvolgens uw
kasteel in Schotland. De waarde van den grond bedraagt op dit oogenblik
iets meer dan een millioen pond, die van het huis twee honderd duizend
pond. Vervolgens hebben wij uw landerijen in Wales, welke wij op dit
oogenblik gevoegelijk kunnen taxeeren op een nominale waarde
van—hoeveel is het ook weer, Darley?”
„Anderhalf millioen pond, twee maal honderd duizend, mijnheer de
notaris,” antwoordde de zaakwaarnemer onmiddellijk.
En zoo werden vervolgens alle bezittingen van de gravin opgenoemd en
becijferd, en na een half uur ongeveer waren de beide heeren tot de
slotsom gekomen, dat de waarde van de onroerende bezittingen van
mevrouw de gravin ongeveer zeven millioen pond bedroegen.
„Als nu gaan wij met uw welnemen, mevrouw de gravin, over tot het
roerende gedeelte,” begon notaris Playford deftig, terwijl hij een
ander vak van zijn onmetelijke portefeuille open knipte. „Het zal u
natuurlijk niet onbekend zijn, dat uw roerend vermogen bij een zestal
Engelsche banken is vastgelegd, en dat het meerendeels bestaat uit
voortreffelijke, soliede effecten, spoorweg- en mijnaandeelen, en
slechts voor een betrekkelijk gering deel, iets meer dan zeven honderd
duizend pond sterling uit contanten. Wij zijn echter niet nauwkeurig op
de hoogte van het vermogen, dat gij in eigen beheer houdt.”
„Ik zal het u onmiddellijk kunnen zeggen, mijn waarde notaris,” hernam
gravin Eleonora, terwijl zij een sleutelbos te voorschijn haalde, en op
de brandkast toetrad.
Zij opende de deur, waarbij Darley haastig toeschoot om haar te helpen,
en daarop werden stapels goudgeld en bankbiljetten uit de kast gehaald
en op de groote tafel neergezet, waarop notaris Playford onmiddellijk
begon met de telling.
Na ongeveer tien minuten werken, en eenig gecijfer, verkondigde hij en
er lag een plechtige klank in zijn stem:
„Twee en tachtig duizend, drie honderd zes en veertig pond, mevrouw.”
„Ik dank u, mijnheer. Gij bespaart mij op deze wijze de moeite het geld
zelf te moeten tellen,” liet eensklaps een heldere stem zich hooren.
Het gordijn, dat de communicatie-deur naar het boudoir verborg, werd
snel op zijde geschoven—en daar trad de detective Lijne het vertrek
binnen.
Voor een der aanwezigen van de schrik en ontsteltenis bekomen was, had
de detective met een bliksemsnelle beweging het tafelkleed aan de vier
punten weggenomen, na er de registers met een enkelen zwaai van zijn
arm te hebben afgeschoven, en liet vervolgens alles wat er op lag met
de snelheid van een goochelaar verdwijnen in de tasch, welke hij ook
reeds zooeven bij zich had, en die wel speciaal voor dit doel gemaakt
scheen te zijn, zij klapte tenminste schijnbaar vanzelf open en weer
dicht, nadat de buit er in verdwenen was.
Vervolgens nam de stoutmoedige indringer met een hoffelijk gebaar zijn
slappen hoed af, en zeide, na een buiging voor het verblufte en
doodelijk ontstelde gezelschap te hebben gemaakt:
„Het doet mij genoegen, gravin en waarde heeren, dat gij mij niet hebt
genoodzaakt, geweld te gebruiken, want daaraan heeft John Raffles
altijd een geweldig groote hekel gehad.”
Nu slaakte de gravin voor het eerst een kreet van woede en schrik.
„John Raffles,” schreeuwde zij. „Dat is dus de derde keer. Maar zal
niemand mij dan van dien bandiet verlossen?”
„Jawel moeder, ik zal het doen,” liet plotseling de stem van Dougall
zich hooren, die op het hooren van een vreemde stem was nader gekomen,
en aanstonds vermoed had wat er gaande was, en nu met opgeheven
revolver op den drempel van de gangdeur stond.
„Handen op,” beval hij met dreigende stem, „en waag het niet, u te
verroeren, want ik verzeker u dat ik zelden mis schiet.”
John Raffles was voor alles een man van de practijk, en hij begreep
wel, dat hij op dit oogenblik aan het kortste einde trok, voorloopig
tenminste.
Hij stak dus langzaam zijn handen op, na de tasch voor zich op den
grond te hebben gezet.
Met de revolver steeds opgeheven trad Dougall langzaam op hem toe en
toen duwde hij met den voet de tasch een weinig terzijde en buiten het
bereik van Raffles.
De jonge man scheen wel eens vernomen te hebben van de stoutmoedigheid
van den Gentleman-Inbreker, en hij begreep heel goed, dat hij al zijn
kaarten zou vergooien, wanneer hij zich ook maar een seconde naar de
tasch zou bukken.
Steeds het oog op Raffles gevestigd houdend ging hij ruggelings naar de
tafel, waar het telefoontoestel stond.
Hij nam den hoorn van den haak, en toen klonk zijn stem:
„Scotland Yard—spoedig als ik u verzoeken mag.”
Een oogenblik bleef het stil.
Raffles stond nog altijd met de handen omhoog geheven, dicht bij een
zware kast, die met boeken gevuld was.
Daarop klonk opnieuw de stem van Dougall in de telefoon:
„Gij spreekt met Mac Dougall. Stuur onmiddellijk een zestal van uw
beste agenten, ik heb John Raffles gevangen.”
„Nog niet!” klonk de stem van den Grooten Onbekende.
Hij was onmerkbaar een weinig terzij geschoven.
Terwijl zijn blikken snel in het rond vlogen, had hij boven op de kast,
juist onder het bereik van zijn uitgestrekte rechterhand, een fraai
bewerkten bronzen olifant zien staan.
Juist op het oogenblik dat Dougall zijn vijanden te hulp had geroepen,
rukte hij het zware voorwerp van de kast en werp het met vaste hand in
de richting van den jongen man.
Het zware voorwerp trof Dougall tegen den rechterarm, juist ter hoogte
van den elleboog.
Met een kreet van pijn liet hij de revolver vallen.
Vlugger dan de gedachte was Raffles er op toegeschoten en een
bliksemsnelle beweging van zijn voet deed het wapen in den versten hoek
van het vertrek vliegen.
In een oogwenk had hij zijn eigen Colt getrokken en op Dougall gericht,
die bleek van woede en met gebalde vuisten machteloos tegenover hem
stond.
Toen begon Raffles, die geen oogenblik zijn kalmte verloren had, en na
een blik op zijn horloge te hebben geworpen:
„Het zal nog wel minstens vijf minuten duren voor de politie hier is,
en van dien korten tijd wil ik even gebruik maken, om u te zeggen, dat
ik volstrekt geen spijt heb over mijn kleine indiscretie, mevrouw de
gravin. Ik stond reeds geruimen tijd achter gindsche deur en ben er dus
getuige van geweest, hoe deze eerwaarde heeren den staat van uw
vermogen opmaakten. Het is reusachtig groot—en toch heb ik tot mijn
leedwezen nog nimmer kunnen constateeren dat gij er veel goede daden
mee verricht. Ik heb een klein onderzoek ingesteld, en daaruit is mij
gebleken, dat uw rentmeesters op uw bevel altijd zeer streng optreden
tegen de pachters, en er nimmer rekening mede houden, als
omstandigheden buiten hun wil, zooals hagelslag of overstroomingen, hen
het betalen van de pachten zeer moeilijk maken! Eigenlijk gezegd is mij
dat van u zeer tegen gevallen. Ook bij het inteekenen op
weldadigheidslijsten houdt gij u liefst, uit verkeerd geplaatste
bescheidenheid, zoover mogelijk op een afstand. Verzoeken om onderstand
van menschen, die het ten volle verdienen, dat zij geholpen zouden
worden, vinden bij u nimmer een gunstig onthaal! Kortom, gij behoort
tot die rijken, in wier handen het geld tot een doode, logge,
onvruchtbare massa wordt—voor niemand tot iets dienstig, niet eens voor
u zelve. Wat ik u heb afgenomen beteekent voor u slechts een zeer
gering deel van uw groot vermogen—ik daarentegen kan er zeer veel goed
mee doen—en dat zal ik ook. Vier minuten zijn om, mevrouw de gravin, en
mijne heeren—ik zal verplicht zijn u te verlaten.”
Terwijl Raffles de revolver voortdurend op Dougall gericht hield, nam
hij met een vlugge beweging de tasch met den kostbaren inhoud weder van
den vloer.
Wat de notaris en de zaakwaarnemer betreft—zij zaten als verwezen aan
de tafel, niet in staat, om maar een vingerlid te verroeren.
De gravin was krijtwit van drift, en beefde over al haar leden—het zou
slechts een kwestie van tijd zijn, of zij zou, voor den derden keer in
slechts een etmaal, opnieuw in zwijm vallen.
Met een enkelen sprong was Raffles bij de deur van de gang en nu stond
hij buiten.
Hij draaide den sleutel in het slot om en met een paar stappen was hij
bij den hoek van de gang verdwenen.
Reeds hoorde hij achter zich een deur open rukken, waarschijnlijk die
van het boudoir, en hij begreep dat zijn voorsprong niet zeer groot
was, en dat men spoedig het geheele huis bijeen zou hebben geschreeuwd.
Hij had de tasch met den buit aan een opzettelijk daartoe aangebrachten
haak voor den borst gehangen, teneinde de beide handen vrij te hebben
en liet zich nu met de vlugheid van een aap langs de trapleuning naar
beneden glijden.
Juist toen hij den eersten overloop bereikt had, ging er een deur open
en Grace stak verschrikt haar hoofdje naar buiten, aangelokt door het
geschreeuw en de voetstappen.
„Mejuffrouw, gij zijt allerliefst en gij verdient het, de vrouw te
worden van Dougall, die een ferme kerel is—maar thans zijt gij mij
werkelijk een weinig in den weg.” En met zachten dwang duwde hij het
meisje weder in haar kamer en deed de deur op slot om dadelijk weer
verder te snellen.
Tot zijn geluk hadden de bedienden nog niets van zijn jacht bemerkt.
Daardoor was het hem mogelijk de achtertrap te bereiken, deze op
dezelfde vliegensvlugge wijze af te dalen en het huis langs een zijdeur
te verlaten.
Op hetzelfde oogenblik kwam over het Cleveland Square een politieauto
aanrazen, die dadelijk daarna stilstond voor den hoofdingang.
Raffles glimlachte.
„Dat is een voortreffelijk huis, met zijn twee zij-ingangen,” bromde
hij voor zich heen.
Hij stak de hand op en dadelijk kwam een huurauto aanrijden, die door
niemand anders dan door Charly Brand bestuurd werd.
Raffles sprong in het voertuig, dat aanstonds in allerijl door de
zijstraat weg stoof, op hetzelfde oogenblik dat door de voordeur niet
zes, maar wel twaalf agenten als een troep krijgszuchtige Indianen het
groote heerenhuis kwam binnenstormen....