„Gravin, ik heb hofbals bijgewoond, hier te Londen, te Madri

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 384 HET DIAMANTEN HALSSNOER.

HET DIAMANTEN HALSSNOER.

HOOFDSTUK I.

HET COLLIER VAN GRAVIN MAC DOUGALL.

Niet ver van de Kensington Gardens, en ten noorden van dit prachtige

park, hetwelk deel uitmaakt van het wereldbefaamde Hyde Park, bevindt

zich de Cleveland Square, waar slechts de rijkste en deftigste

Londenaars wonen, die er allen hun eigen huizen hebben, voor zeer

aanzienlijke kapitalen gekocht, daar de grond hier bijna even duur is

als in het hartje van Londen.

In het midden van het plein van dien naam strekt zich een vrij groot

plantsoen uit, waar het altijd zeer stil en rustig is.

Des middags ziet men er de kinderen van de rijke lieden, die aan het

plein wonen, spelen onder de hoede van deftige nurses, Fransche

gouvernantes en zelfs van Duitsche fräuleins.

Ter rechterzijde van het plein verheft zich ongeveer in het midden een

alleenstaand huis, hetwelk gebouwd werd tijdens het renaissance

tijdperk, en sedert dien tijd het eigendom is van het geslacht der

graven Dougall.

Het is een trotsch, zeer groot huis, van grijze steen opgetrokken en

aan drie zijden omgeven door een zelfs voor deze buurt zeer grooten

tuin, terwijl een breed grasveld, doorsneden door een oprijlaan, welke

op het marmeren terras uitloopt, het heerenhuis scheidt van den

openbaren weg.

Op het oogenblik, waarop ons verhaal een aanvang neemt, werd het huis

bewoond door gravin Eleonora Mac Dougall, een trotsche telg voor haar

geslacht en die zich, ondanks haar vijftig jaren, gaarne een air van

jeugdigheid gaf, hetgeen haar moeilijk viel, daar zij zeer lang, zeer

mager en ten overvloede, verre van mooi was.

Haar echtgenoot was reeds in de eerste dagen van den wereldoorlog

gevallen, een van haar beide zoons zocht het adellijke schoon in

Schotland, en de tweede, een jonge man van zes en twintig jaar deed

weinig anders dan door de geheele wereld reizen en zijn moeder zag hem

slechts zelden, hetgeen zij slechts ten halve betreurde, want de flink

opgeschoten Dougall, met zijn zware knevel was er niet bepaald toe

geschikt, haar jonger te maken en booze tongen beweerden dat de gravin

volstrekt geen tegenzin had in een tweede huwelijk, ingeval er slechts

aannemelijke aspiranten kwamen opdagen, van adel als zij, rijk als zij

en op wiens verleden natuurlijk niets mocht zijn aan te merken.

De vijandinnen van gravin Eleonora, en zij waren talrijk, verklaarden

onomwonden dat de bewoonster van het prachtige huis aan het Cleveland

Square een zottin was, en haar benijdsters, die waren er nog talrijker,

mompelden, dat er allicht een man te vinden zou zijn, zotter dan zij,

die lust en moed zou gevoelen, de spichtige, trotsche en verre van

aantrekkelijke dame ten huwelijk te vragen.

Gravin Eleonora liet de booze tongen praten, lachte minachtend met haar

dunne, bloedelooze lippen en gaf ondertusschen partij op partij in haar

prachtig huis.

Menigeen vroeg zich af, waartoe eigenlijk dit heerenhuis met zijn vijf

en twintig kamers en zijn zes zalen, door de gravin als woonstee was

uitverkoren, want zij verbleef daar slechts in gezelschap van haar

jeugdige nicht, Miss Grace Keating, de spruit van een verarmde zijlinie

van het grafelijk geslacht, die zij tot dame van gezelschap had

verheven, een oude huishoudster, Miss Arabella More geheeten, en voorts

de noodige bedienden, die onder bevel stonden van een deftigen ouden

buttler, die reeds tientallen jaren in dienst van Mac Dougall was.

De gravin had in Londen nog twee andere huizen, heel wat kleiner dan

dit en die zeker vrij wat geriefelijker waren, maar zij had er nu

eenmaal haar zinnen op gezet, in dit paleisachtige huis te wonen, dat

zich in ieder geval beter leende om partijen te geven.

Het seizoen was niet lang begonnen en het was in het laatst van

November toen er weder een soiree plaats vond, door gravin Eleonora

gegeven, waarop tal van edellieden, bekende kunstenaars,

parlementsleden, steunpilaren van de beurs en eenige zeer rijke

industrieelen waren uitgenoodigd.

De soiree werd gegeven in een der vleugels van het groote heerenhuis,

waarvan de eerste verdieping daghelder verlicht was.

Daar bevond zich een van de groote zalen, die gemakkelijk zes honderd

personen kon bergen en die voor dergelijke doeleinden bij uitstek

geschikt was.

Drie zware electrische kronen hingen van het rijk versierde plafond af,

dat door niemand minder dan den beroemden Franschen kunstenaar

Fragonard beschilderd was en zij deden de groote zaal in een zee van

licht baden.

Een drietal kleinere nevenvertrekken waren tevens bestemd om de gasten

van gravin Mac Dougall te ontvangen en in een er van was een koud

buffet aangericht waar men zich door een van de vier bedienden, die

hier hadden post gevat, fijne spijzen kon laten toereiken, welke men

staande moest nuttigen.

Een paar honderd personen hadden gevolg gegeven aan de uitnoodiging van

de gravin en daaronder waren zeer vele jongelieden, want er zou gedanst

worden.

Gravin Eleonora had wel begrepen, dat zij deze concessie moest doen,

want zij bezat nog juist genoeg zelfkennis om in te zien, dat haar

conversatie en haar goede keuken alleen niet voldoende zouden zijn, om

gasten tot zich te lokken.

Een strijkje van vier man, op een verhevenheid achter een fraai bewerkt

kamerschut opgesteld, speelde bijna voortdurend sleepende walsen en

zelfs nu en dan een Two step, hetwelk oogluikend door de gravin werd

toegelaten, die niet voor al het goud van de wereld zou wenschen, dat

men haar voor benepen of achterlijk hield.

De gravin zelve had haar gasten bij de breede dubbele deur, die van de

groote zaal direct uitkwam op het portaal, waarop de geweldige marmeren

statietrap toegang gaf, begroet.

Zij was gekleed in een baljapon van zeegroene zijde, tamelijk laag

gedekoletteerd en zoo kort, dat men de fijne enkels goed kon

bewonderen, de eenige uiterlijke schoonheid, waarop de gravin in dit

stadium van haar leven nog kon bogen en welke zij dan ook druk

exploiteerde.

Het nog altijd blonde haar, waaruit het grijze zorgvuldig was

verwijderd, was zeer hoog opgemaakt en dit deed haar smal gelaat nog

langer en beenderiger schijnen.

Maar voor alles werd de aandacht van den bezoeker getrokken door het

collier van prachtige diamanten, hetwelk gravin Eleonora om den hals

droeg.

Het was een drievoudig snoer, de diamanten waren van het zuiverste

water en de grootste, bijzonder vaak geslepen, waren niet veel kleiner

dan een duivenei.

De gravin droeg dit halssnoer slechts bij feestelijke gelegenheden en

vrij wat gasten kenden het reeds, en wisten er de waarde van. Graaf Mac

Dougall had er in het begin van zijn huwelijk de kapitale som van vijf

en veertig duizend pond sterling voor moeten betalen.

En sedert dien was het kostbare kleinood zeker nog in waarde

toegenomen.

Niet ver van de gravin verwijderd stond een bevallig jongmeisje, in een

smaakvol baltoilet.

Dat was Miss Grace Keating.

Zij kon hoogstens twintig jaar zijn en ondanks de minder aangename

positie welke zij in het huis bekleedde, straalden de mooie donkere

oogen van levenslust in het ronde, blozende gezichtje, dat omgeven werd

door een overvloed van zwart haar en glanzende krullen.

Ook zij nam deel aan de begroeting en nu en dan wenkte gravin Eleonora

haar en gaf op zachten toon een of ander bevel, hetwelk het jonge

meisje zich haastte op te volgen.

Maar ten slotte trok de gravin zich toch uit haar vooruitgeschoven

stelling bij de deur terug en mengde zich onder haar gasten.

En het duurde niet lang, of dezen zagen haar in druk en opgewekt

gesprek met Lord Binning, een man van omstreeks vijftigjarigen

leeftijd, die nog zeer groote zorg aan zijn uiterlijk besteedde en niet

geschroomd had zijn haar en korte snor gitzwart te verven.

Men zeide van hem, dat hij de beste kleermaker van Weenen zijn

clandisie gunde en dat deze kunstenaar hem wist te kleeden op een

wijze, zooals geen Londensche tailleur hem kon verbeteren.

En aanstonds nam het gefluister een aanvang.

En het fluisteren werd tot mompelen, toen de gravin achtereenvolgens

twee dansen met Lord Binning danste.

Het was zoo duidelijk als de dag, de gravin had den Lord reeds zoo goed

als in haar netten en het zou niet lang duren of men zou een sierlijke

kaart ontvangen, waarin Lord Binning kennis gaf van zijn voorgenomen

huwelijk met gravin Eleonora Mac Dougall.

Ook deed zijne Lordschap een paar dansen met Miss Grace, maar dat

beteekende natuurlijk niets.

Iedereen hier in het vertrek wist, dat Lord Binning weliswaar een

adellijken titel had, maar weinig contanten, en dat hij leefde van de

opbrengst van een paar landgoederen, die intusschen zwaar

verhypothekeerd waren en waarvan hij bijna geen roede zijn eigendom kon

noemen. En Miss Grace was arm, zij had volstrekt niets te wachten, voor

zoover men wist, en zij was al evenmin van adel, want verarmde

zijtakken kon men toch met den besten wil niet tot den hoogen adel

rekenen.

Lord Binning zou dus een domheid doen als hij het meisje ten huwelijk

vroeg, en tot een domheid achtten degenen die hem goed kenden, Mylord

niet in staat.

Intusschen scheen de gravin het samenzijn van Lord Binning en haar

nichtje met tamelijk scheele oogen aan te zien, en zij scheen deswege

op tamelijk vinnigen toon een paar woorden tot het meisje te richten,

dat beurtelings vuurrood en bleek werd en zich in een hoekje terug

trok, waaruit zij echter spoedig weer werd te voorschijn gehaald door

een knappen luitenant van de garde, die zich om alles minder bekommerde

dan om het zure kijken van zijn gastvrouw, of door het verbod, door

haar uitgevaardigd.

Het kon echter niet ontkend worden, dat gravin Eleonora succes had met

haar soiree. De gasten schenen zich goed te amuseeren. Het koude buffet

was overvloedig en voortreffelijk ingericht. De vier muzikanten schenen

onvermoeibaar en men had een uitmuntend onderwerp voor een gesprek

gevonden, in een drietal schandalen in de groote wereld, die op dat

oogenblik alle tongen in beweging brachten.

Zoo werd het half twaalf, en reeds hadden een aantal gasten zich terug

getrokken, die wisten, dat de gravin aan haar uiterlijk verplicht

meende te zijn, haar gezondheid zooveel mogelijk te ontzien en dus

nooit heel laat op bleef.

Op dat oogenblik trad er een heer van middelbaren leeftijd, met een

tamelijk ouderwetsche rok aan, maar in wiens overhemd een paar kostbare

zwarte parels glansden, met nog koolzwart glanzend haar en een

uiterlijk, dat duidelijk zijn Slavische afkomst verried, buigend en met

wrangen glimlach op de lippen op de gravin toe.

Het was Paul Orlow, de juwelier van het Strand.

Hij was ongeveer een half uur geleden verschenen en had de eer genoten,

eenige walstoeren met zijn grafelijke gastvrouw te mogen doen, die hem

wel kende, daar zij vroeger wel eens iets in zijn welbekende zaak

gekocht had en er ook nu wel eens reparaties liet verrichten.

Orlow bleef voor haar stil staan, kuchte een paar maal verlegen achter

zijn hand, als iemand die niet weet hoe te beginnen en zeide toen, na

een snellen blik om zich heen te hebben geworpen:

„Verschoon mij, mevrouw de gravin. Hebt gij wellicht eenige minuten

voor mij?”

Gravin Eleonora trok haar wenkbrauwen hoog op, als vreesde zij niet

goed te hebben verstaan.

„Ik zou niet zoo vrijpostig zijn, gravin,” vervolgde de juwelier

haastig, „als ik niet iets zeer belangrijks en voor u zeer onaangenaams

heb mede te deelen. Het spijt mij dat ik dit juist bij deze gelegenheid

moet doen, maar ik durf de waarheid niet langer verborgen te houden.”

„Mijn hemel Orlow, gij maakt mij aan het schrikken,” riep de gravin

uit, nu werkelijk ontsteld door de woorden van den juwelier. „Wat kunt

gij mij wel hebben mede te deelen. Is de ring zoek geraakt of gestolen,

dien ik een paar dagen geleden bij u liet brengen?”

„Uw ring ligt in mijn brandkast, gravin,” antwoordde Orlow zacht. „Het

is veel erger, veel veel erger, maar ik kan het u hier niet zeggen in

de balzaal en daarom verzocht ik u, mij in een van uw vertrekken even

te woord te staan. Ik heb met opzet gewacht, tot de soiree bijna

geëindigd is, want ik moest wel vreezen, gravin, dat gij, als gij mij

zult hebben aangehoord, weinig lust zult gevoelen uw taak als gastvrouw

voort te zetten.”

Nu nam gravin Mac Dougall zonder verder een woord te spreken den

juwelier bij een mouw van zijn rok en trok hem, zonder acht te slaan op

haar gasten die vrij verbaasd toekeken, met zich mede, de groote zaal

uit, dwars het portaal over en tenslotte een klein fraai vertrek

binnen.

Zij had bij het binnenkomen den schakelaar omgedraaid, sloot nu de

deur, duwde Orlow zonder omslag in een stoel neer en zeide toen

ongeduldig, terwijl haar dunne lippen een weinig trilden:

„Zeg me nu spoedig wat ge te zeggen hebt, Orlow. Ik kan me volstrekt

niet begrijpen wat het is, wat ge me onder vier oogen moet mededeelen.”

„Het is zeer moeilijk om het u te zeggen, gravin,” begon de juwelier

stotterend.

En terwijl hij deze woorden sprak, gleden zijn blikken naar het

diamanten halssnoer, hetwelk gravin Eleonora om haar mageren gelen hals

droeg.

En onwillekeurig gleed de zwaar beringde hand van de gravin langzaam

naar boven en haar beenige vingers betastten zenuwachtig de kostbare

steenen.

„Wat kijkt ge naar mijn halssnoer, Orlow,” vroeg ze toen. „Alle steenen

zijn er toch nog? Maar man spreek toch. Zie je niet dat ik op heete

kolen zit.”

„De steenen zijn er nog allen, gravin,” hernam Orlow op fluisterenden

toon, terwijl hij schuw langs zijn gastvrouw heen keek, „maar zij zijn

valsch.”

Het was goed, dat de gravin juist voor een sofa stond, want ze knikte

als het ware dubbel, alsof haar beenen plotseling onder haar waren weg

geslagen, en staarde toen Orlow aan, alsof zij vreesde met een gek te

doen te hebben.

Toen herhaalde zij heesch:

„Valsch. Zijt gij niet goed bij uw verstand? Durft gij beweren, dat het

collier, dat ik vijf en twintig jaar geleden van mijn echtgenoot kreeg,

niet echt is.”

„Het collier, dat mijnheer uw echtgenoot u schonk, gravin, is zonder

eenigen twijfel echt geweest. Ik ken het. Ik heb het herhaaldelijk

gezien, maar de snoeren diamanten, welke gij daar om den hals draagt,

zijn niet dezelfde. Ik had zooeven de eer, met u te mogen walsen, ik

had alle gelegenheid het halssnoer te bewonderen en ik kon er niet aan

twijfelen, de prachtige steenen waren vervangen door anderen, die door

een meesterhand moeten zijn nagemaakt. Wilt gij mij veroorloven het

snoer van wat naderbij te bezien?”

Als onder den invloed van een boozen droom, maakte de gravin langzaam

de sluiting los en overhandigde Orlow het drievoudige snoer, dat

tintelde en schitterde in het electrische licht.

De juwelier bekeek een tiental van de steenen met de grootste aandacht

door een kleine loupe, die hem slechts zelden verliet, nam er een

tusschen duim en wijsvinger van zijn linkerhand, en maakte met den

diamant die in den dikken gouden ring van zijn rechterpink prijkte, een

streepje op den steen.

De kras was duidelijk zichtbaar.

Zwijgend liet hij den bekrasten steen aan de gravin zien, die het snoer

weder aannam en er als wezenloos naar staarde.

Toen hernam de juwelier op een toon van beklag:

„Kristal, gravin, bergkristal, uit de Jura. Een zeer harde soort, die

ook niet heel goedkoop is, maar toch moet ik u tot mijn spijt zeggen,

dat ik voor dit snoer, zooals het daar is, niet meer zou over hebben

dan veertig pond sterling, en dan nog, omdat er voor ongeveer dertig

pond goud aan zit. Hoe het mogelijk is, dat men de steenen van uw snoer

heeft kunnen vervangen, zonder dat gij het bemerkt hebt, dat weet ik

natuurlijk niet. Maar ik kan u niet in het onzekere laten betreffende

het feit, dat ze zijn nagemaakt.”

Nog voor Orlow geheel uitgesproken had, gleed de gravin langzaam van de

sofa op den vloer. Zij was flauw gevallen.

HOOFDSTUK II.

VALSCHE EN ECHTE DIAMANTEN.

Het was in den morgen, die volgde op het soiree van de gravin van Mac

Dougall en omstreeks half tien, toen er een eenvoudige huurauto stil

hield voor het hek, dat het grasperk voor het prachtige heerenhuis der

gravin afsloot. Een ongewone verschijning voorzeker in die deftige

buurt, waar men zelden iets anders zag dan eigen auto’s en fraaie

equipages.

Uit de auto stapte een rijzig man, smaakvol gekleed, recht als een

kaars en met doordringende grijze oogen.

Hij wisselde eenige woorden met den chauffeur, die knikte, een krant

uit zijn zak haalde, en op zijn gemak begon te lezen, als iemand die

eenigen tijd zou moeten wachten, en volgde daarna met snelle schreden

het oprijpad.

Hij beklom het terras, en trok aan de ouderwetsche zware koperen bel

aan de huisdeur.

Het duurde eenigen tijd voor de deur geopend werd door een bediende,

die den bezoeker een tamelijk verbaasden blik toewierp, zijn kleederen

taxeerde en vroeg:

„Wat wenscht gij, mijnheer?”

„Ik wensch mevrouw de gravin te spreken.”

De bediende trok zijn wenkbrauwen hoog op en hernam, alsof hij zijn

ooren niet vertrouwde:

„Gij wilt mevrouw de gravin spreken? Om half tien in den morgen. Maar

de gravin kan nog nauwelijks haar kamer hebben verlaten.”

„Dat doet er niets toe, mijn vriend,” zeide de bezoeker bedaard. „Ik

weet zeker dat zij me zal ontvangen, wanneer je zegt, dat ik in de zaak

van de diamanten kom en dat ik haar dienaangaande een zeer belangrijke

mededeeling heb te doen.”

„De diamanten? Welke diamanten?” vroeg de bediende verwonderd.

„Weet je er niets van?” kwam de bezoeker nu. „Nu het is ook eigenlijk

geen zaak, die het personeel aangaat,” liet hij er op hoogen toon op

volgen, die niet naliet indruk op den huisknecht te maken.

Hij deed de deur wat verder open, liet den bezoeker in de reusachtige

hal en zeide toen, terwijl hij een reusachtigen leunstoel vooruit

schoof:

„Ik zal in ieder geval mevrouw de gravin uw verzoek om haar te spreken

overbrengen. Wees zoo goed om even te wachten.”

De bezoeker was gaan zitten zonder nog iets te zeggen en wachtte.

De bediende kwam in heel wat vlugger tempo terug, dan hij gebruikt had

om de marmeren trap te bestijgen en hij had deze nog niet halverwege

afgedaald, toen hij den bezoeker toeriep:

„Mevrouw de gravin laat verzoeken bij haar te komen.”

De bezoeker stond op, besteeg op zijn beurt de trap, waar de bediende

hem wachtte en volgde deze totdat de man stil stond voor een hooge, wit

gelakte deur, niet ver van het einde van de trap.

Hij klopte aan en daar hij geen naam kon noemen, liet hij den bezoeker

zwijgend passeeren. Hij sloot de deur weder achter hem.

Uit een gemakkelijken stoel, dicht bij een der vensters, was gravin

Eleonora opgestaan, gekleed in een peignoir, welke zij blijkbaar

haastig had omgeslagen en die eigenlijk beter geschikt geweest zou zijn

voor een vrouw in de glans van haar jeugd en schoonheid.

Daar zij blijkbaar een slechten nacht had doorgebracht en

oogenschijnlijk ook nog geen tijd had gevonden de tallooze

schoonheidsmiddeltjes aan te wenden, waarmede zij zich placht te

verjongen, vertoonde zij op dit oogenblik een uiterlijk, dat Lord

Binning zeker zou hebben afgeschrikt, als hij het had kunnen zien.

Zij deed een paar schreden in de richting van den bezoeker, keek hem

met haar knipperende, sterk bijziende oogen aandachtig aan en zeide

toen:

„Gij komt hier in verband met de diamanten. Hoe is het mogelijk,

mijnheer, hoe kunt gij weten wat er hier gisteren is voorgevallen? Ik

had het geheim gehouden en ook Orlow verzocht er volstrekt niet over te

spreken.”

„Ik wist het niet gravin, ik vermoedde het slechts,” antwoordde de

bezoeker glimlachend. „Ik was natuurlijk op de hoogte van uw soiree, ik

wist dat gij daarbij uw diamanten halssnoer zoudt dragen, en ik wist

evenzeer dat de juwelier Orlow het plan koesterde, naar uw soiree heen

te gaan.”

„Dat begrijp ik niet,” hernam de gravin met starenden blik. „Al wist

gij dat alles, hoe kon gij dan vermoeden, dat Orlow tot de ontdekking

zou komen, van....”

„Van de valschheid uwer diamanten, gravin?” vulde de bezoeker op kalmen

toon aan. „Ik kan mij voorstellen, dat gij u hierover verbaast, maar uw

verwondering zal minder groot zijn, als ik u zeg, dat ik wel zeer

nauwkeurig op de hoogte moest zijn, om de afdoende reden, dat ik de man

ben, die uw diamanten gestolen heb.”

De gravin plofte meer dan zij neerzat in een stoel, die zich onder haar

bereik bevond en keek den bezoeker aan met een mengeling van schrik,

ongeloof en woede.

Toen herhaalde zij toonloos:

„Die mijn diamanten gestolen heeft? Die ze veranderd heeft voor

valsche? En dat durft gij mij hier in mijn eigen huis komen

mededeelen?”

„O, daar is niet zooveel moed toe noodig, gravin”, antwoordde de

bezoeker rustig. „Gij zult wel begrijpen, dat ik mijn maatregelen heb

genomen. Ik zie daar bijvoorbeeld een telefoontoestel staan, waarvan

gij u zoudt kunnen bedienen, maar ik moet u zeggen, dat het weinig zou

baten, want de draden zijn doorgeknipt. Gij hebt niet met een beginner

of met een onhandigen sukkel te doen. Ik ben John Raffles.”

De gravin schoof met den rug den stoel achteruit en geruimen tijd kon

ze geen woord over haar lippen brengen. Toen fluisterde zij op heeschen

toon:

„John Raffles, de Gentleman-Inbreker, op wiens hoofd een prijs van twee

duizend pond sterling is gesteld.”

„Sedert vele jaren, gravin, en zonder dat Scotland Yard ooit die som

heeft behoeven uit te betalen.” bevestigde Raffles glimlachend en met

een kleine buiging.

„Ik heb menigmaal staaltjes van uw stoutmoedigheid en weergalooze

onbeschaamdheid gehoord, John Raffles, maar ik wist niet dat ge dit

zoudt durven,” riep de gravin uit.

„Wat valt er eigenlijk te durven, gravin?” kwam Raffles met een

onschuldig gelaat.

„Vraagt gij dat nog?” riep gravin Eleonora uit. „Al kan ik niet

telefoneeren, denkt gij daarom dat gij ongemoeid mijn huis zult

verlaten?”

„Daar ben ik volkomen zeker van, gravin,” antwoordde Raffles op

denzelfden bedaarden toon.

„Maar ik zal schreeuwen. Ik zal het huis bij elkaar roepen. Ik zal

drie, vier bedienden voor de huisdeur op post zetten,” riep de gravin

woedend uit.

„En dacht gij met zulke onnoozele hulpmiddeltjes een man als John

Raffles te beletten uw huis te verlaten?” vroeg Raffles

schouderophalend. „Ik zie wel, dat ge mij niet kent, gravin.

Veronderstel eens, dat ik u niet verhinderde uw stem uit te zetten,

dacht u soms, dat ik niet verre weg de meerdere zou zijn, met mijn

revolver en.... eenige andere werktuigjes, tegen eenige ongewapende

bedienden. Denkt gij soms, dat ik niet weet dat er wel drie andere

uitgangen zijn, dan de voordeur en dat ik hun plaats niet zeer

nauwkeurig ken? Lieve hemel, bij uw eerste gil zou ik reeds de trap af

zijn en op straat staan. Kom, gravin, laten we liever rustig met

elkander praten.”

„Wat, ik zou praten met John Raffles?” riep de gravin bleek van woede

uit.

„Ik verzeker u, gravin, dat ge daardoor u zelf volstrekt niet zoudt

vernederen,” hernam Raffles koeltjes. „Zonder iets te willen afdingen

op uw rijkdom en uw positie in de maatschappij, kan ik u wel zeggen,

dat nog heel andere personen van rang en aanzien met John Raffles

hebben gesproken. Goedschiks of kwaadschiks.”

Hoewel nog steeds bevend van woede en machtelooze wraakzucht nam gravin

Eleonora op den stoel plaats en zeide op hoogen toon:

„Zeg dan wat gij mij te zeggen hebt, mijnheer, ofschoon ik mij

volstrekt niet kan voorstellen, wat gij mij wel mede te deelen kunt

hebben. En maak het kort, wat ik u verzoeken mag.”

„Ik zal het niet langer maken, gravin, dan volstrekt noodzakelijk is.

Gij hebt het mij wel niet verzocht, maar ik zal toch zoo vrij zijn,

plaats te nemen, want ik ben niet gewend dat men mij laat staan, zelfs

niet ten hove.”

„Ten hove,” herhaalde de gravin met een minachtend schouder ophalen.

„Ik heb wel eens hooren verhalen van uw groote stoutmoedigheid, John

Raffles, maar voor gij mij zoudt kunnen wijs maken, dat gij ooit een

voet aan het hof hebt gezet, zou er heel wat moeten gebeuren.”

„Gravin, ik heb hofbals bijgewoond, hier te Londen, te Madrid, en te

Berlijn, toen daar nog keizer Wilhelm aan het bewind was. Gij moogt mij

gelooven of niet, maar het is de waarheid. Laat ik er onmiddellijk aan

toevoegen dat mijn bezoeken in al die gevallen vrij onaangename

gevolgen hadden voor dezen of genen grootwaardigheidsbekleeder en

eenmaal had ik zelfs de eer en het groote voorrecht, koning Alfons van

Spanje onder mijn slachtoffers te mogen rekenen, bijna had ik gezegd,

onder mijn clientèle. Wanneer mevrouw de gravin zich wellicht de

desbetreffende verslagen in de dagbladen wil herinneren, zou zij moeten

erkennen, dat ik geen naneef ben van baron van Münchhausen. Van

opsnijden heb ik een ingekankerde afkeer. Nu echter ter zake, want ik

zou bijna vreezen misbruik te maken van uw vriendelijkheid.”

„Van mijn vriendelijkheid,” barstte de gravin uit. „Waagt gij het,

mijnheer, mij voor den gek te houden? Gij schijnt te meenen, dat gij

volkomen veilig zijt.”

„Dat meen ik ook, gravin, meer nog, ik ben er zeker van. Ik behoor niet

tot die lieden die over een nacht ijs gaan en voor ik mij kwam

aanmelden, zoo vroeg in den morgen, heb ik mij deugdelijk overtuigd,

dat men mij hier niet al te zeer in den weg zal loopen en ik ken alle

trappen, gangen, vertrekken en ramen in uw huis, de balkons en de

brandladder, de kelder zoowel als de zolder, minstens even goed en

waarschijnlijk beter dan gij zelf. Ik had het genoegen een paar weken

in uw dienst te zijn, jammer genoeg hebt gij mij toen wegens

onverbeterlijke dronkenschap moeten ontslaan.”

„Wat, die huisknecht, dien man dien ik een paar weken geleden in dienst

nam,” stamelde de gravin.

„Die man was ik, gravin,” zeide Raffles met een vriendelijken glimlach

op zijn gelaat en een beleefde buiging. „Ik moest wel tot deze kleine

list mijn toevlucht nemen, teneinde op de hoogte te komen van de beste

wijze, de steenen van uw collier te kunnen vervangen door anderen,

hetgeen mij een paar dagen geleden gelukt is, en nu mijn voorstel,

gravin.”

„Een voorstel,” kwam de gravin verwonderd en verontwaardigd,

„Of mijn aanbod, als gij dat woord soms liever hoort.”

De gravin stampvoette van drift en zeide toen tusschen de tanden:

„Laat hooren.”

„Gij staat dus voor het feit, gravin,” begon Raffles met de grootste

kalmte, „dat gij uw juweelen kwijt zijt, en dat ik ze vervangen heb

door kunstmatige. Wel ga ik er niet prat op, dat mijn steenen de

vergelijking kunnen doorstaan met die, welke thans vervaardigd worden

door de Nobelmaatschappij, maar ik geloof toch, dat de mijne heel

aardig zijn, dat een man als de juwelier Orlow ze herkent, verwondert

mij niet zeer, want hij is een bekwaam man, maar ik geloof wel te mogen

zeggen dat niet vele leeken op de gedachten zijn gekomen, dat uw

diamanten collier niet het collier was, hetwelk wijlen uw echtgenoot u

schonk.”

„Dat doet er niet toe, mijnheer,” riep de gravin uit. „Al zou niemand

het kunnen zien, zelfs de bekwaamste deskundige niet, denkt gij soms,

dat een gravin Mac Dougall met valsche diamanten wil loopen?”

„Ik heb steeds het tegendeel gedacht, gravin, en juist daarom ben ik

hier gekomen, teneinde u het voorstel te doen, uw diamanten van mij

terug te koopen.”

Raffles liet zich nonchalant achterover in zijn stoel terug vallen en

keek de gravin glimlachend aan, die naar adem snakte en aanstalten

scheen te maken flauw te vallen.

Zij wist zich echter te beheerschen en zeide:

„Gij waagt het mij het voorstel te doen, mijn eigen diamanten terug te

koopen? Dat is wel het toppunt van onbeschaamdheid.”

„Ik ontken het niet, gravin. Het is mogelijk, dat ge daarin gelijk

hebt. Maar bedenk wel, dat mijn eigenaardig beroep meebrengt, dat ik

poog zooveel mogelijk geld te maken van mijn kleine ondernemingen. Gij

hebt te kiezen of te deelen. Ik zal u een redelijken prijs noemen, dien

gij, naar ik heel goed weet, zeer gemakkelijk zoudt kunnen betalen.

Doet gij dat niet, dan zijt gij uw juweelen voor goed kwijt, en ik zou

desnoods jarenlang kunnen wachten, alvorens ze aan den man te brengen,

zonder gevaar voor ontdekking, en langs wegen, welke ik tot mijn spijt

en om begrijpelijke redenen verborgen moet houden. Betaalt gij echter

wel den prijs, dien ik zal noemen dan komt gij weder in bezit van uw

geliefde diamanten, waarmede gij zoo gaarne pronkt.”

Raffles zweeg en wierp de gravin een scherpen onderzoekenden blik toe

uit zijn staalgrijze doordringende oogen.

Gravin Eleonora beet zich op de lippen, speelde zenuwachtig met haar

dunnen, gouden horlogeketting en scheen aan een hevigen tweestrijd ten

prooi te zijn tusschen haar trots en haar zuinigheid.

Maar de begeerte om haar juweelen weder in bezit te hebben won het ten

slotte.

Zij hield den blik afgewend op een der groote bloemen van het

Smymatapijt terwijl zij kortaf vroeg:

„Hoeveel?”

„Wat denkt u van twintig duizend pond, gravin?”

Weer zette gravin Eleonora haar kleine witte tanden in haar bovenlip en

toen antwoordde zij plotseling en vastberaden: „Het is goed. Ik zal een

cheque voor dat bedrag schrijven.”

Raffles liet een spottend lachje hooren, legde toen zijn eene been over

het andere, perste de toppen van zijn vingers tegenover elkaar en

zeide:

„Dat dacht ik wel, ik meende reeds zooiets op uw gelaat te hebben

gelezen. Maar gravin, gij beleedigt mij. Denkt ge soms te doen te

hebben met een ezel, met een beginneling, met een boertje. Een cheque,

maar ik zou immers nauwelijks de stoep af zijn, of gij zoudt reeds naar

uw bank telefoneeren, met een vriendelijk verzoek, desnoods een half

dozijn agenten in een hinderlaag te leggen, die mij aanstonds op het

lijf zou vallen, zoodra ik daar mijn opwachting kwam maken om het

bedrag te innen.”

De gravin maakte een gebaar van ongeduld en drift, nu haar plan

doorzien was en hernam:

„Wat wilt gij dan?”

„Contanten, gravin,” antwoordde Raffles laconiek.

„Wat, twintig duizend pond in contanten?” riep de gravin opgewonden

uit. „En denkt gij dat ik zulk een groot bedrag zoo maar in huis heb?”

„Ik denk het niet alleen, gravin. Ik weet het volmaakt zeker,”

antwoordde Raffles rustig. „Tot mijn leedwezen ben ik opnieuw

genoodzaakt er u opmerkzaam op te maken, dat John Raffles niet de

eerste de beste is. Ik weet heel wat af van uw geldelijke

omstandigheden, onder andere, dat u juist gistermiddag, niet lang voor

uw eerste gasten kwamen, uw twee rentmeesters hebt ontvangen, die u de

opbrengst van een pacht kwamen brengen. Een zeer groot bedrag en dat

pleit voor de ijver van uw boeren. Neen, gravin, gij kunt voor mij

niets verborgen houden. Het geld ligt op het oogenblik in uw brandkast

en die staat in het boudoir hiernaast.”

„Maar als ik u die som betaal, wie waarborgt mij dan dat u mij de

diamanten zult terug bezorgen?” riep gravin Eleonora uit.

„Hier zijn ze, gravin,” antwoordde Raffles glimlachend.

Hij had de hand in den binnenzak van zijn dikke ulster gestoken en

haalde er nu een fraai rood marokkijnlederen etui uit, hetwelk hij

geopend op zijn knie plaatste.

Daar schitterde in oogverblindende pracht het prachtige collier van

drie snoeren.

En de gravin zelve moest erkennen, dat het valsche sieraad werkelijk

prachtig was nagemaakt tot in de minste bijzonderheden.

Zij stak haastig de beide handen naar het etui uit, maar Raffles klapte

het bedaard weder dicht, keek de gravin recht in het gezicht en zeide:

„Eerst de kleine, maar moeilijke tocht naar uw brandkast, gravin.”

„Gij zult me de diamanten terug geven?”

„Ik zal het genoegen hebben, gravin, ze eigenhandig in uw brandkast te

plaatsen, naast het zwart lederen etui, dat de nagemaakte bevat.”

De gravin scheen nog een oogenblik te aarzelen, maar toen begreep ze

blijkbaar dat haar geen andere uitweg overbleef dan te betalen.

Zuchtend stond zij op en dadelijk volgde Raffles haar voorbeeld.

Hij volgde haar op den voet, hij liet haar geen oogenblik uit het oog,

toen zij haar schreden naar de tusschendeur richtte, deze opende, het

aangrenzende boudoir binnen ging en naar de brandkast liep, een

sierlijk meubel, dat niet ver van een van de ramen tegen den muur

stond.

Raffles plaatste zich dadelijk tusschen het raam en de kast en zag

glimlachend toe, hoe de gravin de deur van de brandkast opende en er

een dikke stapel bankbiljetten uitnam, die in een stuk grauw papier

gewikkeld waren.

Zij deed het papier open en nam twee pakjes bankbiljetten, door een

elastiekje bijeen gehouden. Ieder van de pakjes bevatten honderd

biljetten van honderd pond.

Raffles had intusschen het etui weder uit zijn zak gehaald, plaatste

het in de kast en nam de beide pakjes met een buiging uit de handen van

de gravin aan.

Toen zeide hij:

„Gij hebt er ongeveer vijf en zestig duizend pond sterling aan goud,

bankpapier en effecten in uw kast, gravin, en het zou mij al zeer

gemakkelijk vallen, mij dat alles toe te eigenen, maar ik wil niet al

te inhalig zijn. Ik heb eenmaal mijn prijs genoemd en daarbij blijf ik.

Misschien zijt gij er wel wat verwonderd over, dat ik niet liever het

snoer en de diamanten afzonderlijk verkoop na eenige jaren te wachten,

maar ik kies het zekere voor het onzekere. Niemand kan zeggen, of een

diamant over een vijftal jaren meer waard is dan een keisteen, als de

ontdekking van de ingenieurs der dynamietfabriek, welke ik zooeven

noemde, werkelijk gunstige resultaten opleveren. Bovendien, twintig

duizend pond is een goede prijs en daar mij thans niets meer hier

houdt, gravin, heb ik het genoegen u te groeten.”

En voor de gravin zelfs den tijd had gehad iets te zeggen, had Raffles

het boudoir en de ontvangkamer reeds verlaten.

De gravin had hem niet hooren loopen, zelfs geen deur hooren open gaan,

en toch viel er met aan te twijfelen, of de stoutmoedige

Gentleman-Inbreker was vertrokken.

De gravin ijlde naar de deur van het boudoir, die op de gang uit kwam

met het doel, dadelijk de bedienden bijeen te schreeuwen. De deur was

gesloten.

Zij begreep aanstonds, dat Raffles dit reeds gedaan moest hebben, voor

hij binnentrad, of misschien, terwijl zij bezig was aan de kast.

Zij vloog woedend naar de ontvangkamer, ijlde naar de deur. Ook deze

was van buiten op slot gedraaid.

De gravin wierp de ramen open, die op den achtertuin uitkwamen en

schreeuwde zoo luid, dat tenslotte een bediende, die juist de

binnenplaats overstak, verschrikt opkeek en toen haastig in het huis

verdween.

HOOFDSTUK III.

EEN ONAANGENAME ERVARING.

Het duurde niet lang, of de gravin hoorde snelle schreden naderen.

„Ben jij daar, Hundsley?”

„Ja, gravin,” antwoordde de buttler. „Wat is er toch gebeurd?”

„Steekt de sleutel van buiten niet op het slot?”

„Ik zie niets, gravin.”

De buttler rammelde aan den deurknop en vervolgde verbaasd:

„Lieve hemel, de deur is op slot. Kunt u er niet uit?”

„Natuurlijk kan ik er niet uit, ezel,” riep de gravin buiten zichzelf

van woede. „Geloof je soms dat ik kans zie uit het raam te klimmen en

langs de regenpijp naar beneden te gaan?”

„Maar hoe kan dat?” hakkelde Hundsley. „Er is toch een bezoeker bij u?”

„Hundsley, als je nog eens zulke krankzinnige opmerkingen maakt, stuur

ik je morgen weg,” riep gravin Eleonora. „Laat me voorloopig maar hier,

en tracht dien bezoeker te achterhalen, al denk ik wel, dat het niet

zal baten. Er is al veel te veel tijd verloopen. Hij was een dief. Hij

is er met twintig duizend pond sterling van door en stuur dan maar een

smid om de deur open te maken, of zie dat je een anderen sleutel kunt

krijgen.”

Buiten de deur lieten zich talrijke kreten van schrik hooren en nu was

in een oogenblik het geheele huis in rep en roer.

De bedienden stoven naar alle richtingen heen, ijlden de straat op,

schreeuwden agenten aan, ondervroegen voorbijgangers en keerden na

slechts korten tijd onverrichterzake weder terug.

Maar de bediende, die een der beide zijdeuren was uitgegaan, vond, toen

hij door diezelfde deur weder binnentrad, een klein stukje papier, met

een punaise tegen de deurpost bevestigd en daarop stond te lezen:

„Vermoeit u niet. Ik heb een auto genomen, John Raffles.”

Intusschen had de gravin haar brandkast gesloten na zich te hebben

overtuigd, dat het valsche zoowel als het echte halssnoer zich daar

bevonden en nu liep zij als een tijgerin in haar kooi heen en weer.

Toen naderden er opnieuw schreden in de gang. Het was Hundsley die

terug keerde met een smid en deze had na eenig probeeren spoedig het

slot van de deur geopend.

Zonder op de twee mannen acht te slaan, snelde de gravin hen voorbij,

snelde de trap af en ging haastig op het telefoontoestel toe, hetwelk

in de groote hal was.

Het volgende oogenblik had zij zich met Scotland Yard in verbinding

gesteld en mededeeling gedaan van hetgeen geschied was.

Toen pas voelde zij haar zenuwen een weinig tot kalmte komen en kon zij

den toestand beter overzien.

Dat zij haar twintig duizend pond sterling voor goed kwijt was, daaraan

behoefde zij zeker niet te twijfelen.

Dat was een feit, waarin zij zich zou moeten schikken.

Juist toen de gravin zich gereed maakte, de trap weder te bestijgen,

werd gescheld en de huisknecht die de deur opende liet Miss Keating

binnen, het bevallige nichtje van de gravin.

Deze stond halverwege op de trap stil, wendde zich met een zuurzoeten

glimlach tot haar nichtje en zeide:

„Je kiest zonderlinge oogenblikken uit om het huis uit te loopen,

Grace.”

„Hoe zoo, tante?” vroeg het jonge meisje, verbaasd over de uitdrukking

op het gelaat van de gravin.

„O, het heeft bijna niets te beduiden. Ik ben zooeven maar voor twintig

duizend pond sterling bestolen. Dat is alles.”

„Twintig duizend pond?” riep Grace ontzet uit. „En zooeven? Op

klaarlichten dag? Maar tante dat is....”

„Ik weet wat je wilt zeggen, dat is onmogelijk. Dat had je willen

zeggen, nietwaar? En toch is het de zuiverste waarheid.”

„Maar beste tante ik kon toch niet vooruit zien. Herinnert u zich dan

niet meer dat u mij hebt opgedragen Miss More naar den trein te

brengen?”

„Dat is waar, dat had ik vergeten,” mompelde de gravin. „Neem het mij

maar niet kwalijk. Mijn hoofd is heelemaal in de war. Ga mede naar mijn

kamer dan zal ik je zeggen, wat er gebeurd is.”

Maar nog eenmaal zou de gravin verhinderd worden om aanstonds aan haar

plan gevolg te geven.

Want er werd nogmaals gescheld en toen de deur door den huisknecht

geopend werd zagen de beide dames voor het terras een splinternieuwe,

grasgroene auto staan, een sportwagentje, voor twee personen, van

sierlijk model. En op de bovenste trede van het terras stond Lord

Binning, buigend als een knipmes.

Plotseling veranderde het gelaat van de gravin en glimlachend daalde

zij de treden weder af om den vroegen bezoeker tegemoet te gaan.

„O, maar dat is alleraardigst van u, Lord Cecil,” zeide zij met een

gemaakt stemmetje. „Ik begrijp al wat u komt doen. U komt mij afhalen

om met uw nieuwe auto, waarover u gisteren sprak, een tochtje te maken.

Werkelijk charmant van u en het treft uitstekend. Gij moet weten, dat

ik juist een zeer dringende boodschap heb in de buurt van het Strand.

Ik moet mijn juwelier opzoeken. Lord Cecil gij zijt werkelijk een

galant man. Kom binnen en neem plaats, wat ik u bidden mag. Ik ga mij

aanstonds kleeden.”

Bedremmeld had Binning naar deze woorden geluisterd en zijn blikken

vlogen verlegen en schuw naar Grace, die met een guitig lachje om de

lippen had toegeluisterd, toen hij stotterde:

„De zaak is, gravin, dat ik.... ik wilde eigenlijk.”

Hij keek Grace smeekend aan als verwachtte hij haar hulp en uitkomst,

maar het jonge meisje was meedoogenloos, en zeide op spottenden toon:

„Wel, het zal alleraardigst zijn in dat twee persoonswagentje, Mylord.

Tante is dol op dergelijke ritjes. Kom tante, laat Lord Cecil niet te

lang wachten. Ga spoedig mee en vertel mij dan wat er geschied is, want

ik brand van nieuwsgierigheid.”

En de ongelukkige Lord Binning was wel verplicht als man van de wereld

het verzoek op te volgen en zuchtend liet hij zich neervallen op een

van de prachtige eikenhouten banken, terwijl een van de bedienden de

wacht hield bij het splinternieuwe autootje, dat heel iemand anders had

moeten ontvangen dan gravin Eleonora.

Mylord troostte zich echter met de gedachte, dat hij wellicht onderweg

gelegenheid zou vinden de gravin te spreken over de plannen ten aanzien

van haar nichtje, al ontveinsde hij zich niet dat zijn kansen voor het

oogenblik niet bijzonder goed stonden en dat het jonge meisje geheel

ongevoelig scheen voor zijn attenties.

Met des te meer schrik echter had hij waargenomen, dat gravin Eleonora

hem aanzag met oogen, die een zeer duidelijke taal spraken.

Intusschen was de gravin met haar nicht naar het boudoir gegaan en daar

deelde zij haar mede, wat er zooeven geschied was.

Grace had verbaasd toegeluisterd en toen de gravin haar verhaal

beëindigd had sloeg ze de kleine handen ineen en riep uit:

„U hebt dus met Raffles in eigen persoon gesproken?”

„Je schijnt het heel belangwekkend te vinden. Van meer belang dan de

diefstal,” riep de gravin verontwaardigd uit.

„Neem me niet kwalijk, tante,” hernam Grace beschaamd. „Het is

natuurlijk heel erg voor u en toch moet u er niet boos om zijn, als ik

zeg, dat ik er graag bij had willen zijn, toen u met dien brutalen

roover sprak.”

„Bij een volgende gelegenheid zal ik niet nalaten je te waarschuwen,”

hernam gravin Eleonora schamper.

„Dat ontbrak er nog aan. Ik ga aanstonds met de snoeren naar Orlow en

dan naar de politie, ik durf het echter niet langer in huis te houden.

Wie weet wat er verder mee geschiedt.”

„En neemt u Lord Cecil mee, tante?” vroeg Grace, terwijl zij zich

omwendde teneinde het lachje te verbergen dat om haar lippen speelde.

„Ja, hij heeft mij toch gevraagd?”

„Zoo, ik heb het niet gehoord, maar dat zal wel aan mij liggen,” hernam

Grace onschuldig.

Gravin Eleonora begaf zich nu haastig naar haar slaapkamer en maakte

daar toilet.

Zij trok een fraaien bontmantel aan, drukte zich een bontmuts op het

hoofd en begaf zich toen weder naar het boudoir, teneinde de colliers

uit de brandkast te nemen.

Vervolgens draafde zij haastig de trap af en nog voor zij de vestibule

bereikt had, riep ze uit:

„Daar ben ik, Mylord. Ik hoop, dat ik u niet al te lang heb laten

wachten.”

Mylord bromde iets wat voor een beleefde ontkenning kon doorgaan en

daarop verlieten beiden het heerenhuis, terwijl de bedienden zich

terzijde van de deur schaarden.

De gravin nam naast den Lord plaats, die zelf zijn nieuwe auto zou

besturen en zeide:

„Ik leg beslag op u, Mylord. Dat vindt ge zeker wel goed?”

„Dat spreekt immers vanzelf, gravin,” antwoordde het beklagenswaardige

slachtoffer.

„Rijd mij dan eens spoedig naar Orlow, den juwelier. Ik moet hem

spreken.”

Lord Binning bracht den sportwagen in beweging en snel reed het fraaie

voertuigje door de drukke straten van Londen om tenslotte stil te staan

voor den juwelierswinkel van Paul Orlow.

Het was een zeer fijne zaak en dat bleek reeds uit de wijze, waarop de

etalage was ingericht.

Achter een fijn geslepen spiegelruit, in dof eikenhout gevat, prijkten

slechts weinige sieraden, maar zij waren op zeer kunstzinnige wijze ten

toon gesteld, zonder zich op te dringen.

Ook de winkel, dien men eigenlijk een met verfijnden smaak gemeubeld

vertrek moest noemen, herinnerde op het eerste gezicht slechts weinig

aan het beroep van zijn eigenaar.

Een toonbank was er niet, maar wel een zeer fraaie lange tafel van

Slavonisch eikenhout, ingelegd met kostbare houtsoorten, en dan waren

er eenige zeer fraaie wandkasten met kleine, geslepen ruitjes, die

enkele sieraden van groote waarde bevatten.

Er stonden een aantal gemakkelijke stoelen en van de eikenhouten

zoldering hing een prachtige kristallen kroon af.

Een paar winkelbedienden gingen geruischloos af en aan om een paar

klanten te bedienen.

Maar hieraan stoorde gravin Eleonora zich volstrekt niet, want

nauwelijks was zij binnen getreden of zij beval, met haar schelle,

eenigszins kijfachtig klinkende stem:

„Ik wil mijnheer Orlow spreken.”

De bedienden wierpen een snellen en onderzoekenden blik op de

bezoekster en zij schenen haar dadelijk te herkennen, want een hunner

zeide:

„Ik zal mijnheer waarschuwen, wees zoo goed plaats te nemen.”

Toen de beide bezoekers een stoel hadden genomen, trad de

winkelbediende op het telefoontoestel toe, sprak er eenige woorden in

en zeide:

„Mijnheer Orlow laat zich nog een oogenblik excuseeren. Hij is dadelijk

tot uw beschikking.”

Er verliepen nog tien minuten ongeveer en toen trad Orlow den winkel

binnen.

Hij richtte zijn schreden aanstonds naar zijn goede klant, aan wie hij

reeds heel wat verdiend had.

„Waarde Orlow, kan ik u een oogenblik onder vier oogen spreken,” vroeg

gravin Eleonora op fluisterenden toon. „Het gaat om het diamanten

halssnoer.”

„Het geschenk van uw echtgenoot, gravin?”

„Ja.”

„Wees dan zoo goed, mij te volgen.”

De winkelier ging de beide bezoekers voor naar een ander vertrek achter

den winkel gelegen en daarvan gescheiden door twee schuifdeuren.

Zoodra allen gezeten waren, begon de gravin, na de beide etui’s voor

zich op tafel te hebben neergezet:

„Gij gelooft toch wel, dat gij een expert zijt, nietwaar Orlow?”

„Ik vlei mij met te mogen zeggen, dat er niet veel juweliers zijn,

gravin, die met mij op een lijn kunnen worden gesteld,” antwoordde

Orlow.

„Nu dan, dan zal ik u eens op de proef stellen. Ik zal nu onder de

tafel beide colliers uit het etui nemen. Gij kent het een zoowel als

het ander, Orlow. Vanmorgen is mij het echte terug gebracht door den

dief. Ik heb er twintig duizend pond voor moeten betalen en ik moet

zeggen, dat ik verstomd stond over de merkwaardige gelijkenis. Ik zelf

kan geen onderscheid hoegenaamd zien. Nu moet gij mij eens, en

zònder[** accent of vlekje?] al te lang te talmen, zeggen wat het echte

is, als ik ze tegelijk voor u neerleg, en voor ik er mede naar de

politie ga.”

De gravin was reeds naar de tafel toegeschoven en had de beide etuis op

haar schoot gezet om ze te openen, toen Orlow met een beweging van zijn

blanke hand vol verbazing zeide:

„Een oogenblik, gravin. Gij zegt daar dingen, die mij grootelijk

verbazen en gij schijnt mij op de hoogte te achten van zaken, die mij

volkomen onbekend zijn. Is er iets met uw collier gebeurd?”

„Wat is dat nu, Orlow,” riep de gravin uit. „Gij zijt toch wel goed

wakker. Zijt gij het dan niet juist geweest die mij voor het eerst er

opmerkzaam op maakte, dat mijn snoer was nagemaakt?”

„Pardon, gravin, wanneer zou dat geweest moeten zijn?”

„Wanneer dat geweest zou moeten zijn?” herhaalde de gravin, terwijl zij

zenuwachtig op haar stoel verschoof en den juwelier met groote oogen

aankeek.

Zij wendde zich tot haar begeleider en riep uit:

„Hoort gij dat, Lord Cecil? Hij vraagt, wanneer dat geweest zou moeten

zijn. Hij schijnt geheel vergeten te zijn, dat hij gisteravond tot de

gasten behoorde, die mijn soiree bezochten. Hebt gij ooit zoo iets

gehoord? Gij hebt hem toch zelf ook gesproken en gezien, nietwaar?”

„Inderdaad, gravin,” antwoordde Lord Binning, die zich nu zelf zeer

verwonderd toonde.

Maar het meest verbaasd van allen was toch wel Paul Orlow, die van den

een naar den ander keek, en toen langzaam zeide:

„Ik zou gisteren op uw soiree geweest zijn? Hoe laat ongeveer?”

„Maar minstens een paar uur!” riep gravin Mac Dougall wanhopig uit.

„Van negen tot elf uur ongeveer!”

„Dat is dan wel zeer merkwaardig, gravin, want gisterenavond om elf uur

stapte ik te Edinburgh in den nachttrein, en het is nog geen uur

geleden, dat ik hier in mijn zaak kwam!”

De indruk van deze woorden was overweldigend.

De gravin liet zich achterover in haar stoel vallen, naar adem snakkend

als een visch op het droge, terwijl zij ongearticuleerde klanken

uitstiet, als iemand die in koortstoestand ijlt.

Wat Mylord betreft die knipperde een tijdlang zeer snel met zijn

oogleden, en trok zijn wenkbrauwen zoo hoog op, dat het niet weinig

scheen te schelen, of zij waren onder zijn haren verdwenen.

Mylord was de eerste, die weder tot zichzelf kwam, en genoeg kracht had

om te vragen:

„Gij houdt ons toch waarlijk niet voor het lapje, waarde Orlow? Alles

wel beschouwd is de zaak toch te ernstig....”

„Ik denk er niet aan, om u te bedotten, Mylord!” antwoordde Orlow

haastig. „Twee mijner zakenvrienden, die de reis met mij maakten, en

waarvan er een in hetzelfde slaapcompartiment met mij was, kunnen mijn

verklaring bevestigen, en als u dat niet voldoende zou zijn, dan is er

nog de stationskruier, die mijn bagage aannam, mijn huishoudster, die

mij heeft zien vertrekken en terugkeeren en tenslotte de commissionair

in diamanten te Edinburgh, die mij gisteravond naar den trein bracht.

Ik heb wel de uitnoodiging van mevrouw de gravin ontvangen, maar op het

laatste oogenblik kon ik er tot mijn leedwezen geen gebruik van maken,

omdat dringende zaken mij buiten de stad riepen.”

Lord Lister No. 0384: Het Diamanten Halssnoer · 第 1 / 4 段