Alleen met mijn eigen verlangen,
Alleen met mijn eigen lied,
Alleen met een bloem aan den afgrond,
Alleen met een ster die verschiet.
Lust heeft het hart dat, eenzaam,
In den eenzame zich herkent,
En schoonheid geeft aan zich-zelven,
Den afgrond en 't firmament.
Geen dalen, waar menschen wonen,
Geen massa, maar héél alleen,
Waar de starren de sneeuwtoppen kronen
En elk wandelt in de eigen schreên.
Waar de wateren verwonderlijk zingen
Onder 't blinkende kleed van de sneeuw,
En zij dalen er dagen na dagen
En zij dalen er eeuwen in eeuw.
De hartstocht van een bergbeek
Die uit koele kloven bruischt,
En de rust van een eindeloos pijnbosch
Dat langs de hellingen ruischt;
Het morgenzonlicht drinken
Dat de zilveren spitsen verguldt,
Naar het blanke sneeuwvlak stijgen
Met de vreugde van het geduld,
En, boven de hooge toppen
Den allerhoogste nabij
Te zien, voor dat de avondschemer
Daalt over de diepe vallei
De wereld in rust, volkomen,
De wolken met 't rotsige land,
Zich voelen één met die wereld
Als der Schoonheid hoogste gezant,
Als een adelaar boven den sperwer,
Als een statig sterrenbeeld,
Dát is de weelde van 't leven
Aan den dichter toebedeeld;
Dát is wat hem doet zingen
Zijn eigen toomeloos lied,
Als een bergbeek die schalt naar den afgrond,
Als een ster, die stralend verschiet.
* * * * *