IN ZWITSERLAND.

Alleen met mijn eigen verlangen,

Alleen met mijn eigen lied,

Alleen met een bloem aan den afgrond,

Alleen met een ster die verschiet.

Lust heeft het hart dat, eenzaam,

In den eenzame zich herkent,

En schoonheid geeft aan zich-zelven,

Den afgrond en 't firmament.

Geen dalen, waar menschen wonen,

Geen massa, maar héél alleen,

Waar de starren de sneeuwtoppen kronen

En elk wandelt in de eigen schreên.

Waar de wateren verwonderlijk zingen

Onder 't blinkende kleed van de sneeuw,

En zij dalen er dagen na dagen

En zij dalen er eeuwen in eeuw.

De hartstocht van een bergbeek

Die uit koele kloven bruischt,

En de rust van een eindeloos pijnbosch

Dat langs de hellingen ruischt;

Het morgenzonlicht drinken

Dat de zilveren spitsen verguldt,

Naar het blanke sneeuwvlak stijgen

Met de vreugde van het geduld,

En, boven de hooge toppen

Den allerhoogste nabij

Te zien, voor dat de avondschemer

Daalt over de diepe vallei

De wereld in rust, volkomen,

De wolken met 't rotsige land,

Zich voelen één met die wereld

Als der Schoonheid hoogste gezant,

Als een adelaar boven den sperwer,

Als een statig sterrenbeeld,

Dát is de weelde van 't leven

Aan den dichter toebedeeld;

Dát is wat hem doet zingen

Zijn eigen toomeloos lied,

Als een bergbeek die schalt naar den afgrond,

Als een ster, die stralend verschiet.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 93 / 100 题