III.

De wind waait langs de heide,

Waar 't korte daglicht vliedt,

En donkre wolken glijden

Langs 't zilvergrauw verschiet.

Op verre molen draaien

De wieken loom ál-door;

Er zwermen bonte kraaien

Om 't kronklend wagenspoor.

Nu zal het najaar rijzen

Met droevig doodsbegin

En spinnen, met zijn grijze

Lijkwade 't landschap in.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 92 / 100 题