Als ik de beesten in den bleeken dag
Zie grazen met den kalmen kop gebogen,
Den najaarshemel grauw en onbewogen,
Het land in vrede of alles rusten mag,
Dan voel ik door mijn ziel een glimlach beven
Als 't zilveren rimplen op een donkren stroom,
Omdat ook mij de rust wordt weergegeven
En alles eindigt in een schoonen droom.
En de even-weemoed van het jaarversterven
Is als de toon van een oud instrument,
Die, als het zelf reeds zwijgt, blijft éven zwerven
En stijgt de lucht in, waarheen onbekend.
Maar weten doen wij dat na lange jaren
Ze opnieuw weer trillen kunnen, als de hand
De lang tot rust gekomen oude snaren
Tot een nieuw lied van nieuw ontwaken spant.
Zoo voel ook ik, wanneer na leed en lusten
Mijn ziel, als 't jaar, een lange zwijging dekt
Toch dat nòch zij, nòch 't wereldrond kan rusten
Maar dat, wat dood ging, morgen wordt gewekt,
En dat, mag de ijzel tak en stammen kronen,
Het blonde goud van najaarsloof vergaan,
Onder het doode blad de knoppen wonen,
Wier bleeke kern ontspruit tot groene blaân,
En dat, mag door mijn ziel de weemoed drijven
Omdat ook háár de lange rust genaakt,
Haar onverwelkbaar-zoete hoop zal blijven,
Dat zij, na rust, tot schooner Zijn ontwaakt.
Want rust en dood zijn schoon, maar schooner 't Leven
Wanneer de Harmonie zijn krachten richt,
Schooner de Zielen die 't onkenb're inzweven
Dan wat zij achterlaten: 't bleek gezicht.
Geef mij dan, o, oneindige, ééns te wezen
Als 't instrument dat droef, maar willig, zweeg,
Die naar uw zeer geheimen wil, verrezen,
Voor goed, wat hij thans tijdelijk had, verkreeg.
Om, waar ik zong van alle schoone dingen,
De zon, de weer'ld in lente en winterweer:
Al 't zichtbre, dàn 't Hoog-Goddlijk te bezingen
Als 't instrument dat siddert U ter Eer.