De peren bronzen in de Augustuslucht
En spellen reeds klare Septemberdagen,
Wanneer, na zware hitte en onweersvlagen,
De Herfst de wereld loont met zoete vrucht,
De druiventrossen door het bladgroen zwellen,
Gele pompoen het rood van daakjes kroont,
En alles voor het laatst in wonderhelle
Glorie van licht wat schoon is, nog verschoont.
Want 's avonds als de dag reeds vroeger dalen,
Des morgens als zijn late schittering schuin
Door 't loover gaat, gulden de tintelstralen
Der laagste bladeren reeds doorzichtig bruin;
En, naast den vollen vloed der zomerrozen
Tint hij tot dieper feller incarnaat
Begonia, wier blank en dieprood blozen
De pracht vereent van vrouwelijk gelaat
Met pracht van blanken hals en blonden schouder
Die, als het rood der lippen de oogen trekt,
In 't hart verlangen naar een zoet, vertrouwder
En inniger verkeer van leven wekt.
Het bleeke bloeisel van de Herfstseringen
Vergoedt den korten sneeuwbloei van den Mei,
En kan de stem van 't stervend jaar niet zingen
Zoo schoon als 't zang-doorklonken Lent-getij,
Heeft reeds de nachtegaal zijn lied verloren
Zwijgt reeds de trots-gebekte merel stil,
De zwaluw zwiert nog over 't stoppelkoren
En vlakke vaart of 't nimmer wintren wil,
De spreeuwen fladderen, om de bronzen peren
En tripplen door 't getakt, dat bessen draagt;
En, wie bevreesd naar 't verre Zuid zal keeren
Door 't naderend najaar al te vroeg verjaagd,
Zij blijven in den boomgaard zoetlijk kweelen
--Genietend van de vreugd, die schaarscher wordt
Totdat de laatste bladeren vergelen
De laatste holle vrucht ter aarde stort--
De stem gelijk, die door de ziel blijft zweven
Als na des menschen zomer, 't najaar koomt,
En zingt de schoonheid van 't vergaande leven
Dat niet-zijn wacht, maar van herleven droomt.