I.

De peren bronzen in de Augustuslucht

En spellen reeds klare Septemberdagen,

Wanneer, na zware hitte en onweersvlagen,

De Herfst de wereld loont met zoete vrucht,

De druiventrossen door het bladgroen zwellen,

Gele pompoen het rood van daakjes kroont,

En alles voor het laatst in wonderhelle

Glorie van licht wat schoon is, nog verschoont.

Want 's avonds als de dag reeds vroeger dalen,

Des morgens als zijn late schittering schuin

Door 't loover gaat, gulden de tintelstralen

Der laagste bladeren reeds doorzichtig bruin;

En, naast den vollen vloed der zomerrozen

Tint hij tot dieper feller incarnaat

Begonia, wier blank en dieprood blozen

De pracht vereent van vrouwelijk gelaat

Met pracht van blanken hals en blonden schouder

Die, als het rood der lippen de oogen trekt,

In 't hart verlangen naar een zoet, vertrouwder

En inniger verkeer van leven wekt.

Het bleeke bloeisel van de Herfstseringen

Vergoedt den korten sneeuwbloei van den Mei,

En kan de stem van 't stervend jaar niet zingen

Zoo schoon als 't zang-doorklonken Lent-getij,

Heeft reeds de nachtegaal zijn lied verloren

Zwijgt reeds de trots-gebekte merel stil,

De zwaluw zwiert nog over 't stoppelkoren

En vlakke vaart of 't nimmer wintren wil,

De spreeuwen fladderen, om de bronzen peren

En tripplen door 't getakt, dat bessen draagt;

En, wie bevreesd naar 't verre Zuid zal keeren

Door 't naderend najaar al te vroeg verjaagd,

Zij blijven in den boomgaard zoetlijk kweelen

--Genietend van de vreugd, die schaarscher wordt

Totdat de laatste bladeren vergelen

De laatste holle vrucht ter aarde stort--

De stem gelijk, die door de ziel blijft zweven

Als na des menschen zomer, 't najaar koomt,

En zingt de schoonheid van 't vergaande leven

Dat niet-zijn wacht, maar van herleven droomt.

Gedichten(#15273) · 第 90 / 100 题