OOGST.

Hooge populieren ruischen

Onder 't blauw der zomerlucht,

Als het water door de sluizen

Met versnelde strooming vlucht.

D'ochtendzon staat stralend boven

Lane' en 't wijd-ontbloeide land,

Zet voor 't laatst de bruine schoven

Van de tarwe in gouden brand;

Ginds, waar 't ongerepte graanveld

Nog met volle golving aanzwelt

Tot een vloed van blindend licht,

Zwaait--de rood-gebronsde koppen

Voor de hoogste halmentoppen--

Man naast man de kromme zicht,

Scherpt het blank van d'oude sikkel

Met het hamerend getikkel

Dat, muziek van 't zomertij,

Nog in onze ziel blijft zingen,

Zoet, als zoete erinneringen,

Is ook d'oogsttijd lang voorbij.

Verre in 't grazig veld verloren

Onder 't gloeiend zonnegloren,

Waar een schemerende toren

Uitrijst achter 't gulden koren

En twee maaiers één van gang

--Blauw op 't trillend einder-grijzen--

Rustloos oogsten, reis op reize

Met den cirkelzwaai der zeisen

't Groene grasland, uren lang,

Luidt op droomerige wijze

De oude klok den middagstond,

Maakt een haan de hanen wakker

Met zijn echo boven d'akker...

En de toren, maar veel zwakker,

Vindt zijn antwoord, wijd in 't rond.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 87 / 100 题