Er reisde een zeil naar onbekende kusten
Op 't spiegelgladde kalme diep der zee,
De boomen, hoog op 't strand, die zelden rusten,
Stonde' onbewogen, als in eeuw'gen vree.
Het zonnig blauw, in strakke welving over
Het watervlak en 't groenbegroeide strand,
Gaf dieper pracht aan 't donker eikenloover
En bracht der beuken roode blad in brand.
En achter 't eikenhout, dat, vol van geuren,
Met groen der duinen blonde glooiing dekt,
Lag, scheem'rend als een zee van zilverkleuren,
Het boekweitland in vollen bloei gestrekt.
Daar had zich al wat vleugel droeg vereenigd,
Des zomers honing zaam'lend als zijn buit:
De bij, de tor, de vlinder, en die menigt'
Gonsde', één in vreugd, haar lied van 't leven uit.
Wij zagen,--zíj die 't nooit voorheen aanschouwde,
En ik, die 't vond, als waar 't voor d'éérste keer,
Naar 't stralend hemelruim, dat boven blauwde,
Naar 't groen der zee voor onze voeten neer.
En toen wij lang elkaar in de oogen staarden
Vergetend aarde en hemel, zee en zon
Herleefde in onze ziel een schooner aarde,
Schooner heelal dan 't oog ooit vinden kon.
En zwervend tot reeds 't avondlicht zijn stralen
Van lager trans door 't hoog geboomte schoot,
Werd ons gebed: zóó eeuwig door te dwalen,
Eéuwig te leven zonder ruste of dood.
* * * * *