Aan Dr. D. Reinders.
Nog liepen nachtlijke uren voort
Door 't ruim op zilvren voeten
Toen ik, aan donkre kimmepoort
Ging gouden morgen groeten,
Maar nog in diep, diep duister zag
Den nacht voor de eersten Julidag.
Twee maaiers, langs de donkre plas,
Waar 't dichtst de dampen drijven,
De zeis op schouder, traag van pas,
Met werkgebogen lijven,
Zij ginge' als schimmen, nauw gegist,
Door 't grauwen van den morgenmist.
Toch was hun reeds de jager voor
Om 't vroege wild te vangen;
Verbeidend de eersten morgengloor
Met toomeloos verlangen,
En luistrend of geen vogellied
De komst der zomerzon verried.
Dan, 't barstte los, de koekoek zong,
De kieviet aan het tuiten,
En door de lage nevelen drong
Het niet te stillen fluiten,
Dat allerzoetste lied omhoog,
Dat aarde en hemel ooit bewoog.
En deinzen ging nu ster na ster,
Toen 's werelds hoogste bode
Al luider zong: "ik zie van ver
"Den vroegen morgen rooden,
"En straks, voor dat ik nederdaal
"Drinkt de aarde, als ik zijn eersten straal!"
En toen daar door den morgendamp
De bol der zon kwam reizen
En lichtte als een omfloerste lamp,
Bloedrood door 't nevelgrijzen,
Toen klonk, o, lang begeerd genot,
Des jagers eerste en dood'lijk schot.
* * * * *