Ik zag het vluchten van de steden
De kade-lichten in den nacht,
En een rivier, die, diep beneden,
Weerspiegelde der mane pracht.
En toen ik zag de nachtgewelven
Gebogen over dezen vloed,
Zeide ik, glimlachend, tot mij zelven:
"Schoon wereldsch Leven wees gegroet!"
Gij hebt uw oude Jeugdgloed weder,
Gij kunt weer lachen als weleer,
En wekt, als in mijn Jeugddroom, teeder,
In 't hart geen leed, geen weemoed meer.
* * * * *