I.

De nacht kwam aan, de zon ging onder,

De naglans van den dag verdween,

De trein met onverpoosden donder

Jaagt door het donker landschap heen.

De landen vluchten, zwart bezijden,

De boomen gaan in wilde jacht--

Maar 't eenzaam hart klopt trots en blijde,

Dat aan het eind zijn Lief verwacht.

Spoed, trein, nu door de velden henen,

Vlieg over vlakten, kruis den vloed,

En zoek, voor ieder land verdwenen

Het nieuwe land, dat volgen moet.

Zóó snel kunt gij niet verder jagen

Dat *hij* Uw vaart tevreden looft,

Wien, na der scheiding lange dagen,

Op dezen 't weerzien werd beloofd.

Gedichten(#15273) · 第 84 / 100 题