De laatste gele boterbloem,
Die bloeide tusschen 't dorrend gras,
Deed mij den tijd gedenken toen
Het Lente en zij nog bij mij was.
Die Lente-tijd keert nimmer weer,
O, Leven, wat is uw droefnis groot,
Al wat zoo schoon is, is zoo teer
Zoo broos,--zoo wreed de Dood.
Die kent geen bloemen en geen licht,
Die geeft alleen--mag 't zijn--de rust,
Als hij geveld heeft met zijn zicht
Al harte'-en oogenlust.
* * * * *
IV. Verzen uit het Boek
"Van Later Dagen".
Aan mijn vrouw en Willem.
* * * * *