Uw schoon-ontloken jeugd doet me altijd denken
Aan wilgeboomen op den waterkant,
Waar de natuur haar weeldrigst heeft geplant
Van bloemen, frisscher dan zij iets kan schenken.
En de adem, die er over 't morgenland
Met geur van maaigras de ochtendlucht komt drenken,
De zonnestralen, die de dauw besprenken,
Maar, vonken wekkend, wekken nog geen brand,
't Is alles 't achttienjarige gelaat
En blanke hals, waar langs de schaduw gaat
Van warrig-donker haar; 't is diep-groene oogen
En tanden blank tusschen het lippenrood
Van mond, die *mij* alleen zijn kussen bood
Een grond, die 'k schilderde in al te ijdel pogen.
* * * * *