UW JEUGD.

Uw schoon-ontloken jeugd doet me altijd denken

Aan wilgeboomen op den waterkant,

Waar de natuur haar weeldrigst heeft geplant

Van bloemen, frisscher dan zij iets kan schenken.

En de adem, die er over 't morgenland

Met geur van maaigras de ochtendlucht komt drenken,

De zonnestralen, die de dauw besprenken,

Maar, vonken wekkend, wekken nog geen brand,

't Is alles 't achttienjarige gelaat

En blanke hals, waar langs de schaduw gaat

Van warrig-donker haar; 't is diep-groene oogen

En tanden blank tusschen het lippenrood

Van mond, die *mij* alleen zijn kussen bood

Een grond, die 'k schilderde in al te ijdel pogen.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 79 / 100 题