Want in het najaar als het Land gaat slapen
Wordt alles éven zoo volkomen schoon;
Dan draagt het, àl te kort, een koningskroon
Van louter blad-goud om de lichte slapen.
Zoo ziet men, schijnend uit het amberbleeke
Gelaat eens knaaps, den glans van oogen groot,
Een droefklaar water, spiegel waar de Dood
Op donk'ren tocht te dicht is langs gestreken.
En als dan de even schoone kroon ontblaârt,
Des winters stormen langs het dood Land vaart
En stijft, maar dekt met hermelijn, de leden,
Dan ligt het als die knaap, die sterven moet:
's Doods vreemd geluk in de oogen, in 't gemoed
De troost van na veel leed verworven vrede.
* * * * *