II.

Want in het najaar als het Land gaat slapen

Wordt alles éven zoo volkomen schoon;

Dan draagt het, àl te kort, een koningskroon

Van louter blad-goud om de lichte slapen.

Zoo ziet men, schijnend uit het amberbleeke

Gelaat eens knaaps, den glans van oogen groot,

Een droefklaar water, spiegel waar de Dood

Op donk'ren tocht te dicht is langs gestreken.

En als dan de even schoone kroon ontblaârt,

Des winters stormen langs het dood Land vaart

En stijft, maar dekt met hermelijn, de leden,

Dan ligt het als die knaap, die sterven moet:

's Doods vreemd geluk in de oogen, in 't gemoed

De troost van na veel leed verworven vrede.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 77 / 100 题