De schuwe duiven, die het land ontstijgen,
Gaan in het blauw, geruischloos ver, te loor,
En eenzaam blijft, waar vóór zich strekt naast vóór
De donkere' akker in oneindig zwijgen.
De boomen dragen, vóór des winters dreigen,
Hun gouden dos in vollen najaarsgloor,
En laten zacht, als een geliefd tresoor,
Hun blad na blad in 't rimp'loos water zijgen.
Dat is een stroom uit een ver land gekomen,
Die gaat langs dorpen, scheem'rend achter boomen
Met kronkling blank door weiden groen smaragd.
En, als zijn wateren voor eeuwen gingen
Zoo gaan zij thans, onwetend van de dingen,
Die zijn vergaan en van den nacht die wacht.