ALTIJD ELDERS

Zijn handen waren zacht als fluweel,

Maar hij dorst het niet te vangen,

Het Geluk, zoo teer als vlindergespeel,

En zoo blééf het zijn *verlangen*.

En hij kreeg wel wat hij had verlangd,

Maar hij kreeg het nooit op tijd,

En als hij het had in zijn bevende hand,

Dan was het zijn gloed-schoon kwijt.

Want 's morgens vond hij den middagstond

Als iets, dat hij heerlijk wist,

En 's middags zocht hij of hij vond

Wat hij 's morgens had gemist.

En 's avonds zag hij het middaguur,

Dat hem eerst zoo had vermoeid,

Als een groote papaver van stralend vuur,

Waar de levende zon in gloeit.

En zoo zag hij steeds wat hij hebben wou,

En nooit zag hij wat hij had,

En hij dacht eerst hoe hij het minnen zou

Als hij het niet meer bezat.

En dan ging hij door der nachten schijn,

Met de starren boven zijn hoofd,

En zijn hart zong, dat het daar zou zijn,

Maar hij heeft het niet geloofd.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 56 / 100 题