Najaarsochtend. Wijd en wijder
Wijkt de hemel zilverblauw;
Om den morgen blijde glijdt er
Door 't nog scheem'rig bosch-gebouw,
Waar de zon met lichte stijlen
Straks de stammen schoren zal,
Vogelkwinklen over 't ijle
Loover schijnend als kristal.
Op de heide drijft een herder
Langs het vochtig morgenspoor
Vroeg-vergaarde kudde verder
In des ochtends gouden gloor;
Tot hij voor den bleeken schijn der
Westerkimme in 't bosch verdwijnt
En opnieuw de ledige einder
Eindloozer dan eindloos schijnt.
* * * * *