Meer dan de aardgeboren liefde
Is 't, die me aan uw leven bindt,
Liefde kent een gouden daagraad,
Na den middag d'avond vindt,
Alles, alles is verganklijk,
Maar ik weet dit *Eéne* onwanklijk
Licht dat zelfs geen doodsnacht blindt.
Laat de trage maanden glijden,
Laat de vale jaren gaan,
Laat de ziel in weemoed weenen
Om het leed haar aangedaan,
Gaat, als in den brand het koren,
Heel de levensoogst verloren,
Dit zal ongerept bestaan.
Zware gang van enkele uren,
Storm en bliksem, hagelslag,
Dooden de oogst der rijkste jaren
Op één onheilvollen dag.
Gisteren stond de boom te bloeien,
Waar is nu, bij 't ochtendgloeien,
Schooner blank dan 't oog ooit zag:
Eeuwen trotsten de oude muren,
Waar is de eens onwrikbre wal?
Duizend slagen van den moker
Waren doelrijk voor den val!
Laat de bloesembloei vervalen,
Laat de moker zegepralen:
Dit den tijd trotseeren zal.
Lief, lach niet zoo ongeloovig,
Daar is meer dan Ruimte en Tijd,
Daar is meer den mensch gegeven:
De afglans van de Onsterfelijkheid!
Wend u, doet de dood u vreezen,
Naar de hoogten van mijn wezen
Door dat licht voor goed gewijd.
Onverderflijk en onsterflijk
Is de Schoonheid, zij alleen!
Niet van Heden, niet van Morgen
Is het licht dat door Haar scheen,
Maar met triomfanten luister
Baken in des Levens duister,
Door der eeuwen eeuwigheên.
* * * * *