Aan Lena Hansen.
In het uur, dat de lucht nog niet duister is,
--Even vóór den nacht--
Omhoog nog de laatste luister is
Der verbleekte zonnepracht;
Waar de wijde rust, na den blijden dag
Op aarde ligt uitgespreid,
Alsof zij sinds eeuwige tijden lag
En zoo liggen zal voor altijd;
In het uur, dat langzaam kleppende slaat
Uit een stil dorp een klok,
En een landman stalwaartstappende gaat
Naast het span dat de ploegschaar trok,
Loop ik te dolen door 't vredige veld
Waar de laatste schoven staan,
En ik denk, hoe dit jaar is henengesneld
En hoe ras een volgend zal gaan.
"Zag ik den trotschen zaaier niet
In September over het land;
Zag ik het goudgewaaier niet
Van de zon, die de tarwe brandt?
Zal ik opnieuw den zaaier zien
Zaaien met breed gebaar?
Zal ik opnieuw den maaier zien...?
Of... was dit het laatste jaar?"
* * * * *