DE LEEUWERIK.

Het klare water vloeit als rein kristal

Door groene landen,

't Gebloemte zoomt de boorden overal

Met gele randen,

De leeuw'rik rijst de morgenvelden uit

En zingt een lied,

Dat ik wèl hooren, wèl gevoelen kan

Maar zeggen niet.

Want klaarder dan het menschelijke woord

Is 't vogelzingen;

Daar is geen snarenspel, geen harpaccoord

Dat kan doordringen

De ziel met vreugde en louterend geluk

Als déze toon,

Die draagt 't verlangen van de wereld tot

Der heem'len troon.

Hoor, hoor het zilv'ren trill'ren als een vreemd-

Zalig verblijden,

Waar, boven bosschen en beschenen beemd,

Naar alle zijden

De wijde ruimte oneindig openblauwt,

De zonne schijnt,

En, onder 't juub'len van zijn heilig lied,

Die 't zong, verdwijnt.

Om, als verzaad van zon en hemelgloed

Zingend te dalen,

Maar straks, als een die steeds verlangen moet

De warme stralen

Van 't zomersch licht te drinken van nabij,

Wéér 't aardsche ontstijgt

En niet kán rusten voor de lentedag

Ter kimme nijgt.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 49 / 100 题