Moog gij, mijn levenswerk, zijn als die zalen,
Waar men van anderen tot zich zelven keert,
En de echo's op geen enk'len voetstap falen,
Of 't leven telkens nieuw te leven leert.
Laat elk, met eigen leven, door U dwalen,
Wil, waar zijn tijd, als mij, zijn ziel bezeert,
Hem dit tot troost in zang na zang herhalen:
Schoonheid verwint, die 't Schoone sterk begeert.
Langer dan wallen duurt het levend lied,
Zoo hoog verheven drijven wolken niet,
Al reizen ze over boom en torenspitsen;
Want melodie, die leed in vreugde klaagt,
Stijgt, van de wereld, die den dichter draagt
Naar 't hemelruim, waarin Gods zonnen flitsen.
* * * * *