HET SLOTPLEIN.

Wij gingen 't zonbegloeide slotplein binnen,

Waar eenzaam bloeide blanke acacia,

En sloegen, zwijgend, met verrukte zinnen,

Dit bouwwerk van vervlogen eeuwen ga:

"O tijd," zoo dacht ik "hoe moet elk U minnen,

"Die liet den Tijd zoo hecht een schoonheid na,

"Dat zij nog thans, wat wankle of nieuw ontsta,

"Ten hemel beuren blijft de trotsche tinnen.

"Wees gij dit broze mensch, dat voor U buigt

"Voorbeeld van Hoogheid om in lager tijden

"Te bouwen 't machtig levensmonument,

"Waardoor, als gij, zijn ziel van kracht getuigt

"En schoonheid, die hem voor het leven wijdde,

"Wordt door het verre nageslacht gekend."

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 46 / 100 题