Voor onze blikken rees nu 't oud Kasteel
Met hoogen toren tusschen iep en eiken,
Waar duizend bloemen stonden stralend geel
Op 't groene grasveld in de zon te prijken.
Die zware wanden zagen de eeuwen wijken,
Trotseerend Tijd en Stormwind en Houweel,
Geslachten sterven, val van koninkrijken
Als viel slechts hun de onsterfelijkheid ten deel.
En, zooals vaak in 't Leven 't trotsche en teere
Vereend zijn, speelde op 't geel-bebloeide groen
Een kinderschare, in roze en witte kleeren,
Luid-juichend om den gouden zomer-noen,
Zóó blij, zóó blij, als zou nooit leed hun deren
Geen Dood dit broze schoon verwelken doen.
* * * * *