IV.

"Zoo was ook mij de dag, dat ik U vond,

Geen *zien* maar *weerzien*, of ik lang Uw Wezen

Gekend had en voor dien reeds menig stond

Had in Uw wonder Levensboek gelezen!

Want daar was niets, dat gij mij zeggen kondt:

*Uw* vreugd was *mijn* vreugd, en *uw* vrees *mijn* vreezen,

En 't is me alsof reeds ziel aan ziel zich bond,

Voor dat zij wist, dat gij er ooit zoudt wezen.

Dit is zóó zoet, dat ieder menschlijk woord

Zou falen om dit zalige uit te drukken,

Sinds ik U zag ken ik een zielsverrukken,

Dat menschen niet, doch goddlijken behoort,

En, mocht het Leven hart aan hart ontrukken,

Weet, dat het mij dien oogenblik vermoordt.""

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 44 / 100 题