VAN HOOGEN TORENTRANS.

"Wanneer men staat op hoogen torentrans te droomen,

Ziend in het diep alom der wereld breeden vrêe,

Het groene weideland, de torens en de boomen,

En 't parelmoerig blauw der schemerende zee,

Dan voelt men over zich dat vreemd verlangen komen,

Om, zelfvernietigend, het hart vol lust en wee,

Zich neer te storten in het diep der diepste stroomen

En nemen al zijn droome' in 't glanzend lichtgraf mee.

Niet anders wordt het mij zoo'k uw gelaat aanstare,

Waar mij het diep van on-doorgrondlijke oogen noodt,

En hoe ik vrees dat mij daar leed komt aangevaren,

Die levendige glans een weelde heeft zóó groot,

Dat ik mij zelf niet voor mijzelve kan bewaren,

Mijn leven aan U geve, al ware ook 't loon de Dood."

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 19 / 100 题