"Ik kan u niet van mij weren
Die mijn Hel en mijn Hemel zijt,
Ik moet uw omarming begeeren,
Tot den dag, dat de Dood mij verbeidt:
O! neem, als een vrucht, die levend
Rijp-rood voor u is gegroeid
Mijn mond, waarin, zich gevend,
Mijn hartstochtleven vervloeit!
En, kwam al God daartusschen
En wees op zíjn Hemel, zíjn Hel,
Ik zou u kussen en blusschen
Mijn gloed aan die Liefde-wel.
Al mocht mijn ziel verderven
En ter eeuwige marteling gaan,
Ik zou u verheerlijkend sterven
En trotsch voor Gods trone staan."
* * * * *