"Uw oogen zijn Koningsoogen
Uw lokken zijn godenblond,
Op uw lippen vol honingtogen
Drink ik mijn nooden gezond.
Uw armen zijn marmeren zuilen
Uw lichaam mijn levend altaar,
Mijn droefenis kan ik ontschuilen
Mijn blijdschap belijd ik u daar.
Gij straalt, marmerblank aan de poorte
Van mijn scheem'rende vrouwenziel,
't Is het uur mijner wedergeboorte
Het uur, waarop ik viel
Omvattend, uw blanke knieën
Kussend uw Koningsvoet,
U zingend de litanieën,
Waarmee, men de Godheid begroet."
* * * * *