IN HET LICHT VAN DEN GLORIEDAG.

Zij loopen achter de hagen

In het licht van den glorie-dag;

Zij kunnen het niet verdragen

Maar lachen een luiden lach.

De landen liggen beneden

Hun zalige voeten gespreid,

En boven hun hoofd is het Eden

Der blauw-gouden oneindigheid.

De wolken beginnen te varen,

De boomen in wiegeling

Hebben gezang van blaren,

En alles--Herinnering,

Het Heden nú, en het Verwachten,

Het nooit moede licht van de zon,

Het korengeel, het smaragd en

Het bloemenrood bij de bron,

Het geluid van een vogel, jeugdig,

Vol uitgelaten genot,

En hun eigen stemmen, vreugdig,

Als een levens-danklied tot God--

Het leeft alles te zamen in den

Glans van dien glorie-dag,

In het hart van die twee beminden

In den blijden klank van hun lach.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 16 / 100 题