Zij loopen achter de hagen
In het licht van den glorie-dag;
Zij kunnen het niet verdragen
Maar lachen een luiden lach.
De landen liggen beneden
Hun zalige voeten gespreid,
En boven hun hoofd is het Eden
Der blauw-gouden oneindigheid.
De wolken beginnen te varen,
De boomen in wiegeling
Hebben gezang van blaren,
En alles--Herinnering,
Het Heden nú, en het Verwachten,
Het nooit moede licht van de zon,
Het korengeel, het smaragd en
Het bloemenrood bij de bron,
Het geluid van een vogel, jeugdig,
Vol uitgelaten genot,
En hun eigen stemmen, vreugdig,
Als een levens-danklied tot God--
Het leeft alles te zamen in den
Glans van dien glorie-dag,
In het hart van die twee beminden
In den blijden klank van hun lach.
* * * * *