Tusschen weien groen en welig
Staan geboomten vroeg ontbloeid,
Blanke dropp'len op 't fluweelig
Gras zijn, met den dag, ontgloeid;
Zachter gaan hier menscheschreden
Als in een betooverd Eden,
Waar voor de' allereerste maal
Langs de bladeren komt gegleden
Daagraads klare morgenstraal.
Door der boomen breede kronen
Gaat de wind met zachten gang,
En de vogels die er wonen
Maken een verliefd gezang;
Eén, met luider orglen wil er
Anderen, die, met zwak getriller
Sjirpen naar het bekje staat,
Overstemmen, maar wordt stiller
Als mijn nade'ring zich verraadt.
Zie nú, waar de blanke plassen
Spiegelen der wolken tocht,
Tusschen paarse heigewassen
Wolfsklauw, die naar water zocht,--
Waar het zilverwitte berkje
--Voor de spits van 't verre kerkje--
Staat op 't neevlig blauw geheeld
Zweeft op zijn citroengeel vlerkje
Vlinder, die met vlinder speelt.
O! de groote bloeiende aarde,
O! de hemel blauw en goud,
Wist ik wat zij mij bewaarde,
Wát zij mij verborgen houdt!
Wist ik, dat na lange nachten
Mijn verlangende gedachten
Eénmaal vonden 't heerlijk schoon,
Dat van heel der aarde pracht, en
Hemel dragen zal de króón.
* * * * *