OPDRACHT.

Gij, die als een stille nachtvlam

Voor mijn venster hebt gebrand,

Toen de diepe diepe nacht kwam

Over 't donker levensland;

Gij die als een hand waart, wenkend

Toen mijn voet naar de afgrond gleed,

Wie ik was altijd gedenkend

Met een glimlach door mijn leed;

Wie ik, eens zoo trotsch, beloofd heb

Dat mij 't Leven heffen zou

Schoon 't van alles mij beroofd hebb'--

Voor U, wondervolle vrouw,

Zijn mijn verzen, neergeschreven

Bitter soms, maar schoon en waar,

En gij vindt er weergegeven

Wat er menig menig jaar

Bleef aan wanhoop en verlangen

In mijn ziel--zoo néém ze nu

Als een verren groet, mijn zangen,

Zoo ze zijn, ze zijn voor U.

* * * * *

Gedichten(#15273) · 第 10 / 100 题