VIII.

Het huiselijk leven der Turken.

De Europeaan is er niet zeer op gesteld om groote zalen tot

woonvertrekken te hebben. Hij houdt over het algemeen meer van kleine

kamers, welke hij bovendien met zulk eene menigte van stoelen, sofa's

en andere meubelen bezet, dat hij zich binnen die ruimte nauwelijks

met zijne kinderen bewegen kan. De Turken zijn in dit opzicht wijzer

dan wij; de vertrekken in hun huis zijn gewoonlijk--en ik spreek hier

van den fatsoenlijken stand--ruim en helder. De muren zijn behangen

met wit mousselienen gordijnen en de grond is met veelkleurig hout

ingelegd. Rondom de wanden staan zeer rijk versierde divans, en heel

dikwijls vindt men midden in de kamer eene fontein, die door hare

frissche stralen eene aangename koelte onderhoudt.

In Pera, waar de meeste Franken en Europeanen wonen, zijn de vertrekken

geheel naar de turksche mode ingericht, doch hier en daar vindt men

ook nog wel een Franschman of Duitscher, die zijne woning op westersche

wijze heeft gemeubeld.

Een Europeaan, die bij een aanzienlijken Turk gelogeerd was, deelt

ons de volgende bijzonderheden daarvan mede. "Ik bewoon hier een

vertrek, dat op de wijze der Franken is ingericht, namelijk met een

half dozijn stoelen, een waschtafeltje, twee spiegeltafeltjes en

eene pendule. Des nachts brengt een slaaf eenige kussens in de kamer,

stapelt die midden in het vertrek, en overdekt ze met een zeer dunne

zijden deken. Ik verzeker u, dat men er aangenamer onder rust, dan

onder de zoo zeer geroemde duitsche dekbedden. Voor de deur blijft de

slaaf de wacht houden. Met de pijp in den mond en het kromme zwaard

in de hand, blijft hij den geheelen nacht wakker, en eerst des morgens

veroorlooft hij zich een weinig rust te nemen.

"Wat het voedsel en de voeding betreft, zijn de Turken in het geheel

niet te verachten. Zij houden van vele en velerlei spijzen. De

eerste maaltijd wordt gebruikt terstond na het morgengebed, en wel

na de gewone reinigingen der Mohammedanen, waartoe zij door den

muezzin (omroeper der moskee) worden aangemaand. Zoodra de muezzin

des morgens te negen uur het geroep laat hooren; "Allah il Allah,

Mohammed resul Illaby," [4] komt er overal leven en beweging in

huis, waarna het ontbijt gereed gemaakt wordt. Dit bestaat uit een

glas regenwater, wijl het bronwater voor ongezond gehouden wordt;

vervolgens allerlei suikerwerk met frisch, gezuurd brood, honing, zure

melk en rijstpodding, waarna pijpen en koffie gediend worden. Rooken

en drinken doet men den ganschen dag; als het zeer warm is, eet men

af en toe zure kersen, druiven, kweeperen, gesuikerd ijs, enz. om

zich te verfrisschen.

"Het middagmaal is eigenlijk de belangrijkste maaltijd, en wordt

eerst na het derde gebed, te vijf uur, gebruikt. Daar de stoelen

niet in gebruik zijn, is de tafelbediening in het Oosten geheel

anders ingericht. Er wordt in het midden der kamer een zeer lange,

lage bank geplaatst en daar rondom kussens gelegd waarop de gasten

kunnen zitten. In plaats van een servet wordt deze bank belegd met

eene koperen plaat, die spiegelglad is, en elke gast vindt op den

rand van die plaat een stukje brood, dat met een cachet gestempeld

is. Tusschen deze stukjes brood staan kleine bordjes en napjes met

olijven, welke laatsten met eene soort van stroop bedekt zijn; op een

ander napje liggen allerlei specerijen en gekleurde suikererwten. Als

men in aanzienlijke huizen eet, dan ligt er naast een klein hoopje

zout, bezijden het brood, eene smalle gepolijste staalplaat van de

grootte onzer vorken, waarmede men de stroop en de olijven naar

den mond brengt; rechts van het stukje brood liggen drie lepels,

een van ebbenhout, de tweede van ivoor en de derde gewoonlijk

van schildpad. Nooit ziet men, behalve bij de liberale Turken,

eenig zilverwerk op tafel, aangezien de Profeet ergens in den koran

uitgesproken heeft, dat hij die op aarde met zilver eet, in den hemel

niets hebben zal. Dit is zijne verklaring van de woorden: "Wie zich

verhoogt, die zal vernederd worden;" en "zalig zijn de armen, want

hunner is het koninkrijk Gods".

"Zoodra de tafel nu geheel bedekt is, naderen er twee slaven, die

achter de gasten blijven staan. De een houdt op de vlakke hand een

bekken van metaal, dat van een deksel voorzien is. Dit deksel heeft

veel van eene fijne zeef, door welker openingen eene wolk van geuren

opstijgt; de andere slaaf heeft eene schoon gevormde metalen kruik

in zijne hand; deze kruik is met water gevuld, en dient om de gasten

behulpzaam te zijn in het afwasschen hunner handen, waartoe de slaaf

over den linker schouder een paar handdoeken heeft geslagen. Voor dat

men op de kussens plaats neemt, reinigt men zich in tegenwoordigheid

van allen de handen, waarna men gaat zitten of liggen, al naar mate

men dit het gemakkelijkst vindt.

"De gastheer neemt nu tusschen den duim en wijsvinger een stukje van

het brood, doopt dit in het zout, en reikt het aan een der gasten toe,

waardoor deze tot heer van de tafel verheven wordt: dat wil zeggen,

dat hem het recht wordt gegeven elken schotel zoo lang op de tafel

te houden als hij wil, waardoor hij echter tevens verplicht is van

alle spijzen te moeten proeven. Een andere slaaf zet nu eene terrine

met soep voor den gastheer, die er met den schildpadden lepel eenige

scheppen uitneemt, waarna ieder gast zijn voorbeeld volgt. Onder dit

soep eten giet de slaaf over de handen der gasten gedurig water uit,

opdat deze vooral rein zouden blijven.

"Men eet in Turkije, en vooral bij de rijken, veel en velerlei,

somtijds vier-en-twintig verschillende gerechten. Na de soep volgt

een schotel met hawa, de lievelingsspijs van alle Oosterlingen. Dit

is een zeer zoete brij, bestaande uit tarwemeel, honig en geklutste

boter, waarbij room, specerijen en allerlei vruchtensappen gevoegd

zijn. Vervolgens worden de vleeschspijzen rondgediend; deze bestaan

meestal in gevogelte, en zijn zoo toebereid, dat men niet behoeft

te kluiven. Onder de groenten bekleedt de bamia eene aanzienlijke

plaats. De bamia is eene koolsoort, welke zeer aangenaam smaakt; de

Turken zeggen dat het eten daarvan de zinnelijkheid zeer prikkelt. Dat

het niet aan rijst ontbreekt, spreekt wel van zelf, en gewoonlijk eet

men die op drie- of vierderlei wijzen toebereid. Visch wordt weinig

gegeten, maar in plaats daarvan eene dikke soep van kippenvleesch,

rijst, okkernoten en vischgelei. Aan het gebruik om bij elken

hoofdschotel een stuk knoflook te kauwen, en de zoetigheden met

rozenwater te verdunnen, gewent men zich zeer spoedig. Voor dat men na

het eindigen van den maaltijd koffie gaat drinken, deelen de slaven

nog een schotel soep rond, waarop rozen liggen, die gekookt en met

suiker gestoofd zijn. Ik kan een ieder aanraden, zulk een schotel

nooit te laten voorbijgaan.

"De Turk is bij het eten zeer op etiquette gesteld. Men kan niet met

den lepel eten dien men verkiest: de soep vereischt een langen lepel,

de gesuikerde spijzen behooren bij den ebbenhouten, en al wat brij

is moet met den ivoren lepel gegeten worden. Nooit mag men eenige

spijs met de linkerhand aanraken, en men maakt een zeer belachelijk

figuur als men van het metalen staafje iets op de tafel of op zijne

kleederen laat vallen. Daarentegen mag men zijne handen zoo dikwijls

reinigen als men wil, en het behoort tot het gebruik om minstens alle

vijf minuten zijne vingers af te likken."

Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 9 / 12 题