Het huiselijk leven der Turken.
De Europeaan is er niet zeer op gesteld om groote zalen tot
woonvertrekken te hebben. Hij houdt over het algemeen meer van kleine
kamers, welke hij bovendien met zulk eene menigte van stoelen, sofa's
en andere meubelen bezet, dat hij zich binnen die ruimte nauwelijks
met zijne kinderen bewegen kan. De Turken zijn in dit opzicht wijzer
dan wij; de vertrekken in hun huis zijn gewoonlijk--en ik spreek hier
van den fatsoenlijken stand--ruim en helder. De muren zijn behangen
met wit mousselienen gordijnen en de grond is met veelkleurig hout
ingelegd. Rondom de wanden staan zeer rijk versierde divans, en heel
dikwijls vindt men midden in de kamer eene fontein, die door hare
frissche stralen eene aangename koelte onderhoudt.
In Pera, waar de meeste Franken en Europeanen wonen, zijn de vertrekken
geheel naar de turksche mode ingericht, doch hier en daar vindt men
ook nog wel een Franschman of Duitscher, die zijne woning op westersche
wijze heeft gemeubeld.
Een Europeaan, die bij een aanzienlijken Turk gelogeerd was, deelt
ons de volgende bijzonderheden daarvan mede. "Ik bewoon hier een
vertrek, dat op de wijze der Franken is ingericht, namelijk met een
half dozijn stoelen, een waschtafeltje, twee spiegeltafeltjes en
eene pendule. Des nachts brengt een slaaf eenige kussens in de kamer,
stapelt die midden in het vertrek, en overdekt ze met een zeer dunne
zijden deken. Ik verzeker u, dat men er aangenamer onder rust, dan
onder de zoo zeer geroemde duitsche dekbedden. Voor de deur blijft de
slaaf de wacht houden. Met de pijp in den mond en het kromme zwaard
in de hand, blijft hij den geheelen nacht wakker, en eerst des morgens
veroorlooft hij zich een weinig rust te nemen.
"Wat het voedsel en de voeding betreft, zijn de Turken in het geheel
niet te verachten. Zij houden van vele en velerlei spijzen. De
eerste maaltijd wordt gebruikt terstond na het morgengebed, en wel
na de gewone reinigingen der Mohammedanen, waartoe zij door den
muezzin (omroeper der moskee) worden aangemaand. Zoodra de muezzin
des morgens te negen uur het geroep laat hooren; "Allah il Allah,
Mohammed resul Illaby," [4] komt er overal leven en beweging in
huis, waarna het ontbijt gereed gemaakt wordt. Dit bestaat uit een
glas regenwater, wijl het bronwater voor ongezond gehouden wordt;
vervolgens allerlei suikerwerk met frisch, gezuurd brood, honing, zure
melk en rijstpodding, waarna pijpen en koffie gediend worden. Rooken
en drinken doet men den ganschen dag; als het zeer warm is, eet men
af en toe zure kersen, druiven, kweeperen, gesuikerd ijs, enz. om
zich te verfrisschen.
"Het middagmaal is eigenlijk de belangrijkste maaltijd, en wordt
eerst na het derde gebed, te vijf uur, gebruikt. Daar de stoelen
niet in gebruik zijn, is de tafelbediening in het Oosten geheel
anders ingericht. Er wordt in het midden der kamer een zeer lange,
lage bank geplaatst en daar rondom kussens gelegd waarop de gasten
kunnen zitten. In plaats van een servet wordt deze bank belegd met
eene koperen plaat, die spiegelglad is, en elke gast vindt op den
rand van die plaat een stukje brood, dat met een cachet gestempeld
is. Tusschen deze stukjes brood staan kleine bordjes en napjes met
olijven, welke laatsten met eene soort van stroop bedekt zijn; op een
ander napje liggen allerlei specerijen en gekleurde suikererwten. Als
men in aanzienlijke huizen eet, dan ligt er naast een klein hoopje
zout, bezijden het brood, eene smalle gepolijste staalplaat van de
grootte onzer vorken, waarmede men de stroop en de olijven naar
den mond brengt; rechts van het stukje brood liggen drie lepels,
een van ebbenhout, de tweede van ivoor en de derde gewoonlijk
van schildpad. Nooit ziet men, behalve bij de liberale Turken,
eenig zilverwerk op tafel, aangezien de Profeet ergens in den koran
uitgesproken heeft, dat hij die op aarde met zilver eet, in den hemel
niets hebben zal. Dit is zijne verklaring van de woorden: "Wie zich
verhoogt, die zal vernederd worden;" en "zalig zijn de armen, want
hunner is het koninkrijk Gods".
"Zoodra de tafel nu geheel bedekt is, naderen er twee slaven, die
achter de gasten blijven staan. De een houdt op de vlakke hand een
bekken van metaal, dat van een deksel voorzien is. Dit deksel heeft
veel van eene fijne zeef, door welker openingen eene wolk van geuren
opstijgt; de andere slaaf heeft eene schoon gevormde metalen kruik
in zijne hand; deze kruik is met water gevuld, en dient om de gasten
behulpzaam te zijn in het afwasschen hunner handen, waartoe de slaaf
over den linker schouder een paar handdoeken heeft geslagen. Voor dat
men op de kussens plaats neemt, reinigt men zich in tegenwoordigheid
van allen de handen, waarna men gaat zitten of liggen, al naar mate
men dit het gemakkelijkst vindt.
"De gastheer neemt nu tusschen den duim en wijsvinger een stukje van
het brood, doopt dit in het zout, en reikt het aan een der gasten toe,
waardoor deze tot heer van de tafel verheven wordt: dat wil zeggen,
dat hem het recht wordt gegeven elken schotel zoo lang op de tafel
te houden als hij wil, waardoor hij echter tevens verplicht is van
alle spijzen te moeten proeven. Een andere slaaf zet nu eene terrine
met soep voor den gastheer, die er met den schildpadden lepel eenige
scheppen uitneemt, waarna ieder gast zijn voorbeeld volgt. Onder dit
soep eten giet de slaaf over de handen der gasten gedurig water uit,
opdat deze vooral rein zouden blijven.
"Men eet in Turkije, en vooral bij de rijken, veel en velerlei,
somtijds vier-en-twintig verschillende gerechten. Na de soep volgt
een schotel met hawa, de lievelingsspijs van alle Oosterlingen. Dit
is een zeer zoete brij, bestaande uit tarwemeel, honig en geklutste
boter, waarbij room, specerijen en allerlei vruchtensappen gevoegd
zijn. Vervolgens worden de vleeschspijzen rondgediend; deze bestaan
meestal in gevogelte, en zijn zoo toebereid, dat men niet behoeft
te kluiven. Onder de groenten bekleedt de bamia eene aanzienlijke
plaats. De bamia is eene koolsoort, welke zeer aangenaam smaakt; de
Turken zeggen dat het eten daarvan de zinnelijkheid zeer prikkelt. Dat
het niet aan rijst ontbreekt, spreekt wel van zelf, en gewoonlijk eet
men die op drie- of vierderlei wijzen toebereid. Visch wordt weinig
gegeten, maar in plaats daarvan eene dikke soep van kippenvleesch,
rijst, okkernoten en vischgelei. Aan het gebruik om bij elken
hoofdschotel een stuk knoflook te kauwen, en de zoetigheden met
rozenwater te verdunnen, gewent men zich zeer spoedig. Voor dat men na
het eindigen van den maaltijd koffie gaat drinken, deelen de slaven
nog een schotel soep rond, waarop rozen liggen, die gekookt en met
suiker gestoofd zijn. Ik kan een ieder aanraden, zulk een schotel
nooit te laten voorbijgaan.
"De Turk is bij het eten zeer op etiquette gesteld. Men kan niet met
den lepel eten dien men verkiest: de soep vereischt een langen lepel,
de gesuikerde spijzen behooren bij den ebbenhouten, en al wat brij
is moet met den ivoren lepel gegeten worden. Nooit mag men eenige
spijs met de linkerhand aanraken, en men maakt een zeer belachelijk
figuur als men van het metalen staafje iets op de tafel of op zijne
kleederen laat vallen. Daarentegen mag men zijne handen zoo dikwijls
reinigen als men wil, en het behoort tot het gebruik om minstens alle
vijf minuten zijne vingers af te likken."