De bazar te Konstantinopel.
De heer Bartlett, die Konstantinopel bezocht tijdens er de pest
uitgebroken was, woonde bij een vriend te Pera. Op zekeren morgen
lieten beiden hunne blikken uit het venster over de stad weiden. "Het
is daarbeneden nog niet geheel pluis," zeide de vriend, en noemde te
gelijk verscheidene van zijne konstantinopolitaansche kennissen op,
die aan de pest gestorven waren. De Heer Bartlett echter had geen
lust om zich te Pera te doen opsluiten, en daar hij volstrekt niet
bevreesd was voor die ziekte, haalde hij zijnen vriend over om naar
de overzijde te varen, en de golf te doorklieven welke Europa van
Azië scheidt. "De zon," verhaalt hij, "spiegelde zich zoo schoon in
de gerimpelde golven, welke van kaiks en vaartuigen van allerlei
soort wemelden, de moskeeën en de minarets staken zoo prachtig
af tegen den donker blauwen hemel, en de duizenderlei voorwerpen,
welke zich aan ons oog vertoonden, traden voor onzen blik in zulk
een gunstig licht, dat wij, toen wij de honderden menschen de brug
op en neder zagen wandelen bijna geneigd waren al de geruchten van
"de pest die in de donkerheid wandelt" als overdreven te beschouwen,
en wij het er voor hielden dat die ziekte slechts in de achterbuurten
der stad woedde. Onze moed nam toe naarmate wij het gevaar naderden,
en wij behoefden onze stokken niet meer te gebruiken om de noodige
ruimte voor onze voeten te bewaren. Weldra echter bevonden wij ons
te midden van het gedrang der bonte volksmenigte.
"De stroom voerde ons mede, en dreef ons door eene rij van nauwe
straten, waar wij nu eens eene moskee en dan weder eene prachtige
fontein bewonderden, totdat wij ten laatste den bazar bereikten. Deze
bazar is, gelijk die van Damaskus, de verzamelplaats der geheele
bevolking, de zetel van den handel, de stapelplaats van den rijkdom,
het middenpunt van allerlei vliegende geruchten en de plaats waar
allerlei intriguen en samenzweringen worden op touw gezet. Als men zich
een denkbeeld van dezen bazar wil maken, dan moet men zich voorstellen
eene groote stadswijk, die van een muur omgeven en als het ware met
een dak overspannen is; het is een doolhof van smalle gangen, die door
open winkels gevormd worden, en in welke slechts door zekere openingen
in de gewelfde daken een zonnestraal dringen kan. Voor wagens is hier
geene plaatsruimte; alleen door de grootere doorgangen ziet men nu en
dan een paard of kameel die een last draagt. Alle overige gedeelten
zijn slechts ingericht voor voetgangers, die hier in gansche scharen
te zamen komen en een onophoudelijk gemurmel veroorzaken. Waar men
zich echter het meest over verwondert, is de menigte vrouwen, die den
bazar bezoeken, terwijl men in Europa in het denkbeeld verkeert, dat
de vrouwen in het Oosten nooit de muren harer huizen verlaten. Gehuld
in hare witte yakmaks (sluiers) en zeer dun gekleed, trippelen zij
in hare geel lederen pantoffels u voorbij, terwijl zij u met hare
zwarte fonkelende oogen aanzien. Gewoonlijk worden zij gevolgd door
een knecht of eene zwarte slavin. Vooral is de vrouwenschaar te vinden
in die winkels waar shawls en allerlei opschik verkocht worden. Deze
voorwerpen lachen de konstantinopolitaansche dames even zoo sterk toe,
als hare mannen daarvoor met vrees en schrik zijn vervuld. Hier is het
nog slimmer dan in een bijenkorf; wel wordt er niet geschreeuwd als
bij sommige gelegenheden op de beurs, maar toch is het gedruisch hier
zoo oorverdoovend, dat geen man het er vijf minuten uithouden kan. In
dien schoonen bazar ziet men groote rijen van hoogroode schoenen,
gele laarzen en geborduurde pantoffels van alle kleur, van laken en
fluweel, sommigen met goud bedekt, anderen zeer prachtig versierd;
uit de bazars der suikerbakkers stroomen de geuren van duizenderlei
gebak en confituren u te gemoet, en dikwijls treft men voor zulke
winkels de dienaars der aanzienlijke Turken aan, welke manden vol
naar de huizen hunner heeren dragen.
"Dit gedeelte van den bazar is steeds het drukst bezocht; minder dat
van den bazar der juweliers, die niets doen om de toeschouwers door
het ten toon spreiden der rijke versierselen te lokken. Zoodra een
kooper binnentreedt, wordt hij in een afzonderlijk vertrek gebracht,
waar hij te kust en te keur koopen kan. Men verhaalde ons dat hier
groote schatten opgestapeld liggen. Het allerminst bezocht is de boek-
en papierbazar, wijl de Turk weinig smaak heeft voor literatuur en
te traag is tot schrijven. Daar naast bevinden zich de tabak- en
specerij-bazars, welke altijd in een nevel van geuren en parfumerien
gehuld zijn. De Tsjarsji of wapen-bazar overtreft echter alle
andere bazars in smaakvolle uitrusting. Deze bazar heeft een duister
voorkomen; het is er zoo donker als in de schemering. Rembrandt zou
er zeker gaarne eenigen tijd doorgebracht hebben. De zware deuren,
welke des nachts zorgvuldig gesloten worden, laten gedurende den dag
juist zooveel licht binnen, dat men de gewelven en zuilen, alsmede de
onafgebrokene menigte van bezoekers, met moeite kan onderscheiden. Men
ziet hier alle soorten van wapens, waaronder van zulk een hoogen
ouderdom en van zulke grillige vormen, dat men meent verplaatst te
zijn in de eeuw der fabelhelden, in de tijden der kruistochten en
in de roemrijke dagen der Muzelmannen, toen hunne onwederstaanbare
legers het Westen met schrik vervulden. Hier hangt de kromme sabel en
het schild versierd met de halve maan, dat Saladin misschien eenmaal
gebruikte; het pantsier en het slagzwaard van den christelijken ridder;
de lichte speer, welke wellicht aan de oevers van den Donau te midden
van de rijen der vijanden werd geworpen, en de wapens, die eenmaal
de gevreesde Janitsaren gezwaaid hebben. Hier liggen rijk met zilver
versierde pistolen in prachtige holsters; daar lange karabijnen
bezet met paarlen en arabesken, welke veeleer schijnen bestemd te
zijn om in eene wapenzaal te schitteren dan om daarmede een vijand te
dooden. Naast deze wapens, welke tot den verleden tijd behooren, ziet
men ook zulke, die uit de nieuwere fabrieken te voorschijn zijn gekomen
en zoowel voor de jacht als voor den oorlog dienstig zijn. Buitendien
vindt de jager en de krijgsman hier alles wat hij slechts begeeren
kan: geborduurde gordels en sjerpen, huiden van luipaarden, panters en
tijgers, zadels van allerlei vorm en ouderdom; alle muren hangen vol,
en alles ligt in eene schilderachtige wanorde op de banken.
"In den donkersten hoek en geheel achter deze goederen verborgen,
zitten de verkoopers, wier hoofden met tulbanden bedekt zijn; ernstig
is hun gelaat; zij zitten met de pijp in de hand en schijnen altijd te
droomen; maar nauwelijks zien zij een reiziger uit Europa, vergezeld
van zijn sluwen gids, of die droomers worden levend: zij lokken hem
uit binnen te treden en doen al hun best om van dit bezoek voordeel te
trekken.--De oudekleeren-bazar, geheel opgevuld met versleten kaftans,
oude slaaprokken, wijde broeken, misschien nog een paar dagen geleden
in het bezit van een eigenaar die aan de pest gestorven was, zag
er niet zeer vroolijk uit en boezemde ons zelfs afkeer in. Maar wij
konden ook niet langer blijven en wij hadden onze schouders en armen
reeds met die van de halve bevolking van Konstantinopel in aanraking
gebracht. Niemand zou binnen den bazar vermoed hebben, dat de pest
zulke groote verwoestingen aanrichtte. Maar het gaat hiermede als
met Konstantinopel zelve. Men kan de stad beschouwen als het hart van
het zinkende turksche rijk, dat steeds versch levensbloed verkrijgt,
terwijl de bevolking der provinciën van jaar tot jaar afneemt. De
bazar blijft onveranderlijk; jaarlijks stroomen nog meer koopers,
verkoopers en nieuwsgierigen toe, terwijl pest en brand, hongersnood
en ellende de andere wijken der stad ontvolken."