VII.

De bazar te Konstantinopel.

De heer Bartlett, die Konstantinopel bezocht tijdens er de pest

uitgebroken was, woonde bij een vriend te Pera. Op zekeren morgen

lieten beiden hunne blikken uit het venster over de stad weiden. "Het

is daarbeneden nog niet geheel pluis," zeide de vriend, en noemde te

gelijk verscheidene van zijne konstantinopolitaansche kennissen op,

die aan de pest gestorven waren. De Heer Bartlett echter had geen

lust om zich te Pera te doen opsluiten, en daar hij volstrekt niet

bevreesd was voor die ziekte, haalde hij zijnen vriend over om naar

de overzijde te varen, en de golf te doorklieven welke Europa van

Azië scheidt. "De zon," verhaalt hij, "spiegelde zich zoo schoon in

de gerimpelde golven, welke van kaiks en vaartuigen van allerlei

soort wemelden, de moskeeën en de minarets staken zoo prachtig

af tegen den donker blauwen hemel, en de duizenderlei voorwerpen,

welke zich aan ons oog vertoonden, traden voor onzen blik in zulk

een gunstig licht, dat wij, toen wij de honderden menschen de brug

op en neder zagen wandelen bijna geneigd waren al de geruchten van

"de pest die in de donkerheid wandelt" als overdreven te beschouwen,

en wij het er voor hielden dat die ziekte slechts in de achterbuurten

der stad woedde. Onze moed nam toe naarmate wij het gevaar naderden,

en wij behoefden onze stokken niet meer te gebruiken om de noodige

ruimte voor onze voeten te bewaren. Weldra echter bevonden wij ons

te midden van het gedrang der bonte volksmenigte.

"De stroom voerde ons mede, en dreef ons door eene rij van nauwe

straten, waar wij nu eens eene moskee en dan weder eene prachtige

fontein bewonderden, totdat wij ten laatste den bazar bereikten. Deze

bazar is, gelijk die van Damaskus, de verzamelplaats der geheele

bevolking, de zetel van den handel, de stapelplaats van den rijkdom,

het middenpunt van allerlei vliegende geruchten en de plaats waar

allerlei intriguen en samenzweringen worden op touw gezet. Als men zich

een denkbeeld van dezen bazar wil maken, dan moet men zich voorstellen

eene groote stadswijk, die van een muur omgeven en als het ware met

een dak overspannen is; het is een doolhof van smalle gangen, die door

open winkels gevormd worden, en in welke slechts door zekere openingen

in de gewelfde daken een zonnestraal dringen kan. Voor wagens is hier

geene plaatsruimte; alleen door de grootere doorgangen ziet men nu en

dan een paard of kameel die een last draagt. Alle overige gedeelten

zijn slechts ingericht voor voetgangers, die hier in gansche scharen

te zamen komen en een onophoudelijk gemurmel veroorzaken. Waar men

zich echter het meest over verwondert, is de menigte vrouwen, die den

bazar bezoeken, terwijl men in Europa in het denkbeeld verkeert, dat

de vrouwen in het Oosten nooit de muren harer huizen verlaten. Gehuld

in hare witte yakmaks (sluiers) en zeer dun gekleed, trippelen zij

in hare geel lederen pantoffels u voorbij, terwijl zij u met hare

zwarte fonkelende oogen aanzien. Gewoonlijk worden zij gevolgd door

een knecht of eene zwarte slavin. Vooral is de vrouwenschaar te vinden

in die winkels waar shawls en allerlei opschik verkocht worden. Deze

voorwerpen lachen de konstantinopolitaansche dames even zoo sterk toe,

als hare mannen daarvoor met vrees en schrik zijn vervuld. Hier is het

nog slimmer dan in een bijenkorf; wel wordt er niet geschreeuwd als

bij sommige gelegenheden op de beurs, maar toch is het gedruisch hier

zoo oorverdoovend, dat geen man het er vijf minuten uithouden kan. In

dien schoonen bazar ziet men groote rijen van hoogroode schoenen,

gele laarzen en geborduurde pantoffels van alle kleur, van laken en

fluweel, sommigen met goud bedekt, anderen zeer prachtig versierd;

uit de bazars der suikerbakkers stroomen de geuren van duizenderlei

gebak en confituren u te gemoet, en dikwijls treft men voor zulke

winkels de dienaars der aanzienlijke Turken aan, welke manden vol

naar de huizen hunner heeren dragen.

"Dit gedeelte van den bazar is steeds het drukst bezocht; minder dat

van den bazar der juweliers, die niets doen om de toeschouwers door

het ten toon spreiden der rijke versierselen te lokken. Zoodra een

kooper binnentreedt, wordt hij in een afzonderlijk vertrek gebracht,

waar hij te kust en te keur koopen kan. Men verhaalde ons dat hier

groote schatten opgestapeld liggen. Het allerminst bezocht is de boek-

en papierbazar, wijl de Turk weinig smaak heeft voor literatuur en

te traag is tot schrijven. Daar naast bevinden zich de tabak- en

specerij-bazars, welke altijd in een nevel van geuren en parfumerien

gehuld zijn. De Tsjarsji of wapen-bazar overtreft echter alle

andere bazars in smaakvolle uitrusting. Deze bazar heeft een duister

voorkomen; het is er zoo donker als in de schemering. Rembrandt zou

er zeker gaarne eenigen tijd doorgebracht hebben. De zware deuren,

welke des nachts zorgvuldig gesloten worden, laten gedurende den dag

juist zooveel licht binnen, dat men de gewelven en zuilen, alsmede de

onafgebrokene menigte van bezoekers, met moeite kan onderscheiden. Men

ziet hier alle soorten van wapens, waaronder van zulk een hoogen

ouderdom en van zulke grillige vormen, dat men meent verplaatst te

zijn in de eeuw der fabelhelden, in de tijden der kruistochten en

in de roemrijke dagen der Muzelmannen, toen hunne onwederstaanbare

legers het Westen met schrik vervulden. Hier hangt de kromme sabel en

het schild versierd met de halve maan, dat Saladin misschien eenmaal

gebruikte; het pantsier en het slagzwaard van den christelijken ridder;

de lichte speer, welke wellicht aan de oevers van den Donau te midden

van de rijen der vijanden werd geworpen, en de wapens, die eenmaal

de gevreesde Janitsaren gezwaaid hebben. Hier liggen rijk met zilver

versierde pistolen in prachtige holsters; daar lange karabijnen

bezet met paarlen en arabesken, welke veeleer schijnen bestemd te

zijn om in eene wapenzaal te schitteren dan om daarmede een vijand te

dooden. Naast deze wapens, welke tot den verleden tijd behooren, ziet

men ook zulke, die uit de nieuwere fabrieken te voorschijn zijn gekomen

en zoowel voor de jacht als voor den oorlog dienstig zijn. Buitendien

vindt de jager en de krijgsman hier alles wat hij slechts begeeren

kan: geborduurde gordels en sjerpen, huiden van luipaarden, panters en

tijgers, zadels van allerlei vorm en ouderdom; alle muren hangen vol,

en alles ligt in eene schilderachtige wanorde op de banken.

"In den donkersten hoek en geheel achter deze goederen verborgen,

zitten de verkoopers, wier hoofden met tulbanden bedekt zijn; ernstig

is hun gelaat; zij zitten met de pijp in de hand en schijnen altijd te

droomen; maar nauwelijks zien zij een reiziger uit Europa, vergezeld

van zijn sluwen gids, of die droomers worden levend: zij lokken hem

uit binnen te treden en doen al hun best om van dit bezoek voordeel te

trekken.--De oudekleeren-bazar, geheel opgevuld met versleten kaftans,

oude slaaprokken, wijde broeken, misschien nog een paar dagen geleden

in het bezit van een eigenaar die aan de pest gestorven was, zag

er niet zeer vroolijk uit en boezemde ons zelfs afkeer in. Maar wij

konden ook niet langer blijven en wij hadden onze schouders en armen

reeds met die van de halve bevolking van Konstantinopel in aanraking

gebracht. Niemand zou binnen den bazar vermoed hebben, dat de pest

zulke groote verwoestingen aanrichtte. Maar het gaat hiermede als

met Konstantinopel zelve. Men kan de stad beschouwen als het hart van

het zinkende turksche rijk, dat steeds versch levensbloed verkrijgt,

terwijl de bevolking der provinciën van jaar tot jaar afneemt. De

bazar blijft onveranderlijk; jaarlijks stroomen nog meer koopers,

verkoopers en nieuwsgierigen toe, terwijl pest en brand, hongersnood

en ellende de andere wijken der stad ontvolken."

Konstantinopel en het Serail De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 8 / 12 题